24-01-07

OVER HET KENNEN VAN GOD

cap47

 

  OVER HET KENNEN VAN GOD

 

‘Want Gij zijt de onzegbare, onzichtbare, ondoorgrondelijke God, de onveranderlijke Zijnde :Gij en uw eengeboren Zoon, en Uw Heilige Geest’ (uit de eucharistische canon’)Over God spreken is niet gemakkelijk. Alles wat we met het verstand kunnen begrijpen en alles wat we met onze wil kunnen bereiken of wat we met onze verbeeldingskracht kunnen voorstellen staat oneindig ver af van wat God eigenlijk is. God is het ‘niets’, de onkenbare, de duisternis. In de Bijbel vinden we voldoende uitspraken die dit verduidelijken. Zo staat er bij Isaïas : Wat hebt ge aan God gelijk kunnen maken ? Of welk beeld hebt ge dat op Hem gelijkt ? Kan de ijzergieter misschien een beeld van Hem maken ? Of kan de goudsmit Hem uitbeelden in goud of de zilversmit op bladen van zilver ?. Toen Mozes God vroeg (Ex.33,20) hem Zijn wezen te tonen zei God dan ook tot hem : ‘Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal mij zien en leven’. Toen de kinderen van Israël dachten God te kunnen zien, of dat zij God of de engel gezien hadden, vreesden zij daarom te sterven zoals we kunnen lezen in datzelfde boek Exodus (20,19). Met andere woorden : God is zo oneindig, ongrijpbaar, dat we dit niet zouden kunnen overleven moesten wij Hem zien. En in Psalm 39,6 lezen wij : ‘Er is niets aan Hem gelijk’. In Psalm 17,10 dan weer lezen wij : ‘ Donkerheid was onder Zijn voeten. Hij reed op een cherub en vloog en zweefde op de vleugels van de wind. Hij stelde het duister tot Zijn omhulsel, tot zijn beschutting rondom zich : duistere wateren, wolkengevaarten’.

 

Exodus 19,1-25 vertelt ons het verhaal van Mozes die de berg Sinaï beklom. ‘Zie ik kom tot u in een donkere wolk’ sprak  Jahweh tot Mozes, ‘opdat het volk kan horen wanneer ik spreek’. Vervolgens kreeg Mozes de opdracht aan het volk mee te delen dat zij hun klederen moesten wassen. Maar het volk zelf mocht de berg niet bestijgen, zelfs niet aanraken. ‘En het gehele volk was getuige van de donderslagen, de bliksemflitsen, het geruis van de bazuin en de rokende berg’(v. 18). Over dit gebeuren zegt Dyonisius de Aeropagiet het volgende : ‘ Het is niet voor niets dat de gezegende Mozes bevolen wordt zich eerst aan een purificatie te onderwerpen en vervolgens zich te scheiden van hen die dit niet hebben ondergaan. Wanneer de purificatie compleet is, hoort hij de veelstemmige trompetten. Hij ziet de vele lichten, puur en met overvloed stromende bundels. Dan, afgezonderd van de menigten en vergezeld van uitgekozen priesters, stoot hij door tot de top van de goddelijke beklimmingen. En vooralsnog ontmoet hij God zelf niet, maar hij contempleert, niet Hem die onzichtbaar is, maar eerder waar Hij verblijft. Dit betekent, veronderstel ik, dat de heiligste en hoogste dingen die door het oog van het lichaam of het verstand waargenomen worden, slechts de logische basis zijn die al datgene veronderstelt dat onder de Transcendente Ene ligt. Doorheen hen echter wordt zijn onvoorstelbare aanwezigheid getoond, de hoogten bewandelend van die heilige plaatsen waarnaar de Geest tenminste wel opklimmen kan. Maar dan maakt hij (Mozes) zich van hen los, wag van wat ziet en gezien wordt, en duikt hij in de ware mysterieuze duisternis van het niet-kennen. Hier, verzakend aan alles wat het verstand kan bevatten, geheel gehuld in het ontastbare en onzichtbare, behoort hij volledig toe aan Hem die zich voorbij alles bevindt. Hier, zichzelf zijnde noch iemand anders, voelt men zich in de hoogste graad verenigd door een compleet niet-kennenden inactiviteit van alle kennis en kent men voorbij het verstand door niets te kennen’ (…) (De Mystieke theologie hst.3 ,§5)

 

God is dus de onkenbare, Hij is de essentie. Alleen door zich te reinigen, dwz. Door zijn geest te ontledigen, door zich te ontdoen van alles wat wij met het verstand kunnen vatten, door zuiver van geest te worden kunnen wij tot vereniging met Hem geraken. Maar dit is een lange en moeilijke opdracht die wij alleen terugvinden bij de grote mystiekers. Daarom moet het gewone volk aan de voet van de berg blijven en mag het zelfs de voet van de berg niet aanraken. De mens is veel te klein en te zondig om dit diepe geheim te vatten. Alhoewel onkenbaar, toch deelt God zich aan ons mee door Zijn energieën : de Vader, de H geest en door Zijn Zoon Jezus Christus. Maar ook door de natuur, de liefde enz.. Het streefdoel van elke Christen is zijn deïficatie, wij moeten god worden (met een kleine g). Van belang hierbij is, dat wij de genade van ons doopsel en de heilige Myronzalving (vormsel) in ons leven kans geven zich te ontwikkelen, dit door ons geloof. Dit veronderstel ‘Metanoia’, een totale ommekeer van levenswijze, het is : proberen te leven naar de geest, leren leven vanuit ons diepste ‘zijn’ en niet vanuit het ‘hebben’. Wij leven in de cultuur van het ‘hebben’. Hoe meer ik ‘heb’, hoe minder ik ‘ben’ zegt de franse filosoof Gabriël Marcel. De waarachtige intermenselijke verhouding veranderstelt een voortdurende openheid voor de ander, een steeds beschikbaar-zijn, een ononderbroken toebehoren aan, een ononderbroken ‘trouw’ zijn. Marcel noemt dit ‘présence’. Alleen als ik uit vrije wil mij ertoe verplicht voel om anderen ten dienste te staan, en het ook durf te bekennen is de liefde voor de medemens ‘echt’. Als ik iemand werkelijk ‘bemin’, dan kan zelfs de dood ons niet scheiden. God is liefde, zegt de Deense filosoof Kierkegaard, Paulus achterna, en deze liefde die God is, achtervolgt de mens tot in de diepte van de zonde. De zonde van de mens is de geschiedenis van Gods liefde. ik hem benader ‘dans l’acte d’amour non-possesif que je lui dédie’ (Gabriël Marcel). Deze manier van ‘zijn’ staat dan ook radicaal tegenover de cultuur van het ‘hebben’. Als mens moeten we wel erkennen dat deze manier van zijn  een mysterie is, het houdt eeuwigheid in. Alleen door inkeer in zichzelf kunnen wij aan dit mysterie deelachtig worden, want inkeer in zichzelf betekent evenzeer een uittreden uit zichzelf, en hier komt terug de betekenis van ‘metanoia’ naar voor, de innerlijke omvorming via ons gebed en de eucharistische liturgie andere mensen worden. Mensen van communio worden .Onze huidige maatschappij heeft in de jaren '60 en '70 van vorige eeuw grondige veranderingen teweeggebracht. In de jaren '60 is de consumptiemaatschappij pijlsnel de hoogte ingegaan. Jongeren van toen werden veel kritischer.  Het was ook de tijd van de franse existentiefilosoof Sartre. Sartre was ‘in’, hij was, na de scholastieke filosofie, één van de eerste existentiefilosofen. Zij zouden het bestaan van de mens in zijn concrete situatie analyseren . Sartre ging uit van de vrijheid van de mens. Deze vrijheid zag hij absoluut : ‘de mens mag in zijn vrijheid niet gehinderd worden. Door niets. Liefde bestaat niet, zegt hij, de ene mens zal voortdurend de ander objectiveren, tot objecten herleiden. Hij moet in alles zoveel mogelijk zijn goesting doen. God KAN niet bestaan, zegt hij, want als God bestaat is de mens niet vrij. God MAG niet bestaan zegt hij verder, Hij bestaat niet, punt uit. Een God die de mens wetten en normen oplegt (bv de tien geboden) maakt de mens onvrij. Deze manier van denken heeft de maatschappij grondig veranderd. Het komt er op neer dat iedereen op elk ogenblik zijn volle goesting mag en zelfs moet doen, omdat hij nu eenmaal een vrij wezen is. Nu, de God die Sartre afwijst moeten ook wij afwijzen. Hij bestaat gewoon niet. Het is een godsbeeld dat in het westen gelijdelijkaan gegroeid is : de strenge, straffende God. Terwijl de God uit de Bijbel de ‘onkenbare’ is, die doorheen Zijn energieën zich aan ons kenbaar maakt, vooral in Zijn Zoon Jezus Christus. Bij Hem ontmoeten wij echter een God van Liefde, een bevrijdende Liefde, een Liefde tot de dood toe. Hij heeft ons geleerd hoe wij tot onze deificatie kunnen komen, doorheen onze liefde en communio met de ander. Wij hebben de plicht de ‘présence’ aan onszelf steeds opnieuw te vernieuwen, anderzijds moet zij mij ook steeds opnieuw worden verleend. Mijn ziel en mijn zijn immers worden mij als een gave geschonken.  ‘Wat kan mij waarborgen dat diegene die ik bemin, niet zal vernietigd worden ,’. Het antwoord is dat dergelijk geloof en een dergelijke liefde slechts denkbaar zijn voor een mens die bekwaam is tot Gods-geloof. De ultieme grond van de hoop is het geloof in God, die precies omdat Hij Liefde is, niet in staat is onze liefde als onbetekenend, als accidenteel te beschouwen, of sterker nog, deze liefde te vernietigen. De fundamentele ervaring van het geloof echter is de ervaring van het leven als gave, als de uitdrukking van een edelmoedigheid die in mij bestaan krijgt…. Het getuigenis van Christus is niet verdwenen met Hem. Het heeft zich geïncarneerd in een Kerk, precies omdat het getuigenis historisch was. Immers, elk getuigenis gaat uit van een aanwezigheid bij, in dit geval, een God die zich geopenbaard heeft als een God-met-ons. Het is in deze lijn dat we de formule : ‘J’espère en TOI pour nous’ als de meest adequate uitdrukking van de hoop moeten begrijpen. Het absolute GIJ is de waarborg van onze gemeenschap’ (Gabriël Marcel – frans filosoof)

De vraag naar het bestaan van God sluit dus een schijnbare egenstrijdigheid in zich. Enerzijds is God onkenbaar, duisternis. Anderzijds maakt Hij zich kenbaar door Zijn energieën. Door ons geloof in Christus hebben wij een God eren kennen die ‘Liefde’ is, communio. Door Hem na te volgen kunnen ook wij naderen tot het diepe mysterie van God. God zelf echter blijft de verborgene, de onkenbare.

De apofasie is de enige mogelijkheid om over God te praten.

Om samen die communio te beleven is er metanoia nodig. Een radicale ommekeer van onze levenshouding, al maar meer groeiend naar Hem die de ‘Weg’ de ‘Waarheid’ en het ‘Leven’ is. Dit vraagt ascese. Het zich ontdoen van onze egoïstische en materialistische ingesteldheid is een voortdurend proces. ‘Niemand kan twee heren dienen : God en de mammon’. Maar het is belangrijk om te kunnen komen tot de communio met Hem, die onze Vader is.

       

Kris Biesbroeck

 

10:13 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.