30-06-16

de oerkerk

Herinneringen in Nederland aan oerbegin van kerk

Beschouwingen over het ontstaan van de kerk gezien door een protestantse broeder.

 

We kennen ze allemaal: vluchtelingen. Ook in Nederland. Maar weten we ook van hun kerken? Onder de zogenaamde migrantenkerken in Nederland treffen we ook de oudste kerken uit de begintijd van het christendom aan: de Oriëntaals-Orthodoxe Kerken. Ze herinneren ons aan het christelijke oerbegin van de kerk.

De Oosters-Orthodoxe Kerken nemen een aparte plaats in naast de Rooms-Katholieke Kerk en de kerken van de Reformatie. Zij bezitten een eigen geschiedenis en een eigen kijk op liturgie, dogma en traditie. De Oosters-Orthodoxe Kerken, die verdeeld zijn over verschillende landen, zijn officieel ontstaan bij het bekende schisma van 1054, toen de kerk van het Griekse Oosten na een lange geschiedenis van wrijving en conflicten, zoals over de positie van de paus zich losmaakte van het Latijnse Westen. Een zelfstandige gemeenschap was in het leven geroepen: de "orthodoxe" kerken; "orthodox" in de zin van "rechte lofprijzing" of "rechte leer".

"" frameborder="0" marginwidth="0" marginheight="0" scrolling="no" style="border: 0px currentColor; border-image: none; vertical-align: bottom;"

De theologische basis van de Orthodoxe Kerken bestaat in het algemeen uit de leer van de eerste zeven algemene concilies (325-787). De eerste twee stelden de leer van de Drie-eenheid vast, de volgende vier het ware mens-zijn van Christus en het zevende de legitimiteit van de iconen. Iconen zijn de geschilderde afbeeldingen van Christus, Maria (de "Moeder Gods"), heiligen en martelaren, of gebeurtenissen uit de Bijbel. Zij vormen een wezenlijk bestanddeel van het oosters-orthodoxe geloof, dat deze afbeeldingen beschouwt als tastbare symbolen van de goddelijke werkelijkheid.

De oosterse orthodoxie kenmerkt zich door een accent op liturgie, dat wil zeggen de viering in de gemeenschappelijke eredienst. Een optimistische visie op mens en wereld is haar niet vreemd. Woorden zoals zonde en schuld krijgen geen nadruk. Daartegenover spelen de begrippen vergoddelijking, liefde en opstanding (het paasfeest is ook het grote feest in de orthodoxie) een grote rol.

Een westers begrip zoals "verzoening door voldoening" of de gedachte van een (juridische) rechtvaardiging door het geloof is afwezig. De nadruk ligt op de menswording en de opstanding van Christus, die consequenties heeft voor de gehele kosmos. Verder is de Orthodoxe Kerk sterk hiërarchisch ingericht, evenals Rome, hoewel ze van de zogenaamde onfeilbaarheid van de paus gruwt en in de plaats daarvan de autoriteit van de concilies stelt. Maar evenals Rome kent zij wel ook de zeven sacramenten, een rijk ontwikkeld kloosterleven (hoewel nu teruglopend) en een uitbundige Mariaverering.

In gevaar

Een van de varianten van de orthodoxie zijn de Oriëntaals-Orthodoxe Kerken. Deze vormen feitelijk de oudste christelijke kerken. De taal in de liturgie van de Syrisch-Orthodoxe Kerk is bijvoorbeeld Aramees, verwant aan de Aramese taal, die Jezus sprak, en aan het Hebreeuws.

Deze kerken in het Midden-Oosten (vandaar: oriëntaals) en in delen van Noord-Afrika bevinden zich in zwaar weer. In sommige regio’s, zoals Syrië en Irak, is het voortbestaan van christelijke kerken zelfs in gevaar. Veel oosterse christenen zijn gevlucht, onder andere naar Europa, ook naar Nederland. Momenteel is er in meerdere grote en middelgrote steden een oriëntaals-orthodoxe gemeenschap te vinden.

Dr. Jaap van Slageren, oud-secretaris van de Nederlandse Zendingsraad (NZR) en adviseur van het Overleg Episcopale Kerken (OEK), heeft de verschillende Oriëntaals-Orthodoxe Kerken in Nederland in kaart gebracht. Doel is de Nederlandse christenen kennis te laten maken met deze snel groeiende groep van gelovigen in Nederland. Het resultaat is een rijk geïllustreerd boekwerk: "Wijzen uit het Oosten, uit zo verren land".

Onder de Oriëntaals-Orthodoxe Kerken vallen de Syrisch-Orthodoxe Kerk (en de nauw met haar verwante Malankara Orthodox-Syrische Kerk van Kerala, in India), de Koptisch-Orthodoxe Kerk van Egypte, de Armeens-Apostolische Kerk, de Ethiopisch-Orthodoxe Tewahedo Kerk en de Eritrees-Orthodoxe Tewahedo Kerk.

"" frameborder="0" marginwidth="0" marginheight="0" scrolling="no" style="border: 0px currentColor; border-image: none; vertical-align: bottom;"

Van Slageren geeft behalve een historische schets van deze kerken ook een aantal voorbeelden van hun kerstverhalen. Daarin is iets te proeven van de beleving van het mysterie van de neerdaling van God onder de mensen. Met een rijkdom aan symbolen wordt dit mysterie in de liturgische traditie van deze kerken gevierd. De eucharistie en de rol van de priester nemen daarbij een belangrijke plaats in, een overeenkomst met de Rooms-Katholieke Kerk, die een grote verwantschap kent met de Orthodoxe Kerken. Door de beschrijving van de liturgische gewoonten, naast eucharistie ook de doop en het vasten, maakt Van Slageren de geloofstraditie concreet en inzichtelijk.

Andere traditie

De Oriëntaals-Orthodoxe Kerken zijn onderscheiden van de Oosters-Orthodoxe Kerken, zoals de Russisch-Orthodoxe en de Grieks-Orthodoxe Kerk, die in Nederland niet zo veel aanhangers hebben en ook een geheel andere liturgische en geloofstraditie vertegenwoordigen.

De Oriëntaals-Orthodoxe Kerken beroepen zich op de eerste oecumenische concilies van de ongedeelde kerk, zoals Nicea (325) en Constantinopel (381), waar respectievelijk de godheid van Christus en de Heilige Geest werd vastgelegd. Tijdens het concilie van Efeze (431) werd eveneens vastgelegd dat het goddelijke en het menselijke op volmaakte wijze in Jezus verenigd zijn, zonder vermenging en ongedeeld. De Oriëntaals-Orthodoxe Kerken hebben afstand genomen van het latere concilie van Chalcedon in 451, waarin het wezen van Christus, met inachtneming van de eenheid van Zijn persoon, toch ook als twee duidelijk van elkaar te onderscheiden naturen wordt voorgesteld.

De Oriëntaals-Orthodoxe Kerken hanteren de juliaanse kalender, onderscheiden van de gregoriaanse kalender, die in de meeste westerse kerken gehanteerd wordt. Daardoor vallen de feestdagen, zoals Pasen en Pinksteren, op andere data. De Oriëntaalse Kerken hebben zich elk op eigen wijze ontwikkeld. Pas in de twintigste eeuw ontstond het besef dat al deze kerken samen één confessionele familie vormen. Op 15 januari 1965 vond in Addis Abeba (Ethiopië) de eerste conferentie plaats van hoge vertegenwoordigers van deze kerken. Besloten werd tot een voortgaand oriëntaals overleg, dat in 1989 onder supervisie van de Wereldraad van Kerken werd verbreed tot een beraad samen met de Oosters-Orthodoxe Kerken.

Omdat zij uiteindelijk tot dezelfde geloofsfamilie behoren, worden de gelovigen in beide kerken tot elkaars heilige communie toegelaten. Binnenkort wordt er aan de Vrije Universiteit een priesteropleiding geopend waaraan zowel oriëntaalse als oosters-orthodoxe studenten de mogelijkheid krijgen om opgeleid te worden tot priester. Veel van de Oriëntaals-Orthodoxe Kerken hebben in Nederland een onderkomen gevonden in voormalige rooms-katholieke kerkgebouwen. Dat is ook niet vreemd, gezien hun liturgische setting. Veel kerken hebben ook nieuwe kerkelijke centra gesticht, die voorzien in de behoefte aan nevenruimtes voor gemeentebijeenkomsten en activiteiten onder jongeren.

Sterke groei

Van Slageren merkt op dat er sprake is van een sterke groei van de Oriëntaalse Kerken in Nederland. Zo bouwen de kopten momenteel een kerk in Assen en verrijst er in Enschede een koptisch klooster. Ook het aantal christenen uit Eritrea en Syrië groeit. In Nederland wonen nu al meer dan 25.000 Syrische christenen.

Van Slageren: Velen van hen verblijven nog in azc’s en hebben het daar niet gemakkelijk. Ze willen hun christelijke tradities in praktijk brengen, maar worden niet geaccepteerd door de moslims, ten opzichte waarvan zij een minderheid zijn." Samen met aartsbisschop Polycarpus van de Syrisch-Orthodoxe Kerk in Nederland is Van Slageren bezig een actie op te zetten om deze christenen de gelegenheid te geven de diensten van hun geloofs- en volksgenoten te bezoeken door te zorgen voor reisgeld of een taxi.

Er zijn volgens Van Slageren nauwelijks theologische verschillen met de Oosters-Orthodoxe Kerken. Men staat niet meer vijandig tegenover elkaar, zoals in het verleden. Men beseft dat de uitspraken op Chalcedon maar kleine toevoegingen zijn geweest die misverstanden hebben opgeroepen, maar die nu toenaderingen niet meer in de weg staan. Dank zij de Wereldraad van de Kerken is er meer overeenstemming gekomen. Wel is het zo dat de Oriëntaalse Kerken een bestaan hebben opgebouwd. Voor de Nederlandse kerken is het een uitdaging om deze kerken te leren kennen. In Frankrijk is met name de Rooms-Katholieke Kerk daarmee al verder. De Oriëntaalse Kerken zijn de oudste kerken uit de begintijd van het christendom. De protestantse kerken moeten de dialoog met deze kerken nog beginnen. Ze krijgen daarvoor nu een historische kans."

 

Boekgegevens

Wijzen uit het Oosten, uit zo verren land. Oriëntaals-Orthodoxe Kerken in Nederland. Over hun geschiedenis, liturgie en geboorteverhalen van Christus, Jaap van Slageren; uitg. Bar Hebraeus, Glanem 2016; ISBN 9789050470537; 204 blz.; € 19,95.

(bron : gereformeerd dagblad)

21:23 Gepost in Algemeen | Permalink | Commentaren (0)

06-02-16

wat is orthodoxie

Over het Orthodox geloof

Wat betekent Orthodoxie?
De Griekse naam orthodox betekent letterlijk “rechtgelovig”, het ware geloof behoudend. Deze kerk ziet zichzelf als de voortzetting van de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk.
De kerk is in de eerste plaats een liturgische en aanbiddende kerk. De eminente orthodoxe theoloog George Florovskie verwoordde het zo: Het christendom is een liturgische religie. Eerst komt de aanbidding, vervolgens de doctrine en de discipline. Het woord orthodox kan daarom beter vertaald worden met “ware aanbidding”.
De Orthodoxe Kerk aanvaardt alleen als dogma, deze die vastgelegd zijn in de zeven oecumenische concilies. Deze gingen naast de vaststelling van de christelijke dogma’s ook over de verhoudingen met de toenmalige Romeinse maatschappij en de omgang met de niet-christelijke en eventueel ketterse stromingen. Deze erkende concilies zijn de volgende:
- Eerste concilie van Nicea (325);
- Eerste concilie van Constantinopel (381);
- Concilie van Efeze (431);
- Concilie van Chalcedon (451);
- Tweede concilie van Constantinopel (553);
- Derde concilie van Constantiopel (680);
- Tweede concilie van Nicea. (787).
Er zijn ook nog heel wat lokale bijeenkomsten geweest (een kleine 60 in het totaal). De Orthodoxe Kerk kent een groot aantal kerken die nationaal georganiseerd zijn.

Kenmerken van de Orthodoxe Kerk:
1.Zij is trouw aan het onveranderlijke apostolische geloof.
2. Zij is trouw aan de kerkelijke hiërarchische structuur. De Heilige Geest wordt beschouwd als de “Gever van de onfeilbaarheid” aan de kerk waarvan Christus het hoofd is.
3. Het hoofd van de Orthodoxe Kerk is haar stichter Jezus Christus.
4. Zij heeft een gedecentraliseerde structuur. Zij is het geestelijk “Lichaam van Christus”.
5. De orthodoxe theologie is uitdrukking van de Goddelijke Openbaring.
6. De leer van de kerkvaders is voor de orthodoxe gelovige gezaghebbend. Het gebedsleven en persoonlijke ascese spelen een grote rol. Orthodoxe theologie is het antwoord op de manifestatie van de Heilige Geest uitgedrukt in liturgie, gebed en heiliging van elk levensaspect.
7. Ze wordt niet centraal geleid. Ze kent geen equivalent voor de hoogste autoriteit. De oecumenische patriarch van Constantinopel is de ere-primaat van de gehele kerk. Hij is de “Primus inter Pares” of de eerste onder de gelijken. Hij is de voorzitter. Hij is ook verantwoordelijk daar waar orthodoxe christenen een minderheid vormen.

De voornaamste verschil- en geschilpunten tussen de Rooms-Katholieke en de Orthodoxe Kerk:
   a. De universele jurisdictie en onfeilbaarheid van de paus wordt door de orthodoxe kerk niet erkend. De pauselijke suprematie wordt niet aanvaard omdat deze tegen de conciliaire structuur van de kerk is.
   b. Bisschoppen werden aangesteld door de apostelen die op hun beurt zijn aangesteld door Christus. Vandaar dat de laatmiddeleeuwse bewering van de paus van Rome, dat hij de plaatsvervanger van Christus zou zijn, voor de orthodoxen onaanvaardbaar is. Tijdens het eerste millennium van de onverdeelde Kerk werd hij canoniek enkel als een opvolger van de apostel Petrus erkend, zijnde de eerste onder de gelijken. De bewering “Plaatsvervanger van Christus” te zijn verdeelt de Hemelse en de aardse kerk in twee entiteiten. Christus is voor orthodoxen hoofd van beiden.
   c. Een historisch strijdpunt met de westerse kerken is de theologische kwestie over de voortkomst van de Heilige Geest. In het westen heeft men in de 8e eeuw aan de geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel het zogenaamde “Filioque” toegevoegd. Vanaf dat ogenblik leerde de R.K.-Kerk dat de Heilige Geest niet alleen uit de Vader maar ook uit de Zoon voortkomt. Deze toevoeging ontstond in de 8e eeuw in Spanje en is door de orthodoxen nooit aanvaard geworden. De orthodoxe kerk leert echter dat de Heilige Geest uit de Vader door de Zoon voortkomt. Dit is niet zomaar een geschil over het gebruik van een voorzetsel. Het is essentieel voor het begrip van de Drie-eenheid. De Vader schept door de Zoon in de Heilige Geest. De Zoon en de Geest zijn als de handen van de Vader (Athanasius de Grote). De Geest rust ten allen tijde op de Zoon, komt uitsluitend uit de Vader voort en wordt door de Zoon aan de mensen geschonken. Wij zijn geschapen naar het beeld van God en dus naar het beeld van de Drie-eenheid. Het beeld van de Drie-eenheid is in ons.
   d. De Orthodoxe Kerk verwerpt de leer van het Vagevuur, de doop met enkel besprenkeling (alleen volledige onderdompeling), het niet toestaan van een scheiding tussen man en vrouw (in de orthodoxe kerk tot tweemaal toegestaan) en het gebruik van ongedesemd brood bij de liturgie. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria en de Tenhemelopneming van Maria zijn geen dogma’s in de orthodoxe Kerk.
   e. Kenmerkend is, naast fresco’s en mozaïeken , het gebruik van de vele iconen in de Orthodoxe Kerk.
   f. De liturgie is anders en wordt als onveranderlijk beschouwd. De mensen staan in plaats van te zitten. Tussen altaar en gelovigen bevindt zich de iconenwand of iconostase. Deze vormt de scheiding tussen het altaar en het schip van de kerk.
   g. De orthodoxe spiritualiteit is sterk beïnvloed door het monnikendom. Het Jezus-gebed is een kort gebed dat door de monniken, maar ook door veel leken, voortdurend herhaald wordt bij alle bezigheden.
   h. Priesters kunnen gehuwd zijn. Hun priesterwijding bevestigt hun gehuwde of celibataire levensstaat (vergelijkbaar met de diakens in de katholieke kerk). Bisschoppen worden altijd uit monniken gekozen en zijn altijd ongehuwd.

Al met al lijken dit geen al te grote verschillen. De orthodoxe filosoof en theoloog Steinhardt zei echter: “Het orthodoxe en het katholieke geloof zijn zustergeloven van elkaar. Het verschil tussen beide geloven is echter even groot als de afstand tussen hemel en aarde”.

Hoe maken orthodoxen het kruisteken?
Richt u naar de icoon, laat de armen langs uw lichaam hangen, sta rechtop, breng duim, wijs- en middelvinger bij elkaar (zij representeren de drie-eenheid: Vader, Zoon en H. Geest), de twee andere vingers buig je naar de handpalm toe (zij staan voor de twee naturen van Christus: volledig God en volledig mens). Door de hand te bewegen naar uzelf, maakt u het teken van incarnatie (menswording) van God. Raak het voorhoofd aan, de borst, de rechterschouder en tot slot de linkerschouder. Zo offeren wij onze gedachten (hoofd), gevoelens (borst), onze goede daden (rechts), en onze slechte daden (links) op aan God en vragen om vergeving. Het teken van rechts naar links herinnert ons aan de “Goede” rover die tegelijk met Christus werd gekruisigd, berouw toonde en naar het paradijs ging. Dit doet men tweemaal. Na elk kruisteken buigt men en raakt men de grond aan. Dan gaat men met de mond tot bij de icoon en kust deze (ons hart, onze emoties). Dan met het voorhoofd (onze rede, ons verstand). Tenslotte maakt men nog een derde kruisteken. Door de grond aan te raken erkennen we onze onvolkomenheid door ons aards geschapen zijn.

 

Nog enkele praktische zaken:
   I. Wanneer men een huis binnengaat zal men eerst de gastheer begroeten. Men doet hetzelfde in een orthodoxe kerk want dit is het huis van Christus. Op de analoi ligt de Verrijzenisicoon of de Icoon van het Feest. Dus is het maar normaal dat men eerst aandacht schenkt aan de gastheer. Men gaat eerst deze icoon begroeten (men maakt een kruisteken en buigt). Vervolgens gaat men naar de iconen van Christus en de Moeder Gods. Daarna kan men het overige deel van de kerk bezoeken. Bij het verlaten van de kerk doet men hetzelfde. In het dagelijks leven neemt men na een bezoek ook afscheid van de bewoner.
   II. Het vereren van een icoon gebeurt met de armen langs of losjes gekruist voor het lichaam. (Dus niet met de armen op de rug). Als men zit slaat men de benen niet over elkaar, noch kruist men de voeten. Ook met de armen voor de borst gekruist wordt niet gewaardeerd. Men is geen toeschouwer aan de Heilige Diensten, maar een deelnemer.
   III. Sta recht wanneer het altaar, de iconen en de gelovigen gezegend of bewierookt worden door de priester of diaken. Sta ook recht bij het lezen van het H. Evangelie, de Geloofsbelijdenis, de Eucharistische Canon en het Onze Vader.
   IV. De Intercommunie bestaat – net zoals in de R.K.-Kerk – in onze Kerk niet. De scheuring tussen de verschillende Kerken is een zeer trieste feit. Verschillende kerkleiders zijn heden ten dage heel hard bezig om als Kerk weer één te worden. De H. Communie hoort deze eenheid uit te drukken; zij is doel, en géén middel om deze eenheid te bereiken. U mag hier anders over denken, maar respecteer onze opvatting en stel de priester niet voor een voldongen feit om toch tot de H. Communie te naderen. Het is voor hem al triest genoeg dat deze scheuring in de Kerken bestaat; het wordt voor hem alleen nog triester als hij door deze scheuring de H. Communie moet weigeren aan een dopeling van een niet-Orthodoxe Kerk.

De Goddelijke Liturgie
De Goddelijke Liturgie is de beste manier om de verbondenheid met het mysterie van God te beleven. Zoals het in een van de gebeden luidt; “Gij zijt onze God, niet in woorden te vangen, in onze gedachten niet te vatten, met onze ogen kunnen wij U niet zien, ons verstand kan U niet peilen”.

Het is een liturgie waarvan het verloop vast ligt, en die niet afhankelijk is van de persoonlijke stempel van de voorgangers. Ze biedt ruimte om de aandacht te vestigen op het heilige, om uit te stijgen boven het individuele en het alledaagse.
De viering is een voortdurende gezongen dialoog tussen de aanwezigen: priesters, diakens, lezers, het koor, en iedereen die bij de viering aanwezig is. Zo draagt iedereen bij aan de viering; we zijn geen toeschouwers, maar deelnemers. De hele gemeenschap, voorgangers en gelovigen, richten zich samen tot God. Daarom is het woord “Amen”, uitgesproken door de ganse gemeenschap zo belangrijk. Iconen spelen een grote rol. De iconen zijn niet bedoeld als kunstwerk of illustratie, maar willen uitdrukken dat God zich in ieder mens laat zien, in verleden, heden en toekomst. Ieder mens is een icoon, geschapen naar Gods beeld.
De Goddelijke Liturgie spreekt alle zintuigen aan: door de kleurrijke iconen , de brandende lampjes en kaarsen (zicht), de geurende wierook (reuk), het melodieuze gezang (gehoor), de buigingen (tastzin) en zeer zeker het nuttigen van de H. Communie.

De Koninklijke Deuren
De centrale deuren van de iconostase worden de Koninklijke Deuren genoemd. De Koninklijke Deur is de triomfpoort van de zegepralende Christus. Deze deuren zijn heilig en blijven soms gesloten. Heden ten dage is er een tendens om ze te openen bij het begin van de Goddelijke Liturgie en ze voor de ganse duur ervan open te laten (dit verschilt wel van land tot land). Het is enkel tijdens de Goddelijke Liturgie dat de priester ze opent om het heiligdom binnen te treden, waar hij het brood en de wijn consacreert.

Op vrijwel alle Koninklijke Deuren is de voorstelling van de Verkondiging aan de Moeder Gods afgebeeld. Het begin van de heilsgeschiedenis wordt aldus in beeld gebracht. Het Woord van God is mens geworden en is tot ons gekomen door de deur van de Maagd Maria. Op de deur staan ook de vier Evangelisten afgebeeld. Zij hebben de Blijde Boodschap, het Evangelie van Jezus Christus opgeschreven en aan ons overgeleverd. Boven de Koninklijke Deuren zien we de icoon van het Laatste Avondmaal. Het is aan de Koninklijke Deur dat de gelovigen het Lichaam en Bloed van Christus (Communie) ontvangen. De centrale plaats van het Laatste Avondmaal leert ons dat het fundament van het christelijk leven de Communie is.

Bron : orthodoxe kerk Breda

09:50 Gepost in Algemeen | Permalink | Commentaren (0)

27-03-15

didache in Italiaans

LA DIDACHÈ
Dottrina dei Dodici Apostoli

 

 

 

La Didachè o Dottrina dei dodici Apostoli può essere considerato come il più antico catechismo cristiano, essendo stata scritta qualche decennio dopo la morte di Cristo. Dava suggerimenti pratici per la preparazione dei catecumeni al battesimo (nel primo secolo cristiano i battesimi erano quasi tutti di persone adulte). Da essa possiamo trarre un'immagine molto viva dello spirito e dell'organizzazione della comunità cristiana primitiva.

Per quanto riguarda l'autore, il suo nome e la sua nazionalità ci sono sconosciuti. Secondo alcuni studiosi, la Didachè sarebbe un'opera compilativa, in cui la prima sezione è di chiara redazione giudaica, e le parti successive descrivono l'antica liturgia cristiana e la vita delle primitive comunità cristiane. Secondo altri sarebbe stata redatta da un cristiano convertitosi dal giudaismo: infatti i giorni della settimana vengono computati al modo ebraico e nello scrivere in greco vengono usati molti ebraismi.

La Didachè era tenuta in grande considerazione dalle prime generazioni cristiane ed è citata da Erma nel Pastore, da Clemente Alessandrino, da Origene, da Eusebio, da Atanasio. Nella seconda metà del IV sec. essa fu incorporata nelle cosiddette Costituzioni Apostoliche. Forse proprio per la sua inclusione ed assimilazione in opere di tanto valore, la Didachè finì col perdere la grande notorietà che aveva nei primi secoli e dopo il XII sec. di essa non si hanno più tracce. Nel 1873 ne venne scoperta per caso una copia in un codice greco di Costantinopoli risalente all'anno 1056 dal Metropolita Filoteo Bryennios ed in seguito ne furono trovati larghi frammenti in papiri del IV sec., nonché una versione in georgiano fatta sul testo greco nell'anno 430 da un vescovo di nome Geremia. Sulla scorta di tutti questi preziosi documenti, possiamo oggi avere la sicurezza di leggere la Didachè nel suo testo originale.

 


La Didachè

 

CAPITOLO 1

1. Due sono le vie, una della vita e una della morte, e la differenza è grande fra queste due vie.

2. Ora questa è la via della vita: innanzi tutto amerai Dio che ti ha creato, poi il tuo prossimo come te stesso; e tutto quello che non vorresti fosse fatto a te, anche tu non farlo agli altri.

3. Ecco pertanto l'insegnamento che deriva da queste parole: benedite coloro che vi maledicono e pregate per i vostri nemici; digiunate per quelli che vi perseguitano; perché qual merito avete se amate quelli che vi amano? Forse che gli stessi gentili non fanno altrettanto? Voi invece amate quelli che vi odiano e non avrete nemici.

4. Astieniti dai desideri della carne. Se uno ti dà uno schiaffo sulla guancia destra, tu porgigli anche l'altra e sarai perfetto; se uno ti costringe ad accompagnarlo per un miglio, tu prosegui con lui per due. Se uno porta via il tuo mantello, dagli anche la tunica. Se uno ti prende ciò che è tuo, non ridomandarlo, perché non ne hai la facoltà.

5. A chiunque ti chiede, da' senza pretendere la restituzione, perché il Padre vuole che tutti siano fatti partecipi dei suoi doni. Beato colui che dà secondo il comandamento, perché è irreprensibile. Stia in guardia colui che riceve, perché se uno riceve per bisogno sarà senza colpa, ma se non ha bisogno dovrà rendere conto del motivo e dello scopo per cui ha ricevuto. Trattenuto in carcere, dovrà rispondere delle proprie azioni e non sarà liberato di lì fino a quando non avrà restituito fino all'ultimo centesimo.

6. E a questo riguardo è pure stato detto: "Si bagni di sudore l'elemosina nelle tue mani, finché tu sappia a chi la devi fare".

 

CAPITOLO 2

1. Secondo precetto della dottrina:

2. Non ucciderai, non commetterai adulterio, non corromperai fanciulli, non fornicherai, non ruberai, non praticherai la magia, non userai veleni, non farai morire il figlio per aborto né lo ucciderai appena nato; non desidererai le cose del tuo prossimo.

3. Non sarai spergiuro, non dirai falsa testimonianza, non sarai maldicente, non serberai rancore.

4. Non avrai doppiezza né di pensieri né di parole, perché la doppiezza nel parlare è un'insidia di morte.

5. La tua parola non sarà menzognera né vana, ma confermata dall'azione.

6. Non sarai avaro, né rapace, né ipocrita, né maligno, né superbo; non mediterai cattivi propositi contro il tuo prossimo.

7. Non odierai alcun uomo, ma riprenderai gli uni; per altri, invece, pregherai; altri li amerai più dell'anima tua.

 

CAPITOLO 3

1. Figlio mio, fuggi da ogni male e da tutto ciò che ne ha l'apparenza.

2. Non essere iracondo, perché l'ira conduce all'omicidio, non essere geloso né litigioso né violento, perché da tutte queste cose hanno origine gli omicidi.

3. Figlio mio, non abbandonarti alla concupiscenza, perché essa conduce alla fornicazione; non fare discorsi osceni e non essere immodesto negli sguardi, perché da tutte queste cose hanno origine gli adultèri.

4. Non prendere auspici dal volo degli uccelli, perché ciò conduce all'idolatria; non fare incantesimi, non darti all'astrologia né alle purificazioni superstiziose, ed evita di voler vedere e sentire parlare di simili cose, perché da tutti questi atti ha origine l'idolatria.

5. Figlio mio, non essere bugiardo, perché la menzogna conduce al furto; né avido di ricchezza, né vanaglorioso, perché da tutte queste cose hanno origine i furti.

6 Figlio mio, non essere mormoratore, perché ciò conduce alla diffamazione; non essere insolente, né malevolo, perché da tutte queste cose hanno origine le diffamazioni.

7. Sii invece mansueto, perché i mansueti erediteranno la terra.

8. Sii magnanimo, misericordioso, senza malizia, pacifico, buono e sempre timoroso per le parole che hai udito.

9. Non esalterai te stesso, non infonderai troppo ardire nel tuo animo; né l'animo tuo si accompagnerà con i superbi, ma andrà insieme ai giusti e agli umili.

10. Tutte le cose che ti accadono accoglile come dei beni, sapendo che nulla avviene senza la partecipazione di Dio.

 

CAPITOLO 4

1. O figlio, ti ricorderai notte e giorno di colui che ti predica le parole di Dio e lo onorerai come il Signore, perché là donde è predicata la (sua) sovranità, è il Signore.

2. Cercherai poi ogni giorno la presenza dei santi, per trovare riposo nelle loro parole.

3. Non sarai causa di discordia, ma cercherai invece di mettere pace tra i contendenti; giudicherai secondo giustizia e non farai distinzione di persona nel correggere i falli.

4. Non starai in dubbio se (una cosa) avverrà o no.

5. Non accada che tu tenda le mani per ricevere e le stringa nel dare.

6. Se grazie al lavoro delle tue mani possiedi (qualche cosa), donerai in espiazione dei tuoi peccati.

7. Darai senza incertezza, e nel dare non ti lagnerai; conoscerai, infatti, chi è colui che dà una buona ricompensa.

8. Non respingerai il bisognoso, ma farai parte di ogni cosa al tuo fratello e non dirai che è roba tua. Infatti, se partecipate in comune ai beni dell'immortalità, quanto più non dovete farlo per quelli caduchi?

9. Non ritirerai la tua mano di sopra al tuo figlio o alla tua figlia, ma sin dalla tenera età insegnerai loro il timor di Dio.

10. Al tuo servo e alla tua serva che sperano nel medesimo Dio non darai ordini nei momenti di collera, affinché non perdano il timore di Dio, che sta sopra gli uni e gli altri. Perché egli non viene a chiamarci secondo la dignità delle persone, ma viene a coloro che lo Spirito ha preparato.

11. Ma voi, o servi, siate soggetti ai vostri padroni come a una immagine di Dio, con rispetto e timore.

12. Odierai ogni ipocrisia e tutto ciò che dispiace al Signore.

13. Non trascurerai i precetti del Signore, ma osserverai quelli che hai ricevuto senza aggiungere o togliere nulla.

14. Nell'adunanza confesserai i tuoi peccati e non incomincerai mai la tua preghiera in cattiva coscienza. Questa è la via della vita.

 

CAPITOLO 5

1. La via della morte invece è questa: prima di tutto essa è maligna e piena di maledizione: omicidi, adultèri, concupiscenze, fornicazioni, furti, idolatrie, sortilegi, venefici, rapine, false testimonianze, ipocrisie, doppiezza di cuore, frode, superbia, malizia, arroganza, avarizia, turpiloquio, invidia, insolenza, orgoglio, ostentazione, spavalderia.

2. Persecutori dei buoni, odiatori della verità, amanti della menzogna, che non conoscono la ricompensa della giustizia, che non si attengono al bene né alla giusta causa, che sono vigilanti non per il bene ma per il male; dai quali è lontana la mansuetudine e la pazienza, che amano la vanità, che vanno a caccia della ricompensa, non hanno pietà del povero, non soffrono con chi soffre, non riconoscono il loro creatore, uccisori dei figli, che sopprimono con l'aborto una creatura di Dio, respingono il bisognoso, opprimono i miseri, avvocati dei ricchi, giudici ingiusti dei poveri, pieni di ogni peccato. Guardatevi, o figli, da tutte queste colpe.

 

CAPITOLO 6

1. Guarda che alcuno non ti distolga da questa via della dottrina, perché egli ti insegna fuori (della volontà) di Dio.

2. Se infatti puoi sostenere interamente il giogo del Signore, sarai perfetto; se non puoi fa' almeno quello che puoi.

3. E riguardo al cibo, cerca di sopportare tutto quello che puoi, ma comunque astieniti nel modo più assoluto dalle carni immolate agli idoli, perché (il mangiarne) è culto di divinità morte.

 

CAPITOLO 7

1. Riguardo al battesimo, battezzate così: avendo in precedenza esposto tutti questi precetti, battezzate nel nome del Padre, del Figlio e dello Spirito Santo in acqua viva.

2. Se non hai acqua viva, battezza in altra acqua; se non puoi nella fredda, battezza nella calda.

3. Se poi ti mancano entrambe, versa sul capo tre volte l'acqua in nome del Padre, del Figlio e dello Spirito Santo.

4. E prima del battesimo digiunino il battezzante, il battezzando e, se possono, alcuni altri. Prescriverai però che il battezzando digiuni sin da uno o due giorni prima.

 

CAPITOLO 8

1. I vostri digiuni, poi, non siano fatti contemporaneamente a quelli degli ipocriti; essi infatti digiunano il secondo e il quinto giorno della settimana, voi invece digiunate il quarto e il giorno della preparazione.

2. E neppure pregate come gli ipocriti, ma come comandò il Signore nel suo vangelo, così pregate: Padre nostro che sei nel cielo, sia santificato il tuo nome, venga il tuo regno, sia fatta la tua volontà, come in cielo così in terra. Dacci oggi il nostro pane quotidiano, e rimetti a noi il nostro debito, come anche noi lo rimettiamo ai nostri debitori, e non ci indurre in tentazione, ma liberaci dal male; perché tua è la potenza e la gloria nei secoli.

3. Pregate così tre volte al giorno.

 

CAPITOLO 9

1. Riguardo all'eucaristia, così rendete grazie:

2. dapprima per il calice: Noi ti rendiamo grazie, Padre nostro, per la santa vite di David tuo servo, che ci hai rivelato per mezzo di Gesù tuo servo. A te gloria nei secoli.

3. Poi per il pane spezzato: Ti rendiamo grazie, Padre nostro, per la vita e la conoscenza che ci hai rivelato per mezzo di Gesù tuo servo. A te gloria nei secoli.

4. Nel modo in cui questo pane spezzato era sparso qua e là sopra i colli e raccolto divenne una sola cosa, così si raccolga la tua Chiesa nel tuo regno dai confini della terra; perché tua è la gloria e la potenza, per Gesù Cristo nei secoli.

5. Nessuno però mangi né beva della vostra eucaristia se non i battezzati nel nome del Signore, perché anche riguardo a ciò il Signore ha detto: "Non date ciò che è santo ai cani".

 

CAPITOLO 10

1. Dopo che vi sarete saziati, così rendete grazie:

2. Ti rendiamo grazie, Padre santo, per il tuo santo nome che hai fatto abitare nei nostri cuori, e per la conoscenza, la fede e l'immortalità che ci hai rivelato per mezzo di Gesù tuo servo. A te gloria nei secoli.

3. Tu, Signore onnipotente, hai creato ogni cosa a gloria del tuo nome; hai dato agli uomini cibo e bevanda a loro conforto, affinché ti rendano grazie; ma a noi hai donato un cibo e una bevanda spirituali e la vita eterna per mezzo del tuo servo.

4. Soprattutto ti rendiamo grazie perché sei potente. A te gloria nei secoli.

5. Ricordati, Signore, della tua chiesa, di preservarla da ogni male e di renderla perfetta nel tuo amore; santificata, raccoglila dai quattro venti nel tuo regno che per lei preparasti. Perché tua è la potenza e la gloria nei secoli.

6. Venga la grazia e passi questo mondo. Osanna alla casa di David. Chi è santo si avanzi, chi non lo è si penta. Maranatha. Amen.

7. Ai profeti, però, permettete di rendere grazie a loro piacimento.

 

CAPITOLO 11

1. Ora, se qualcuno venisse a insegnarvi tutte le cose sopra dette, accoglietelo;

2. ma se lo stesso maestro, pervertito, vi insegnasse un'altra dottrina allo scopo di demolire, non lo ascoltate; se invece (vi insegna) per accrescere la giustizia e la conoscenza del Signore, accoglietelo come il Signore.

3. Riguardo agli apostoli e ai profeti, comportatevi secondo il precetto del Vangelo.

4. Ogni apostolo che venga presso di voi sia accolto come il Signore.

5. Però dovrà trattenersi un giorno solo; se ve ne fosse bisogno anche un secondo; ma se si fermasse tre giorni, egli è un falso profeta.

6. Partendo, poi, l'apostolo non prenda per sé nulla se non il pane (sufficiente) fino al luogo dove alloggerà; se invece chiede denaro, è un falso profeta.

7. E non metterete alla prova né giudicherete ogni profeta che parla per ispirazione, perché qualunque peccato sarà perdonato, ma questo peccato non sarà perdonato.

8. Non tutti, però, quelli che parlano per ispirazione sono profeti, ma solo coloro che praticano i costumi del Signore. Dai costumi, dunque, si distingueranno il falso profeta e il profeta.

9. Ogni profeta che per ispirazione abbia fatto imbandire una mensa eviterà di prendere cibo da essa, altrimenti è un falso profeta.

10. Ogni profeta, poi, che insegna la verità, se non mette in pratica i precetti che insegna, è un falso profeta.

11. Ogni profeta provato come veritiero, che opera per il mistero terrestre della chiesa, ma che tuttavia non insegna che si debbano fare quelle cose che egli fa, non sarà da voi giudicato, perché ha il giudizio da parte di Dio; allo stesso modo, infatti, si comportarono anche gli antichi profeti.

12. Se qualcuno dicesse per ispirazione: dammi del denaro o qualche altra cosa, non gli darete ascolto; ma se dicesse di dare per altri che hanno bisogno, nessuno lo giudichi.

 

CAPITOLO 12

1. Chiunque, poi, viene nel nome del Signore, sia accolto. In seguito, dopo averlo messo alla prova, lo potrete conoscere, poiché avrete senno quanto alla destra e alla sinistra.

2. Ma se colui che giunge è di passaggio, aiutatelo secondo le vostre possibilità; non dovrà però rimanere presso di voi che due o tre giorni, se ce ne fosse bisogno.

3. Nel caso che volesse stabilirsi presso di voi e che esercitasse un mestiere, lavori e mangi.

4. Se invece non ha alcun mestiere, con il vostro buon senso cercate di vedere come possa un cristiano vivere tra voi senza stare in ozio.

5. Se non vuole comportarsi in questo modo, è uno che fa commercio di Cristo. Guardatevi da gente simile.

 

CAPITOLO 13

1. Ogni vero profeta che vuole stabilirsi presso di voi è degno del suo nutrimento.

2. Così pure il vero dottore è degno, come l'operaio, del suo nutrimento.

3. Prenderai perciò le primizie di tutti i prodotti del torchio e della messe, dei buoi e delle pecore e le darai ai profeti, perché essi sono i vostri Sommi Sacerdoti.

4. Se però non avete un profeta, date ai poveri.

5. Se fai il pane, prendi la primizia e dà secondo il precetto.

6. E così, se apri un'anfora di vino o di olio, prendi le primizie e dalle ai profeti.

7. Del denaro, del vestiario e di tutto quello che possiedi, prendi poi le primizie come ti sembra più opportuno e dà secondo il precetto.

 

CAPITOLO 14

1. Nel giorno del Signore, riuniti, spezzate il pane e rendete grazie dopo aver confessato i vostri peccati, affinché il vostro sacrificio sia puro.

2. Ma tutti quelli che hanno qualche discordia con il loro compagno, non si uniscano a voi prima di essersi riconciliati, affinché il vostro sacrificio non sia profanato.

3. Questo è infatti il sacrificio di cui il Signore ha detto: "In ogni luogo e in ogni tempo offritemi un sacrificio puro, perché un re grande sono io - dice il Signore - e mirabile è il mio nome fra le genti".

 

CAPITOLO 15

1. Eleggetevi quindi episcopi e diaconi degni del Signore, uomini miti, disinteressati, veraci e sicuri; infatti anch'essi compiono per voi lo stesso ministero dei profeti e dei dottori.

2. Perciò non guardateli con superbia, perché essi, insieme ai profeti e ai dottori, sono tra voi ragguardevoli.

3. Correggetevi a vicenda, non nell'ira ma nella pace, come avete nel vangelo. A chiunque abbia offeso il prossimo nessuno parli: non abbia ad ascoltare neppure una parola da voi finché non si sia ravveduto.

4. E fate le vostre preghiere, le elemosine e tutte le vostre azioni così come avete nel vangelo del Signore nostro.

 

CAPITOLO 16

1. Vigilate sulla vostra vita. Non spegnete le vostre fiaccole e non sciogliete le cinture dai vostri fianchi, ma state preparati perché non sapete l'ora in cui il nostro Signore viene.

2. Vi radunerete di frequente per ricercare ciò che si conviene alle anime vostre, perché non vi gioverà tutto il tempo della vostra fede se non sarete perfetti nell'ultimo istante.

3. Infatti negli ultimi giorni si moltiplicheranno i falsi profeti e i corruttori, e le pecore si muteranno in lupi, e la carità si muterà in odio;

4. finché, crescendo l'iniquità, si odieranno l'un l'altro, si perseguiteranno e si tradiranno, e allora il seduttore del mondo apparirà come figlio di Dio e opererà miracoli e prodigi, e la terra sarà consegnata nelle sue mani, e compirà iniquità quali non avvennero mai dal principio del tempo.

5. E allora la stirpe degli uomini andrà verso il fuoco della prova, e molti saranno scandalizzati e periranno; ma coloro che avranno perseverato nella loro fede saranno salvati da quel giudizio di maledizione.

6. E allora appariranno i segni della verità: primo segno l'apertura nel cielo, quindi il segno del suono di tuba e terzo la resurrezione dei morti;

7. non di tutti, però, ma, come fu detto: "Verrà il Signore e tutti i santi con lui. Allora il mondo vedrà il Signore venire sopra le nubi del cielo."

 

 

 

Profezie per il Terzo Millennio - Giugno 2005


 

Ritorna alla pagina principale

 

 34214 visite in Aprile 

17:20 Gepost in Algemeen | Permalink | Commentaren (0)

21-01-15

Vatopedi klooster Athos

Vatopedi klooster op de Athos.

Bekijk de nieuwe website !!

 

vatopedi klooster.jpg

 

(Klik op de foto)

10:00 Gepost in Algemeen | Permalink | Commentaren (0)

12-09-14

Consecratie of een Bisschopswijding in de Orthodoxe Kerk:

Consecratie of een Bisschopswijding in de Orthodoxe Kerk:

een bisschop wordt in de Orthodoxe Kerk niet alleen gewijdt, maar ook geheiligd door tijdens zijn wijding het heilige Evangelieboek op zijn hoofd wordt gelegd tezamen met de handoplegging van zijn mede bisschoppen [en de patriarch] > zie bijlagen

 1+2: Bij de oplegging van de Hl. Evangelieboek wordt deze priester een bisschop:

Het Evangelieboek is geopend op de laatste bladzijde van het Evangelie van Apostel Johannes, waarin Christus drie keer aan de Apostel Petrus vroeg: "Hebt ge Mij meer lief dan dezen?" en "Weid Mijn lammeren".

> Hier zweert de nieuw gewijde bisschop dat hij Zijn lammeren altijd zal weiden als een goede herder, omdat hij Christus lief heeft, meer dan de anderen.

Hij knielt voor het altaar, dat wil zeggen voor Christus Zelf, [dit in tegenstelling tot bij andere kerk denominatie, waar de gewijden voor een ander bisschop knielt]; hier bijgestaan door zijn mede broeders [= de bisschoppen], symboliseert de collegialiteit van zijn mede broeders.

Door de oplegging van de Hl. Evangelieboek krijgt hij de volheid en de waarheid van het Evangelie van Christus en het is meteen zijn eerste opdracht om het Evangelie aan zijn bisdom te verkondigen.

Door de handoplegging van zijn mede bisschoppen getuigen zijn mede broeders in het ambt [= de bisschoppen] dat hij voortaan als hun medebroeders opgenomen is in het heilige ambt.

> Het symboliseert ook de 'katholiciteit' van de Kerk van Christus [= d.w.z. dat ieder bisschop verbonden zijn/ in communio met elkaar in geloof en liefde].

> Het symboliseert ook de continuiteit van de 'Apostoliciteit' binnen de Kerk van Christus [= dat de bisschoppen in verbinding staan in geloof en Traditie met de Apostelen van Christus].

 

3+4: Hij wordt daarna door de senior bisschop [in dit geval de patriarch] aangekleedt met zijn bisschoppelijke kleding en mijter, terwijl het hele kerkvolk getuigt hiervan en bij iedere handelingen bevestigd het kerkvolk met antwoord: driemaal 'Axios'; betekent: 'hij is waardig'!

 

5: tot slot geeft de nieuwe bisschop zijn eerste zegen, ten overstaan van het hele kerkvolk.

Dit is een heilige Traditie die de Kerk sedert haar stichting door de eeuwen heen heeft doorgegeven.

Een onschatbaar erfdeel voor ons allen!

 

Sincerely yours / met vriendelijke groet; Hadrian H. LIEM The Netherlands / Pays-Bas

16:03 Gepost in Algemeen | Permalink | Commentaren (0)

03-03-14

Vasten, gebed en liefde

VASTEN,GEBED EN LIEFDE

 

 De periode van de vasten, van de veertig dagen die beginnen met Vergevingszondag, kan begrepen worden als een volmaakt unieke tijd, een tijd van voorbereiding tot het jaarlijkse Pasen van de lente, en daardoor, tot het eeuwige Pasen van de ‘doortocht’ ( dit is de letterlijke betekenis van het joodse woord Pasen-Pesah), van het bederfelijk leven naar het eeuwig leven, van het halfduister naar het licht, van de ballingschap in een verre wereld, deze van de zonde, naar het visioen van het ‘van aangezicht tot aangezicht’ in het Koninkrijk. Het programma van de Vasten dat de voortdurende ascese van gans het christelijk leven, bewust en verantwoordelijk samenvat en terug in herinnering brengt, is het antwoord op de drie bekoringen welke Christus in de loop van de veertig dagen heeft ondergaan in de woestijn ,en waarin Hij niet at en honger leed (Mt.4,3).

 

Bekoring van het brood :

 

’t Is te zeggen, van elk aards voedsel welke aan de mens de illusie geeft uit zichzelf te kunnen leven, door in wezen elke angst voor de dood en de vrees voor het hiernamaals te verdringen Kiezen om honger te hebben, te vasten, is ook kiezen om open te staan voor een ander voedsel : het woord en het brood van de levende God, waar elke mens nood aan heeft om te kunnen voortbestaan.

 

Bekoring van het mirakel :

 

’t Is te zeggen een onbeperkte macht over de anderen, door hen te dwingen om God te aanbidden, om Hem te gehoorzamen, door hen te onderwerpen, veeleer dan ten overstaan van hen te handelen door middel van het enig mirakel van de Heilige Geest, dat van de liefde, van de bekering van het hart. Deze innerlijke bekering eist de ontlediging van zichzelf, de weigering om gediend te worden. De ‘Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen’(Marc.10,45). De waarachtige liefde moet erop gericht zijn om al onze relaties, al onze menselijke houdingen, tot de meest gewone toe, te doordringen.

 

Bekoring van de macht …

 

…over de koninkrijken van deze wereld, met als enige voorwaarde, om de satan te aanbidden. ‘Gij zult de Heer uw God aanbidden en Hem alleen dienen’. Deze aanbidding van God de Vader in Christus door de Heilige Geest moet onze belangrijkste innerlijke houding zijn, het meest vaststaande gegeven in ons leven, de meest absolute voorrang van alles in het geloof van elk menselijk wezen. Het nederig en onopvallend gebed, zoals de dagelijkse tekens van liefde kunnen in werkelijkheid ons hart zodanig overrompelen, dat het voor altijd gekwest blijft. Het waarachtige gebed is niet alleen spreken en in dialoog treden met God, maar het moet in het binnenste van onszelf gebed van de Heilige Geest zijn, die in ons leeft en die samenvalt met ons menselijk bestaan en onze meest persoonlijke en diepste bezieling.

 

Dit driedelig programma van de Vasten moet gekruid worden met bescheidenheid , het niet-uiterlijk vertoon, de vreugde op het gezicht, met het niet beoordelen van de zwakken, met het niet jaloers zijn op de sterken, met het gevoel ook, dat de Heer Jezus gekomen is om de zondaars te redden waarvan ik de eerste ben (‘Laat mij eerst mijn eigen zonden zien en mijn broeder niet beoordelen’). De vrucht van de Vasten en haar kracht zal het gebed zijn, het teken van de komst in ons van de Heilige Geest van liefde zal de liefde zelf zijn, de liefde voor onze naaste, voor iedereen waarvoor Christus is gestorven.

Vertaling : kris biesbroeck

 

11:16 Gepost in Algemeen | Permalink | Commentaren (0)

10-01-14

akathist tot de Moeder Gods in het FRANS

Acathiste à la Mère de Dieu

 

 

Un « acathiste » est une hymne que l'on écoute debout. L'Acathiste à la Mère de Dieu, le premier et le plus connu des acathistes, est typiquement célébré aux matines du samedi de la cinquième semaine du grand Carême. Chez les Grecs, les stances de l'acathiste sont distribuées sur les quatre premiers vendredis de Carême. L'acathiste doit son origine au siège de Constantinople en 626, lorsque le patriarche Serge, en l'absence de l'empereur Héraclius, organisa la défense de la cité et consacra la ville à la Mère De Dieu. Le contexte historique est présenté en plus de détail à la page Fêtes et icônes de la Mère de Dieu.

 

Un ange, parmi ceux qui se tiennent devant la Gloire du Seigneur, fut envoyé dire à la Mère de Dieu : " Réjouis-toi ! Il incline les cieux et descend, Celui qui vient demeurer en toi dans toute sa plénitude. Je le vois dans ton sein prendre chair à ma salutation ! " Avec allégresse, l'ange l'acclame :

Réjouis-toi en qui resplendit la joie du Salut
Réjouis-toi en qui s'éteint la sombre malédiction
Réjouis-toi en qui Adam est relevé de sa chute
Réjouis-toi en qui Ève est libérée de ses larmes

Réjouis-toi Montagne dont la hauteur
dépasse la pensée des hommes
Réjouis-toi Abîme à la profondeur insondable même aux anges
Réjouis-toi tu deviens le Trône du Roi
Réjouis-toi tu portes en ton sein Celui qui porte tout

Réjouis-toi Étoile qui annonce le Lever du Soleil
Réjouis-toi tu accueilles en ta chair ton enfant et ton Dieu
Réjouis-toi tu es la première de la Création Nouvelle
Réjouis-toi en toi nous adorons l’Artisan de l’univers

Réjouis-toi Épouse inépousée !

La Toute-Sainte répondit à l'ange Gabriel avec confiance : " Voilà une parole inattendue, qui paraît incompréhensible à mon âme, car tu m'annonces que je vais enfanter, moi qui suis vierge. "

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Pour comprendre ce mystère qui dépasse toute connaissance, la Vierge dit au Serviteur de Dieu : " Comment, dis-moi, me sera-t-il passible de donner naissance à un fils alors que je ne connais pas d'homme ? " Plein de respect, l'ange l'acclame :

Réjouis-toi tu nous ouvres au secret du Dessein de Dieu
Réjouis-toi tu nous mènes à la confiance dans le silence
Réjouis-toi tu es la première des merveilles du Christ Sauveur
Réjouis-toi tu récapitules la richesse de sa Parole

Réjouis-toi Échelle en qui Dieu descend sur la terre
Réjouis-toi Pont qui unit la terre au ciel
Réjouis-toi Merveille inépuisable pour les anges
Réjouis-roi Blessure inguérissable pour l’adversaire

Réjouis-roi ineffable Mère de la Lumière
Réjouis-toi tu as gardé en ton coeur le Mystère
Réjouis-toi en qui est dépassé le savoir des savants
Réjouis-toi en qui est illuminée la foi des croyants

Réjouis-toi Épouse inépousée !

La puissance du Très-Haut reposa sur l'Inépousée et comme un jardin au beau fruit, elle porta le Salut pour tous ceux qui désirent le cueillir.

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Portant le Seigneur dans son sein, Marie partit en hâte chez Élisabeth. Lorsqu'il reconnut la salutation de Marie, l’enfant se réjouit aussitôt, bondissant d’allégresse comme pour chanter à la Mère de Dieu :

Réjouis-toi Jeune pousse au Bourgeon immortel
Réjouis-toi Jardin au Fruit qui donne Vie
Réjouis-toi en qui a germé le Seigneur notre Ami
Réjouis-toi tu as conçu le Semeur de notre vie

Réjouis-toi Champ où germe la Miséricorde en abondance
Réjouis-toi Table qui offre la Réconciliation en plénitude
Réjouis-toi tu prépares l'Espérance du Peuple en marche
Réjouis-toi tu fais jaillir la Nourriture d'Éternité

Réjouis-roi Parfum d'une offrande qui plaît à Dieu
Réjouis-toi en qui tout l'univers est réconcilié
Réjouis-toi Lieu de la bienveillance de Dieu pour les pécheurs
Réjouis-toi notre assurance auprès de Dieu

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Joseph le Sage se troubla, secoué par une tempête de pensées contradictoires. Il te vit inépousée et te soupçonna d'un amour caché, toi l'Irréprochable. Mais, apprenant que ce qui avait été engendré en toi venait de l'Esprit-Saint, il s'écria :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Quand les bergers entendirent les anges chanter la venue du Christ en notre chair, ils ont couru contempler leur Pasteur reposant sur le sein de Marie en Agneau Immaculé. Ils exultèrent en chantant :

Réjouis-toi Mère de l'Agneau et du Pasteur
Réjouis-toi Maison des brebis rassemblées
Réjouis-toi Protection contre le loup qui disperse
Réjouis-toi en ta chair s’ouvre la Porte qui conduit au Père

Réjouis-toi en qui les cieux se réjouissent avec la terre
Réjouis-toi en qui la terre exulte avec les cieux
Réjouis-toi tu donnes l'assurance à la parole des Apôtres
Réjouis-toi tu donnes la force au témoignage des Martyrs

Réjouis-toi inébranlable soutien de notre foi
Réjouis-toi tu sais la splendeur de la grâce
Réjouis-toi en qui l'Enfer est dépouillé
Réjouis-toi en qui nous sommes revêtus de gloire

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Les Mages ont vu l'astre qui conduit à Dieu. Marchant à sa clarté comme on saisit un flambeau, ils ont trouvé la Lumière véritable. Tout proches de Celui que personne n'a jamais vu, ils acclament sa Mère :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Ceux qui savent lire les signes des astres ont reconnu dans les bras de la Vierge le Créateur des hommes ; dans les traits de Celui qui a pris condition d'esclave ils ont adoré leur Maître. Avec empressement ils l'honorèrent de leurs présents en chantant à la Toute-Bénie :

Réjouis-toi Mère de l'Astre sans déclin
Réjouis-toi Reflet de la clarté de Dieu
Réjouis-toi en qui s’éteint la brûlure du mensonge
Réjouis-toi en qui s'illumine pour nous la Trinité d'Amour

Réjouis-toi en qui l'inhumaine puissance est défaite
Réjouis-toi tu nous montres le Christ Seigneur Ami des hommes
Réjouis-toi en qui les idoles païennes sont renversées
Réjouis-toi tu nous donnes d’être libérés des oeuvres mauvaises

Réjouis-toi en qui s’éteint l'idolâtrie du feu païen
Réjouis-toi en qui nous sommes affranchis du feu des passions
Réjouis-toi tu conduis les croyants vers le Christ Sagesse
Réjouis-toi Allégresse de toutes les générations

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Les Mages s'en retournèrent à Babylone en témoins, porteurs de Dieu. Là ils annoncèrent la Bonne Nouvelle et accomplirent les Écritures en te proclamant devant tous comme Messie. Hérode resta seul, livré à sa sottise, incapable d'entrer dans la louange :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Ô Sauveur, tu as porté en Égypte l'éclat de la vérité et tu en as chassé les ténèbres du mensonge. Les idoles du pays de l'esclavage se sont placées sous ta puissance et ceux que tu as ainsi délivrés du péché se tournent vers la Mère de Dieu pour lui chanter :

Réjouis-toi en qui l'homme est relevé
Réjouis-toi en qui les démons sont défaits
Réjouis-toi tu foules au pied le maître du mensonge
Réjouis-toi tu démasques le piège des idoles

Réjouis-toi Mer où trouve sa perte 1e Pharaon
qui se tient dans l'esclavage du péché
Réjouis-toi Rocher d'où jaillit la Source
qui abreuve les assoiffés
Réjouis-toi Colonne du Feu
qui illumine notre marche dans la nuit
Réjouis-toi Manteau aussi vaste
que 1a Nuée pour ceux qui sont sans recours

Réjouis-toi tu portes le vrai Pain du ciel
qui remplace la manne
Réjouis-toi Servante du Festin
où nous avons part aux réalités du ciel
Réjouis-toi Belle terre de la foi où s'accomplit la Promesse
Réjouis-toi Pays ruisselant de lait et de miel

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Lorsque Siméon fut au seuil de la mort, Seigneur, tu lui fus présenté comme un enfant mais il reconnut en toi la perfection de la Divinité. Plein d'admiration pour ton Être qui n'a pas de fin, il chanta :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Le Créateur a fait une Oeuvre Nouvelle lorsqu'il se rendit visible à nos yeux. Il a pris chair dans le sein d'une vierge en la gardant dans son intégrité, pour qu'à la vue de cette merveille nous chantions :

Réjouis-toi Fleur de l'Être inaltérable de Dieu
Réjouis-toi Couronne de son amour virginal
Réjouis-toi Figure qui resplendit
de la Résurrection du Seigneur
Réjouis-toi tu partages avec les anges la clarté du Royaume

Réjouis-toi Arbre dont le Fruit splendide nourrit les croyants
Réjouis-toi Feuillage dont l'ombre procure
la fraîcheur aux multitudes
Réjouis-toi tu enfantes la rançon des captifs
Réjouis-toi tu portes dans ta chair le Guide des égarés

Réjouis-toi notre Avocate auprès du Juge juste et bon
Réjouis-roi en qui arrive le pardon pour la multitude
Réjouis-toi Tunique d'espérance pour ceux qui sont nus
Réjouis-toi Amour plus fort que tout désir

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Quand nous contemplons cet enfantement inhabituel nous devenons étrangers à notre monde habituel et notre esprit se tourne vers les réalités d'en haut. Car le Très-Haut s'est révélé aux hommes dans l'abaissement pour élever ceux qui croient en lui.

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Le Verbe que rien ne contient a pris chair dans notre condition humaine sans cesser d'être Dieu. En venant habiter le monde d'en-bas, il n'a pas quitté pour autant les réalités d'en-haut, mais il est descendu tout entier dans le sein d'une Vierge qu'il a habitée de sa divinité :

Réjouis-toi Temple du Dieu de toute immensité
Réjouis-toi Porche du Mystère enfoui depuis les siècles
Réjouis-toi incroyable nouvelle pour les incroyants
Réjouis-toi Bonne Nouvelle pour les croyants

Réjouis-toi Vaisseau choisi où vient à nous
Celui qui surpasse les Chérubins
Réjouis-toi Demeure très sainte de Celui
qui siège au-dessus des Séraphins
Réjouis-toi en qui les contraires sont conduits vers l'Unité
Réjouis-toi en qui se joignent la virginité et la maternité

Réjouis-toi en qui la transgression reçoit le pardon
Réjouis-toi en qui le Paradis s'ouvre à nouveau
Réjouis-toi Clef du Royaume du Christ
Réjouis-toi Espérance des biens éternels

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Tous les anges du ciel ont été frappés de stupeur devant la prodigieuse oeuvre de ton Incarnation, Seigneur, car toi le Dieu que nul n'a jamais vu, tu t'es rendu visible à tous et tu as demeuré parmi nous. Tous nous t'acclamons :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Devant toi, ô Mère de Dieu, les orateurs bavards sont muets comme des poissons, incapables de dire comment tu as pu enfanter et demeurer vierge. Remplis d'étonnement, nous contemplons en toi le Mystère de la Foi :

Réjouis-toi Trône de la sagesse éternelle
Réjouis-toi Écrin du dessein bienveillant de Dieu
Réjouis-toi tu conduis les philosophes
aux limites de leur sagesse
Réjouis-toi tu mènes les savants aux frontières du raisonnement

Réjouis-toi devant qui les esprits subtils deviennent hésitants
Réjouis-toi devant qui les littérateurs perdent leurs mots
Réjouis-toi devant qui se défont
les raisonnements les plus serrés
Réjouis-toi car tu montres Celui
dont la Parole agit avec puissance

Réjouis-toi en qui nous sommes tirés de l'abîme de l'ignorance
Réjouis-toi en qui nous accédons à la plénitude
du Mystère de Dieu
Réjouis-toi Planche de salut pour ceux
qui aspirent à la pleine vie
Réjouis-toi Havre de paix pour ceux
qui se débattent dans les remous de leur vie

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Dans sa volonté de sauver toute sa création, le Créateur de l'univers a choisi d'y venir lui-même. Pour refaire en nous son image à sa ressemblance divine, il est devenu l'Agneau, lui notre Dieu et notre Pasteur.

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

En toi Vierge Marie, Mère de Dieu, trouvent refuge ceux qui ont fait choix de virginité et qui se tournent vers toi. Car le Créateur du ciel et de la terre t'a façonnée, ô Immaculée, en venant demeurer dans ton sein. Tous, il nous apprend à t'acclamer :

Réjouis-toi Mémorial de 1a virginité
Réjouis-toi Porte du Salut
Réjouis-toi premier fruit du Royaume Nouveau
Réjouis-toi en qui resplendit la merveille du don gratuit

Réjouis-toi en qui sont régénérés les esprits accablés
Réjouis-toi en qui sont fortifiés ceux que leur passé a blessé
Réjouis-toi car tu enfantes Celui qui nous délivre du Séducteur
Réjouis-toi car tu nous donnes la Source de la chasteté

Réjouis-toi Chambre nuptiale où Dieu épouse notre humanité
Réjouis-toi tu confies au Dieu d'amour
ceux qui se donnent à lui
Réjouis-toi Nourriture du Seigneur pour ceux
qui ont pris le chemin de virginité
Réjouis-toi tu conduis les croyants à l’intimité avec l'Époux

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Toutes nos hymnes de louange sont impuissantes à chanter, Seigneur, la profusion de ta miséricorde infinie. Seraient-elles aussi nombreuses que le sable de la mer, jamais elles ne parviendraient à égaler la richesse du don que tu nous as fait.

Alléluia, alléluia,, alléluia !

 

Nous contemplons dans la Vierge sainte le flambeau qui a porté la Lumière dans les ténèbres. Embrasée par la flamme du Verbe de Dieu qu'elle accueille dans sa chair, elle conduit tout homme à la connaissance de Dieu, illuminant l'intelligence de sa Splendeur. Joyeusement nous l'acclamons :

Réjouis-toi Aurore du Soleil levant
Réjouis-toi Flambeau qui porte la Lumière véritable
Réjouis-toi Éclat de Celui qui illumine notre coeur
Réjouis-toi devant toi l'Ennemi est frappé de terreur

Réjouis-toi Porte de la Lumière étincelante
Réjouis-toi Source d'une Eau jaillissant en Vie éternelle
Réjouis-toi Image vivante de la piscine du baptême
Réjouis-toi en qui nous sommes lavés de la souillure du péché

Réjouis-toi Bassin où nous est donné un esprit renouvelé
Réjouis-toi Coupe où nous puisons la Joie
Réjouis-toi en qui nous respirons le parfum du Christ
Réjouis-toi Source intarissable d'allégresse

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Il a voulu faire grâce des anciennes dettes à tous les hommes. De lui-même il est venu habiter chez les siens, parmi ceux qui vivaient loin de sa Grâce et déchirant leurs billets de créance, il entendit de toutes les bouches sortir cette acclamation :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Nos voulons, ô Mère de Dieu, chanter ton enfantement, te louer comme le Temple vivant que le Seigneur a sanctifié et glorifié en demeurant dans ton sein, lui qui tient tout dans sa Main :

Réjouis-toi Tabernacle du Dieu vivant
Réjouis-toi Sanctuaire qui contient le Seul Saint
Réjouis-toi Arche de la Nouvelle Alliance dorée par l'Esprit
Réjouis-toi Trésor inépuisable de la Vie

Réjouis-toi Diadème de grand prix pour les gouvernants
Réjouis-toi Gloire vénérable des prêtres de Dieu
Réjouis-toi Solide Tour qui garde l’Église
Réjouis-toi Rempart inébranlable de la Cité

Réjouis-toi en qui surgit le Trophée de notre victoire
Réjouis-toi en qui sonne la déroute de notre Ennemi
Réjouis-toi Guérison de mon corps
Réjouis-toi Salut de mon âme

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Ô Mère bénie entre toutes, toi qui as enfanté le Verbe de Dieu, le Seul Saint, reçois l'offrande de notre prière. Garde-nous de tout malheur et de toute menace, nous qui te chantons d'un même coeur :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

 

 

 

09:52 Gepost in Algemeen | Permalink | Commentaren (0)

02-12-13

Akathist tot de Moeder Gods in het SLOVAAKS

Akatist k presvätej Bohorodičke

 

 

Kňaz: Požehnaný Boh náš teraz i vždycky i na veky vekov.

Ľud: Amen.

Sláva tebe, Bože náš, sláva tebe.

Kráľu nebeský, Utešiteľu, Duchu pravdy, ktorý si všade a všetko naplňuješ, poklad dobra a darca života, príď a prebývaj v nás, očisť nás od každej poškvrny a spas, Dobrotivý, naše duše.

Svätý Bože, Svätý Silný, Svätý Nesmrteľný, zmiluj sa nad nami. 3 razy.

Sláva Otcu i Synu i Svätému Duchu i teraz i vždycky i na veky vekov. Amen.

Presvätá Trojica, zmiluj sa nad nami. Pane, očisť nás od našich hriechov. Vládca, odpusť nám naše neprávosti. Svätý, príď a uzdrav naše slabosti pre svoje meno.

Pane, zmiluj sa. 3 razy.

Sláva Otcu i Synu i Svätému Duchu i teraz i vždycky i na veky vekov. Amen.

Otče náš, ktorý si na nebesiach, posväť sa meno tvoje, príď kráľovstvo tvoje, buď ľa tvoja ako v nebi tak i na zemi. Chlieb náš každodenný daj nám dnes a odpusť nám naše viny, ako i my odpúšťame svojim vinníkom, a neuveď nás do pokušenia, ale zbav nás zlého.

Kňaz: Lebo tvoje je kráľovstvo a moc i sláva, Otca i Syna i Svätého Ducha, teraz i vždycky i na veky vekov.

Ľud: Amen.

Kondak 1

Tebe, Bohorodička, mocná vládkyňa, spievame víťaznú pieseň. - Vyslobodila si nás od zlého, preto ti vrúcne ďakujeme, - hoci sme len nehodní služobníci. Ty si nepremožiteľná, - zbav nás všetkých bied, aby sme ti mohli spievať: Raduj sa, panenská Nevesta!

Raduj sa, panenská Nevesta!

Ikos 1

Z neba bol poslaný archanjel, aby Matke Boha povedal: Raduj sa! - A keď videl, že ty Pane, po jeho slovách berieš na seba ľudské telo, - v údive stál a takto ju pozdravil: Raduj sa, lebo skrze teba k nám radosť prichádza! Raduj sa, lebo skrze teba pominie prekliatie! Raduj sa, lebo si pozdvihla padnutého Adama! Raduj sa, lebo si zotrela slzy Evine! Raduj sa, ľudskému rozumu nepochopiteľná výšina! Raduj sa, hlbina, ktorú nepreniknú ani oči anjelské! Raduj sa, nádherný trón kráľovský! Raduj sa, lebo si v živote nosila Stvoriteľa vesmíra! Raduj sa, zornica, ktorá nám východ Slnka zvestuje! Raduj sa, lono, v ktorom sám Boh prebýval! Raduj sa, lebo skrze teba sa obnovuje všetko stvorenie! Raduj sa, lebo skrze teba sa Stvoriteľovi klaniame. Raduj sa, panenská Nevesta!

Kondak 2

Najsvätejšia Panna, istá si svojím panenstvom, smelo povedala Gabrielovi: Záhadné sú tvoje slová a duši mojej ťažko pochopiteľné, - lebo mi oznamuješ, že počnem bez muža a budem matkou, pričom voláš: Aleluja!

Aleluja, aleluja, aleluja!

Ikos 2

Panna si túžobne želala pochopiť toto tajomstvo, preto povedala Božiemu sluhovi: - Povedz mi, ako sa môže v panenskom lone počať a narodiť z neho syn? - A on ju s bázňou a úctou pozdravil: Raduj sa, vyvolená na uskutočnenie nevýslovného tajomstva! Raduj sa, mlčanlivá viera prosiacich! Raduj sa, začiatok Kristových zázrakov! Raduj sa, ty, v ktorej sa začali plniť jeho príkazy! Raduj sa, rebrík, po ktorom sám Boh z neba zostúpil! Raduj sa, most, po ktorom ľudstvo zo zeme do neba prechádza! Raduj sa, zázrak, pri ktorom nenachádzajú slová ani anjeli! Raduj sa, lebo ty si prinútila démonov nariekať! Raduj sa, lebo si porodila svetlo zázračné! Raduj sa, lebo si zachovala v srdci tajomstvo! Raduj sa, lebo prevyšuješ všetkých mudrcov! Raduj sa, lebo osvecuješ mysle všetkých veriacich! Raduj sa, panenská Nevesta!

Kondak 3

Moc Najvyššieho zatônila Pannu, čo muža nepoznala, - jej nepoškvrnené lono sa stalo úrodnou pôdou pre všetkých, čo túžia po spáse - a takto jej spievajú: Aleluja!

Aleluja, aleluja, aleluja!

Ikos 3

Panna, ktorá v živote Boha nosila, ponáhľala sa k Alžbete. - Dieťa v Alžbetinom lone hneď rozpoznalo Máriin pozdrav, - zaplesalo a pohybmi namiesto spevu odpovedalo Bohorodičke: Raduj sa, nevädnúca ratolesť stromu života! Raduj sa, životná sila nesmrteľného ovocia! Raduj sa, ty, ktorá si urobila Stvoriteľa milovníkom ľudí! Raduj sa, lebo si porodila rozsievača života! Raduj sa, úrodná vinica, ktorá rodí bohatstvá milosti! Raduj sa stôl, ktorý ponúka hojnosť zmierenia! Raduj sa, lebo ty si raj, čo zakvitol do bohatej úrody! Raduj sa, lebo dušiam pripravuješ útočisko istoty! Raduj sa, ľubovonné kadidlo modlitieb! Raduj sa, zmierenie sveta celého! Raduj sa, lebo sprostredkúvaš Božie milosrdenstvo hriešnikom! Raduj sa, lebo cez teba majú ľudia v Bohu dôveru! Raduj sa, panenská Nevesta!

Kondak 4

Panický Jozef umáral sa pochybnosťami, chvel sa a trápil sa, - pozeral na teba, Nepoškvrnená, a snoval plán, že ťa tajne prepustí, - ale poučený Svätým Duchom o tvojom počatí zvolal: Aleluja!

Aleluja, aleluja, aleluja!

Ikos 4

Keď pastieri počuli spev anjelov o Kristovom narodení, ponáhľali sa k nemu. - Našli ho ako nepoškvrneného baránka v bezpečnom Máriinom lone, - preto jej spievali hymnus: Raduj sa, Matka baránka a pastiera! Raduj sa, košiar duchovných ovečiek! Raduj sa, postrach neviditeľných nepriateľov! Raduj sa, lebo brány raja otváraš! Raduj sa, lebo nebo so zemou sa raduje! Raduj sa, lebo pozemšťania s nebešťanmi plesajú! Raduj sa, podobná ústam apoštolov, čo neúnavne hovoria! Raduj sa, pre mučeníkov neporaziteľná dôvera! Raduj sa, našej viery pevná opora! Raduj sa, jasné poznanie ľúbosti! Raduj sa, lebo si pokorila podsvetie! Raduj sa, ty, ktorej slávou sme sa obliekli! Raduj sa, panenská Nevesta!

Kondak 5

Traja mudrci uzreli jasnú hviezdu a nasledovali ju, - svietila im na cestu a zastavila sa nad miestom, kde našli mocného kráľa. - A keď sa približovali k Neprístupnému, klaňali sa mu a volali: Aleluja!

Aleluja, aleluja, aleluja!

Ikos 5

Keď chaldejskí synovia uvideli, že ten, ktorý stvoril ľudí a prijal na seba podobu služobníka, spočíva v panenskom náručí, - ochotne mu odovzdali svoje dary a Blahoslavenej volali: Raduj sa, Matka hviezdy, ktorá nehasne! Raduj sa, zora dňa tajomného a večného! Raduj sa, lebo ty si oheň pokušení zhasila! Raduj sa, lebo ty osvecuješ ctiteľov Najsvätejšej Trojice! Raduj sa, lebo skrze teba bol neľudský tyran svojej moci zbavený! Raduj sa, lebo si Krista milujúceho ľudí zrodila! Raduj sa, lebo si nás vyslobodila z otroctva pohanstva! Raduj sa, snímajúca z nás blato nerestí! Raduj sa, lebo si urobila koniec modlárstvu! Raduj sa, lebo ty hasíš utrpení plamene! Raduj sa, vodkyňa veriacich po cestách panenstva! Raduj sa, všetkým ľudským pokoleniam veselosť! Raduj sa, panenská Nevesta!

Kondak 6

Keď sa traja mudrci vrátili do Babylonu, - ohlasovali ľudom, že sa splnilo proroctvo o príchode Krista Vykupiteľa, - ale Herodesa obišli, lebo ti nechcel spievať: Aleluja!

Aleluja, aleluja, aleluja!

Ikos 6

Spasiteľ ty si svetlom svojej pravdy ožiaril Egypt a odohnal si preč temnoty bludu. - Jeho modly nemohli odolať tvojej múdrosti, preto padli. A tí, čo sa vyslobodili z ich zajatia, volali Bohorodičke: Raduj sa, všetkých ľudí obnova! Raduj sa, víťazstvo nad démonmi! Raduj sa, lebo si porazila bludárske kráľovstvo! Raduj sa, lebo si odhalila márnosť modlárstva! Raduj sa, more, v ktorom sa potopil pyšný faraón! Raduj sa, skala, z ktorej pijú tí, čo túžia po živote! Raduj sa, ohnivý stĺp, ktorý nás vedie v temnotách! Raduj sa, ochranný plášť sveta širší ako obloha! Raduj sa, ty, ktorá prinášaš chlieb nad mannu cennejší! Raduj sa, služobníčka sladkého a svätého pokrmu! Raduj sa, krajina zasľúbená! Raduj sa, lebo medom a mliekom oplývaš! Raduj sa, panenská Nevesta!

Kondak 7

Keď sa Simeon chystal opustiť tento svet a zatúžil po večnom živote, - položili ťa na jeho ruky ako dieťa, a1e on v tebe spoznal skutočného Boha. - Plný údivu nad tvojou nevýslovnou múdrosťou volal: Aleluja!

Aleluja, aleluja, aleluja!

Ikos 7

Svoju moc zjavil Stvoriteľ, nové stvorenie nám ukázal a my skrze neho jestvujeme. - On z nepoškvrneného lona vyklíčil, ale ho neporušil, - a my, keď sme tento zázrak spoznali, oslavujeme ho a voláme: Raduj sa, kvet, ktorý nikdy nevädne! Raduj sa, veniec striedmosti! Raduj sa, jasný vzor nášho vzkriesenia! Raduj sa, lebo nám zobrazuješ anjelov! Raduj sa, sladké ovocie stromu, ktoré živí veriacich! Raduj sa, košatý strom, v ktorého tieni mnohí oddych nachodia! Raduj sa, lebo si v živote nosila vykupiteľa zajatých! Raduj sa, lebo si porodila vodcu zblúdených! Raduj sa, uprosenie spravodlivého sudcu! Raduj sa, lebo vyprosuješ odpustenie mnohým hriešnikom! Raduj sa, láskavé zahalenie našej nahoty! Raduj sa, láska, ktorá prevyšuje všetko poznanie! Raduj sa, panenská Nevesta!

Kondak 8

Na neobyčajné stvorenie sme hľadeli. - Zabudnime aj my na tento svet a naše mysle obráťme k nebu. - Najvyšší Boh preto prišiel v pokore na svet ako človek, aby priviedol k sebe všetkých, čo k nemu volajú: Aleluja!

Aleluja, aleluja, aleluja!

Ikos 8

Ó, neopísateľné Slovo, ty celé v nebi aj na zemi prebývaš, - svojím príchodom na zem nezmenilo si svoju božskú podstatu, narodilo si sa z bohumilej Panny, ktorá počúva naše hlasy: Raduj sa, nekonečnému Bohu príbytok! Raduj sa, brána presvätého tajomstva! Raduj sa, ustavičné volanie neverných k obráteniu! Raduj sa, nekonečná chvála veriacich! Raduj sa, ohnivý a svätý voz toho, ktorý na cherubínoch spočíva! Raduj sa, preslávny príbytok toho, ktorému slúžia serafíni! Raduj sa, nepriateľov zmierenie! Raduj sa, lebo v tebe sa spojilo panenstvo s materstvom! Raduj sa, prostredníčka odpustenia priestupkov! Raduj sa, lebo skrze teba sa nám raj otvára! Raduj sa, kľúč od Kristovho kráľovstva! Raduj sa, nádej večných radostí! Raduj sa, panenská Nevesta!

Kondak 9

Všetky anjelské zbory žasli nad veľkým tajomstvom vtelenia. - Videli, neprístupný Bože, ako si sa stal pre všetkých prístupným človekom. - Medzi nami prebývaš a počúvaš naše volanie: Aleluja!

Aleluja, aleluja, aleluja!

Ikos 9

Pred tebou, Bohorodička, slávni rečníci zmĺkli ako nemé ryby. - Nedokázali pochopiť, že si aj po pôrode zostala pannou, - lež my obdivujeme toto tajomstvo a s vierou voláme: Raduj sa, príbytok Božej múdrosti! Raduj sa, poklad Božej prozreteľnosti! Raduj sa, lebo múdrosť sveta sa v tebe vidí nemúdrou! Raduj sa, lebo pred tebou aj slávni rečníci zamĺkli! Raduj sa, veď pred tebou sú nevedomí aj mudrci! Raduj sa, lebo pred tebou zhasla sláva básnikov! Raduj sa, lebo si odhalila všetky výmysly! Raduj sa, lebo si naplnila siete rybárov! Raduj sa, lebo ty vytrhávaš duše z priepasti ničoty! Raduj sa, lebo ty obohacuješ mnohých poznaním! Raduj sa, archa pre tých, čo túžia po spáse! Raduj sa, prístav na ceste životom! Raduj sa, panenská Nevesta!

Kondak 10

Obetoval seba samého, aby spasil svet. - Preto prišiel ako pastier a ako Boh v ľudskej podobe. - Všetkých nás volá k sebe a počúva naše volanie: Aleluja!

Aleluja, aleluja, aleluja!

Ikos 10

Bohorodička, Panna, ty si vzorom panien a všetkých, čo ťa vzývajú a utiekajú sa k tebe. Stvoriteľ neba a zeme ťa ozdobil, Nepoškvrnená, - a prebývajúc v tvojom lone, naučil všetkých vzdávať ti slávu: Raduj sa, pilier panenstva! Raduj sa, brána spasenia! Raduj sa, začiatok duchovnej obrody! Raduj sa, prostredníčka Božích milostí! Raduj sa, lebo obnovuješ v hriechu počatých! Raduj sa, učiteľka sklamaných! Raduj sa, lebo si zvodcu duší zahnala! Raduj sa, lebo si porodila rozsievača čistoty! Raduj sa, palác zásnub prečistých! Raduj sa, lebo posilňuješ duše verné Pánovi! Raduj sa, ochrankyňa panien láskavá! Raduj sa, nevesta, svätých duší ozdoba! Raduj sa, panenská Nevesta!

Kondak 11

Presvätý Bože, ani najkrajšia pieseň nemôže ospievať veľkosť tvojho zmilovania. - Hoci by sme ti ich venovali toľko, ako je piesku na zemi, nikdy neoceníme to, čo nám dávaš, - preto ti spievame: Aleluja!

Aleluja, aleluja, aleluja!

Ikos 11

Najsvätejšia Panna, zjavuješ sa nám v temnotách ako svetelná pochodeň. - Zažíhaš duchovné svetlo a všetkých vedieš k poznaniu Boha. - Svojím leskom osvecuješ naše mysle, preto ťa ctíme a voláme: Raduj sa, lúč duchovného slnka! Raduj sa, žiara neuhasínajúceho svetla! Raduj sa, blesk, čo ožaruje duše! Raduj sa, búrka, čo desí nepriateľa! Raduj sa, lebo si zjavila najjasnejšieho svetla záplavu! Raduj sa, prameň rieky mohutnej! Raduj sa, predobraz liečivého prameňa! Raduj sa, čo škvrny hriechov umývaš! Raduj sa, voda, v ktorej sa omýva svedomie! Raduj sa, čaša naplnená radosťou! Raduj sa, plnosť ľúbeznej vône Kristovej! Raduj sa, život plný svätej radosti. Raduj sa, panenská Nevesta!

Kondak 12

Pán milosrdenstva sa rozhodol odpustiť ľuďom všetky tresty. - Sám zostúpil k tým, čo opovrhli jeho láskou, - otvoril nám brány neba, preto počuje zo všetkých úst: Aleluja!

Aleluja, aleluja, aleluja!

Ikos 12

Velebíme tvojho Syna i teba, Bohorodička, - Vykupiteľ prebýval v tvojom lone, posvätil ho, oslávil ťa a všetkých nás naučil prespevovať: Raduj sa, Bohu i Slovu vhodný príbytok! Raduj sa, lebo si väčšia ako svätyňa svätých! Raduj sa, archa pozlátená Svätým Duchom! Raduj sa, nevyčerpateľná pokladnica života! Raduj sa, spravodlivým kráľom veniec nádhery! Raduj sa, zbožným kňazom víťazná odmena! Raduj sa, Božej cirkvi pevná opora! Raduj sa, bezpečná hradba kráľovstva! Raduj sa, lebo s tvojou pomocou sa dosahujú víťazstvá! Raduj sa, lebo skrze teba naši nepriatelia padajú! Raduj sa, môjho tela uzdravenie! Raduj sa, mojej duše záchrana! Raduj sa, panenská Nevesta!

Kondak 13

Nekonečne velebená Bohorodička a Matka najsvätejšieho Slova, - prijmi ako dar túto našu oslavu, - chráň nás od všetkých pokušení a vysloboď od večných múk, aby sme ti vždy spievali: Aleluja!

Aleluja, aleluja, aleluja!

Tento kondak sa opakuje tri razy.

A opäť ikos 1:

Z neba bol poslaný archanjel, aby Matke Boha povedal: Raduj sa! A keď videl, že ty, Pane, po jeho slovách berieš na seba ľudské telo, - v údive stál a takto ju pozdravil: Raduj sa, lebo skrze teba k nám radosť prichádza! Raduj sa, lebo skrze teba pominie prekliatie. Raduj sa, lebo si pozdvihla padnutého Adama! Raduj sa, lebo si zotrela slzy Evine! Raduj sa, ľudskému rozumu nepochopiteľná výšina! Raduj sa, hlbina, ktorú nepreniknú ani oči anjelské! Raduj sa, nádherný trón kráľovský! Raduj sa, lebo si v živote nosila Stvoriteľa vesmíra! Raduj sa, zornica, ktorá nám východ Slnka zvestuje! Raduj sa, lono, v ktorom sám Boh prebýval! Raduj sa, lebo skrze teba sa obnovuje všetko stvorenie! Raduj sa, lebo skrze teba sa Stvoriteľovi klaniame! Raduj sa, panenská Nevesta!

A opäť kondak 1:

Tebe, Bohorodička, mocná vládkyňa, spievame víťaznú pieseň. - Vyslobodila si nás od zlého, preto ti vrúcne ďakujeme, - hoci sme len nehodní služobníci. Ty si nepremožiteľná, - zbav nás všetkých bied, aby sme ti mohli spievať: Raduj sa, panenská Nevesta!

Raduj sa, panenská Nevesta!

Modlitba:

Prijmi, najblaženejšia, prečistá Pani a Vládkyňa, Bohorodička, tieto vznešené dary, ktoré patria jedine tebe, od nás, tvojich nehodných služobníkov. Ty si vyvolená zo všetkých pokolení, svojou vznešenosťou prevyšuješ všetko nebeské a pozemské tvorstvo, veď skrze teba k nám zostúpil Pán zástupov. Tvojím prostredníctvom sme poznali Božieho Syna a mohli sme prijať jeho presväté telo a prečistú krv. Preto si blažená z pokolenia na pokolenie, od Boha požehnaná. Jasnejšia si ako cherubíni a vznešenejšia ako serafíni. A teraz, presvätá starostlivá Bohorodička, neprestaň za nás ustavične orodovať, hoci sme iba tvojimi nehodnými služobníkmi, aby sme boli zbavení zla a súženia a ochráň nás krehkých od všetkých jedovatých mámení démonov. Pomôž nám vytrvať v dobrom až do konca, aby sme boli spasení s tvojou pomocou a aby sme oslavovali, chválili, velebili, dobrorečili a klaňali sa v Trojici jedinému Bohu a Stvoriteľovi všetkého teraz i vždycky i na veky vekov.

Ľud: Amen.

Diakon: Premúdrosť!

Ľud: Čestnejšia si ako cherubíni a neporovnateľne slávnejšia ako serafíni, bez porušenia si porodila Boha Slovo, opravdivá Bohorodička, velebíme ťa.

Kňaz: Sláva tebe, Kriste Bože, naša nádej, sláva tebe.

Ľud: Sláva Otcu i Synu i Svätému Duchu i teraz i vždycky i na veky vekov. Amen. Pane, zmiluj sa. Pane, zmiluj sa. Pane, zmiluj sa. Požehnaj.

Kňaz: Kristus, náš pravý Boh, na prosby svojej prečistej Matky a všetkých svätých, nech sa nad nami zmiluje a spasí nás, lebo je dobrý a miluje nás.

Ľud: Amen.

 

 

 

 

 

 

 

 

11:32 Gepost in Algemeen | Permalink | Commentaren (0)

28-11-13

Acathist tot de Moeder Gods in het ROEMEENS

Acatistul Acoperamantului Maicii Domnului


Rugaciunile incepatoare :

In numele Tatalui si al Fiului si al Sfantului Duh, Amin.

Slava Tie, Dumnezeul nostru, Slava Tie !
Slava Tie, Dumnezeul nostru, Slava Tie !
Slava Tie, Dumnezeul nostru, Slava Tie !

Imparate ceresc, Mangaietorule, Duhul adevarului, Care pretutindenea esti si toate le implinesti, Vistierul bunatatilor si datatorule de viata, vino si Te salasluieste intru noi, si ne curateste pe noi de toata intinaciunea si mantuieste, Bunule, sufletele noastre.

Sfinte Dumnezeule, Sfinte tare, Sfinte fara de moarte, miluieste-ne pe noi !
Sfinte Dumnezeule, Sfinte tare, Sfinte fara de moarte, miluieste-ne pe noi !
Sfinte Dumnezeule, Sfinte tare, Sfinte fara de moarte, miluieste-ne pe noi !

Slava Tatalui si Fiului si Sfantului Duh si acum si pururea si in vecii vecilor. Amin.

Preasfanta Treime, miluieste-ne pe noi. Doamne, curateste pacatele noastre. Stapane, iarta faradelegile noastre. Sfinte, cerceteaza si vindeca neputintele noastre, pentru numele Tau.

Doamne miluieste, Doamne miluieste, Doamne miluieste.

Slava Tatalui si Fiului si Sfantului Duh si acum si pururea si in vecii vecilor. Amin.

Tatal nostru, Care esti in ceruri, sfinteasca-Se numele Tau, vie imparatia Ta, fie voia Ta, precum in cer si pe pamant. Painea noastra cea spre fiinta, da ne-o noua astazi, si ne iarta noua gresalele noastre, precum si noi iertam gresitilor nostri. Si nu ne duce pe noi in ispita, ci ne izbaveste de cel rau.

Pentru rugaciunile Preasfintei Nascatoare de Dumnezeu, ale Sfintilor Parintilor nostri si ale tuturor Sfintilor, Doamne Iisuse Hristoase, Fiul lui Dumnezeu, miluieste-ne pe noi. Amin.

Condacul 1
Imparatesei celei alese mai inainte de veci, Imparatesei celei mai inalte decat toata faptura cerului si a pamantului, care a venit oarecand la rugaciune in Biserica din Vlaherne si se ruga pentru cei din intuneric. Acesteia si noi, cu credinta si cu umilinta ii serbam Acoperamantul ei cel luminos. Iar tu, ca ceea ce ai putere nebiruita, izbavste-ne pe noi din toate nevoile, ca sa strigam tie : Bucura-te bucuria noastra, acopera-ne pe noi de tot raul cu cinstitul tau Acoperamant.

Icosul 1
Multimea Arhangelilor si a Ingerilor, cu Inaintemergatorul, cu Teologul si cu soborul tuturor Sfintilor, impreuna cu tine, Imparateasa lor, stand in Biserica din Vlaherne si ascultand rugaciunile tale pentru toata lumea, cu bucurie canta tie :
Bucura-te, bunavointa Tatalui celui mai inainte de veci;
Bucura-te, incapere prea curata a lui Dumnezeu, Fiul celui fara de ani;
Bucura-te, locuinta umbrita de puterea Duhului Sfant;
Bucura-te, mirare neincetata a cetelor ingeresti;
Bucura-te, spaima cea prea grozava a puterilor celor intunecate ale iadului;
Bucura-te, ceea ce esti intampinata in vazduh de Heruvimii cei cu ochi multi;
Bucura-te, ale carei laude le canta Serafimii cei cu cate sase aripi;
Bucura-te, prea bunule acoperamant caruia cu credinta ne inchinam si noi neamul crestinesc;
Bucura-te bucuria noastra, acopera-ne pe noi de tot raul cu cinstitul tau Acoperamant.

Condacul 2
Sfantul Andrei cu Epifanie, vazandu-te in Biserica, in vazduh, rugandu-te lui Dumnezeu pentru crestini, au cunoscut ca tu esti Maica lui Hristos Dumnezeul nostru si cazand la pamant, cu credinta s-au inchinat sfantului tau Acoperamant, cantand : Aliluia !

Icosul 2
Intelegere neinteleasa esti Nascatoare de Dumnezeu Fecioara, intru apararea poporului celui ortodox, pentru aceasta vrajmasii nostri nu se pricep cat de puternica este rugaciunea Maicii lui Dumnezeu, insa noi bine stiind atotputernica ta aparare, cantam catre tine cu umilinta, unele ca acestea :
Bucura-te, cea prea milostiva, mangaietoarea tuturor celor scarbiti si impovarati;
Bucura-te, povatuitoarea neadormita a tuturor celor robiti si rataciti;
Bucura-te, ceea ce cu rugaciunile tale degraba potolesti mania lui Dumnezeu cea cu dreptate pornita asupra noastra;
Bucura-te, ceea ce cu atotputernica amenintarea ta, potolesti patimile noastre cele rele;
Bucura-te, puternica desteptare a constiintelor celor adormite;
Bucura-te, cea prin care iadul suspina si duhurile rautatii tremura;
Bucura-te, prin care se deschid noua credinciosilor portile raiului;
Bucura-te bucuria noastra, acopera-ne pe noi de tot raul cu cinstitul tau Acoperamant.

Condacul 3
Puterea Celui Prea Inalt umbreste pe cei ce cu credinta si cu evlavie scapa la prea puternicul tau Acoperamant, caci numai tie uneia, Preasfanta si Preacurata Maica a lui Dumnezeu, s-a dat de a se implini toate cererile tale. Pentru aceasta credinciosi de toate varstele te slavesc pe tine si pe Fiul tau cantand : Aliluia !

Icosul 3
Avand bogatie de milostivire neimputinata tuturor pana la marginile pamantului le intinzi mana de ajutor, Nascatoare de Dumnezeu Fecioara. Bolnavilor le dai vindecare, celor ce patimesc, alinare, orbilor vedere si tuturor le dai toate, fiecaruia dupa a lor trebuinta. Pentru aceasta cu multumire strigam tie :
Bucura-te, taria nesurpata si ocrotirea tuturor crestinilor;
Bucura-te, cea mai intai infrumusetare a sfintelor lacasuri si altare;
Bucura-te, ingradirea cea sigura a tronurilor imparatesti;
Bucura-te, ajutatoarea neadormita a capeteniilor de orase;
Bucura-te, arhistratega nebiruita a ostilor crestinesti;
Bucura-te, oglinda sfanta a dreptatii pentru judecatorii cei nemitarnici;
Bucura-te, minte desavarsita a invatatorilor;
Bucura-te, binecuvantarea caselor si a familiilor celor evlavioase;
Bucura-te bucuria noastra, acopera-ne pe noi de tot raul cu cinstitul tau Acoperamant.

Condacul 4
Fiind cuprinsi de viforul multor nevoi, Nascatoare de Dumnezeu Fecioara, tu ne ajuta noua. Stand inaintea fetei altarului Domnului si ridicand mainile tale, roaga-te ca Domnul, Imparatul slavei sa caute la nevrednica noastra rugaciune si sa asculte cererile celor ce cheama numele tau cel sfant si canta Fiului tau : Aliluia !

Icosul 4
Auzit-a Domnul Dumnezeu pe Isus al lui Navi rugandu-se si a poruncit soarelui de a stat pana ce s-a razbunat asupra vrajmasilor lui. Aude si acum Domnul Iisus rugaciunile tale, Imparateasa aleasa a Duhului Sfant, pentru aceasta si noi pacatosii, nadajduind la acoperamantul tau, indraznim a canta tie ca Maicii lui Dumnezeu unele ca acestea :
Bucura-te, cea luminata de Soarele cel vesnic care ne lumineaza pe noi cu lumina cea neinserata;
Bucura-te, ceea ce ai luminat tot pamantul cu stralucirea preacuratului tau suflet;
Bucura-te, ceea ce ai veselit toate cerurile prin curatia trupului tau;
Bucura-te, Acoperamantul si pastrarea sfintelor lacasuri ale lui Hristos;
Bucura-te, luminarea si inteleptirea pastorilor celor credinciosi ai bisericii;
Bucura-te, povatuitoarea monahilor si a monahiilor care neincetat slujesc lui Dumnezeu;
Bucura-te, linistea cea netulburata a batranilor celor evlaviosi;
Bucura-te, veselia cea tainica a fecioarelor si a vaduvelor ce traiesc in curatie;
Bucura-te bucuria noastra, acopera-ne pe noi de tot raul cu cinstitul tau Acoperamant.

Condacul 5
Vazatorul de Dumnezeu Moisi luptand oarecand asupra lui Amalic, cand ridica mainile , Israil biruia, iar cand le lasa in jos atunci Amalic invingea, insa, ajutat de cei ce-l sustineau, a biruit pe vrajmasi. Tu insa, Maica a lui Dumnezeu, ridicand mainile tale la rugaciune catre Fiul tau, desi nesustinuta de nimeni, dar totdeauna biruiesti pe vrajmasii crestinilor si esti scut nebiruit noua celor ce-ti cantam : Aliluia !

Icosul 5
Vzandu-te pe tine cetele Sfintilor stand in vazduh in Biserica din Vlaherne, ridicand mainile la rugaciune catre Fiul tau si Dumnezeul nostru, Arhangelii cu Ingerii cantau tie cantare de multumire; deci prin mainile tale cele mai sfinte decat ale lui Moisi intareste-ne si pe noi cei ce cu umilinta cantam tie :
Bucura-te, cea ale carei maini sunt tinute la rugaciune de insasi dragostea si milostivirea ta cea catre noi;
Bucura-te, ca inaintea ta nu pot sa stea vrajmasii nostri vazuti si nevazuti;
Bucura-te, ceea ce izgonesti din sufletul nostru patimile si poftele cele rele si spurcate;
Bucura-te, ceea ce fara de ardere tii pe mainile tale focul cel Dumnezeiesc al lui Hristos si pe noi cei reci ne aprinzi cu el;
Bucura-te, aleasa incununare a celor ce, cu intreaga intelepciune, se lupta impotriva patimilor;
Bucura-te, convorbirea cea de-a pururea cu cei ce se nevoiesc in post si in tacere;
Bucura-te, grabnica ajutatoare a celor obositi de mahnire si de intristare;
Bucura-te bucuria noastra, acopera-ne pe noi de tot raul cu cinstitul tau Acoperamant.

Condacul 6
Propovaduitor al harului tau celui neimputinat si al milelor tale s-a aratat Sfantul Romano, dulce cantatorul, cand in vis a primit de la tine o foaie de hartie spre mancare, prin care, inteleptindu-se, a inceput a canta cu intelepciune intru slava ta si a scris laude Sfintilor, cantand cu credinta : Aliluia !

Icosul 6
Stralucit-ai Fecioara a lui Dumnezeu, din aurora dreptatii, Soarele cel adevarat, luminand pe toti cu intelepciune de la Dumnezeu Fiul tau si aducand la cunostinta adevarului pe cei ce cu credinta canta tie :
Bucura-te, ceea ce ai nascut cu trup pe Hristos, puterea si intelepciunea dumnezeiasca;
Bucura-te, ceea ce ai rusinat intelepciunea cea desarta a lumiii acesteia si pe cei orbiti de dansa ii povatuiesti la calea mantuirii;
Bucura-te, pastrarea dreptei credinte si invatatoarea dogmelor celor ortodoxe;
Bucura-te, ceea ce tai eresurile si ratacirile cele pierzatoare;
Bucura-te, ceea ce stii cele cu anevoie de prevazut, si la vreme le spui celor ce se cuvine;
Bucura-te, ceea ce rusinezi pe cei mincinosi si ghiciturile cele desarte;
Bucura-te, ceea ce in ceasul nedumeririlor, ne pui in minte gandul cel bun;
Bucura-te, ceea ce ne opresti de la deprinderile vatamatoare si de la faptele cele rele;
Bucura-te bucuria noastra, acopera-ne pe noi de tot raul cu cinstitul tau Acoperamant.

Condacul 7
Domnul atotvazatorul indelung-rabdatorul, voind sa arate adancul cel nemarginit al iubirii Sale de oameni, te-a ales pe tine pentru a fi Lui Maica si te-a facut pe tine crestinilor aparatoare nebiruita. Ca dupa judecata lui Dumnezeu, chiar de ar fi cineva vrednic de osanda, totusi prin Acoperamantul tau cel puternic, capata vreme de pocainta si canta tie : Aliluia !

Icosul 7
Minunate a aratat Domnul faptele Sale intru tine, Preacurata Maica Sa, cand s-a aratat prea minunatul Acoperamant in mainile tale, luminand mai mult decat razele soarelui, acoperind pe poporul ce era in Biserica din Vlaherne. Deci, vazand ei acest semn al milostivei tale aparari, cuprinsi de spaima si de bucurie, toti au cantat tie :
Bucura-te, Acoperamantul nefacut de mana, care, ca norul te-ai intins peste toata lumea;
Bucura-te, ceea ce ai tinut pe mainile tale pe Fiul si vesnicul Arhiereu;
Bucura-te, ca prin aceasta ne arati mila si har noua in Biserica cea Ortodoxa;
Bucura-te, stalp de nor care ne acoperi pe noi credinciosii, ferindu-ne de toate ispitele si de smintelile lumesti;
Bucura-te, stalp de foc, care ne arati noua tuturor calea mantuirii, chiar si in mijlocul negurii pacatelor;
Bucura-te, vadita intarire a crestinilor nevoitori;
Bucura-te, inteleptire tainica a robilor lui Dumnezeu, celor tainuiti in mijlocul lumii;
Bucura-te, ceea ce pe mine cel gol de fapte bune nu ma parasesti, ci cu acoperamantul si cu harul tau ma miluiesti;
Bucura-te bucuria noastra, acopera-ne pe noi de tot raul cu cinstitul tau Acoperamant.

Condacul 8
Pre tine ceea ce te-ai aratat din cer in Biserica din Vlaherne, Ingerii te-au cantat, Apostolii te-au preaslavit, soborul ierarhilor si al cuviosilor si ceata sfintelor femei te-au laudat, Inaintemergatorul si cu Teologul s-au inchinat, iar poporul ce era in biserica, cu veselie ti-au cantat : Aliluia !

Icosul 8
Domnul, Cel ce stapaneste toate cele de sus si cele de jos, vazandu-te pe tine Maica Sa, stand in biserica si cu umilinta rugandu-te Lui, a zis : cere, o, Maica mea, ca nu ma voi intoarce despre tine, ci voi indeplini cererile tale si voi milui pe toti care canta tie :
Bucura-te, chivot al Legii in care se pastreaza sfintirea a tot neamul omenesc;
Bucura-te, nastrapa prea sfanta in care, celor flamanzi de dreptate, li se pastreaza painea vietii celei vesnice;
Bucura-te, vasule cu totul de aur, in care s-a gatit pentru noi trupul si sangele Mielului celui Dumnezeiesc;
Bucura-te, ceea ce iei in atotputernicele tale maini pe cei parasiti de doctori;
Bucura-te, ceea ce ridici din patul durerii pe cei slabiti cu trupul, dar nu cu duhul si cu credinta;
Bucura-te, ceea ce dai intelegere si lumina celor ce sunt intunecati la minte;
Bucura-te, ceea ce cu intelepciunea ta ne impiedici din calea cea rea a pacatelor si a patimilor;
Bucura-te bucuria noastra, acopera-ne pe noi de tot raul cu cinstitul tau Acoperamant.

Condacul 9
Toata firea ingereasca aduce lauda tie, pentru ca esti cu adevarat Maica lui Dumnezeu si aparatoarea tuturor celor ce se roaga tie. Tu, cu Acoperamantul tau cel dumnezeiesc,pe cei drepti ii veselesti, pe pacatosi ii aperi, pe cei din primejdii ii izbavesti si te rogi pentru toti credinciosii care canta tie : Aliluia !

Icosul 9
Ritorii cei mult vorbitori, ca niste pesti fara de glas nu se pricep cum sa laude dupa vrednicie serbarea ta cea mare a preacinstitului tau Acoperamant caci toate cele graite de dansii nu sunt in stare a numara indurarile tale. dar noi vazand nenumaratele tale binefaceri, cu bucurie cantam tie :
Bucura-te, ceea ce ne pazesti de molima si de bolile cele aducatoare de moarte;
Bucura-te, ceea ce pazesti orasele si satele de cutremurul cel napraznic al pamantului;
Bucura-te, ceea ce cu mana tare din revarsarea apelor si din cufundare ne izbavesti pe noi;
Bucura-te, ceea ce cu roua rugaciunilor tale, ne izbavesti pe noi de arderea focului;
Bucura-te, ceea ce ne scapi de foametea cea duhovniceasca si trupeasca, hranindu-ne cu painea vietii;
Bucura-te, ceea ce abati de la capul nostru loviturile fulgerului si ale traznetului;
Bucura-te, ceea ce ne mantuiesti pe noi de navalirea celor de alt neam si de ucigasii cei tainuiti;
Bucura-te, ceea ce prin pace si prin dragoste, ne izbavesti de vrajmasii cei de o credinta cu noi, si de vrajmasia casnica;
Bucura-te bucuria noastra, acopera-ne pe noi de tot raul cu cinstitul tau Acoperamant.

Condacul 10
Vrand sa mantuiasca neamul omenesc din inselaciunea vrajmasului, Domnul cel iubitor de oameni, te-a daruit pe tine sa fii Maica noua pamantenilor. Tu sa fii noua ajutor, acoperamant si scutire, celor intristati mangaiere, celor scarbiti bucurie, celor asupriti aparatoare si sa scoti din adancul pacatelor pe toti cei ce-ti canta : Aliluia !

Icosul 10
Preasfanta Imparateasa, cu ingerii stai impreuna si te rogi, zicand : Imparate ceresc, primeste pe tot omul ce se roaga Tie si cheama numele meu in ajutor ca sa nu plece nimeni de la fata mea, neajutat si neascultat. Aceasta rugaciune auzind-o adunarea sfintilor, cu multumire strigam tie :
Bucura-te, ceea ce daruiesti cu roduri binecuvantate pe cei ce lucreaza cu dreptate si cu inima curata;
Bucura-te, ajutatoarea si rasplatitoarea tuturor celor ce fac negustorie cu dreptate;
Bucura-te, mustrarea tuturor calcatorilor de juramant si a celor ce agonisesc cu nedreptate;
Bucura-te, grabnica ajutatoare celor ce sunt in primejdii pe uscat si pe ape;
Bucura-te, ceea ce veselesti cu roadele credintei pe parintii cei fara de copii;
Bucura-te, hranitoarea cea nevazuta a sarmanilor;
Bucura-te, aparatoarea cea tare a celor ce sunt robiti si izgoniti;
Bucura-te, ingrijitoarea cea neadormita a celor ce sunt in legaturi si in temnite;
Bucura-te bucuria noastra, acopera-ne pe noi de tot raul cu cinstitul tau Acoperamant.

Condacul 11
Cantarea noastra cea cu umilinta auzind-o ia aminte la smerita noastra rugaciune, Nascatoare de Dumnezeu Fecioara, ca pe tine te rugam, nu trece cu vederea glasul robilor tai. La tine nazuim in napaste, in scarbe si in necazurile noastre si inaintea ta stand, cu lacrimi ne rugam si cantam tie : Aliluia !

Icosul 11
Faclie primitoare de lumina, vazandu-te pe tine la rugaciune in vazduh, in biserica din Vlaherne, poporul ce era de fata a strigat : " De unde este noua aceasta ca sa vina Maica Domnului nostru aici ? ". Iar Sfantul Andrei, cu Epifanie, cu smerenie catre tine se rugau, zicand :
Bucura-te, datatoarea cea fara de zavistie, a tuturor darurilor celor pamantesti si sufletesti;
Bucura-te, credincioasa solitoare a pacatosilor celor ce pun inceput de pocainta;
Bucura-te, pururea impreuna ajutatoare, a celor ce se lupta impotriva patimilor si a curselor diavolesti;
Bucura-te, nevazuta imblanzire a stapanilor celor tirani si cu narav de fiara;
Bucura-te, repaus si bucurie tainica a robilor celor blanzi si primitori;
Bucura-te, linistea prea dorita a casatoritilor celor credinciosi;
Bucura-te, grabnica si fara suferinta dezlegare a maicilor celor nascatoare de prunci;
Bucura-te, Maica, ajutatoarea noastra buna in ceasul sfarsitului nostru;
Bucura-te bucuria noastra, acopera-ne pe noi de tot raul cu cinstitul tau Acoperamant.

Condacul 12
Harul cel Dumnezeiesc, cere-l noua de la Fiul tau si Dumnezeul nostru. Intinde noua mana de ajutor. Departeaza de la noi pe tot vrajmasul si potrivnicul. Impaca viata noastra ca sa nu pierim cumplit si fara de pocainta si primeste-ne in salasele cele vesnice, ocrotitoarea noastra, ca bucurandu-ne, sa strigam : Aliluia !

Icosul 12
Cantand puternicul tau Acoperamant, te laudam ca pe o mare solitoare a noastra si ne inchinam tie, ceea ce te rogi pentru crestini. Noi credem si nadajduim, ca vei cere de la Fiul tau si Dumnezeul nostru, bucuria cea vremelnica si cea vesnica, noua tuturor, celor ce cu dragoste cantam tie :
Bucura-te, tare aparatoare a toata lumea;
Bucura-te, sfintirea tuturor stihiilor ceresti si pamantesti;
Bucura-te, binecuvantarea tuturor timpurilor anului;
Bucura-te, calcarea curselor si ispitelor ce vin de la trup, de la lume si de la diavol;
Bucura-te, prea puternica, impacarea celor invrajbiti;
Bucura-te, ceea ce te induri de cei dispretuiti si lepadati;
Bucura-te, ceea ce ridici din groapa pierzarii pe cei deznadajdiuti;
Bucura-te bucuria noastra, acopera-ne pe noi de tot raul cu cinstitul tau Acoperamant.

Condacul 13
O, preacantata Stapana, preacurata Fecioara, Nascatoare de Dumnezeu, la tine ridic ochii sufletului si ai trupului meu, catre tine intind mainile mele cele slabe si din adancul inimii strig tie : Cauta la credinta sufletului meu. Acopera-ma cu atotputernicul tau Acoperamant si ma izbaveste de toate nevoile; iar in ceasul sfarsitului meu sa stai langa mine, o, intru tot buna Stapana si ma izbaveste de chinurile cele gatite pentru pacatele mele, ca, mantuindu-ma, pururea sa cant tie : Aliluia ! ( Acest condac se zice de trei ori ).
Apoi zicem Icosul 1 si Condacul 1 si
Cuvine-se cu adevarat sa te fericim pe tine Nascatoare de Dumnezeu, cea pururea fericita si prea nevinovata si Maica Dumnezeului nostru.
Ceea ce esti mai cinstita decat Heruvimii si mai marita fara de asemanare decat Serafimii, care fara stricaciune pe Dumnezeu Cuvantul ai nascut, pe tine cea cu adevarat Nascatoare de Dumnezeu te marim.
Sfinte Dumnezeule, Sfinte tare, Sfinte fara de moarte, miluieste-ne pe noi !
Sfinte Dumnezeule, Sfinte tare, Sfinte fara de moarte, miluieste-ne pe noi !
Sfinte Dumnezeule, Sfinte tare, Sfinte fara de moarte, miluieste-ne pe noi !
Slava Tatalui si Fiului si Sfantului Duh si acum si pururea si in vecii vecilor. Amin.
Preasfanta Treime, miluieste-ne pe noi. Doamne, curateste pacatele noastre. Stapane, iarta faradelegile noastre. Sfinte, cerceteaza si vindeca neputintele noastre, pentru numele Tau.
Doamne miluieste, Doamne miluieste, Doamne miluieste.
Slava Tatalui si Fiului si Sfantului Duh si acum si pururea si in vecii vecilor. Amin.
Tatal nostru, Care esti in ceruri, sfinteasca-Se numele Tau, vie imparatia Ta, fie voia Ta, precum in cer si pe pamant. Painea noastra cea spre fiinta, da ne-o noua astazi, si ne iarta noua gresalele noastre, precum si noi iertam gresitilor nostri. Si nu ne duce pe noi in ispita, ci ne izbaveste de cel rau.
Pentru rugaciunile Preasfintei Nascatoare de Dumnezeu, ale Sfintilor Parintilor nostri si ale tuturor Sfintilor, Doamne Iisuse Hristoase, Fiul lui Dumnezeu, miluieste-ne pe noi. Amin.

RUGACIUNE CATRE PREASFANTA NASCATOARE DE DUMNEZEU
O!, Preacurata Maica a Domnului, a puterilor celor de sus, Imparateasa cerului si a pamantului, atotputernica, aparatoarea si taria noastra, primeste aceasta cantare de lauda si de multumire de la noi nevrednicii robii tai.

Inalta rugaciunile noastre la Tronul lui Dumnezeu si Fiul tau ca sa fie milostiv nedreptatilor noastre. Sa adauge harul sau tuturor celor ce cinstesc preacinstitul tau nume si cu credinta si cu dragoste se inchina facatoarei de minuni icoanei tale. Ca nu suntem vrednici sa fim miluiti de Dansul, daca tu Stapana nu-L vei milostivi asupra noastra. Tie toate sunt cu putinta de la Dansul si pentru aceasta nazuim la tine, ca esti acoperitoarea noastra si grabnica ajutatoare. Auzi-ne pe noi cei ce ne rugam tie, ocroteste-ne cu puternicul tau Acoperamant si cere de la Dumnezeu Fiul Tau, sa dea pastorilor nostri sfintenie ca sa privegheze si sa ocarmuiasca sufletele noastre; ocarmuitorilor de orase intelepciune si putere, judecatorilor dreptate si necautare la fata, invatatorilor minte si smerita intelepciune, sotilor dragoste si conglasuire, fiilor ascultare, asupritilor rabdare, asupritorilorv frica de Dumnezeu, celor scarbiti rabdare si bucurie duhovniceasca, benchetuitorilor infranare, si noua tuturor, duhul intelepciunii si al cucerniciei, duhul milostivirii si al blandetii, duhul curatiei si al dreptatii.

Asa, Doamna preasfanta, milostiveste-te asupra noastra si asupra neputinciosului tau popor. Pe cei rataciti povatuieste-i pe calea cea buna, pe cei batrani ii sprijineste, pe prunci ii pazeste si pe noi pe toti ne apara si ne ocroteste cu milostivirea ta. Pe toti scoate-ne din adancul pacatului si ne lumineaza ochii inimii noastre spre cautarea mantuirii. Milostiva fii noua aici in aceasta viata, iar la infricosata judecata sa te rogi pentru noi catre Fiul tau si Dumnezeul nostru. Ca tu, Doamna, esti slava celor ceresti si nadejdea pamantenilor. Tu esti dupa Dumnezeu nadejdea si aparatoarea noastra a tuturor celor ce ne rugam tie cu credinta. Deci ne rugam tie, atotputernica ajutatoarea noastra si tie ne incredintam pe noi insine si unul pe altul si toata viata noastra acum si pururea si in vecii vecilor, amin.

Imparateasa mea cea preabuna si nadejdea mea, Nascatoare de Dumnezeu, primitoarea saracilor si ajutatoarea strainilor, bucuria scarbitilor si acoperitoarea necajitilor, vezi-mi nevoia, vezi-mi scarba, ajuta-mi ca unui neputincios, hraneste-ma ca pe un strain, necazul meu il stii, deci il dezleaga precum voiesti, ca n-am alt ajutor afara de tine, nici alta folositoare grabnica nici alta mangaiere buna, ci numai pe tine Maica lui Dumnezeu, ca sa ma pazesti si sa ma acoperi in vecii vecilor, amin.

Preacurata Doamna, Stapana de Dumnezeu Nascatoare Fecioara, care poti face tot binele, primeste aceste cinstite daruri care se cuvin numai tie, de la noi nevrednicii robii tai, ceea ce esti aleasa din toate neamurile si te-ai aratat mai inalta decat toate fapturile ceresti si pamantesti, caci pentru tine a fost cu noi Domnul puterilor si prin tine am cunoscut pe Dumnezeu si ne-am invrednicit Sfantului Trup si Preacuratului sau Sange. pentru aceasta, fericita esti intre neamurile neamurilor, ceea ce esti de Dumnezeu fericita, mai luminata decat Heruvimii si mai cinstita decat Serafimii. Si acum, Preasfanta Stapana de Dumnezeu Nascatoare Fecioara intru tot laudata, nu inceta a te ruga pentru nevrednicii robii tai, ca sa ne izbavim de sfatul celui inselator si de toata primejdia si sa fim paziti nevatamati de toata lovirea cea veninata a diavolului. Pazeste-ne pana in sfarsit cu rugaciunile tale neosanditi, ca prin paza si cu ajutorul tau fiind mantuiti, slava, lauda, multumita si inchinaciune pentru toate sa inaltam Unuia in Treime Dumnezeu, Ziditorul tutror, acum si pururea si in vecii vecilor, amin.

11:34 Gepost in Algemeen | Permalink | Commentaren (0)

14-04-13

Ignace Peckstadt : een vanster op de orthodoxe Kerk (boek)

EEN VENSTER OP DE ORTHODOXE KERK (boek)

 

BRUSSEL (KerkNet/KERK & leven) – Na een lange persoonlijke zoektocht ging de Gentse advocaat Ignace Peckstadt veertig jaar geleden over naar de orthodoxe Kerk. In 1975 werd hij tot priester gewijd en aangesteld tot rector van de orthodoxe parochie in Gent. Samen met zijn familie – een zoon is hulpbisschop, een andere zoon en schoonzoon zijn priester – is hij een van de steunpilaren van de orthodoxie in ons land.

In 2005 publiceerde Peckstadt een inleiding in het orthodoxe geloof en kerkelijke leven voor een groot publiek. Een van de opmerkelijkste passages was wellicht die waarin hij de geschiedenis van de evangelisatie en de vroege Kerk in onze streken tot vóór 1054, het jaar van de scheiding tussen de Kerken van Constantinopel en Rome, als onderdeel van de orthodoxie beschouwde. ‘Onze’ oude heiligen zijn dus ook hun’ heiligen.

In deze herziene uitgave een hoofdstuk van de hand van bisschop Athenagoras Peckstadt met het verhaal van de orthodoxe gemeenschappen in de Lage Landen. Al woonden hier al eeuwen Grieken en Russen, pas in de eerste helft van de negentiende eeuw kwam er een eerste orthodoxe gebedsruimte. Dat was ten behoeve van Anna Pavlovna, de Russische echtgenote van de Nederlandse vorst Willem II, die toen resideerde in het paleis in Brussel.

De eerste parochie kwam er in 1900 in Antwerpen voor Griekse handelaars en zeelui. Na 1945 migreerden nieuwe groepen gelovigen uit Oost-Europa en groeide de behoefte aan een Nederlandstalige orthodoxe liturgie. In 1985 werd de orthodoxie een door de Belgische staat erkende eredienst en werd het oecumenische patriarchaat van Constantinopel als representatief orgaan aangesteld. Momenteel telt België ruim vijftig orthodoxe parochies, waarvan tien autochtone. (eds)

Ignace Peckstadt, Een open venster op de orthodoxe Kerk, Averbode, Averbode, 2013, 312 blz., 23,50 euro.

17:20 Gepost in Algemeen | Permalink | Commentaren (0)