25-07-15

achtste zondag na Pinksteren : 'van de wonderbare spijziging'

 Welkom op mijn blog met informatie over de Orthodoxie. Teksten, bezinningen, theologie Foto's..........

 

 

 Om uit de bijbel te horen voorlezen, klik op het bijbeltje

bijbel 2.jpg

 

De teksten van de gezangen kunnen teruggevonden worden in de rechter kolom 

start nummer één en ga dan naar de tekst in de rechterkolom om alle gezangen goed te kunnen volgen

Om mij te contacteren : zie linkerkolom 'contacteer me'

 

achtste zondag na Pinksteren : 'van de wonderbare spijziging'

8e zondag na Pinksteren

"Van de wonderbare spijziging"

bruiloft van Kana2.jpg

 

broodvermenigvuldiging

 

 

Lezingen :

1 Kor,1,10-18:

Verdeeldheid in de gemeente
Maar in de naam van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters, doe ik een beroep op u: wees allen eensgezind laat er geen verdeeldheid onder u zijn; wees volkomen één van zin en één van gevoelen. Ik heb namelijk van Chloë's huisgenoten gehoord, broeders en zusters, dat er onenigheid onder u heerst. Ik* bedoel dit: Ieder van u schijnt zijn eigen leus te hebben: 'Ik ben van Paulus.' 'Ik van Apollos*.' 'Ik van Kefas*.' 'Ik van Christus*.' Is Christus dan in stukken verdeeld? Is Paulus soms voor u gekruisigd? Of bent u gedoopt in de naam van Paulus? God zij dank dat ik niemand van u gedoopt heb, behalve dan Crispus en Gajus. Dus niemand kan zeggen dat u in mijn naam gedoopt bent. O ja, ik heb ook nog het gezin van Stefanas gedoopt; verder zou ik niet weten dat ik iemand gedoopt heb. Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen; en dat niet met geleerde*woorden, want dan had het kruis van Christus zijn kracht verloren.
De wijsheid van de wereld
Want de boodschap van het kruis is dwaasheid voor hen die verloren gaan, maar voor hen die gered worden, voor ons, is het een kracht Gods.

Evangelie :

Matth.14,14-22 :

Toen Hij van boord ging, zag Hij een grote menigte. Hij had zeer met hen te doen en genas hun zieken. Toen het avond werd, kwamen zijn leerlingen Hem zeggen: 'Dit is een eenzame plaats en het is al laat geworden. Stuur de mensen weg, dan kunnen ze zelf in de dorpen eten gaan kopen.' Maar Jezus zei: 'Ze hoeven niet weg te gaan. Jullie moeten hun te eten geven.' Zij zeiden Hem: 'Wij hebben hier niets anders dan vijf broden en twee vissen.' Hij zei: 'Breng die hier.' Hij verzocht de mensen op het gras te gaan zitten, nam die vijf broden en twee vissen, keek op naar de hemel, sprak de zegenbede uit, Hij brak de broden en gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze aan de mensen. Allemaal hadden ze volop te eten. Ze haalden de brokken op die over waren, twaalf korven vol. [Afgezien van vrouwen en kinderen waren het zo'n vijfduizend man die gegeten hadden.
Tegenwind op het meer
Meteen hierna dwong Hij de leerlingen om aan boord te gaan en alvast voor Hem uit over te steken; dan zou Hij intussen de mensen wegsturen.

Gregorius van Nyssa : Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zondar herder

H. Gregorius van Nyssa (ca. 335-395), monnik en bisschop
Homilie over het Hooglied; PG 44, 801

 

Gregorius van Nyssa77.jpg

 

 

"Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder"

 

Waar weidt U uw kudde, goede Herder die heel de kudde op uw schouders draagt? Want heel de menselijke natuur is dat ene schaap, dat U op uw schouders genomen hebt. Toon me de groene wei, laat me het water van de rust kennen, leid me naar het voedzaam gras, roep me bij mijn naam, opdat ik uw stem hoor, ik die uw schaap ben, en geef me door uw stem het eeuwig leven.


"Ja, zeg het mij, mijn Zielsbeminde. Zo noem ik U, omdat uw naam boven alle namen is en door geen enkel redelijk schepsel uitgesproken of begrepen kan worden. Die naam duidt op uw goedheid en getuigt van mijn gevoelens voor U. Hoe zou ik U niet beminnen, die mij zo bemind hebt, - en dat terwijl ik helemaal zwart was -, dat U uw leven gaf voor de schapen die U hoedde? Men kan geen grotere liefde uitdenken dan die waardoor U uw leven gaf voor mijn heil".


"Maak me dan bekend ‘waar Je je kudde weidt’, zegt de bruid, dan kan ik de weide van het heil vinden en door de hemelse spijs gevoed worden, waarvan gezegd is dat niemand het leven binnen kan gaan als hij er niet van eet. Dan zal ik naar U, die de bron bent, toelopen en met volle teugen drinken van het goddelijk water dat U doet ontspringen voor degenen die dorst hebben. Sinds de lans de ader geopend heeft, vloeit het water voortdurend uit uw zijde, en degene die ervan drinkt, wordt een bron van water dat opborrelt tot eeuwig leven"


(Bijbelse referenties: Hoogl 1,7; Lc 15,5; Ps 23; Joh 10,3; Hoogl 1,7; Fil 2,9; Hoogl. 1,5; Joh 10,11; 15,13; 19,34; 4,14)

Bron : www.dagelijksevangelie.org 

18-07-15

7e zondag na pinksteren : genezing van twee blinden

7e zondag na Pinksteren

 

 De genezing van twee blinden

blinden twee blinden.jpg

Genezing van de twee blinden

 

LEZINGEN :

Eerste lezing : Romeinen 15,1-7 :

Hoofdstuk 15 Wij, die bij de sterken horen, hebben de plicht de gevoeligheid van de zwakken te verdragen, zonder onszelf te zoeken. Laat ieder van ons bedacht zijn op het welzijn en de stichting van zijn naaste. Ook Christus heeft zichzelf niet gezocht. Er staat immers geschreven: De smaad van hen die U smaden, is op Mij neergekomen. Want alles wat eertijds is opgeschreven, werd opgeschreven tot onze lering, opdat wij door de volharding en de vertroosting die wij putten uit de Schrift, in hoop zouden leven. God, die de volharding en de vertroosting schenkt, verlene u ook de eensgezindheid, die u in Christus past, opdat u één van hart en uit één mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus verheerlijkt.
Samenvatting van de brief Aanvaard daarom elkaar, zoals ook Christus u aanvaard heeft, tot eer van God.

 

EVANGELIE : Mathheüs 9,27-35

 

Twee blinden zien Toen Jezus vandaar verderging, volgden Hem twee blinden, die schreeuwden: 'Zoon van David, heb medelijden met ons.' Toen Hij thuisgekomen was, kwamen de blinden naar Hem toe. Jezus zei tegen hen: 'Hebt u er vertrouwen in dat Ik dit kan doen?' Ze zeiden: 'Ja, Heer.' Toen raakte Hij hun ogen aan en zei: 'Het moge u gaan overeenkomstig uw vertrouwen.' [En hun ogen gingen open. En bars zei Jezus tegen hen: 'Zorg dat niemand het te weten komt.' Maar eenmaal buiten, maakten ze zijn faam bekend in heel die streek.
Een stomme begint te praten Terwijl zij weggingen, kijk, daar bracht men iemand bij Hem die niet kon spreken, omdat hij in de macht van een demon was. Toen de demon uitgedreven was, begon de stomme te praten. De menigte zei vol verbazing: 'Zoiets is in Israël nog nooit vertoond.' Maar de farizeeën zeiden: 'Het is de opperdemon waardoor Hij de demonen uitdrijft.'
Aanstelling van de twaalf ] Jezus trok alle steden en dorpen rond, terwijl Hij in hun synagogen onderricht gaf, de goede boodschap van het koninkrijk verkondigde, en elke ziekte en elke kwaal genas.

14-07-15

Augustinus : Jezus als de Weg

Augustinus :

Jezus als de Weg

 

Augustine_Hippo_small.jpg

Het is onze opgave te lopen, maar dan op de weg te lopen. Wie de goede weg niet heeft, mist zijn doel; of erger nog, hij mat zich nutteloos af. Want hoe meer iemand zich inspant zonder de goede weg te hebben, des te verder dwaalt hij af. Welk is de weg die wij gaan ? Christus heeft gezegd : ‘Ik ben de Weg’. Wat is het vaderland waarnaar wij op weg zijn ? Christus heeft gezegd : ‘Ik ban de Waarheid’ . Ga langs Christus, ga naar Christus en vind uw rust in Hem. Om langs Hem te kunnen gaan, is Hij tot ons gekomen. Wij waren ver van Hem aan het ronddolen. Dat we ver van Hem aan het ronddolen waren, is eigenlijk nog te weinig gezegd : we konden ons van uitputting nauwelijks nog bewegen. Daarom kwam de geneesheer tot de zieken, kwam de weg tot de dolenden. Laten we ons door Hem redden, laten we langs Christus gaan.

Dat is geloven dat Jezus de Christus is. Zo geloven christenen die niet alleen in naam christen zijn, maar het ook zijn door hun daden en leven. Zo geloven de demonen niet, want volgens de schrift geloven de demonen ook dat God bestaat en ze beven van angst. Het geloof van de demonen kon niet verder komen dan de vaststelling ‘We weten wie gij zijt : de Zoon van God’. Wat de demonen zeiden, zei Petrus eveneens. Toen Jezus zijn leerlingen vroeg, wie Hij was en wat de mensen van Hem dachten, antwoordden ze : ‘Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten’ Toen vroeg Jezus : ‘En gij, wie zegt gij dat Ik ben ?’ En Petrus antwoordde : ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God’. Toen mocht Petrus van de Heer horen : ‘Gelukkig zijt gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is”. Zie wat een lof dit geloof bewezen wordt : ‘Gij zijt Petrus en op deze rots zal ik mijn Kerk bouwen’. Wat betekenen de woorden ‘op deze rots zal ik mijn Kerk bouwen ?’ ‘Op deze rots’ betekent : op het geloof, dat zojuist beleden werd met de woorden ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God’. ‘Op deze rots’ zegt Jezus, ‘zal ik mijn Kerk bouwen’ Wat een eer.

Uit : ‘Eenheid en liefde’ : Augustinus preken over de eerste brief van Johannes pp.163-164 .Vertaald door dr. TJ van Bavel

11-07-15

6e zpondag na Pinksteren : 'de verlamde' en de heilige Profeet Elia'

6e zondag na Pinksteren

"Van de verlamde en de vergiffenis" en de "heilige profeet Elias"

 

elija.jpg

De heilige Profeet Elia

 

 

 Lezingen van de zondag

Romeinen 12,6-14

 We hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de genade die ons geschonken is. Wie de gave heeft te profeteren, moet die in overeenstemming met het geloof gebruiken.  Wie de gave heeft bijstand te verlenen, moet bijstand verlenen. Wie de gave heeft te onderwijzen, moet onderwijzen.  Wie de gave heeft te troosten, moet troosten. Wie iets weggeeft, moet dat zonder bijbedoeling doen. Wie leiding geeft, moet dat doen met volle inzet. Wie barmhartig voor een ander is, moet daarin blijmoedig zijn.  Laat uw liefde oprecht zijn. Verafschuw het kwaad en wees het goede toegedaan.  Heb elkaar lief met de innige liefde van broeders en zusters en acht de ander hoger dan uzelf.  Laat uw enthousiasme niet bekoelen, maar laat u aanvuren door de Geest en dien de Heer.  Wees verheugd door de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk.  Bekommer u om de noden van de heiligen en wees gastvrij.  Zegen uw vervolgers; zegen hen, vervloek hen niet.

 Evangelie :

Mattheüs 9,1-8

Hij stapte weer in de boot en stak over, terug naar zijn eigen stad.  Daar probeerden een paar mensen een verlamde bij hem te brengen die op een draagbed lag. Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: 'Wees gerust, uw zonden worden u vergeven.'  Daarop zeiden enkele schriftgeleerden bij zichzelf: Wat een godslasterlijke taal!  Jezus doorzag hun gedachten en zei: 'Waarom hebt u zulke boosaardige gedachten?  Wat is gemakkelijker, te zeggen: "Uw zonden worden u vergeven" of: "Sta op en loop"?  Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.' Toen zei hij tegen de verlamde: 'Sta op, pak uw bed en ga naar huis.'  En hij stond op en ging naar huis.  Bij het zien hiervan werden de mensen van ontzag vervuld en ze loofden God, om de macht die hij aan mensen heeft verleend.

Verlamde15.jpg

De verlamde

10-07-15

Cyrillus van Jeruzalem : Ik ben het brood des levens

H. Cyrillus van Jeruzalem (313-350) bisschop van Jeruzalem en kerkleraar Doopcatechese 22

cyril-of-jerusalem 2.png

 

"Ik ben het brood des levens"

 

      Als Christus zelf over het brood zegt: “Dit is mijn lichaam”, wie zou daarover dan nog kunnen aarzelen? En als Hij bevestigt: “Dit is mijn bloed”, wie zou er dan nog over twijfelen? Eerder in Cana in Galilea had Jezus water in wijn veranderd – de wijn is verwant aan het bloed. Wie zou nu nog weigeren om te geloven dat Hij wijn in bloed verandert? Hij was op een bruiloft hierbeneden uitgenodigd en Hij deed een verbazingwekkend wonder; hoe kan men dan nog weigeren wat Hij geeft aan “de vrienden van de bruidegom” (Mt 9,15), namelijk de vreugde van zijn Lichaam en zijn Bloed?       Want zijn lichaam wordt gegeven in de verschijning van brood, en zijn bloed in de verschijning van wijn; als je hebt deelgenomen aan het lichaam en bloed van Christus, dan ben je met Hem één en hetzelfde lichaam en één en hetzelfde bloed. Zo worden wij “dragers van Christus” (Christoffel). Zijn lichaam en zijn bloed verspreiden zich in onze ledematen; zo worden we deelgenoot aan de goddelijke natuur. Eerder toen Hij zich met de joden onderhield zei Christus: “Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal Ik op de laatste dag uit de dood opwekken” (Joh 6,54). Als het brood en de wijn je alleen maar natuurlijk lijken, eindig daar dan niet … Als je zintuigen je op een dwaalspoor brengen, dan stelt het geloof je gerust.       Wanneer je dus naderbij komt om Hem te ontvangen, kom dan niet respectloos naar voren, door je handen uit te spreiden, de vingers uit elkaar. Maar daar de Koning op je rechterhand gaat rusten, maak daarom voor Hem een troon met je linkerhand, en ontvang in de holte van je hand het Lichaam van Christus en antwoordt: Amen!

Bron : www.dagelijksevangelie.org

04-07-15

5e zondag na Pinksteren : van de bezeten zwijnen

5e zondag na Piksteren

Van de bezeten zwijnen

bezeten zwijnen6.jpg

Bezeten zwijnen

 

 

LEZINGEN :

Romeinen, 10,1-10

U ons hier voortijdig komen kwellen?' [30] Een eind verderop weidde een grote troep varkens. [31] De demonen smeekten Hem: 'Als U ons uitdrijft, stuur ons dan 32] Hij zei tegen hen: 'Ga maar.' Ze kwamen eruit en gingen de varkens in. Heel de troep stoof de helling af het meer in, en ze kwamen om in het water. [33] De varkenshoeders gingen ervandoor. Ze gingen naar de stad en vertelden alles, ook wat er met de bezetenen was gebeurd. [34] Nu ging heel de stad Jezus tegemoet, en toen ze Hem zagen, vroegen ze Hem om uit hun gebied te vertrekken.

Hoofdstuk 10 [1] Broeders en zusters, het is mijn vurige wens en ik bid tot God dat zij gered worden. [2] Ik getuig dat zij godsdienstige ijver hebben, maar het is ijver zonder inzicht. [3] Met hun miskenning van Gods gerechtigheid* en hun pogen een eigen gerechtigheid op te richten, hebben zij zich niet aan de gerechtigheid van God onderworpen. [4] Want Christus is het doel van de wet tot gerechtigheid voor ieder die gelooft. De gerechtigheid uit het geloof [5] Zeker, over de gerechtigheid door de wet schrijft Mozes: De mens die haar volbrengt*, vindt door haar het leven. [6] Maar* de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: Zeg niet bij uzelf: Wie zal opstijgen naar de hemel? Dat is: Christus laten afdalen. [7] Of: Wie zal neerdalen in de onderwereld? Dat is: Christus uit het dodenrijk laten opstijgen. [8] Nee, zegt de Schrift, het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart, het woord namelijk van het geloof, dat wij verkondigen. [9] Want* als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u gered worden. [10] Het geloof van uw hart brengt de gerechtigheid en de belijdenis van uw mond brengt de redding.

Evangelie : Mattheüs 8,28;9-1

Genezing van twee bezetenen [28] Toen Hij aan de overkant kwam, in het land van de Gadarenen, kwamen Hem vanaf de rotsgraven twee bezetenen tegemoet. Ze waren zeer gevaarlijk, zodat niemand over die weg durfde te gaan. [29] Ze brulden: 'Wat wilt U van ons, Zoon van God? Bent U ons hier voortijdig komen kwellen?’ [30] Een eind verderop weidde een grote troep varkens. [31] De demonen smeekten Hem: ‘Als U ons uitdrijft, stuur ons dan naar die troep varkens.’ [32] Hij zei tegen hen: ‘Ga maar.’ Ze kwamen eruit en gingen de varkens in. Heel de troep stoof de helling af het meer in, en ze kwamen om in het water. [33] De varkenshoeders gingen ervandoor. Ze gingen naar de stad en vertelden alles, ook wat er met de bezetenen was gebeurd. [34] Nu ging heel de stad Jezus tegemoet, en toen ze Hem zagen, vroegen ze Hem om uit hun gebied te vertrekken.

Weer in Kafarnaüm [1] Hij stak per boot over en kwam in zijn stad.

03-07-15

Augustinus : Hij moet groter worden en ik kleiner (Joh 3,30)

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en kerkleraar Overweging over de geboorte van Johannes de Doper

“Hij moet groter worden en ik kleiner” (Joh 3,30)

 

      De geboorte van Johannes en van Jezus en vervolgens hun Lijden, laten het verschil tussen hen zien. Want Johannes wordt geboren als de dagen beginnen te korten. Christus als de dagen beginnen te lengen. Het korten van de dag is voor de één een symbool van zijn gewelddadige dood; het lengen van de dagen is voor de ander, de verheffing van het kruis.    De Heer openbaart ook een geheime betekenis … in verband met het woord van Johannes over Jezus Christus: “Hij moet groter worden en ik Augustine_Hippo_small.jpgkleiner”. De gehele menselijke gerechtigheid werd in Johannes opgebruikt. Over hem zei de Waarheid: “Onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper” (Mt.11,11). Geen mens zou hem dus voorbij kunnen streven; maar hij was slechts een mens. Welnu, in onze christelijke genade wordt ons gevraagd om “de mens niet te roemen, maar de Heer” (2 Kor.10,17): de mens in zijn God, de dienaar in zijn meester. Daarom riep Johannes uit: “Hij moet groter worden en ik kleiner”. Natuurlijk is God niet verminderd of vermeerderd in zichzelf, maar bij de mensen groeit beetje bij beetje de ware ijver. De goddelijke genade groeit en de menselijke kracht vermindert tot de voltooiing die volgt in het verblijf van God, die in alle leden van Christus aanwezig is en waar alle tirannie, alle autoriteit, alle macht dood is en waar God alles in allen is (Kol.3,11).       Johannes de Evangelist zegt: “Het ware licht, dat elke mens verlicht en dat in de wereld moest komen, was er” (1,9). Johannes de Doper zegt: “Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen”. (Joh.1,16) Als het licht, dat in zichzelf altijd volkomen is, groeit in degene die erdoor verlicht is, vermindert deze mens in zichzelf door vernietiging van dat wat in hem zonder God was. Want de mens zonder God kan niets zonder te zondigen, en zijn menselijke kracht vermindert als de goddelijke genade welke de vernietiger is van de zonde, overwint. De zwakte van het schepsel eindigt in de kracht van de Schepper en de ijdelheden van onze egoïstische genegenheden smelten door de universele liefde. Terwijl Johannes de Doper ons, uit de diepte van onze ontreddering, de barmhartigheid van Jezus Christus toeroept: “Hij moet groter worden en ik kleiner”.

bron : www.dagelijksevangelie.org

26-06-15

4e zondag na pinksteren : van de hoofdman van Kafarnaum

4e zondag na Pinksteren

'Van de hoofdman van Kafarnaüm'

kafarnaum 2.jpg

 

Lezingen :

Romeinen,6,18-23

U bent bevrijd van de zonde en dienaren geworden van de gerechtigheid. - Sprekend tot zwakke mensen, druk ik mij erg menselijk uit. - Zoals u eertijds uw ledematen in dienst hebt gesteld van onreinheid en steeds grotere bandeloosheid, zo moet u ze nu in dienst stellen van de gerechtigheid, tot uw heiliging. Toen u slaaf was van de zonde, was u vrij ten opzichte van de gerechtigheid. Welke vruchten hebben uw daden toen opgeleverd? Alleen dingen waarover u zich nu schaamt, want ze liepen uit op de dood. Maar nu, bevrijd van de zonde en dienstknecht geworden van God, oogst u heiligheid en tenslotte eeuwig leven. Want het loon van de zonde is de dood, maar de gave van God is het eeuwig leven in Christus Jezus onze Heer.

Evangelielezing :Matth. 8,5-13

Genezingen in Kafarnaüm Toen Hij in Kafarnaüm was gekomen, kwam een centurio naar Hem toe die Hem te hulp riep. Hij zei: 'Heer, mijn kind ligt verlamd thuis, met vreselijk veel pijn.' Hij zei hem: 'Ik zal het komen genezen.' De centurio antwoordde daarop: 'Heer, ik ben niet waard dat U onder mijn dak komt, maar spreek een woord en mijn kind zal beter worden. Want ik ben iemand die onder bevel staat en soldaten onder zich heeft. Tegen de een zeg ik: "Ga!" en hij gaat, en tegen de ander: "Kom!" en hij komt, en tegen mijn slaaf: "Doe dit!" en hij doet het.' Toen Jezus dit hoorde, was Hij verbaasd, en Hij zei tegen degenen die Hem volgden: 'Ik verzeker u, bij niemand in Israël heb Ik zo'n groot vertrouwen aangetroffen. Ik zeg u dat velen uit oost en west zullen komen en aan tafel zullen gaan met Abraham, Isaak en Jakob in het koninkrijk der hemelen. Maar de kinderen van het koninkrijk zullen in de uiterste duisternis geworpen worden. Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars.' Jezus zei tegen de centurio: 'Ga maar naar huis; het moge u gaan overeenkomstig uw vertrouwen.' En op datzelfde uur werd zijn kind beter.

25-06-15

Het Rila Monastery Bulgarije

Het Rila monastery - Bulgarije

 

 

Enkele foto's van mijn bezoek aan het monastery in juni 2015

PICT9737.JPG

PICT9733.JPG

PICT9749.JPG

IMG_3504.JPG

IMG_3498.JPGPICT9744.JPG

De prachtige Kathedraal van Sofia

PICT9604.JPG

 

 

 

 

 

17:39 Gepost in Video | Permalink | Commentaren (0)

24-06-15

De opvolging van Petrus

De opvolging van Petrus

Petrus en Paulus +654.jpg

Petrus en Paulus

 

De griekse Vaders, de Byzantijnse theologen en de orthodoxe liturgie onderlijnen het primaatschap van Petrus onder de apostelen. ‘Hij is de leider der apostelen, schrijft de heilige Photius…Op hem rusten de fundamenten van de Kerk’ (P.G; 102-685 C en 909 A). Op hem, omdat hij de getuige is en omdat hij de goddelijkheid van Christus heeft beleden:’ Het is naar aanleiding van de belijdenis van Petrus dat de Heer het fundament van de Kerk heeft gesteld’ schrijft diezelfde Photius (P.G; 101,933 A).Als ‘Leider’ van het apostolisch hart spreekt Petrus altijd  in naam van allen.

Nochtans, uit de geschriften van de byzantijnse theologen blijkt dat de sleutelmacht aan alle apostelen werd toevertrouwd, dat Johannes, Jacobus en vooral Paulus ook ‘leiders’’ zijn en dat het primaatschap  van Petrus geen macht is, maar de uitdrukking van een geloof en een gemeenschappelijke roeping. ‘Simon is Petrus geworden, schreef in de XIIIe eeuw een patriarch van Constantinopel, de rots waarop de Kerk gebouwd is, maar de anderen hebben ook de goddelijkheid van Christus beleden, en zijn dus ook rotsen; Petrus is slechts de eerste onder hen’

Blijft, in de mate dat hij het geloof verkondigt van allen en een functioneel charisma uitoefent, het probleem van de opvolging :

De Kerk is gebouwd op Christus als waarheid : zij bestaat dus in de mate dat de mensen deze waarheid herkennen, ’t is te zeggen, in de mate dat zij het geloof van Petrus belijden : in deze zin is elke waarachtige gelovige de opvolger van Petrus, en het is het ganse christelijk volk die in haar  communio en gesterkt door  Petrus, het geloof van Petrus zal bewaren. ‘ Dus als ook wij zeggen : Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God, worden ook wij Petrus…want al wie Christus in zich opneemt wordt Petrus’ (Origines, P.G.13, 997-1004).

Maar deze assimilatie voltrekt zich door de eucharistie. De Kerk steunt niet alleen op Christus als de waarheid, maar ook op Christus als de Weg. En deze Weg voltrekt zich bij de gelovigen doorheen de sacramenten die de apostolische institutie vertegenwoordigen. Als medewerkers aan de eucharistische gedaanteverandering, bevoorrechte bewakers van de Waarheid, herders van de kudde van Christus, zijn dus  de bisschoppen, volgens de orthodoxe ecclesiologie, de opvolgers van Petrus in de meest juiste betekenis. Het bisschoppelijke charisma heeft zich voor de eerste maal getoond als het ‘Petrus’ aspect van de apostoliciteit. Het is daarom dat het beeld van de ‘rots’ in de orthodoxe traditie, de bisschoppelijke functie is. Voor de heilige Cyprianus zetelen alle bisschoppen, elk binnen zijn kerk, en allen samen op de Cathedra Petri. ‘Geen enkel gebied zal onttrokken worden aan de genade van de Heilige-Geest’ bevestigde het concilie van Carthago in 419. En de heilige Paus Leo onderlijnde, dat de ‘forma Petri’ in elke locale kerk aanwezig is. De byzantijnse theologen onderkennen nochtans een andere opvolging van Petrus, die eerder analogisch zou zijn : zoals Petrus de eerste onder de apostelen was, zo moet er ook een eerste bisschop bestaan binnen het bisschoppen college. Alle bisschoppen die op de stoel van Petrus zetelen, en de kerken die door de apostelen gesticht zijn, zijn talrijk in het Oosten, zij hebben  a priori niet het goddelijk recht op dit primaatschap. Jeruzalem, de Moeder van alle kerken, waarvan het morele primaatschap onbetwisbaar was in de eerste decennia van het christendom, werd verwoest in ’70 , en haar bisschop bezit vandaag slechts de vierde rang in de ‘taxis’ (orde) van de patriarchen. Na de verwoesting van Jeruzalem, is het universele primaatschap naar Rome gegaan . Rome is ‘zeer groot, zeer oud en door iedereen gekend, gesticht en erfgenaam van de twee glorierijke apostelen Petrus en Paulus’ (heilige Ireneus, A.H.III,2).Een herinnering aan de twee ‘leiders’ en de verering van hun relieken, dat zijn  de redenen van een primaatschap dat geen macht is maar een voorbeeld, een ‘tegenwoordigheid van liefde’ (heilige Ignatius van Antiochië) De concilies erkennen deze autoriteit en geven aan de romeinse autoriteit een gedefinieerd canonisch accent : niet alleen de paus ontvangt in het Westen  analoge macht als die van de andere patriarchaten, maar het Sardisch concilie kent hem ook het recht toe om  in de universele Kerk de afzetting van een bisschop te weigeren en ‘priesters te zenden van zijn 'entourage’ om deel te nemen aan de oproep ter veroordeling als de naburige bisschoppen van de streek waar het geschil heeft plaatsgevonden zich definitief hierover uitspreken.

Voor de orthodoxen  bestaat de ecclesiologische dwaling van Rome in de omvorming van deze autoriteit en van de scheidsrechtersrol in een hoogste macht, die er uiteindelijk uit zal bestaan om aan de paus het recht te geven om bisschoppen aan te duiden voor alle kerken. Het romeinse primaatschap wordt gedefinieerd als ‘principe, wortel en oorsprong’ van de universele kerk’ (Encycliek, aan de engelse bisschoppen, 16 september 1864), en het dogma van Vaticanum I bevestigt de jurisdictie ‘onmiddellijk en waarachtig bisschoppelijk’ van de paus over alle gelovigen. Welnu, voor de orthodoxie is het enige ‘principe, wortel en oorsprong’ van de Kerk direct Christus.

Het tweede en vierde oecumenisch concilie hebben aan Constantinopel ‘gelijkwaardigeprerogatieven’ gegeven als deze van het oude Rome en de ‘tweede rang na haar’. Vanaf de verwijdering van Rome heeft de aartsbisschop van Constantinopel – het nieuwe Rome en oecumenische patriarch een primaatschap van eer binnen de orthodoxe Kerk. Dit primaatschap is geen macht. De toename  van de ‘autocephale’ kerken en de historische verzwakking van de kerk van het Nieuwe Rome maken de toepassing van de 17e canon van Chalcedonië, die aan de patriarch van Constantinopel  een zeker rechtsmacht gaf moeilijk. De traditionele orthodoxe ecclesiologie is evenzeer verwijderd  van een verdeelde opvatting van de autocephalie als van een centraal buitensporig juridisch centralisme. Zij zoekt vandaag een nieuwe uitdrukkingvorm voor de eenheid in verscheidenheid. De taaie en geduldige inspanningen van de patriarch van Constantinopel Athenagoras I (1886-1972), vandaag voortgezet door patriarch Bartholomeüs, heeft als gevolg gehad dat er periodieke panorthodoxe conferenties worden gehouden, waar de rol van de universele primaat wordt verduidelijkt als initiatiefnemer en voorzitter.

Athenagoras heeft ook de vorming gesteund van het Syndesmos (de band), een federatie van alle bewegingen van jonge orthodoxen op wereldschaal. Een volstrekte autocephalie, de feitelijke situatie van de Kerk als een eenvoudige federatie van nationale kerken betekenen geen grotere problemen voor de hedendaagse orthodoxie.

Uit : Olivier Clément. L’église orthodoxe, pp.69-73

Vertaling : Kris Biesbroeck

17:07 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

20-06-15

3e zondag na Pinksteren : de lelies in het veld

3e zondag na Pinksteren

'De lelies in het veld'

Lelie_6582.jpg

 

 

Eerste lezing

Romeinen 5,1-10

Leven in vrede met God [1] Gerechtvaardigd door het geloof leven* wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer. [2] Hij is het die ons door het geloof* de toegang* heeft ontsloten tot die genade waarin wij staan; door Hem ook mogen wij ons beroemen*op onze hoop op de heerlijkheid* van God. [3] Meer nog, wij zijn zelfs trots op onze beproevingen, in het besef dat verdrukking leidt tot volharding, [4] volharding tot beproefde deugd en die weer tot hoop. [5] En de hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken.      [6] Want Christus is voor goddelozen gestorven op de gestelde* tijd, toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren. [7] Je zult je leven niet snel geven voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand de moed hebben te sterven voor een goed mens. [8] God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor dat Christus voor ons is gestorven toen wij nog zondaars waren. [9] Des te zekerder is het dat wij, eenmaal gerechtvaardigd door zijn bloed, dankzij Hem gered worden van de toorn*. [10] Toen wij vijanden waren, zijn wij met God verzoend door de dood van zijn Zoon; des te zekerder is het dat wij, eenmaal verzoend, gered worden door zijn leven.

Evangelielezing

Mattheüs 6,22-33

22] De lamp van het lichaam is het oog. Dus als je oog helder is, zal heel je lichaam verlicht zijn. [23] Maar als je oog slecht is, zal heel je lichaam duister zijn. Als nu binnenin je het licht duisternis is, hoe erg zal dan de duisternis zijn! [24] Niemand kan twee heren dienen. Want hij zal de een verfoeien en van de ander houden, of zich hechten aan de eerste en de ander verachten. Je kunt God en de geldduivel*niet tegelijk dienen. [25] Daarom zeg Ik jullie: maak je niet bezorgd over wat je zult eten of drinken om in leven te blijven, en ook niet over de kleding voor je lichaam. Is het leven niet meer dan het eten, en het lichaam niet meer dan de kleding? [26] Kijk naar de vogels van de hemel: ze zaaien niet en maaien niet en oogsten niet, je hemelse Vader voedt ze. Zijn jullie niet meer waard dan vogels? [27] Wie van jullie kan met al zijn zorgen een el toevoegen aan zijn leven? [28] En wat maak je je bezorgd over je kleren? Leer van de lelies op het veld hoe ze groeien. Ze werken niet, ze spinnen niet. [29] Maar Ik zeg jullie: zelfs Salomo met al zijn pracht en praal ging niet gekleed als een van hen. [30] Als God nu het gras op het veld, dat er vandaag staat en morgen in de oven wordt gegooid, zo kleedt, hoeveel te meer kleedt Hij dan jullie, kleingelovigen? [31] Vraag je dus niet bezorgd af: Wat zullen we eten? Wat zullen we drinken? Wat zullen we aantrekken? [32] Want naar dat alles zijn de heidenen op zoek. Jullie hemelse Vader weet wel dat je dat allemaal nodig hebt. [33] Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan krijg je dat alles erbij

17-06-15

Over de twijfel in verband met het geloof

 

Over de twijfel in verband met het geloof

Metropoliet Anthony van Sourozh

 

anthonyofsourozh.jpg

Metropoliet Anthony van Sourorh

 

 

Een beschouwing die werd gehouden tijdens een bijeenkomst met jongeren in Londen, november 1989.

 

Het onderwerp waarover ik vandaag met u van gedachten wil wisselen is het volgende: alle gelovigen van deze tijd - zowel degenen die in de Orthodoxie of een ander geloof geboren zijn, als ook degenen die na een bepaalde periode van ongeloof, actieve of passieve godloosheid, tot het geloof gekomen zijn - allen worden geconfronteerd met vragen. Het kan daarbij gaan om vragen van henzelf zowel als vragen aan hen, om geloofsvragen en levensvragen, hoe het ook zij, het leven confronteert hen met vragen. En daarom is het eerste onderwerp waarover ik iets zou willen zeggen het thema van het vragen. Laten we samen nadenken over de legitimiteit van het vragenstellen, en ook daarover wat het gewetensvolle vragen vereist.

Ook het probleem van de twijfel wil ik bespreken, en tenslotte zullen we aanlanden bij het onderwerp van het geloof zelf, het wezen van het geloof en de vraag, hoe men naar het geloof kan leven.

In rustige periodes van de geschiedenis nemen geloofsvragen een relatief onbelangrijke plaats in - het merendeel van de gelovigen gelooft vanzelf, spontaan. Ze geloven eenvoudigweg zoals het hen op school is geleerd, of zoals hen thuis is bijgebracht, zoals de omstandigheden hen leren en in het geloof steunen, door voldoende grondslag voor het geloof te bieden. In onze tijd echter is dat niet voldoende. Diegenen onder ons die een krachtig en bewust geloof bezitten, komen voortdurend in aanraking met vragen van andere mensen. En, zoals de heilige apostel Paulus zegt, wij moeten in staat zijn een ieder antwoord te geven, te antwoorden met liefde, met eerbied en tot redding. Maar het moet een antwoord zijn dat overtuigt. En een antwoord is nooit overtuigend als het slechts is samengesteld uit citaten, of deze nu uit de Heilige Schrift komen, of uit andere bronnen, de heilige Vaders of de raadgevingen van geestelijke schrijvers. Overtuigend is een antwoord alleen dan, wanneer een mens het geeft vanuit zijn eigen innerlijke ervaring. Misschien is die ervaring nog in een beginstadium, misschien is zij nog niet voltooid, maar de ervaring moet persoonlijk zijn. Een vraag beantwoorden door te zeggen: "Anderen zeggen dit en dat", heeft geen zin. Ook zonder ons weten mensen best wel, waar en wat andere mensen gezegd hebben. Daarom, ook al is het niet in ons zelf aanwezig, het vragen bereikt ons. Bereikt ons schreeuwend of in de smeekbeden van andere mensen.

Aan de andere kant rijzen in iedere gelovige bij tijd en wijle vragen, soms plotseling en pijnlijk, soms geleidelijk. Het verschil nu tussen twijfel en vraag bestaat uit het volgende. Een vraag is open. Een mens, die iets niet wist, of over een bepaalde vraag niet had nagedacht, stelt zich die vraag. Het leven, de omstandigheden, stellen hem die vraag, of ook wel: de vraag komt vanuit het diepst van zijn ziel omhoog. De twijfel daarentegen bezit een andere eigenschap. De twijfel bestaat eruit, dat iets dat ons tot dan toe altijd waar had geschenen, absoluut duidelijk en eenvoudig, plotseling ophoudt eenvoudig en duidelijk te zijn. Er komt plotseling een vraagteken bij te staan.

In het eerste geval, als het om een eenvoudig vragen gaat, geldt het een vraag naar het onbekende, en daarom worden wij zelf niet door de vraag aangetast. Wanneer echter de twijfel in ons geboren wordt, dan tast deze de zekerheid van ons hele wezen aan. De twijfel brengt alles waarin wij geloofden aan het wankelen. En daarom moeten wij leren omgaan zowel met de vraag als met de twijfel. Het eerste waarbij ik wil stilstaan is het volgende: iedere keer wanneer in ons een vraag opkomt, welke vraag dan ook, verbonden met onze levensbeschouwing, verbonden met ons geloof, met onze voorstelling van God, van de mens en van onszelf, iedere keer dat wij met zulk een vraag geconfronteerd worden, moeten wij verheugd zijn en God hiervoor danken. Want dit betekent dat wij een bepaald ontwikkelingsstadium ontgroeid zijn, het stadium toen de vraag nog niet bestond, omdat wij er nog niet aan toe waren. Nu echter staat zij helder en duidelijk voor ons, en geeft ons de kans te groeien naar de volle mate van onze innerlijke ontwikkeling.

Met de twijfel is het, zoals ik al zei, anders gesteld. De twijfel is het moment waarop dat, waarin ik vroeger geloofde, in twijfel getrokken wordt. Datgene dat ons vroeger ontwijfelbaar en eenvoudig toescheen. En erg vaak zijn gelovigen bang voor de twijfel. Waarom? Omdat zij denken dat het twijfelen, het zetten van vraagtekens bij iets dat met God te maken heeft, met hun levensbeschouwing, met de mensen en met het leven, dat dan het leven zelf betwijfeld wordt, het geloof in de mens en het geloof in God. Onze overtuiging zelf komt aan het wankelen, de overtuiging dat wij op een vaste rots staan en dat de aarde niet wankelt. En daarom moeten wij leren ons verstandig, moedig en nederig ten opzichte van vragen op te stellen, de vragen die onze innerlijke twijfel zelf ons stelt. ë

In wezen komt de betekenis van het woord twijfel hierop neer, dat wij eerst een mening hadden, een voorstelling omtrent de dingen, en dat er nu een tweede mening is ontstaan, die concurreert met de eerste. (Het Russische woord voor twijfel 'somnenië' komt van 'mnenië' - mening en van 'so - samen, mee, bij en betekent letterlijk zoveel als bij-mening, dubbele mening, mee-mening. Opmerking van de vertaler) En op dat moment is het eenvoudige antwoord dat wij vroeger in onze ziel bezaten al niet meer eenvoudig: het splitst in tweeën. Ik wil hier ter vergelijking een simpele parallel trekken. Een geleerde, iemand die zich met natuur- of scheikunde bezighoudt, of met een andere wetenschap, heeft zoveel mogelijk uiteenlopende gegevens verzameld. (Dit kan ook van toepassing zijn op de geschiedwetenschap en de filosofie.) Wanneer hij een grote en voldoende hoeveelheid verschillende feiten heeft vergaard, zal hij proberen deze volgens een bepaalde methode te rangschikken tot een geheel, dat wil zeggen zodanig te rangschikken, dat de feiten niet meer versplinterd zijn, maar een eenheid vormen. Als de geleerde een consciëntieus mens is, dan zal hij zich na het opstellen van zijn model, als eerste de vraag stellen of hij niet een of andere logische fout heeft gemaakt. Komt mijn constructie werkelijk overeen met de feiten? De tweede vraag zal luiden: heb ik bepaalde gegevens weggelaten om de eenheid van de structuur niet aan te tasten? De derde handeling van een gewetensvolle geleerde zal dan zijn te zeggen: ja, alle door mij verzamelde feiten zijn harmonisch in het model, in de structuur samengebracht. Nu moet ik echter, omwille van de voortgang van de wetenschap, gegevens verzamelen, die niet in het door mij opgestelde beeld passen. Dat wil zeggen, ik moet op zoek naar zulke feiten, die als het ware mijn model verstoren, die de structuur kapot maken. Alleen dan kan het model zich openen, zich verbreden en kan mijn wereldbeeld, mijn voorstelling omtrent de dingen, mijn begrip daarvan, groeien en zich vervolmaken. Als de geleerde dit niet doet, zal zijn model altijd hetzelfde blijven en vroeg of laat verouderen.

Als wij voldoende moedig, eerlijk en nadenkend zouden zijn, zouden wij hetzelfde moeten zeggen over onze twijfels in verband met ons geloof. En als ik het heb over het geloof, dan bedoel ik alles wat met God te maken heeft, met de wereld die Hij geschapen heeft, de mens, de wederzijdse verhouding tussen innerlijk en uiterlijk leven, met alles. Omdat meestal, als een mens geboren is in het geloof - dat wil zeggen als hij eenvoudigweg in een christelijk gezin ter wereld is gekomen, waar hem geleerd is te geloven op een leeftijd waarop hij nog te jong was om zelf vragen te kunnen stellen of te begrijpen - hij gedurende lange tijd in een toestand van geestelijke kinderlijkheid blijft steken. Zijn voorstelling van God, van de mens, het leven en de schepping, overstijgen nooit die voorstellingen, die hem als kind waren opgedrongen of aangeboden. Maar in andere opzichten groeit hij wel. Hij gaat naar school, naar de universiteit. Hij ontmoet mensen die anders denken, die vragen hebben, die niet bepaald zijn door zijn herinneringen uit de kindertijd. En op dat moment begint een innerlijk conflict: de rijpende jonge man of vrouw, die in zichzelf alleen kinderlijke voorstellingen van God en Gods wegen meedraagt, komt in botsing met die voorstellingen en deze zijn niet langer voldoende voor hem. Erg veel mensen verliezen hun geloof, niet omdat het geloof niet steekhoudend is, maar omdat hun voorstellingen omtrent het geloof en de inhoud van het geloof de voorstellingen van een kind blijken te zijn, terwijl hun geest en hun verdere ontwikkeling dat stadium al lang zijn ontgroeid. En dit is erg belangrijk voor hen die in het geloof geboren zijn, voor die mensen, die als het ware vanaf het begin gelovig waren. Juist hier is de kwestie van het vragen zo belangrijk. Het is erg gemakkelijk om met gesloten ogen door het leven te gaan, de oren goed dicht voor de vragen die andere mensen stellen. Zij stellen die vragen niet enkel en alleen voor zichzelf, maar ook voor ons. En iedere keer, wanneer wij met een of andere vraag in aanraking komen, moeten wij stilstaan en ons afvragen: bezit ik een eigen, innerlijke ervaring, van waaruit ik op deze vraag zou kunnen antwoorden? Of omgekeerd: heb ik geen enkele inhoud, alleen maar antwoorden die ik van anderen heb ontvangen?

Nu een ander geval, als we met het geloof in aanraking komen, niet tijdens onze kindertijd, maar als wij al voldoende gerijpt zijn, waar ontmoeten wij het geloof in dat geval? We weten, bijvoorbeeld van de heilige apostel Paulus, dat het geloof uit het horen is. En het horen is door het Woord van Christus (zie: Rom. 10:17; vert.) Ja, inderdaad, in het apostolische tijdperk, toen hoorden de mensen, die het geloof in de heidense goden verloren hadden daadwerkelijk een nieuw woord, het levende woord, dat voor hen nieuwe diepten openbaarde en hun hart opende voor het eeuwige leven. Dat was het Woord van God, dat hen bereikte door de prediking van de apostelen. En dat was geen filosofische preek, niet gebaseerd op intellectuele hoogstandjes. Zij was de uiting en openbaring van een zeer bepaalde innerlijke geestelijke kracht. Er is een plaats in het Evangelie, waar Christus tot Zijn leerlingen en het verzamelde volk spreekt. Wat Hij zei, scheen de meesten te zwaar om te begrijpen en zij begonnen weg te lopen. De Verlosser wendde Zich tot Zijn leerlingen: "Willen jullie soms ook weggaan?", en Petrus antwoordde uit naam van de anderen: "Waarheen zouden wij kunnen gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven" (zie: Joh. 6:68; vert.). Wat betekent dit? Christus spreekt nergens in het Evangelie beschrijvend over het eeuwige leven. Hij spreekt over het eeuwige leven in de mens zelf. Hij spreekt over God. Maar Hij zegt niet, hoe het zal zijn na de dood of na de voleinding der wereld. Wat bedoelde de apostel Petrus? Ik denk dat wat hij wilde zeggen, het volgende is: "Wanneer Gij spreekt, dan raken Uw woorden in een ieder van ons een of andere diepte, en ontbrandt in ons de eeuwigheid." Van dien aard was, volgens mij, ook het preken der apostelen. Het was gericht tot mensen die hongerig waren, die hun geloof verloren hadden. En toen de apostelen in hun prediking over Christus begonnen te spreken, namelijk daarover, wie Hij is en wat Hij heeft gezegd, toen werd die prediking uitgesproken door mensen, die zelf als het ware binnenstebuiten waren gekeerd door Zijn preek, getransformeerd waren, veranderd. En deze verandering, transfiguratie, veranderde hun woorden in kracht en in leven.

Ik herinner mij, dat mijn geestelijk vader ooit tegen mij gezegd heeft: "Niemand kan afstand doen van het aardse en ingaan tot het eeuwige leven, indien hij niet in de ogen van ook maar één mens de glans van het eeuwige leven heeft gezien." Als wij niet één mens hebben ontmoet, in wie het licht van het eeuwige leven ook maar glorend aanwezig is, dan is ons geloof nog erg zwak. Misschien is dat lichtgelovigheid, misschien de wens om ergens aan vast te houden. Maar het is niet dat creatieve, transformerende geloof, dat wij zien in de apostelen en in de eerste generaties van de christenen. Daarom is de eerste gebeurtenis de ontmoeting met het levende geloof van een levend mens, dat in zich de kracht draagt in ons te laten geboren worden, of beter, in ons op te wekken, te doen ontwaken het eeuwige leven, dat door God in ons is gezaaid toen wij gemaakt werden. Wij kunnen een mens, wij kunnen Christus alleen dan geloven, wanneer wij kunnen zeggen: "Dat, wat Gij zegt, klinkt waarachtig en vervult mij met vreugde en ontvouwt zich voor mij en in mij als schoonheid." Reeds Plato heeft gezegd, dat de schoonheid de overtuigende kracht van de waarheid is. En wij kunnen het geloof, dat ons wordt doorgegeven door een ander mens, alleen in zoverre aannemen, als wij met een innerlijk antwoord erop reageren. Dat kan gebeuren via het Evangelie, door het lezen van het Evangelie. Het kan gebeuren door middel van een ontmoeting met een mens, die voor ons het eeuwige leven uitstraalt. Maar het moet een persoonlijke ervaring zijn en worden. Zolang de eeuwigheid niet in een of andere mate een persoonlijke ervaring is, is zij slechts een van de mogelijke levensbeschouwingen. Maar een reddende, voor het leven beslissende kracht heeft zij nog niet.

Denk, bijvoorbeeld, aan het verhaal hoe Christus een mens genas, die vanaf zijn geboorte blind was geweest. Wat gebeurde er? Christus opende hem de ogen. En wat zag de man? Het eerste wat hij zag, waren de ogen van God Die mens geworden was. Het waren de ogen van het goddelijke medelijden, de goddelijke liefde, de goddelijke zachtmoedigheid, in het gezicht van God, Die mens geworden was. Dat was voor hem de eerste en primaire openbaring. Daarna werd hij geconfronteerd met het zeer ingewikkelde leven van de eerste christengemeenschap. Maar daaraan kon hij nooit meer ontkomen. Hij had gezien, hij wist uit eigen ervaring. Wij allen nu, maken op een bepaald moment een cruciale ervaring mee, vangen een glimp op van iets. Daarna verdwijnt het weer.

Er is een andere plaats in het Evangelie, het Evangelie volgens MattheГјs, waar Christus na Zijn Verrijzenis tegen Zijn leerlingen zegt: "Ga naar Galilea, daar zullen jullie Mij zien." Waarom zouden ze naar Galilea moeten gaan om Christus te ontmoeten, als Hij toch hier met hen samen is, vraag je je af? Wat kan er nog voor ontmoeting zijn? Maar als je over deze woorden nadenkt, dan kunnen wij ons voorstellen - zo is het mij door een priester verteld - dat het om die plaats gaat, waar zij Christus voor het eerst hebben ontmoet. Als we op de landkaart kijken, zien we dat KafarnaГјm, Kana in Galilea, Bethsaïda, dat al deze plaatsen waarover gesproken wordt op enkele kilometers afstand van elkaar liggen. En zij kenden elkaar natuurlijk. Misschien toen ze kinderen waren, misschien als jongelingen of opgroeiende mannen. En stap voor stap ontdekten zij in Christus, in Jezus van Nazareth, iets, wat zij vroeger nooit en bij niemand hadden gezien. En geleidelijk openbaarde zich voor hen de persoonlijkheid van Christus, en deze ontdekking eindigde daarmee, dat zij tenslotte in Hem hun leraar herkenden, hun leermeester. En zij bleken bereid Hem te volgen, waarheen Hij ook ging. Dat was de tijd van de eerste ontmoeting, niet verduisterd door vervolgingen, noch door twijfel. Het was de lente van een nieuw leven. Lentewateren. Daarna kwamen de tragische jaren in Judea. Maar die jaren waren de jaren van bloei geweest. En Christus wilde zijn leerlingen daar ontmoeten, waar hun eerste ontmoeting had plaatsgevonden, nog niet verduisterd, nog niet tragisch, waar alles licht was, en waar zich voor hen stap voor stap de persoon van Christus openbaarde. Daar konden zij opnieuw al datgene ervaren wat zij vroeger over de Heiland te weten waren gekomen.

En in een ieder van ons bevindt zich een soort Galilea. Ieder van ons is in staat, als hij heel diep nadenkt, als hij langzaam, niet te haastig naar zijn verleden terugkeert, een of ander moment op te vangen, een ogenblik, toen hij plotseling zijn eigen lentefrisheid voelde, zijn oorspronkelijke schoonheid, toen de mens kon ervaren, dat God zo eenvoudig is, zo nabij, dat alles zin heeft, dat alles mogelijk is. Daarna wordt die ervaring dof. Daarna verliezen we haar. Maar, als we in staat zouden zijn, een aandachtige houding ten opzichte van ons eigen verleden aan te nemen, zouden wij dit alles opnieuw kunnen ontdekken. En als we dit ontdekt hebben, dan hebben wij iets gemeenschappelijks met de ons omringende mensen, met ieder mens, iets ..., maar niet alles. Want een ieder van ons is uniek en eenmalig. En daarom kunnen we niet alles gemeenschappelijk hebben, ieder van ons bezit zijn eigen unieke en niet te herhalen ervaring. Hierover wordt, bijvoorbeeld, gesproken in het tweede hoofdstuk van het boek der Openbaringen (vers 17; vert.), waar gezegd wordt, dat wanneer de tijd gekomen is, een ieder van ons een naam zal ontvangen, een naam die niemand kent behalve God Die deze naam schenkt en de mens die hem ontvangt. De betekenis van deze naam is die onherhaalbare band, die tussen de Schepper en Zijn schepsel bestaat, ieder afzonderlijk schepsel in zijn eenmaligheid en uniek zijn. Tegelijkertijd leven wij in een gemeenschap van mensen, waarvan een ieder God op zijn eigen manier kent. Maar God is Een, steeds Dezelfde. En daarom, als wij erover praten, hoe wij God leren kennen en hoe wij Hem kennen, dan kunnen we zeggen: "Ik kan jou iets over God vertellen, wat ik weet, en dan zeg jij mij wat jij weet, en gezamenlijk zullen wij hem dieper, breder, beter en met meer eerbied leren kennen." En hierin ligt misschien wel de bedoeling van het gemeenschappelijke leven van christenen, het feit, dat ieder God kent, en dat wij samen delen in hun ervaring, niet alleen in gesprek, maar in gezamenlijk gebed. In deze omgang van harten en zielen, delen wij samen en communiceren wij met elkaar. Maar er komt een moment waarop, werkelijk, alles wat wij zelf weten verbruikt is, uitgeput raakt, en ook datgene wat onze naaste en zelfs de Kerk ons kan zeggen ... En dan blijft ons maar één ding, dat wat in het Evangelie gezegd wordt, dat niemand ooit God heeft gezien. Alleen de eniggeboren Zoon, Die aan de boezem des Vaders is, Die heeft Hem doen kennen, (zie: Joh. 1:18; vert.).

En tenslotte is het Christus, Die we moeten volgen, naar Wie we moeten streven en aandachtig kijken met ons innerlijke oog. Naar Zijn woorden moeten we luisteren en in Zijn aanwezigheid moeten we zwijgen, zo dat ons op geheimzinnige wijze deelachtig kan worden gemaakt Wie Hij is, en wat Hij ons kan openbaren. Voorbij de grens van alle woorden over God en over ons zelf.

Maar eerder heb ik gezegd, en dat is het laatste wat ik u wil zeggen, dat op een bepaald moment ons levende gevoel, onze levende ervaring dof wordt. Waar ligt dan de scheidslijn tussen ervaring en geloof? Het geloof wordt, in het begin van het elfde hoofdstuk van de Brief aan de Hebreeën, gedefinieerd als het bewijs van de onzichtbare dingen. Dat wil zeggen, het innerlijke bewijs dat, wat wij met geen enkel van onze uiterlijke zintuigen kunnen waarnemen, de waarheid blijft. In dat opzicht heeft het woord 'geloof' niet alleen met goddelijke zaken en met God Zelf te maken. Als het bewijs van het onzichtbare betreft het geloof eveneens de schoonheid, de liefde, al datgene wat we ervaren en meemaken, wat we kunnen navertellen, maar wat we niet logisch kunnen beredeneren. Het is een geloof dat we ontvangen, als iets dat rechtstreeks doorleefd wordt, als ervaring en kennis. Er is een plaats bij de heilige Makarius de Grote, waar hij probeert een scheiding aan te brengen tussen de levende, onmiddellijke ervaring en het geloof dat daaruit voortvloeit. En hij geeft een voorbeeld: Stel u voor, u ligt in een bootje dat heen en weer deint op zee. Op dat moment ervaart u de zee, die u draagt, de golven, die u wiegen, de hemel, die zich wijd uitstrekt boven uw hoofd, de sterren, alles. Maar daarna gaat het ebben. En plotseling bevindt het bootje zich op het zand. We hebben niet langer de levende, onmiddellijke ervaring, van hetgeen wij daarvoor hebben meegemaakt. Maar niemand kan ons de zekerheid ontnemen, dat wil zeggen de kennis door ervaring, van wat er met ons is gebeurd. U weet, wat de zee is. U weet, wat het wiegen van de golven is, u weet wat de hoge, oneindige hemel is en de sterren. Dat alles weet u. Het is de overtuiging van iets dat niet langer voorwerp van uw zintuiglijke ervaring is. En hier moet u zich herinneren, dat het geloof er niet uit bestaat, blind in datgene te geloven, wat men ons vertelt, maar, al is het maar gedeeltelijk, een heel klein beetje iets mee te maken, dat te bewaren in onze ervaring, als overtuiging, en verder te groeien door te vragen en als het nodig is, door twijfel. En de verbreding van onze geloofservaring, die bestaat uit de overtuiging van het doorleefde, trouw aan datgene waarheen die ervaring ons leidt, trouw aan hetgeen de ervaring van ons verlangt, ook dat is de kennis van datgene, dat ons door die ervaring is geopenbaard.

 Vertaling uit het Russisch: K. Hansen-Löve

10:27 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

Heilige Barbara

Heiligenleven

De heilige Barbara

 

Barbara.jpg

De heilige Barbara

 

De heilige Barbara, maagd en Grootmartelares. Er is niets met zekerheid over haar bekend, ofschoon zij hoog in ere wordt gehouden zowel bij de Grieken als bij de Latijnen. Als de plaats van haar marteldood wordt genoemd Toscanië, Heliopolis en Nicomedië. Ook de bijzonderheden daarvan zijn fantastisch en tegenstrijdig. Als jaar van haar dood geldt volgens sommige geleerden het jaar 235, volgens anderen 306; maar ook daarover worden zeer uiteenlopende gegevens vermeld. Bekend is het verhaal dat zij door haar vader in een hoge toren werd opgesloten om haar af te houden van contact met de buitenwereld, en dat zij daarin een derde venster liet uitbreken ter ere van de heilige Drie eenheid.

De heilige Juliana was getuige van de standvastigheid van Barbara; zij protesteerde verontwaardigd bij de rechter en beleed dat zij ook Christin wilde zijn. Zij werd toen eveneens gedood.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth.klooster Den Haag

13-06-15

2e zondag na Pinksteren : de eerste leerlingen

2e zondag na Pinksteren

 "Roeping van de eerste leerlingen"

 

 

eerste leerlingen.jpg

 

 

EERSTE LEZING :

Romeinen 2,10-16

10.heerlijkheid, eer en vrede wacht een ieder die het goede doet, de Jood in de eerste plaats, maar ook de Griek. [11] Want God kent geen aanzien* des persoons. Wet en besnijdenis [12] Zij die zonder de wet* hebben gezondigd, zullen ook zonder de wet omkomen; en zij die met de wet hebben gezondigd, zullen door de wet worden veroordeeld. [13] Want niet de hoorders van de wet zijn rechtvaardig in Gods oog; alleen de onderhouders van de wet zullen worden gerechtvaardigd. [14] Wanneer heidenen, die de wet niet hebben, uit zichzelf* doen wat de wet verlangt, zijn zij zichzelf tot wet, ook al bezitten zij de wet niet. [15] Zij tonen dat wat de wet vereist, in hun hart geschreven staat. Hun geweten getuigt daarvan, en hun gedachten, die hen over en weer beschuldigen of ook wel vrijspreken [16] op de dag dat God volgens mijn evangelie over de verborgen daden van de mens zal oordelen, door Christus Jezus.

EVANGELIE :

Matth.4,18-23

Roeping van enkele vissers [18] Toen Hij eens langs het meer van Galilea liep, zag Hij twee broers - Simon*, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas - het net uitwerpen in het meer; want het waren vissers. [19] Hij sprak hen aan: 'Kom achter Mij aan, en Ik zal jullie tot vissers van mensen maken.' [20] Meteen lieten ze hun netten achter en volgden Hem. [21] Verderop zag Hij nog twee broers, Jakobus van Zebedeüs en zijn broer Johannes; ze waren in de boot met hun vader Zebedeüs hun netten aan het klaren. Hij riep hen. [22] Meteen lieten ze de boot en hun vader achter en volgden Hem. Een grote menigte volgt Hem [23] Hij trok rond in heel Galilea, terwijl Hij in hun synagogen onderricht gaf, de goede boodschap verkondigde van het koninkrijk, en elke ziekte en elke kwaal onder het volk genas.

03-06-15

heiligenleven : de heilige Afraätes de Pers

Heiligenleven
De heilige Afraätes de Pers
 
 

afraates_1.jpg

 
De heilige Afraätes de Pers, gevierd op 29 januari, maar ook op 7 april. Over zijn verblijf in Antiochië vertelt Theodoretos, die hem goed gekend heeft, het volgende verhaal :
Afraätes was uit de woestijn naar de stad gekomen om de christenen te helpen in hun strijd tegen de door de keizer gesteunde Arianen. Op een dag, terwijl hij voor het gemeenschappelijk gebed op weg was naar de kerk aan de rivier, ontmoette hij nde keizer. Afraätes was een bekende figuur en de keizer hield hem staande en vroeg waarom hij zo’n haast had. ‘Sire, ik ben op weg om te gaan bidden voor de gehele wereld, en in het bijzonder voor het rijk’. ‘ Maar je hebt toch de gelofte van kluizenaarschap afgelegd, wat doe je in de stad ?’. ‘Prins, als ik een jong meisje was in het afgesloten verblijf, maar het huis van mijn vader zou nin brand staan, zou ik dan moeten blijven zitten tot ik verbrand was of aan het werk gaan om te blussen ?’. ‘ Dan moet je natuurlijk de  brand zien te doven !’. ‘Maar daar ben ik mee bezig, sire !, het huis van mijn vader staat in brand, het wordt verteerd door de ketterij, en ik ben uit mijn boudoir gerend om de brand te stuiten. Ik groet u !’.
Een soortgelijke dialoog wordt enige tijd later over hem gemeld. Afraätes onderhield zware askese. Hij leefde van slechts een stuk brood per dag, dat hij at in het begin van de nacht : pas in hoge ouderdom gebruikte hij daarbij nog wat groenten om het brood naar binnen te kunnen krijgen. Hij sliep op een dunne mat op de grond en droeg dag en nacht slechts éénkledingstuk, tot hetb hem als vodden van het lichaam viel. Dit hoorde de prefect van Antiochië. Deze bezocht hem en bracht een nieuwe mantel voor hem mee. De kluizenaar vroeg hem : ‘ ik heb een dierbare oude vriend die al jaren bij me is. Zoudt u willen dat ik die inruilde voor een nieuwe vriend ?’. Natuurlijk niet’. ‘Danzult u me toch wel verontschuldigen dat ik de voorkeur geef aan mijn oude mantel, al is die nog zo versleten’.
Uit Heiligenlevens voor elke dag, uitg.Orth.klooster Den Haag

30-05-15

Pinksteren

PINKSTEREN

8e ZONDAG NA PASEN

 

Pinksteren (2).jpg

 

 

Pinksteren

Op een hoefijzervormige bank zitten de twaalf apostelen. Links boven Petrus en rechtsboven Paulus. Bovenin dalen vanuit het hemelsegment de stralen van de Heilige Geest neer op de groep van twaalf.
In het midden onderaan is een donker gewelf zichtbaar, waarin een koninklijk geklede gestalte staat. Hij heeft een witte doek uitgespreid met daarin twaalf evangelierollen. Het betreft de vertegenwoordiging van de kosmos, die het evangelie klaar houdt voor verspreiding over de wereld.

 

LEZINGEN :

Eerste lezing : Handelingen 2,1-11

Pinksteren [1] Toen de dag* van Pinksteren aanbrak, waren zij allen op één plaats bijeen. [2] Plotseling kwam er uit de hemel een geraas alsof er een hevige wind opstak, en het vulde heel het huis* waar zij waren. [3] Er verschenen hun vurige tongen*, die zich verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten. [4] Zij raakten allen vol van heilige Geest en begonnen te spreken* in vreemde talen, zoals de Geest hun ingaf.      [5] Nu woonden er in Jeruzalem vrome Joden, afkomstig uit ieder volk onder de hemel. [6] Toen dat geluid opkwam, liep de menigte te hoop en raakte in verwarring, omdat iedereen hen in zijn eigen taal hoorde spreken. [7] Ze stonden versteld en vroegen zich verwonderd af: 'Maar dat zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken! [8] Hoe is het dan mogelijk dat ieder van ons de taal* van zijn geboortestreek hoort? [9] Parten* en Meden en Elamieten, en bewoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, Pontus en Asia, [10] Frygië en Pamfylië, Egypte en het Libische gebied bij Cyrene, en hier woonachtige Romeinen, [11] Joden en proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken over de grote daden van God.'

EVANGELIE

Johannes 7,37-5. 8,12.

Stromen levend water      [37] Op de laatste dag, het hoogtepunt van het feest, stond Jezus daar en riep: 'Heeft* iemand dorst, laat hij dan naar Mij toe komen, en laat drinken [38] wie in Mij gelooft! Zoals de Schrift zegt: Uit zijn binnenste zullen stromen levend water vloeien.' [39] Hiermee doelde Hij op de Geest die men zou ontvangen als men tot geloof in Hem kwam. Toen was de Geest er namelijk nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt* was.
Verdeeldheid onder de toehoorders      [40] Onder het volk waren er die bij het horen van deze woorden zeiden: 'Dit is werkelijk de profeet*.' [41] Sommigen beweerden: 'Hij is de Messias.' Maar er waren er ook die zeiden: 'De Messias komt toch niet uit Galilea*? [42] Zegt de Schrift niet dat de Messias uit het geslacht van David komt en uit Betlehem, de woonplaats van David?' [43] Zo ontstond er verdeeldheid over Hem onder het volk. [44] Er waren er die Hem wilden grijpen, maar niemand sloeg werkelijk toe.
Ongeloof van de autoriteiten      [45] Toen de gerechtsdienaren bij de hogepriesters en farizeeën terugkwamen, vroegen dezen: 'Waarom hebben jullie Hem niet meegebracht?' [46] De dienaars zeiden: 'Nog nooit heeft een mens zo gesproken!' [47] Waarop de farizeeën antwoordden: 'Hebben jullie je ook al laten misleiden? [48] Heeft een van de leiders Hem geloof geschonken? Of iemand van de farizeeën? [49] Maar dat volk, dat de wet* niet kent, vervloekt zijn ze!' [50] Nikodemus, de man die indertijd naar Jezus toe was gekomen, iemand uit hun eigen kring, merkte op: [51] 'Sinds wanneer staat de wet ons toe iemand te veroordelen zonder hem eerst te horen en ons over zijn daden een oordeel te vormen?' [52] Maar hij kreeg als antwoord: 'Bent u soms ook een Galileeër? Zoek het maar na en u zult zien: uit Galilea komen geen profeten*!'

 [12] Weer richtte Jezus zich tot* hen: 'Ik* ben het licht* van de wereld. Wie Mij volgt*, gaat zijn weg niet in de duisternis, maar zal het ware levenslicht bezitten.

 

 

 

pinksteren89.jpg

 

 

TROPARION : Toon 8

 

Gij zijt gezegend, o Christus, onze God,

die met Uw wijsheid de Vissers hebt vervuld, door hen te

vervullen met Uw Heilige Geest. Door hen hebt Gij heel

de wereld buitgemaakt; minnaar der mensen, ere zij U

 

KONDAKION: Toon 8

 

Toen de Allerhoogste nederdaalde, verwarde Hij de talen

en scheidde de volkeren. Toen Hij echter de Vuurtongen

uitdeelde riep Hij allen tot eenheid.

Laat ons daarom eenstemmig de heilige Geest verheerlijken.

27-05-15

heiligenleven : De heilige Sabbas de Nieuwe

Heiligenleven

De heilige Sabbas de Nieuwe

 

 

sabbas de Nieuwe.jpg

Heilige Sabbas de Nieuwe

 

De heilige Sabbas de Nieuwe, van het eiland Kalymnos, geboren in 1862 in Noord-Griekenland. Zijn ouders hadden een dorpswinkeltje waar hij vanaf zijn 12e jaar hielp, zij het zondegr veel enthousiasme. Zijn belangstelling ging uit naar een rechtstreekser geestelijke levenswijze, en zo gauw hij de kans kreeg trok hij naar de Athos. Daar vond hij onderdak in de skite van de heilige Anna, waar waarschijnlijk een kennis of familielid huisde.Hij vond er gastvrijheid maar werd nog geen monnik : hij wa nog te ongedurig.

Hij trok daarom verder, ging op pelgrimstocht naar het heilige land toen hij zo’n 25 jaar oud was, en kwam terecht in het oeroude klooster van de heilige Gregorios, Chroseba genaamd. In de ruwe omgeving waar nog de oude harde askese in ere werd gehouden, voelde hij zich thuis. Hij bleef er en ontving er na 3 jaar de monnikswijding, in 1890. Hij bleek talent te hebben voor het schilderen en vier jaar later ging hij voor enkele jaren terug naar de skite van de heilige Anna op de Athos, waar een van de bekendste schilderscholen van de heilige Berg is gevestigd, om zich te bekwamen in het iconenschilderen.

In 1897 was hij weer in het Choseba-klooster waar hij voorlopig rustig deelnam aan het gewone monniksleven. Na enkele jaren werd hij diaken en daarna oriester gewijd, zonder dater verder veel veranderde. Alleen moest hij, wanneer hij de beurt had, de Diensten leiden en de heilige Liturgie vieren voor de vaders en broeders.

Nadat hij zo 10 jaar in Choseba had geleefd, beving hem toch opnieuw de onrust en de volgende 9 jaar was ,hij weer in de skite van de heilige Anna. Hij had nu de middelbare leeftijd, 54 jaar, en nam voorgoed afscheid van de Athos.  Hij zocht naar een plaats waar hij zelfstandig zijn asketisch leven kon leiden, trok een beetje door Griekenland, hoorde daar spreken over een heilige bisschop Nectarios en ging die opzoeken op het eiland Egina, niet ver van Athene. Nectarios had daar een zusterklooster gesticht en Sabbas gaf er een aantal jaren les in iconenschilderen.

Hij was ook getuige van het afsterven van bisschop Nectarios, dat zulk een diepe indruk maakte op de omgeving, vooral toen het lichaam de myron begon af te scheiden, die heel de omgeving met een lieflijke ,geur vervulde als hemelse getuige van diens heiligheid. Sabbas trok zich 40 dagen terug in zijn cel en kwam toen met een icoon waarop de overledene als een heilige werd voorgesteld. De ontstelde hegoumena, die al zoveel moeilijkheden met kerkelijke overheden had meegemaakt, wierp tegen dat dit toch niet mogelijk was zolang hij niet afficieel heilig was verklaard. Maar Sabbas wist haar over te halen de icoon toch ter verering uit te stellen in de kerk.

De roem van de heilige Nectarios verspreidde zich weldra over geheel Griekenland, en steeds meer mensen kwamen naar het graf van zulk een grote Heilige uit hun eigen tijd. Maar voor vader Sabbas werd het nu te druk, en opnieuw ving een tijd van rondtrekken aan. Tenslotte vestigde hij zich op het afgelegen eiland Kalymnos, als geestelijke vader van het monialenklooster van Allerheiligen. Hij bouwde voor zichzelf een paar cellen en een kerkje, schilderde iconen, leidde de Diensten van de nonnen, hielp hen met alles wat hij kon, en hoorde biecht. De eilandbewoners ondervonden veel moeilijkheden door de italiaanse bezetting, maar Sabbas stond hen bij en leerde hen, het onvermijdelijke met berusting te aanvaarden als de wil van God, en op Hem te blijven vertrouwen.

Ook hier zette hij zijn asketische levenswijze voort : zijn gewone voedsel bestond uit prosforabrood met de wijn die overgebleven was van de communie. Heel zelden gebruikte hij iets dat gekookt was en nooit vlees of vis. Geld dat hij voor de iconen of als aalmoes kreeg, ging ongeteld in de la, vanwaar hij het weer uitdeelde aan weeskinderen en armen. Het moest vóór  de avond uitgegeven zijn,want het kwam niet te pas dat een monnik ’s nachts nog geld onder zijn beheer zou hebben. Wanneer arbeiders iets voor hem moesten doen, moesten zij maar zelf het hun toekomende geld uit de la nemen, daar keek hij verder niet naar.

Hij was altijd ernstig en tegelijk heel innemend : onbedorven mensen hebben een fijn gevoel voor iemand die heilig is. Hij onderbrak uitbundig gelach van volwassenen, dat was alleen goed voor kinderen. Hij was mild in zijn oordeel over de gewone fouten van de mensen, alleen tegen vloeken  trad hij met grote beslistheid op en gaf daar in de biecht ook echte straffen voor. Het is God beledigen, ook wanneer het uit onnadenkendheid gebeurt, en daar wilde hij zijn mensen voor sparen.

Intussen was hij 86 jaar oud geworden, en 7 april 1948 stierf hij in stilte, zoals hij geleefd had. Na herhaald uitstel werden in 1957, op deze zelfde dag, zijn relieken opgegraven, waarbij zich dezelfde wonderlijke geur verspreidde die hijzelf bij de heilige Nectarios had waargenomen. Er begonnen steeds meer wonderen te geschieden, zowel bij zijn graf als elders, waar de heilige Vader Sabbas werd aangeroepen. Na enige tijd kan een officiële heiligverklaring door de Griekse Kerk verwacht worden, maar de verering door het orthodoxe volk is al begonnen.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orth.Klooster Den Haag

24-05-15

zevende zondag na Pasen : eerste oecumenisch concilie

7e zondag na Pasen

GEDACHTENIS VAN HET 1eOECUMENISCH CONCILIE EN DE 318 GODDRAGENDE VADERS DIE ERAAN DEEL HADDEN.

 

 

 

oecumenisch concilie 1.jpg

1e Oecumenisch concilie

 

Lezingen :

Handelingen 20,16-18, 28-36

[16] Want Paulus had besloten Efeze voorbij te varen om geen tijd in Asia te verliezen. Hij had haast omdat hij zo mogelijk met Pinksteren in Jeruzalem wilde zijn.      [17] Van Milete uit stuurde hij een bode naar Efeze om de oudsten van de gemeente bijeen te roepen. [18] Toen die bij hem gekomen waren, zei* hij tegen hen: 'U weet hoe ik mij heb gedragen vanaf de eerste dag dat ik in Asia kwam, de hele tijd dat ik bij u was

28] Zorg goed voor uzelf en voor heel de kudde waarover de heilige Geest u als leiders heeft aangesteld om de kerk* van God te weiden, die Hij door het bloed van zijn eigen Zoon heeft verworven. [29] Ik weet dat na mijn vertrek gevaarlijke wolven bij u zullen binnendringen die de kudde niet sparen; [30] zelfs mensen uit uw eigen kring zullen de waarheid gaan verdraaien om de leerlingen achter zich aan te krijgen. [31] Wees daarom op uw hoede en houd in gedachten dat ik drie jaar lang dag en nacht onophoudelijk iedereen onder tranen gewaarschuwd heb. [32] En nu draag ik u op aan God en aan het woord van zijn genade, dat bij machte is om op te bouwen en het erfdeel te geven, met alle geheiligden. [33] Zilver of goud of kleding heb ik van niemand verlangd; [34] u weet zelf dat deze handen in mijn eigen behoeften en die van mijn metgezellen hebben voorzien. [35] In alles heb ik u laten zien dat men zo, door hard te werken, de zwakken moet helpen, gedachtig de woorden van de Heer Jezus, die zelf* heeft gezegd: "Het is zaliger te geven dan te ontvangen." ' [36] Na deze woorden knielde hij met hen allen neer en sprak een gebed.

EVANGELIE :

Johannes 17,1-13

Afscheidsgebed van Jezus [1] Na deze toespraak sloeg Jezus zijn ogen op naar de hemel en bad: 'Vader, het uur is gekomen! Verheerlijk* uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijkt. [2] Laat Hem, krachtens de macht die U Hem gegeven hebt over alle mensen, eeuwig leven schenken aan al degenen die U aan Hem hebt toevertrouwd. [3] Eeuwig leven! Dat betekent dat ze U, de enige waarachtige God, leren kennen*, en ook degene die U gezonden hebt: Jezus Christus. [4] Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat U Mij te doen hebt gegeven. [5] Verheerlijk Mij nu, Vader, aan uw zijde, en bekleed Mij met de heerlijkheid die Ik bij U bezat voordat*de wereld bestond.      [6] Ik* heb uw naam geopenbaard aan de mensen* uit de wereld, die U Mij had toevertrouwd. Ze waren van U, en U hebt hen aan Mij toevertrouwd. Ze hebben uw woord ter harte genomen. [7] Nu erkennen ze dat alles wat U Mij gegeven hebt, van U komt. [8] Want de woorden die U Mij gegeven had, heb Ik aan hen doorgegeven, en zij hebben die aangenomen: ze hebben naar waarheid erkend dat Ik van U ben uitgegaan; ze hebben geloofd dat U Mij hebt gezonden. [9] Voor hen bid Ik. Niet* voor de wereld, maar voor hen die U Mij hebt toevertrouwd bid Ik, omdat ze de uwen zijn - [10] al het mijne is trouwens het uwe en al het uwe is het mijne - en omdat in* hen mijn heerlijkheid zichtbaar is geworden. [11] Ik ben al niet meer in de wereld, maar zij, zij blijven in de wereld achter, terwijl Ik naar U toe kom. Heilige Vader, bewaar* hen in uw naam, die U Mij hebt toevertrouwd, opdat ze één mogen zijn zoals Wij. [12] Zolang Ik bij hen was, was het mijn taak hen te bewaren in uw naam, die naam die U Mij hebt toevertrouwd; Ik heb over hen gewaakt, en geen van hen is verloren gegaan, behalve degene die verloren moest gaan, opdat de Schrift in vervulling zou gaan. [13] Nu kom Ik naar U toe, maar terwijl Ik nog in de wereld ben, zeg Ik dit alles opdat ze volkomen vervuld mogen zijn van mijn vreugde.

 

 

Het (eerste oecumenische) concilie van Nicea (325)

 

De zaak die de meeste aandacht zou vragen op het concilie van Nicea begon rond het jaar 320 in Alexandrië. Een zekere presbyter Arius kwam in conflict met bisschop Alexander van de stad over de status van Jezus Christus als Zoon van God. Moest dit zoonschap zo worden opgevat, dat de Zoon evenzeer God was als zijn Vader, of was er een essentieel verschil, en moest de Zoon als schepsel worden beschouwd? Arius leerde het laatste, Alexander het eerste. Het duurde niet lang, of dit werd een strijdpunt in grote delen van de kerk, zeker in het oosten.

 Bisschoppen en andere betrokkennen konden deze kwestie hun onverdeelde aandacht geven, omdat de kerk pas door Constantijns tolerantie-edict van 313 was bevrijd van het gevaar van vervolgingen. Sterker nog, omdat Constantijn het christendom als keizerlijke godsdienst had aangenomen, was het van het grootste belang dat er duidelijkheid bestond over de juiste leer en dat er geen scheuringen in de kerk ontstonden.

 Constantijn was deze mening zelf ook toegedaan, en hij was degene die uiteindelijk besloot een concilie samen te roepen om de kwestie-Arius voor eens en altijd en voor de hele kerk op te lossen. Het fenomeen concilie of synode was echter op zich niet nieuw: het was al sinds de derde eeuw gebruikelijk dat de bisschoppen uit een bepaald gebied, als de omstandigheden het toelieten, bijeenkwamen om samen bepaalde beslissingen te nemen. Dat kon zijn over vragen als het beste beleid aangaande christenen die tijdens een vervolging voor de druk van de overheid waren bezweken en tot de genius van de keizer hadden gebeden (of een valse verklaring hadden gekocht dat ze dat hadden gedaan), maar ook om een nieuwe collega voor een vacante zetel te kiezen. Ten minste één keer, in Antiochië in 268, had een synode zich over de theologie van een collega gebogen, namelijk Paulus van Samosata. Wat wel nieuw was, was het feit dat dit concilie een beslissing moest nemen voor de hele kerk, en dat de belangrijkste kwestie op het concilie theologisch van aard was.

 Het staat overigens niet vast, dat Constantijn speciaal door de ariaanse strijd besloot tot het organiseren van een concilie: er zijn aanwijzingen, dat hij vanaf het begin van zijn alleenheerschappij plannen had om een rijksconcilie te houden om de nieuwe eenheid, zowel bestuurlijk als kerkelijk, te vieren en te bezegelen.

Verloop en beslissingen

Het concilie was eerst in het centrale Ancyra (Ankara) gepland, maar werd op verzoek van Constantijn naar Nicea, vlakbij de keizerlijke hoofdstad van de oostelijke helft van het rijk, gehouden, en begon op 19 juni 325. De keizer hield de openingstoespraak, en liet er geen twijfel over bestaan dat het in grootste belang van het Romeinse Rijk was, dat de verzamelde bisschoppen een beslissing zouden nemen. Of hij ook daadwerkelijk een officiële geloofsbelijdenis verwachtte, is de vraag. Wel is het een feit, dat juist in deze decennia het gebruik ontstond theologische standpunten in de vorm van een geloofsbelijdenis te formuleren.

 De exacte gang van zaken op het concilie is niet duidelijk, omdat er geen verslag bewaard is gebleven. Onze belangrijkste bronnen zijn een herinnering van Eustathius van Antiochië (die mogelijk optrad als voorzitter), enkele hoofdstukken van Athanasius van Alexandrië (die het concilie wel bijwoonde, maar er pas veel later iets over schreef) en een brief van Eusebius van Caesarea, die zijn eigen kerk na afloop van het concilie informeerde over de gang van zaken.

 Wel is zeker, dat het concilie grootschalig was opgezet. We kennen de namen van 250 bisschoppen, en de latere traditie heeft altijd het door Athanasius genoemde aantal van 318 concilievaders in ere gehouden. Daarbij moet wel worden aangetekend, dat praktisch alle deelnemers uit de oostelijke helft van de kerk kwamen, waar het geschil tussen Arius en Alexander ook de meeste beroering teweeg had gebracht. Naast de bisschoppen waren er ook verschillende plaatsvervangers en assistenten aanwezig (zo mocht Athanasius, die toen nog diaken was, mee om zijn bisschop bij te staan), en natuurlijk de keizer en een aantal van zijn functionarissen.

 Van deze deelnemers was de meerderheid beslist niet voor Arius’ positie, die uiteindelijk de Zoon voor het hoogste schepsel hield, maar dat wil niet zeggen dat deze tegenstanders van Arius het eens waren hoe men dan wel precies over Hem moest denken. Bovendien was er ook een groep die Arius steunde. Deze groep kwam met een verklaring, die door de meerderheid werd veroordeeld. Daarmee waren de kansen voor Arius feitelijk al aan het begin van het concilie verkeken.

 Er moest echter wel een gezamenlijke verklaring komen, en dat verliep minder vlot. Volgens Athanasius probeerde men zich zoveel mogelijk te beperken tot bijbelse terminologie, maar lukte het Arius en de zijnen steeds deze terminologie zo uit te leggen dat zijn eigen positie er ook door werd gedekt. Op zeker moment werd dan ook een traditionele belijdenis (mogelijk in gebruik in Caesarea of Jeruzalem) aangevuld met een aantal specief-theologische termen, waarvan de belangrijkste het zogenaamde homoousios of consubstantialis is, dat uitdrukt dat de Zoon ‘van hetzelfde wezen' als de Vader is.

 Deze term werd niet direct met algemene goedkeuring ontvangen, maar met de nodige uitleg en misschien ook wel enige keizerlijke druk lukte het toch praktisch alle aanwezige bisschoppen deze aangevulde geloofsbelijdenis te laten ondertekenen, die daarmee de officiële Geloofsbelijdenis van Nicea werd. Degenen die niet wilden ondertekenden (Arius en nog enkele overgebleven medestanders) werden verbannen en geëxcommuniceerd.

 Het concilie nam ook nog een aantal andere beslissingen. Eén van de belangrijkste was wel het besluit voortaan overal in het Rijk het christelijke Paasfeest op de eerste zondag na de eerste volle maan na de lente-equinox te laten vallen: dit was reeds gebruik in het westen en vele kerken in het oosten, maar er waren ook nog steeds kerken die het Pasen vierden op de eerste zondag na het Joodse Paasfeest (en dus soms op of voor de equinox) of zelfs tegelijk met de Joden vierden, dus op de veertiende dag van de maand Nissan. Ook nam het concilie een besluit over het zogenaamde melitiaanse schisma, dat de kerk van Alexandrië en Egypte verscheurde. Dit schisma had niets te maken met de geloofsleer, maar ging terug op de vraag hoe men afvalligen van de laatste vervolging moest behandelen. Door de bemoeienis van Constantijn kregen degenen die los waren komen te staan van de katholieke kerk de kans de gemeenschap weer te herstellen op opvallend milde condities.

 De geloofsbelijdenis van Nicea

Hoewel er geen verslag van de synode bewaard is gebleven, zijn er wel een lijst van besluiten (canones) en natuurlijk de geloofsbelijdenis. De geloofsbelijdenis is niet, anders dan men misschien zou verwachten, meteen na het concilie over de hele kerk verspreid en in gebruik geraakt. Dit komt overeen met de bronnen die erop wijzen, dat de meeste aanwezige bisschoppen het gevoel hadden dat de belijdenis in deze vorm erdoor was gedrukt. Toch zijn er voldoende bronnen om zeker te zijn van de tekst; de belangrijkste hiervan is misschien nog wel het officiële verslag van het concilie van Chalcedon in 451, waarbij èn de belijdenis van Nicea, èn de aangepaste versie ervan die werd vastgesteld in Constantinopel, beide werden voorgelezen uit de officiële documenten die toen nog beschikbaar waren, en aldus opnieuw in het verslag van Chalcedon terechtkwamen.

 

De Geloofsbelijdenis van Nicea luidt aldus:

 

Wij geloven in één God, de almachtige Vader, schepper van alle zichtbare en onzichtbare dingen,

en in één Heer Jezus Christus, de Zoon van God, als eniggeborene uit de Vader geboren,

dat wil zeggen uit het wezen van de Vader,

God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God,

geboren niet gemaakt,

van hetzelfde wezen als de Vader,

door wie alles is ontstaan, zowel in de hemel als op aarde,

die om ons mensen en om onze redding is neergedaald en vlees is geworden, mens is geworden,

die geleden heeft en op de derde dag is opgestaan,

die is opgevaren ten hemel,

die zal wederkomen om te oordelen de levenden en de doden,

 en in de Heilige Geest.die Heer is en het leven geeft

die voortkomt uit de Vader.

die met de Vader en de Zoon tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt;

die gesproken heeft door de profeten.

Ik geloof in de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk.

Ik belijd één doopsel tot vergeving van de zonden.

Ik verwacht de opstanding van de doden

en het leven van het komend rijk. Amen

 

 

De zinsneden ‘dat wil zeggen uit het wezen van de Vader’, ‘God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God’ en vooral ‘van hetzelfde wezen als de Vader’ zijn de theologische toevoegingen, die het Arius en zijn medestanders onmogelijk maakten deze belijdenis te ondertekenen. Echter, aan de geloofsbelijdenis zelf werden ook nog enkele veroordelingen of anathema’s toegevoegd, om iedere ariaanse voorstelling van zaken voortaan de pas af te snijden:

 

Maar zij die zeggen:

Er was een tijd dat Hij er niet was,

en voordat Hij werd geboren was Hij er niet,

en dat Hij uit het niets is ontstaan,

of zij die beweren dat de Zoon van God uit een andere substantie is,

of aan verandering of ontwikkeling onderhevig is,

diegenen veroordeelt de algemene en apostolische kerk.

 

Gevolgen

Het concilie van Nicea had uiteindelijk voor niemand de gevolgen die men zich uiteindelijk gewenst had. Arius en degenen die met hem weigerden de Geloofsbelijdenis van Nicea te ondertekenen. Zij werden veroordeeld en verbannen, en speelden voortaan geen rol van betekenis meer. Zij waren de grote verliezers, en voor de rest van de kerkgeschiedenis is ‘ariaans’ een soort brandmerk geworden voor iedereen die op één of andere manier afstand tussen de Zoon en de Vader aan zou nemen. Het wrange daarbij is, dat van degenen die de Geloofsbelijdenis wel hadden ondertekend, degenen die het dichtst tegen Arius’ positie aan schurkten vrij snel na het concilie de toon gingen aangeven. Volgens de traditie werd zelfs Arius zelf op zeker moment officieel gerehabiliteerd, maar overleed hij de dag voordat hij de communie weer voor het eerst zou ontvangen.

 De felste tegenstanders van Arius, die geloofden dat de Zoon exact op dezelfde wijze God c.q. goddelijk was als de Vader, hadden een geloofsbelijdenis gekregen die paste bij hun theologie. Echter, het grootste deel van de kerk was met die belijdenis weinig gelukkig vanwege de technisch-theologische terminologie. Bovendien bleek zelfs het woord homoousios voor verschillende interpretaties vatbaar: men kon het zo uitleggen, dat het betekende dat Zoon en Vader hetzelfde wezen, dat wil zeggen dezelfde goddelijkheid deelden, maar ook zo, dat de Zoon en de Vader samen één wezen vormden, dat wil zeggen, één handelende entiteit. Dit zou na het concilie tot de nodige nieuwe discussies en moeilijkheden leiden.

 De keizer had bereikt dat praktisch alle bisschoppen hetzelfde document hadden ondertekend en dat de kwestie formeel was opgelost. Hij bemoeide zich echter niet met de exacte betekenis van het homoousios, zodat de discussies daarover na het concilie onbekommerd konden oplaaien, en de eenheid feitelijk weer teloor ging. Hij handhaafde en consolideerde deze formele eenheid ook na het concilie (waarbij er dus zelfs weer enige ruimte ontstond voor Arius), maar moest de geestelijke eenheid zien verdwijnen. Het is overigens een open vraag of Constantijn daar zwaar aan tilde.

 Ten slotte was er de meerderheid die zich weinig gelukkig voelde met zowel de gang van zaken als het bereikte resultaat (afgezien van de veroordeling van Arius), en zich er blijkbaar niet door gebonden voelde. In de eerste decennia na Nicea zijn de meeste bronnen dan ook opvallend zwijgzaam over het concilie, en vinden er soms weer discussies plaats die zich moeilijk laten rijmen met de beslissing van Nicea.

 Belang

Al met al wordt er heel verschillend over Nicea 325 geoordeeld. Later heeft het de status gekregen van eerste oecumenisch concilie (zoals in principe alle eerste oecumenische concilies pas door latere conciliebesluiten hun officiële status hebben gekregen), en in de oosters- en oriëntaals-orthodoxe kerken hebben de 318 vaderen zelfs een eigen feestdag en een icoon. Of echter voor de later vastgestelde orthodoxie van Constantinopel 381 en de ontwikkelingen die daarop volgden daadwerkelijk in Nicea de basis is gelegd, blijft de vraag. Wat de verschillende deelnemers aan het concilie precies onder homoousios verstonden, is nog steeds onderwerp van wetenschappelijke discussie.

 Van heel andere zijde en in moderne tijden is het concilie ook wel afgeschilderd als het begin van een val van het christendom: een val voor de sterke arm van de staat, een val voor een officieel in plaats van een charismatisch christendom, een val voor machtsdenken in plaats van het geloof, waarvan Joden en ketters in toenemende mate slachtoffer zijn geworden. Nicea (c.q. Constantijn) wordt dan tot het inbegrip van alles wat er in de kerk niet deugt, en de periode daarvoor wordt verheerlijkt als oorspronkelijk en puur. Een dergelijk beeld is echter karikaturaal. Het concilie van Nicea borduurde voort op soortgelijke concilies die al in de derde eeuw voorkwamen, en het nieuwe was niet het feit dat er een dogmatische beslissing werd genomen, maar dat een dogmatische vraag nu de belangrijkste was, en dat door de veranderde politieke omstandigheden nu voor het eerst een concilie voor de hele kerk kon worden gehouden. En eigenlijk was nog niet de dogmatische vraag op zich de aanleiding, maar die van de gemeenschap: het streven van Constantijn naar één onverdeelde kerk kan men moeilijk niet legitiem vinden. Bovendien was de vraag ook praktisch: als christenen op reis gingen, wilden ze in een andere stad door de kerk worden ontvangen en deel kunnen nemen aan de eucharistie. Dat was juist één van de dingen waardoor de kerk groot was geworden, en achter alle eerste concilies moet niet zozeer een theoretisch-theologische drijfveer worden gezocht, als wel het praktische verlangen de kerkelijke en geestelijke gemeenschap in stand te houden. Daarom was het voor Constantijn (en voor de overgrote meerderheid van de concilievaders) belangrijker dàt er een beslissing werd genomen waarmee men zich kon verenigen, dan hoe die beslissing er uiteindelijk precies uit kwam te zien.

 Het is één van de tragische aspecten van de latere kerkgeschiedenis, dat voor dit streven de weg van concilies, dogmatische verklaringen en officiële veroordelingen uiteindelijk toch dood bleek te lopen, en dat de eerste tekenen daarvan al zichtbaar werden op het eerste concilie van Nicea.

 (door Liuwe H. Westra)

16-05-15

6e zondag na Pasen : de blindgeborene

ZONDAG VAN DE BLINDGEBORENE

6e zondag na Pasen

 

blindgeborene ethiopisch.jpg

De blindgeborene - Ethiopische icoon

 

 

 

LEZINGEN :

Handelingen : 16,16-34

    Onderweg naar die gebedsplaats kwam er eens een slavin op ons af die een helderziende geest had en met haar waarzeggerij voor haar eigenaren veel geld verdiende.  Zij liep Paulus en ons achterna en schreeuwde aldoor: 'Deze mensen zijn dienaren van de allerhoogste God. Ze verkondigen u de weg naar de redding.'  Dat deed ze vele dagen achtereen. Toen het Paulus te veel werd, draaide hij zich om en zei tegen de geest: 'In naam van Jezus Christus beveel ik je uit haar weg te gaan.' Op dat ogenblik ging hij weg.  Toen haar eigenaren hun hoop op inkomsten vervlogen zagen, grepen ze Paulus en Silas vast en sleurden hen naar het stadsbestuur op het plein;  ze brachten hen voor de pretoren en zeiden: 'Deze mensen brengen onrust in onze stad. Het zijn Joden  en ze verkondigen zeden en gewoonten die wij als Romeinen niet mogen overnemen of volgen.'  Ook het volk keerde zich tegen hen en de pretoren rukten hun de kleren van het lijf en lieten hen met stokken afranselen.  Toen men hun een flink aantal slagen had toegediend, zetten ze hen in de gevangenis, en ze gaven de cipier het bevel om hen streng te bewaken.  Op dit bevel zette hij hen in de binnenste kerker en sloot hun voeten in het blok.       Rond middernacht zongen Paulus en Silas hun gebeden voor God, terwijl de gevangenen toeluisterden.  Plotseling deed zich een zo zware aardschok voor dat de fundamenten van de gevangenis schudden. Meteen gingen alle deuren open en sprongen bij iedereen de boeien los.  De cipier schoot wakker en toen hij de deuren van de gevangenis open zag staan, trok hij zijn zwaard en wilde hij zelfmoord plegen, omdat hij dacht dat de gevangenen ontsnapt waren.  Maar Paulus schreeuwde: 'Doe uzelf geen kwaad, we zijn er nog allemaal!'  Hij vroeg om licht, rende naar binnen en viel bevend voor Paulus en Silas neer;  daarop ging hij met hen naar buiten en zei: 'Heren, wat moet ik doen om gered te worden?'  Zij antwoordden: 'Geloof in de Heer Jezus; dan zult u gered worden, u en al uw huisgenoten.'  En ze verkondigden het woord van de Heer aan hem en aan al zijn huisgenoten.  Nog op dat uur van de nacht nam hij hen mee om hun wonden te wassen. Meteen daarna liet hij zich met al de zijnen dopen.  Hij nam hen mee naar zijn woning en zette hun een maaltijd voor; met al zijn huisgenoten verheugde hij zich omdat hij nu in God geloofde

EVANGELIE :

Joh.9,1-38 :

 blindgeborene0.jpgGenezing van een blindgeborene Bij het naar buiten gaan zag Hij een man die al vanaf zijn geboorte blind was. Zijn leerlingen vroegen Hem: 'Rabbi, waarom is hij blind geboren? Heeft hij dat te wijten aan zijn eigen zonde of aan die van zijn ouders?' Jezus antwoordde: 'Niet aan zijn eigen zonde, en evenmin aan die van zijn ouders. Nee, de dadenvan God moeten in hem openbaar worden.  We moeten de daden van Hem die Mij gezonden heeft, verrichten zolang het dag is; de nacht komt, en dan kan men niet werken.  Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.'  Na deze woorden spuwde Hij op de grond, maakte wat slijk van zand en speeksel en streek dat op de ogen van de blinde.  Daarna zei Hij tegen hem: 'Vooruit, ga u wassen in het Siloambad.' (Siloam wil zeggen: gezondene.) De man ging ernaartoe, waste zich en kwam ziende terug.       Zijn buren en degenen die hem voordien vaak hadden gezien - hij was namelijk een bedelaar - zeiden: 'Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?'  'Inderdaad', zeiden sommigen. 'Welnee,' zeiden anderen, 'maar hij lijkt er wel op.' Maar hijzelf zei: 'Toch wel, ik ben het.'  'Maar wat is er dan met je ogen gebeurd, dat je nu ineens kunt zien?' vroegen ze.  Hij antwoordde: 'Een zekere Jezus maakte wat slijk en streek dat op mijn ogen. Toen zei Hij: "Ga nu naar de Siloam om u te wassen." Ik ben dus gegaan, en toen ik mij gewassen had, kon ik zien.'  'Waar is die man?' vroegen ze. 'Dat weet ik niet', zei hij.       Ze brachten de man die blind geweest was bij de farizeeën.  Nu was de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen had geopend, een sabbat.  Daarom stelden ook de farizeeën hem de vraag hoe het kwam dat hij nu kon zien. Hij antwoordde: 'Hij deed wat slijk op mijn ogen, ik heb me gewassen en nu zie ik.'  'Zo iemand komt niet van God,' oordeelden sommige farizeeën, 'want Hij houdt de sabbat niet.' Anderen merkten op: 'Maar hoe zou een zondaar zulke tekenen kunnen verrichten?' Kortom, er was verdeeldheid onder hen.  Ze richtten zich toen opnieuw tot de blinde: 'Wat denk jij ervan? Hij heeft toch je ogen geopend!' 'Dat Hij een profeet is', antwoordde hij.       De Joden wilden niet geloven dat de man die nu kon zien ooit blind was geweest, zolang ze zijn ouders er niet bij geroepen hadden  en hun de vraag hadden gesteld: 'Is dit wel degelijk die zoon van u die volgens uw zeggen blind geboren is? Hoe komt het dan dat hij nu kan zien?'  De ouders antwoordden: 'We weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren is. Maar hoe het komt dat hij nu kan zien, dat weten we niet. En wie zijn ogen geopend heeft, dat weten we evenmin. Dat kunt u beter aan hem vragen: hij is oud genoeg, hij kan zelf zijn woord wel doen.'  Zijn ouders spraken zo omdat ze bang waren voor de Joden. Want die hadden ondertussen besloten dat iedereen die Jezus als de Messias erkende, uit de synagoge gebannen* zou worden.  Dat was de reden waarom zijn ouders zeiden: 'Hij is oud genoeg, vraag het maar aan hem.'       Toen riepen ze de man die blind was geweest voor een tweede verhoor bij zich: 'Wees nu eens eerlijk voor God! We weten dat die man een zondaar is.'  Maar hij antwoordde: 'Of Hij een zondaar is, daar weet ik niets van. Wat ik wel weet, is dat ik eerst blind was en nu kan zien.'  'Wat heeft Hij met je gedaan?' vroegen ze. 'Hoe heeft Hij je ogen geopend?'  'Dat heb ik toch al verteld,' antwoordde hij, 'maar u hebt niet geluisterd. Waarom wilt u het nog eens horen? Wilt u soms ook leerlingen van Hem worden?'  Toen werden ze grof en zeiden: 'Jij bent een leerling van Hem, wij zijn leerlingen van Mozes.  Wij weten dat God heeft gesproken tot Mozes; maar waar* Hij vandaan komt, daar weten we niets van.'  Hierop gaf de man ten antwoord: 'Maar is dat nu juist niet merkwaardig, dat mensen als u niet weten waar Hij vandaan komt? En Hij heeft mij nog wel de ogen geopend.  Naar zondaars luistert God niet, dat weet toch iedereen. Maar naar iemand die ontzag voor Hem heeft en zijn wil doet, naar zo iemand luistert Hij.  Nog nooit heeft men gehoord dat een mens de ogen heeft geopend van iemand die als blinde geboren was.  Als die man niet van God kwam, had Hij dat nooit gekund.'  Toen voeren ze tegen hem uit: 'Wat? Jij die vanaf je geboorte een en al zonde bent, jij wilt ons de les lezen?' En ze gooiden hem eruit.       Jezus hoorde dat ze hem eruit gegooid hadden, en toen Hij hem teruggevonden had, zei Hij: 'Gelooft u in de Mensenzoon?'  Hij antwoordde: 'Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven.' Toen zei Jezus: 'U hebt Hem ontmoet: het is degene die met u spreekt.'  'Heer, ik geloof', zei hij, en hij wierp zich voor Hem neer

 

blindgeborene41.jpg

 

OH HEMELVAART

Klik op de link :

http://krisbiesbroeck.skynetblogs.be/archive/2011/06/01/h...

 

14-05-15

Cyrillus van Jeruzalem : Ik ben het brood des levens

H. Cyrillus van Jeruzalem (313-350) bisschop van Jeruzalem en kerkleraar Doopcatechese 22

 

 

cyrille_de_jerusalem_45_01.jpg

 

 

Cyrillus van Jerusalem

 

 

 

 

"Ik ben het brood des levens"

 

      Als Christus zelf over het brood zegt: “Dit is mijn lichaam”, wie zou daarover dan nog kunnen aarzelen? En als Hij bevestigt: “Dit is mijn bloed”, wie zou er dan nog over twijfelen? Eerder in Cana in Galilea had Jezus water in wijn veranderd – de wijn is verwant aan het bloed. Wie zou nu nog weigeren om te geloven dat Hij wijn in bloed verandert? Hij was op een bruiloft hierbeneden uitgenodigd en Hij deed een verbazingwekkend wonder; hoe kan men dan nog weigeren wat Hij geeft aan “de vrienden van de bruidegom” (Mt 9,15), namelijk de vreugde van zijn Lichaam en zijn Bloed?       Want zijn lichaam wordt gegeven in de verschijning van brood, en zijn bloed in de verschijning van wijn; als je hebt deelgenomen aan het lichaam en bloed van Christus, dan ben je met Hem één en hetzelfde lichaam en één en hetzelfde bloed. Zo worden wij “dragers van Christus” (Christoffel). Zijn lichaam en zijn bloed verspreiden zich in onze ledematen; zo worden we deelgenoot aan de goddelijke natuur. Eerder toen Hij zich met de joden onderhield zei Christus: “Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal Ik op de laatste dag uit de dood opwekken” (Joh 6,54). Als het brood en de wijn je alleen maar natuurlijk lijken, eindig daar dan niet … Als je zintuigen je op een dwaalspoor brengen, dan stelt het geloof je gerust.       Wanneer je dus naderbij komt om Hem te ontvangen, kom dan niet respectloos naar voren, door je handen uit te spreiden, de vingers uit elkaar. Maar daar de Koning op je rechterhand gaat rusten, maak daarom voor Hem een troon met je linkerhand, en ontvang in de holte van je hand het Lichaam van Christus en antwoordt: Amen!

12-05-15

de heilige Kalliopios

Heiligenleven

De heilige Kalliopios

 

 

 

kalliopios.jpg

De heilige Kalliopios

 

De heilige Kalliopios, de zoon van de rijke christen weduwe Theoklia, te Pergos in Pamfylië. Hij genoot een zorgvuldige opvoeding; toen de vervolging uitbrak zond zijn moeder hem in een kist, samen met veel andere goederen en een stoet bedienden, naar een van haar bezittingen in een rustiger gebied.

Dit mooie plan mislukte echter. Buiten de stad was de jongen uit zijn kist gekropen en nieuwsgierig liep hij rond in hun eerste aanlegplaats, de havenstad Pompeiopolis. Daar kwam hij in een discussie terecht waardoor bleek dat hij christen was. Hij werd gegrepen en voor de prefect gebracht. Toen deze zijn naam hoorde en zijn rijkdom zag, stelde hij hem voor dat geloof te laten varen en zijn dochter te trouwen. Kalliopios antwoordde dat hij niet kon trouwen zonder toestemming van zijn moeder, en dat er bovendien geen sprake van kon zijn dat hij het christendom zou afzweren. De prefect stelde toen zijn standvastigheid op de proef door hem te laten geselen met loden zwepen, en toen hij de jongeman hiermee niet kon klein krijgen deed hij hen de foltering ven het messenrad ondergaan, waardoor zijn lichaam van onder tot boven verscheurd werd. In deze toestand werd hij in de gevangenis geworpen.

Intussen was een der bedienden naar Pergos teruggereisd en had Theoclia ingelicht. Deze haastte zich om haar zoon op te zoeken en vond hem in de gevangenis. Zijn lichaam was zo gezwollen door de ontstoken wonden dat hij niet kon opstaan om zijn moeder te begroeten, maar hij glimlachte dapper en zei : ‘Welkopm moeder U bent gekomen om getuige te zijn van het lijden van Christus’. En zij antwoordde :’Gezegend ben ik en gezegend is de vrucht van mijn schoot, die ik aan Christus heb opgedragen zoals Anna dat eertijds met Samuël heeft gedaan’.

Die nacht bleef zij bij hem in de gevangenis, verzorgde zijn wonden en zat aan zijn voeten. De volgende morgen werd hij weer voor de prefect gebracht, die hem tot de kruisdood veroordeelde. Het vonnis moest voltrokken worden op de Grote Donderdag, maar de moeder had de beulen omgekocht om het vonnis een dag uit te stellen, zodat hij op dezelfde dag zou gekruisigd worden als zijn Heer en Meester. Maar zij dreven de spot met haar en kruisigden haar kind met het hoofd naar omlaag. Zij bleef bij hem totdat hij gestorven was. De beulen namen hem van het kruis en legden hem in haar schoot. Zij legde zijn armen om haar hals en boog zich over dat gemartelde gezicht. Toen brak haar hart en zij was weer verenigd met Christus en Zijn Martelaar, in het jaar 304.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg.orth.klooster Den Haag

09-05-15

5e zondag na Pasen : de Samaritaanse

ZONDAG VAN DE SAMARITAANSE

5e zondag na Pasen

 

 

samaritaanse vrouw.jpg

 

 LEZINGEN

Hand.11,19-26,29-30:

In Antiochië ontstaat een christelijke gemeente
Zij die sinds de noodtoestand na Stefanus' dood verspreid waren geraakt, trokken verder tot Fenicië Cyprus en Antiochië terwijl zij aan niemand het woord verkondigden dan alleen aan de Joden. Maar er waren ook mensen uit Cyprus en Cyrene bij, die in Antiochië ook aan de hellenisten de goede boodschap gingen verkondigen dat Jezus de Heer is. De Heer stond hen ter zijde: een groot aantal mensen kwam tot geloof en bekeerde zich tot de Heer. [ Berichten over hen kwamen de gemeente in Jeruzalem ter ore en men stuurde Barnabas naar Antiochië. Toen hij daar zag hoezeer God hen begunstigde, verheugde hij zich, en hij spoorde iedereen aan om met hart en ziel trouw te blijven aan de Heer, want hij was een voortreffelijk man, vol heilige Geest en geloof. Een grote groep sloot zich aan bij de Heer. [ Daarna vertrok hij naar Tarsus om Saulus te zoeken. Toen hij hem gevonden had, nam hij hem mee naar Antiochië. Een vol jaar lang maakten zij deel uit van de gemeente en gaven ze onderricht aan een grote groep mensen. Het was ook in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd.

De leerlingen besloten dat ieder van hen naar vermogen zou bijdragen aan de ondersteuning van de broeders die in Judea woonden. Dat deden ze en ze stuurden Barnabas en Saulus naar de oudsten om de opbrengst te overhandigen

EVANGELIE

Johannes 4,5-42 :

 

5] Zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, die in de buurt ligt van het stuk grond* dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven, [6] en waar zich de Jakobsbron bevindt. Jezus, die afgemat was van de tocht, was bij de bron gaan zitten. Het was ongeveer het zesde* uur. [7] Een* Samaritaanse vrouw kwam water putten. Jezus sprak haar aan: ‘Geef Mij wat te drinken.’ [8]Zijn leerlingen waren eten gaan kopen in de stad. [9] De Samaritaanse vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt U als Jood te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?’ Joden* willen namelijk met Samaritanen niets te maken hebben. [10] Jezus hernam: ‘Als u de gave van God kende, als u wist wie het is die tegen u zegt: geef Mij te drinken, dan had u Hem erom gevraagd en Hij had u levend* water gegeven.’ [11] ‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘U hebt niet eens een emmer en het is een diepe put. Waar wilt U dat levende water dan vandaan halen? [12] Of bent u soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put heeft nagelaten en er zelf uit gedronken heeft, evenals zijn kinderen en zijn kudden?’ [13] Jezus antwoordde: ‘Iedereen die drinkt van dit water, krijgt weer dorst, [14] maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel: het water dat Ik hem zal geven, zal in hem opborrelen als een bron van eeuwig leven.’ [15] ‘Heer,’ zei de vrouw, ‘geef mij van dat water, dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik hier niet telkens te komen putten.’
[16] Daarop zei Jezus: ‘Ga uw man roepen en kom hier terug.’[17] ‘Ik heb geen man’, antwoordde de vrouw. ‘Dat zegt u terecht, dat u geen man hebt,’ zei Jezus. [18] ‘Want u hebt vijf mannen gehad, en die u nu hebt is uw man niet. Wat u daar zegt, is waar.’ [19] ‘Heer,’ zei de vrouw, ‘ik zie dat U een profeet*bent. [20] Onze voorouders hebben op die berg* daar God aanbeden, maar volgens jullie is Jeruzalem de plaats waar men moet aanbidden.’ [21] ‘Geloof Me,’ zei Jezus, ‘er komt een uur dat men niet meer op die berg daar en ook niet in Jeruzalem de Vader zal aanbidden. [22] – Jullie aanbidden wat je niet kent, wij aanbidden wat we wel kennen; de redding komt immers uit de Joden. – [23] Er komt een uur, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest* en waarheid: dat zijn de aanbidders waar de Vader naar uitziet. [24] God* is geest, en zij die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.’ [25] De vrouw antwoordde: ‘Ja, er komt een messias, dat weet ik.’ (Messias betekent: gezalfde.) ‘Als die er is, zal Hij ons alles verkondigen.’ [26] Daarop zei Jezus tegen haar: ‘Dat* ben Ik, degene die met u spreekt.’
[27] Juist op dat moment kwamen zijn leerlingen terug. Het verwonderde* hen dat Hij in gesprek was met een vrouw. Toch vroeg geen van hen: ‘Wat wilt U eigenlijk?’ of ‘Wat hebt U met haar te bepraten?’ [28] De vrouw liet haar kruik staan, liep naar de stad en zei tegen de mensen: [29] ‘Kom eens kijken, daar is iemand die mij wist te vertellen wat ik allemaal gedaan heb. Zou Hij soms de Messias zijn?’ [30] Toen liepen ze de stad uit, naar Hem toe.
[31] Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan: ‘Eet toch iets, rabbi.’ [32] Maar Hij zei: ‘Ik heb al iets te eten, voedsel dat jullie niet kennen.’ [33] De leerlingen zeiden onder elkaar: ‘Zou iemand Hem al eten gebracht hebben?’ [34] Daarop zei Jezus: ‘Mijn voedsel is: de wil* doen van Hem die Mij gezonden heeft en het werk volbrengen dat Hij Mij heeft opgedragen. [35] Zeggen jullie niet: Nog vier* maanden en dan komt de oogst*? Welnu, Ik zeg jullie: kijk eens goed naar de velden, ze staan wit, rijp voor de oogst. [36] Nu al krijgt de maaier zijn loon en verzamelt hij vruchten voor het eeuwig leven; zo kan de zaaier delen in de vreugde van de maaier. [37] Want het gezegde ‘de een zaait en de ander maait’ is waar: [38] Ik* heb jullie uitgezonden om een oogst binnen te halen waarvoor je je niet hebt afgemat: anderen*hebben zich afgemat en jullie plukken de vruchten van hun werk.’
[39] Uit die stad waren vele Samaritanen in Hem gaan geloven op grond van het woord van de vrouw die getuigd had: ‘Hij wist me alles te vertellen wat ik gedaan heb.’ [40] Toen de Samaritanen naar Hem toe gekomen waren, vroegen ze Hem bij hen te blijven. Hij bleef daar twee dagen. [41] En nog veel meer kwamen er tot geloof door zijn woord. [42] En ze zeiden het ook tegen de vrouw: ‘Nu geloven we niet meer op grond van wat jij verteld hebt; we hebben Hem zelf gehoord en nu weten we: dit is werkelijk de redder* van de wereld.’

08-05-15

Augustinus : Jullie zullen altijd de armen bij jullie hebben. Mij echter niet altijd

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo( Noord Afrika) en kerkleraar
Sermon over het Evangelie van Johannes, nr 50, 6-7

 

Augustinus15.jpg

Augustinus

 

"Jullie zullen altijd de armen bij jullie hebben. Mij echter niet altijd"

 

“Maria nam een kruikje kostbare, zuivere nardusolie, zalfde de voeten van Jezus en droogde ze af met haar haren. De geur van de olie trok door het hele huis.” Dat is het historische feit, laten we naar het symbool zoeken. Wie je ook bent, als je een trouwe ziel wilt zijn, verspreidt dan met Maria een kostbaar parfum over de voeten van de Heer. Dat parfum is de gerechtigheid… Verspreid een parfum over de voeten van Jezus; volg de sporen van de Heer naar een heilig leven. Veeg zijn voeten af met je haren: als je overvloed hebt, geef het dan aan de armen en je zult zo de voeten van de Heer hebben afgedroogd… Misschien hebben de voeten van de Heer op aarde iets nodig. Zegt Hij immers niet over zijn ledematen (Ef 5,30), aan het einde van de wereld: “Alles wat je aan de kleinsten onder de mijnen hebt gedaan, dat heb je aan Mij gedaan” (Mt 25,40).

“De geur van de olie trok door het hele huis.” Dat wil zeggen de wereld werd gevuld met de goede naam van de vrouw, want de goede geur is de goede reputatie. Zij die de naam ‘christen’ laten samengaan met een oneerlijk leven, beledigen Christus…; als de naam van God gelasterd wordt door deze slechte christenen, wordt Hij daarentegen geloofd en geëerd door de goeden, “want wij zijn overal de goede geur van Christus” (2Kor 2, 14-15). In het Hooglied wordt ook gezegd: “Uitgegoten olie is uw naam” (1,3) 

 

Bron : www.dagelijksevangelie.org

 

02-05-15

4e zondag na Pasen : de verlamde

4e zondag na Pasen

Zondag van "de Verlamde"

 

 

verlamde ...zondag van de.jpg

 

LEZINGEN

Apostellezing : Handelingen 9,32-42 :

Petrus in Lydda en Joppe
     Op een grote rondreis kwam Petrus ook bij de heiligen die in Lydda woonden. Hij trof daar een man aan die Eneas heette en al acht jaar op bed lag omdat hij verlamd was. Petrus zei tegen hem: 'Eneas, Jezus Christus geneest je. Sta op en maak je bed op.' En meteen stond hij op. Alle bewoners van Lydda en Saron zagen hem en bekeerden zich tot de Heer.
     In Joppe woonde een leerlinge die Tabita heette, dat wil zeggen Gazelle. Ze deed veel goede werken en bewees liefdadigheid in overvloed. Juist in die dagen werd ze ziek en stierf. Men waste haar en legde haar in een bovenvertrek. Omdat Lydda dicht bij Joppe ligt, stuurden de leerlingen, die gehoord hadden dat Petrus daar was, twee mannen naar hem toe met het verzoek: 'Kom zonder uitstel naar ons toe.' Petrus ging direct met hen mee. Na zijn aankomst brachten ze hem naar het bovenvertrek. Daar kwamen alle weduwen bij hem en ze lieten hem onder tranen de kledingstukken zien die Gazelle maakte toen ze nog bij hen was. Petrus stuurde ze allemaal weg, knielde neer en bad. Toen keerde hij zich naar het lichaam en zei: 'Tabita, sta op.' Zij deed haar ogen open en toen ze Petrus zag ging ze overeind zitten. Hij reikte haar de hand en hielp haar opstaan. Daarna riep hij de heiligen, ook de weduwen, en liet hun zien dat ze weer leefde. Dit werd bekend in heel Joppe en velen gingen geloven in de Heer.

 

EVANGELIE : Johannes 5,1-15

Genezing van een lamme
Enige tijd later ging Jezus voor een van de Joodse feesten naar Jeruzalem. Nu is er in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badinrichting, in het Hebreeuws Betzata geheten, met vijf zuilengangen. Daar lag gewoonlijk een groot aantal zieken, blinden, lammen en kreupelen. Er was ook een man bij die al achtendertig jaar ziek was. Jezus zag hem liggen, en omdat Hij begreep dat hij al lang ziek was, sprak Hij hem aan: 'Wilt u graag gezond worden?' 'Maar Heer,' zei de zieke, 'ik heb geen mens om mij in het bad te helpen wanneer het water in beweging komt, en terwijl ik mij erheen sleep, is een ander mij voor.' Daarop zei Jezus: 'Sta op, pak uw bed en loop.' Meteen werd de man gezond: hij pakte zijn bed en liep.
     Nu was die dag een sabbat. De Joden zeiden dus tegen de genezen man: 'Het is sabbat, u mag uw bed niet dragen!' Maar hij antwoordde: 'Hij die mij gezond heeft gemaakt, heeft mij bevolen: "Pak uw bed en loop." '  'Wie is de man die tegen u gezegd heeft: "Pak uw bed en loop"?' vroegen ze. Maar wie het was geweest, wist de man niet. Jezus was in de menigte verdwenen. Later vond Jezus hem in de tempel terug. 'U bent nu gezond', zei Hij. 'Zorg dat u niet meer zondigt, anders zou u nog iets ergers kunnen overkomen!' De man ging aan de Joden meedelen dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had.

29-04-15

Isaak de Syriër : zijn leven en werk

Isaak de Syriër (7e eeuw)
 
 
Vanaf de derde eeuw ontwikkelde zich binnen het oriëntaalse christendom van Egypte, Palestina en Mesopotamië een veelzijdige spirituele traditie, die een synthese tot stand bracht van lichamelijke discipline, psychologisch inzicht, filosofisch denken, theologisch wereld­beeld en religieuze ervaring. Deze traditie nam tal van vormen aan, verrijkte zich met steeds nieuwe inzichten en bereikte haar hoogtepunt in het werk van de grote Oost-Syrische mystieke auteurs uit de zevende, achtste en negende eeuw.
Dit tijdperk begint met het werk van Isaak de Syriër (Mār Iṣḥaq Suryāyā), die als eerste een synthese vormt van de 

isaac de syriër.jpg

rijkgeschakeerde spirituele leer van het Koptische, Palestijnse en Syrische christendom. Hij is geen systematisch denker of theoretisch schrijver, maar een man van het dage­lijks leven – toegankelijk, mild en vol empathie. Hij spreekt over alledaagse menselijke ervaringen en draagt een Godsbeeld uit waarin universeel mededogen centraal staat. Dankzij deze grote toegankelijkheid werd hij een van de meest geliefde spirituele auteurs in de oosters-orthodoxe en oriëntaals-orthodoxe tradities.
 
Isaaks leven
 
Als Syrisch schrijver en oriëntaals christen bleef Isaak echter grotendeels buiten beeld, omdat de ruimte en tijd waarin hij leefde tot voor kort ontoegankelijk waren. We beschikken over twee bronnen, die ons enigszins inlichten over het leven van Isaak: een veelgelezen verzameling van levensbeschrijvingen van bekende monniken, aangelegd door de Oost-Syrische auteur Išō‘dnaḥ van Baṣrā (negende eeuw) en uitgegeven in 1896, en een anoniem tekstfragment uit de West-Syrische traditie dat in 1904 werd gepubliceerd. Volgens deze korte teksten stamde Isaak uit Bēt Qaṭrāyē, de zuidwestelijke kuststreek van de Perzische Golf, waar hij een geleerde malfānā, ‘leraar’, en vervolgens dayrāyā, ‘kloosterling’, werd.
Gewargis I, van 661-680 Katholikos van de Kerk van het Oosten, reisde in 676 naar Qaṭar om een eind te maken aan een schisma van de plaatselijke bisschoppen. Op de terugreis nam hij Isaak mee naar Bēt Arāmāyē, het noorden van Mesopotamië, waar hij hem tot bisschop van Nineve (het huidige Mosul) wijdde. Al na vijf maanden nam Isaak ontslag uit zijn ambt, ‘om een reden die God alleen kent’ (Išō‘dnaḥ) of ‘vanwege de scherpte van zijn inzicht en zijn ijver’ (anonieme bron). De bijnaam ‘de Syriër’ past dus veel beter bij hem dan ‘van Nineve’.
Isaak trok naar Bēt Ḥuzāyē (beter bekend als Elam, nu Ḥūzestān), een bergachtige streek in het zuidwesten van Perzië, waar hij lange tijd onder de kluizenaars woonde. Hij schreef daar ‘vijf boeken die vol zijn van een zoet soort onderwijs’ (anonieme bron), maar waarin hij enkele ideeën uiteenzette die door bepaalde kerkelijke autoriteiten niet geaccepteerd werden. Volgens Išō‘dnaḥ ‘werd de afgunst jegens hem aangestookt door degenen die in de binnenlanden van Perzië woonden.’ Dit laatste wijst misschien op tegenstanders uit het kerkelijk centrum van Bēt Lāpaṭ, dat vanouds het intellectuele centrum van Perzië was en ook voor de christenen een belangrijk centrum van geleerdheid werd. In de loop der jaren werd Isaak blind, maar dicteerde zijn geschriften aan zijn leerlingen. Op hoge leeftijd trok hij zich terug bij het beroemde klooster van Rabban Šābūr (ligging onbekend), waar hij na zijn overlijden werd begraven.
 
Isaaks teksten
 
Van Isaak zijn ruim 130 verhandelingen of traktaten (mēmrē ofλόγοι) bewaard en tevens vier Centuriën, dat wil zeggen verzamelingen van honderd (centum) aforismen of spreuken. In historische bronnen is sprake van het bestaan van vijf en zelfs zeven ‘boeken’ of ‘banden’ met teksten van Isaak, maar tot voor kort was slechts één daarvan bekend in een uitgave door Paul Bedjan uit 1909. Deze verzameling van 81 Verhandelingen staat nu bekend als het Eerste Deel.
Het Eerste Deel werd tegen het eind van de 8e en het begin van de 9e eeuw in de Laura van Mar Saba door twee monniken, Abraham en Patrikios, in het Grieks vertaald en vandaaruit in het Georgisch, Arabisch, Ethiopisch, Oud-Slavisch, Roe­meens en Russisch vertaald. Een Latijnse vertaling van de Griekse tekst werd in de 15e en 16e eeuw in het Portugees, Spaans, Catalaans, Frans en Italiaans vertaald. De Griekse vertaling is gebaseerd op een West-Syrische tekst, die uit meerdere manuscripten bekend is en met zijn 77 Verhandelingen korter is dan de Oost-Syrische tekst die door Bedjan werd gepubliceerd. De West-Syrische overlevering heeft de teksten hier en daar wat herschreven, zoals dat ook de Griekse vertaling op haar beurt deed, vooral vanwege bepaalde theologische gevoeligheden. Bovendien nam de Griekse versie een aantal geschriften op die niet van Isaaks hand zijn: Verhandelingen 15, 16, 17 en 18 zijn van Johannes van Dalyātā (achtste eeuw), ‘Brief 4’ van Philoxenus van Mabbug (†523).
Het Tweede Deel, waarvan bepaalde stukken in vertaling bekend waren, ging na de eerste wereldoorlog verloren en werd in 1983 door Sebastian Brock teruggevonden in de Bodleian Library te Oxford. Hij gaf in 1995 Verhandelin­gen 4-41 uit, samen met een Engelse vertaling. Het Derde Deel met zestien Verhandelingen werd in 2011 door Sabino Chialà samen met een Italiaanse vertaling uitgegeven. Een aantal manuscripten bevat een Vijfde Deel, waarvan de authenticiteit nog moet worden vastgesteld.
Algemene kenmerken van Isaaks geschriften
Isaaks geschriften behandelen een veelheid aan thema’s zonder enige systematische opzet. Ook al geeft hij in bepaalde verhandelingen een goed gestructureerde uiteenzetting van een bepaald thema, soms voorzien van een inleiding en samenvatting, het is duidelijk niet zijn bedoeling om een complete gids tot het geestelijk leven aan te bieden. Isaak plaatst zijn ideeën inzake het monastieke leven binnen een grootse kosmische context, waarbij hij het symbolisch denken van Efrem de Syriër (ca. 300-373) en de driedelige antropologie van Johannes van Apamea (eerste helft 5e eeuw) integreert met de ascetische theologie van Evagrius van Pontus (345-399). Terwijl hij fundamentele begrippen en voorstellingen uit de voorafgaande monastieke en theologische literatuur hanteert en een gedegen inhoudelijke reflectie allesbehalve schuwt, staan zijn overwegingen voortdurend in functie van de directe communicatie met zijn toehoorders. Isaak schrijft vanuit zijn persoonlijke ervaring en zijn vermogen om door middel van zijn teksten een persoonlijke band met zijn lezers aan te knopen, verleent hem een geheel eigen ‘stem’ die over de eeuwen heen is blijven klinken.
Omdat zijn aandacht steeds uitgaat naar het bevorderen van een persoonlijke initiatie in de ervaring van God, vertoont zijn ‘technische’ terminologie een grote flexibiliteit. Zo vloeien termen als hawnā, ‘geest, intellect’, mad‘ā, ‘verstand’, re‘yānā, ‘denken, gedachte, verstand’ en lebbā, ‘hart’, tot op zekere hoogte in elkaar over, omdat zij een dynamiek van menselijke groei beschrijven zonder de intrinsieke eenheid daarvan ooit uit het oog te verliezen. Terwijl deze termen een lange voorgeschiedenis hebben binnen de Syrische literatuur en bij Isaak hun specifiek autochtone karakter behouden, hanteert hij begrippen als sukkālā, ‘inzicht, begrip’, hergā, ‘overweging, meditatie’ en renyā, ‘reflectie’ als vertaling van traditionele Griekse begrippen. Woorden als teyōriyā, ‘beschouwing’, en hiyūlā, ‘stof’, zijn zelfs een directe weergave van de oeroude Griekse termen theôria (θεωρία) en hylê (ὑλὴ).
Isaak herneemt de driedelige antropologie van Johannes van Apamea (pagrā, ‘lichaam’, nafšā, ‘ziel’ en ruḥā, ‘geest’), een aantal door Evagrius geformuleerde begrippen als ‘naaktheid van het intellect’ (γυμνότης νοῦ) en ‘onstoffelijke beschouwing’ (θεωρία τῶν ἀσωμάτων), en traditionele Syrische begrippen als ‘stilte’ (šelyā, equivalent van ἡσυχία), ‘overschaduwing’ (magnānūtā), ‘verlichting’ (nahhirūtā) en ‘verwondering’ (tahrā), aan de hand waarvan hij zijn eigen synthese opbouwt:
De lichamelijke discipline (dubbārā pagrānā) van het leven in stilte (šelyā) reinigt het lichaam (pagrā) van al het stoffelijke (hiyūlā) dat zich erin bevindt. De discipline van het verstand (dubbārā d-re‘yānā) verootmoedigt de ziel (nafšā) en zuivert haar van de grove impulsen die haar op het vergankelijke richten, doordat ze haar overbrengt van impulsen die zich aan passies onderwerpen naar impulsen die worden bewogen door de beschouwing (teyōriyā) van het vergankelijke. Deze beschouwing brengt haar naar de naaktheid van het intellect (‘arṭelāyūtā d-hawnā), die ‘onstoffelijke beschouwin­gen’ (teyōriyas d-lā hiyūlā) wordt genoemd. Dit is de geestelijke discipline (dubbārā ruḥānā): deze immers verheft het verstand (mad‘ā) boven al het aardse en doet het zo naderen tot de eerste beschouwing van de geest (teyōriyā qadmaytā d-rūḥ) en richt het verstand (mad‘ā) op God door de aanschouwing (ḥezwā) van de onuitsprekelijke heerlijkheid en schenkt geestelijk genot door de hoop op het toekomstige (Verhandeling I.40).
 
Isaaks leer over het spirituele leven
 
Isaak leefde in een semi-anachoretisch milieu, waarin eenzaamheid en gemeenschap niet als twee onderscheiden levensvormen werden beschouwd, maar als twee van elkaar afhankelijk dimensies van één en hetzelfde monastieke leven. Helemaal in de lijn van de grote hervormer Abraham van Kaškar (†586) beschouwde Isaak monniken als gemeenschapsmensen die een deel van hun tijd in eenzaamheid doorbrengen, omdat het zoeken van God zowel afzondering en stilte als naastenliefde en universeel mededogen inhoudt.
Allereerst kiest de monnik voor een leven in uitwendige stilte, waarin hij door veelvuldig vasten en waken en bidden begint zijn leven wat op orde te brengen. Geleidelijk aan maakt de nogal ongenuanceerde toeleg op uiterlijke praktijken (de ‘lichamelijke discipline’) plaats voor de toeleg op veelvuldig neerknielen in stil gebed en langdurig lezen van de bijbel en geestelijke boeken. De monnik bindt dan steeds meer de strijd aan met zijn eigen gedachten, neigingen en motivaties (de ‘discipline van het verstand of de ziel’) om een ‘rein hart’ te verwerven, dat karakteristiek is voor het tweede stadium.
Wie zich hierop blijft toeleggen, mag af en toe ervaren dat hij van ‘het reine gebed van de ziel’ overgaat naar ‘de stilte van de geest’ – een ervaring die kenmerkend is voor het derde en hoogste stadium:
Eerst komt de meditatie over God stilletjes op in een mens, om geleidelijk aan zijn geest steeds meer in beslag te nemen en zijn verstand mee te nemen en het te plaatsen in de donkere wolk van Gods heerlijkheid en in de Bron van Leven, waaruit het leven te allen tijde ononderbroken opborrelt … (Verhandeling II.10.17).
De menselijke natuur laat op dit punt alles volkomen achter zich en alles dat haarzelf eigen is. Zij verblijft dan in een onuitsprekelijk en onverklaarbaar stilzwijgen, omdat de inwerking van de Heilige Geest haar beweegt en zij boven het gezag van het begrip van de ziel is verheven (Verhandeling II.32.4).
Deze ervaringen, kortstondig en onvoorspelbaar, geven de mens een voorproef van de komende heerlijkheid van het herrezen leven:
Vanaf dit moment worden we gemakkelijk gebracht naar wat ‘verenigende kennis’ wordt genoemd, die niets anders dan de verwondering over God is. Dit is de orde van de toekomstige verheven leefwijze, die ons geschonken wordt in de vrijheid van het onsterfelijk leven in het bestaan na de opstanding (Verhandeling I.40).
Vanuit deze ervaring groeit in de mens een besef van de alomvattende liefde van God, waartegen al het kwaad dat mensen of demonen bedrijven niet bestand is. Als consequentie van deze grenzeloze liefde stelt Isaak dat de hel slechts een tijdelijk louteringsoord is:
Voor zover het van God afhangt, zal geen enkel van alle geestelijke wezens verloren gaan bij de voorbereiding van het verheven Koninkrijk, dat voor alle eeuwigheid is toebereid. Vanwege de goedheid van zijn natuur, waarmee Hij het heelal tot het aanzijn roept en alle schepsels dankzij zijn mateloze barmhartigheid verdraagt en leidt en verzorgt, heeft Hij voor alle geestelijke schepsels het Koninkrijk van de hemel ingericht. Daarbij is een tussentijd voorzien om alle wezens tot hetzelfde niveau te brengen. Ik zeg dit, omdat ik in overeenstemming wil zijn met het onderricht van de Schrift. Toch is de Gehenna een vreselijke realiteit, al is ze maar tijdelijk (Verhandeling II.40.7).
Uiteindelijk liggen alle wederwaardigheden van het mensdom ingesloten in een onbegrijpelijk mededogen, dat begin en einde is van alles:
Hoe onpeilbaar is de rijkdom en het begrip en de verheven wijsheid van God! Hoe welwillend is de barmhartigheid en hoe rijk de goedheid van de Schepper! Met wat voor gedachte en wat voor liefde heeft Hij deze wereld geschapen en tot het aanzijn gebracht! Wat voor mysterie staat het bestaan van deze schepping te wachten! … Uit liefde bracht Hij de wereld tot het aanzijn; in liefde zal Hij haar tot een wonderlijke, helemaal omgevormde toestand brengen; in liefde zal de wereld worden opgeslokt in dat grote mysterie van Hem die dit alles tot stand bracht; in liefde zal de hele loop van het leven in deze wereld tot voleinding worden gebracht (Verhandeling II.38:1-2).
 
 Bron: Tilburg School of Catholic Theology, met dank aan Kees den Biesen.
 

11:26 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

25-04-15

3e zondag na Pasen : de Myrondraagsters

ZONDAG VAN DE MYRONDRAAGSTERS

en de heilige Jozef van Arimathea

3e zondag na Pasen

 

 

Myrondraagsters44.jpg

De myrondraagsters

 

 

Apostellezing: Handelingen,6, 1-7

Zeven medewerkers gekozen; groei van de gemeente In die dagen, toen het aantal leerlingen steeds groter werd, begonnen de hellenisten te mopperen op de Hebreeën; ze vonden dat hun weduwen bij de dagelijkse ondersteuning* werden achtergesteld. De twaalf riepen daarop de hele groep leerlingen bij elkaar en zeiden: 'Het is onverantwoord dat wij het woord van God verwaarlozen om te kunnen zorgen voor de ondersteuning. Zie daarom uit, broeders, naar zeven personen uit jullie midden, die goed bekend staan, vol van de Geest en van wijsheid. Hen zullen wij dan met deze taak belasten, terwijl wíj ons blijven toeleggen op het gebed en de bediening van het woord.' De hele groep stemde met dit voorstel in. Zij kozen Stefanus, een man vol geloof en heilige Geest, en verder Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië. Ze droegen hen voor aan de apostelen, en die legden hun na gebed de handen op. Het woord van God bleef zich verbreiden; het aantal leerlingen in Jeruzalem werd nog veel groter, en ook een grote groep priesters aanvaardde het geloof.

Evangelie : Marcus 15,43 - 16,8

de dag vóór de sabbat - durfde Jozef van Arimatea, een vooraanstaand lid van de raad, die zelf ook leefde in de verwachting van het koninkrijk van God, het aan om naar Pilatus te gaan en het lichaam van Jezus te vragen. Pilatus was verbaasd dat Hij al dood zou zijn, en hij riep de centurio bij zich en vroeg hem of Hij al gestorven was. Toen hij dat van de centurio vernomen had, gaf hij het lijk aan Jozef. Deze kocht een linnen doek, nam Hem van het kruis af, en wikkelde Hem in het linnen; hij legde Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen, en hij rolde een steen voor de ingang van het graf.

De vrouwen bij het graf Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala, Maria van Jakobus, en Salome kruiden om Hem te gaan zalven. In alle vroegte op de eerste dag van de week gingen ze na zonsopgang naar het graf. Ze zeiden tegen elkaar: 'Wie zal voor ons de steen bij de ingang van het graf wegrollen?' Toen ze opkeken, zagen ze dat de steen weggerold was; hij was overigens buitengewoon groot. Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een jongeman zitten met een wit kleed om, en ze schrokken hevig. Maar hij zei hun: 'Schrik niet. U zoekt Jezus van Nazaret, die gekruisigd is. Hij is tot leven gewekt, Hij is niet hier. Kijk, hier is de plaats waar ze Hem neergelegd hadden. Maar ga tegen zijn leerlingen en tegen Petrus* zeggen: "Hij gaat u voor naar Galilea. Daar zult u Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft." ' Ze vluchtten naar buiten, van het graf weg, bevend van angst en buiten zichzelf. Ze zeiden niemand iets, want ze waren bang.

 

Wat betekent Myron en Myrondraagsters ?

Myron betekent ‘geur'. Het is een geurige en zeer kostbare olie. Rijke mensen lieten er hun doden mee inwrijven. Samen met andere kruiden balsemde men het lichaam, zodat het kon bewaard blijven. De Myron zorgde voor een aangename geur.

Myron wordt ook voor veel andere gelegenheden gebruikt : doopsel , Myronzalving (vormsel), inwijding altaar van een nieuwe Kerk , bij een wijding enz...

Olie maakt ook sterk, soepel :

Bijvoorbeeld bij Aaron. Dan druipte de olie over zijn baard tot op zijn kleed. Het moest hem sterken om zijn hogepriesterschap te kunnen dragen.

Myrondraagsters : dat zijn dan de vrouwen die aan het graf aankwamen om Jezus lichaam met Myron in te wrijven.

Myron heeft ook nog voor de Kerk een andere betekenis voor ogen : het wordt gewijd door de bisschop. In feite heeft elke autokefale kerk (is elke Kerk die zelf zijn opvolgers kiest : bv. het Patriarchaat van Constantinopel, de Kerk van Griekenland , enz...) het recht om zelf de Myron te wijden, maar bijna alle kerken betrekken het uit Constantinopel. Dat doen ze om de éénheid van de Orthodoxie aan te tonen. In elke plaatselijke Kerk wordt dus Myron gebruikt die van dezelfde hoofdkerk afkomstig is.

De myronzalving noemt men ook : CHRISMATIE : de grote zalving door de Heilige Geest om kracht en sterkte in het geloof.

 

 

joseph van Arimatea25.jpg

Jozef van Arimathea

 

Gregorius van Nazianze :O GIJ, ALLES VOORBIJ

GREGORIUS VAN NAZIANZE (329/30 - 390):

O GIJ, ALLES VOORBIJ

 

 

gregorius van Nazianze (2).jpg

Gregorius van Nazianze

 

 

O Gij, alles voorbij, hoe u anders noemen?

Hoe kunnen woorden u prijzen: Gij die door geen woord te zeggen zijt.

Hoe kunnen gedachten u bereiken, Gij die door geen denken te grijpen zijt.

Gij, Enige, Onuitsprekelijke, alwat gezegd wordt komt van U. Gij, Enige, Onkenbare,

al wat gekend wordt komt van U.

Al wat spreekt en al wat niet spreekt, prijst u.

Al wat denkt en al wat niet denkt, eert u. Hunkeringen overal, barensweeën overal,

alles reikhalst naar U, alles bidt tot U, terwijl al wat uw geheim doorgrondt een lied vol stilte zingt.

Bij U alleen blijft alles bewaard, op U hoopt alles,

Gij zijt het doel van alles Gij zijt één Gij zijt alles Gij zijt niemand Gij zijt geen een Gij zijt niet alles.

O Gij die alle namen draagt

Hoe zal ik U noemen?

Gij Enige Onnoembare Welke hemelgeest dringt door tot het bovenste wolkendek?

Wees mij genadig, O Gij alles voorbij. Hoe U anders bezingen? O Gij alles voorbij.

(J. Streng, Voorbij het denken. Verkenningen in de westerse mystiek, Baarn 19822, pag.62-63.)

18-04-15

2e zondag van Pasen : Thomaszondag

2e zondag van Pasen

THOMASZONDAG

 

 

thomas'ongeloof (495 x 660).jpg

 

LEZINGEN :

Handelingen 5,12-20 :

  [12] Door de handen van de apostelen gebeurden er vele tekenen en wonderen onder het volk. Eensgezind bevonden zij zich allen in de Zuilengang van Salomo. [13] Geen buitenstaander durfde zich met hen in te laten, maar het volk sprak met grote waardering over hen. [14] Steeds weer sloten zich mensen aan die in de Heer geloofden, grote groepen mannen en vrouwen; [15] zelfs droeg men de zieken de straat op en legde hen daar neer op een bed of een matras, in de hoop dat wanneer Petrus voorbijkwam in ieder geval zijn schaduw* op een van hen zou vallen. [16] Ook de bevolking uit de steden rondom Jeruzalem stroomde in groten getale toe; ze brachten zieken mee en mensen die te lijden hadden van onreine geesten, en allen werden genezen.
Hernieuwd optreden tegen de apostelen deert hen niet      [17] De hogepriester echter en heel zijn aanhang, de partij van de sadduceeën, werden vervuld met jaloezie; [18] ze arresteerden de apostelen en zetten hen in de stadsgevangenis. [19] Maar een engel van de Heer opende 's nachts de deuren van de gevangenis, bracht hen naar buiten en zei: [20] 'Jullie moeten weer naar de tempel gaan om aan het volk het nieuwe leven* te verkondigen.'

Evangelie :

Johannes 20,19-31:

Verschijning aan de leerlingen      [19] Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar. Hoewel de deur op slot was uit vrees voor de Joden, kwam Jezus. Ineens stond Hij in hun midden en zei: 'Vrede!' [20] Na* deze groet toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. Vreugde vervulde de leerlingen toen ze de Heer zagen. [21] 'Vrede', zei Jezus nogmaals. 'Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik jullie.' [22] Na deze woorden ademde* Hij over hen. 'Ontvang de heilige Geest', zei Hij. [23] 'Als jullie iemand zijn zonden vergeven*, dan zijn ze ook vergeven; als jullie ze niet vergeven, dan blijven ze behouden.'
Jezus en Tomas      [24] Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd, was er niet bij toen Jezus kwam. [25] De andere leerlingen vertelden hem: 'We hebben de Heer gezien.' Maar hij zei: 'Ik wil zijn handen zien, met de gaten van de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers voelen. Ik wil met mijn hand de opening in zijn zijde voelen. Anders geloof ik niet.'      [26] Acht* dagen later waren de leerlingen weer bijeen, en nu was Tomas erbij. Hoewel de deur op slot was, kwam Jezus. Ineens stond Hij in hun midden en zei: 'Vrede!' [27] Vervolgens richtte Hij zich tot Tomas: 'Kijk maar, hier zijn mijn handen; kom nu maar met je vinger. En kom met je hand om de opening in mijn zijde te voelen. Wees niet langer ongelovig, maar gelovig.' [28] Hierop zei Tomas: 'Mijn Heer! Mijn God!' [29] Jezus zei: 'Omdat* je Me gezien hebt geloof je? Gelukkig zij die zonder gezien te hebben toch tot geloof komen.'
Bedoeling van dit boek      [30] Nog veel andere tekenen heeft Jezus voor de ogen van zijn leerlingen verricht, die niet in dit boek zijn neergeschreven. [31] Die welke u hier vindt, zijn neergeschreven opdat u zult geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leven zult bezitten in zijn naam.

 

APOSTEL THOMAS

 

Thomas_the_Apostle.jpg

 

 

 

 

Wie was ongelovige Thomas?

Dat de apostel Thomas 'ongelovige Thomas' wordt genoemd, is gebaseerd op het ongeloof van de apostel Thomas die niet geloofde dat Jezus uit zijn graf was opgestaan. De andere apostelen hadden Christus gezien, maar Thomas was op dat moment niet aanwezig. Hij zei daarop dat hij de opstanding van Christus pas wilde geloven als hij de wonden van de spijkers in de handen van Christus zou zien en zijn vinger erop kon leggen.

Uitdrukking

Acht dagen later verscheen Jezus opnieuw aan zijn leerlingen en liet hen de wonden aan handen zien en betasten. Thomas schaamde zich voor zijn ongeloof. Christus wees Thomas voor zijn houding terecht met de woorden: 'Zalig zijn zij die niet zien en toch geloven' (Joh. 20: 24-29). Ongelovige Thomas is ook een uitdrukking voor iemand die iets niet wil geloven.

Thomaszondag

Thomaszondag is de gedenkdag van de apostel Thomas [Grieks: Didymus ofwel ´één van een tweeling´] We kennen hem als iemand die trouw was aan Jezus. Toen Jezus naar Betanië in Judea wilde gaan om de zieke Lazarus te bezoeken, waren de andere apostelen daar op tegen omdat ze het te gevaarlijk vonden, maar op aansporen van Thomas gingen ze toch mee. Trouw van karakter dus, maar ook wantrouwig. Kon hij zijn medebroeders geloven, toen ze zeiden dat Jezus uit de dood was verrezen? Nee, hij moest Hem eerst zien. Pas toen hij de littekens had aangeraakt, kwam hij tot geloof: ´Mijn Heer en mijn God!´ De scène, met Jezus, Thomas en de andere apostelen, is vele malen afgebeeld. Wanneer hij alleen is afgebeeld, zien we Thomas gewoonlijk met een winkelhaak, het gereedschap van een timmerman. Volgens de niet-bijbelse overlevering zou hij namelijk als apostel naar India zijn gevaren en daar als timmerman-missionaris hebben gewerkt.

 

 

 


 

Troparion:

Nadat de steen verzegeld was, o Christus God, zijt Gij, het leven, opgegaan uit het graf, en bij gesloten deuren stond Gij te midden van Uw leerlingen, als de Opstanding van het heelal, om door hen in ons de rechte geest te hernieuwen, volgens Uw grote barmhartigheid.

Kondakion:

Met zijn nieuwsgierige hand o Christus God, mocht Thomas Uw levenbrengende zijde betasten, hoewel Gij binnengetreden waart door de gesloten deuren. Daarom riep hij tot U, tezamen met de andere apostelen : Gij zijt mijn Heer en mijn God.

Prokimen:

Groot is de Heer en groot is Zijn kracht, en oneindig is Zijn begrip

 

Alleluia:

Komt, laat ons jubelen voor de Heer, laat ons juichen voor God, onze Heiland.

Want God is een machtige Heer : een grote Koning over heel de aarde.

 

 

 

 

 

 

 

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende