16-06-07

 Didachè in het NEDERLANDS


 


 

Didachè Apostolorum

Vertaald uit het Engels.

Versie 1.0.1

©2012 copyright

Dit werk mag gekopieerd worden voor studiedoeleinden.

Voor commerciële doeleinden is kopiëren echter verboden.

De Didachè Apostolorum (Leer van de Apostelen) werd in 1873 ontdekt. Het bewaard gebleven geschrift dateert van 1056 en werd geschreven aan het einde van de 1e eeuw, tussen 90 en 100 na Christus. Dit betreft het oudst bewaard gebleven kerkelijk document en is mogelijk geschreven voor de heiden-Christenen. Het is een korte Catechese.

De tekst tussen haken is bijgevoegd om de leesbaarheid van de zinnen te bevorderen. Wat tussen haken staat, staat dus niet in de originele tekst of de Grondtekst.

Deze versie geldt als eerste vertaling.

Datum: 25 september 2012.

---------

Hoofdstuk 1. De Twee Wegen en het Eerste Gebod. Er zijn twee wegen, een van leven en een van de dood, maar het verschil tussen de twee wegen is groot. Dit is de weg naar het leven: Ten eerste, zult gij God, die u heeft gemaakt, liefhebben, ten tweede, heb uw naaste lief zoals u zelf, en doe niet aan een ander, wat u niet zelf zou willen worden aangedaan. En dit is de leer van deze woorden: Zegent hen die u vervloeken, en bidt voor uw vijanden, en vast voor wie u vervolgen¹. Want welke verdiensten hebt gij als gij liefheeft die u liefhebben? Doen de heidenen niet hetzelfde? Maar hebt lief, die u haten, en gij zult geen vijanden hebben. Onthoudt u van de vleselijke en wereldse begeerten. Als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe, en gij zult volmaakt zijn. Als iemand u dwingt een mijl te gaan, ga dan twee mijlen met hem mee. Als iemand uw mantel ontneemt, geef hem ook uw onderkleed. Als iemand steelt wat van u is, vraag het dan niet terug, want inderdaad, daartoe bent u niet in staat. Geef aan ieder die u iets vraagt, en vraag het niet terug, want het is de wil van de Vader dat onze eigen zegeningen aan allen worden meegedeeld. Gelukkig is hij die geeft volgens het gebod, want hij is onschuldig. Wee hem die neemt, want als hij neemt omdat hij het nodig heeft, hij is onschuldig, maar wie neemt en het niet nodig heeft zal rekenschap moeten afleggen, waarom en voor welk doel hij genomen heeft. En tijdens zijn opsluiting zal hij, worden onderzocht met betrekking tot hetgeen hij gedaan heeft, en hij zal niet vrijgelaten worden totdat hij de laatste penning betaald heeft. En ook met betreffende dit, het is gezegd: Laat uw aalmoezen zweten in uw handen, totdat u weet aan wie u moet geven.

Hoofdstuk 2. Het tweede gebod:. Zware zonde Verboden En het tweede gebod van het onderwijs:, Gij zult niet moorden, gij zult geen overspel plegen, gij zult geen pederastie plegen, gij zult geen ontucht plegen, gij zult niet stelen, gij zult geen magie beoefenen , gij zult geen hekserij beoefenen, gij zult geen kind vermoorden door abortus, noch (een kind) doden wat al geboren is. Gij zult niet de dingen van uw buurman begeren, gij zult niet zweren, gij zult geen valse getuigenis afgeven, gij zult geen kwaad spreken, gij zult ​​geen wrok hebben. Gij zult niet dubbelhartig, noch dubbel van tong zijn, want een dubbele tong is een strik des doods. Uw toespraak is niet vals, noch leeg, maar getuigt van uw levenswandel. Gij zult niet gierig, noch roofzuchtige, noch een hypocriet, noch tot het kwaad geneigd, noch hooghartig zijn. Gij spreekt geen kwaad tegen uw naaste. Gij zult niet iemand haten, maar sommigen zult gij berispen, en met betrekking tot sommigen zult gij bidden, en sommigen zult gij meer liefhebben dan uw eigen leven liefhebben.

Hoofdstuk 3. Andere Verboden Zonden. Mijn kind, vlucht al het kwaad, en van elke schijn van kwaad. Wees niet gevoelig voor toorn, want toorn leidt tot moord. Wees niet jaloers, noch twistziek, noch driftig, want uit al deze dingen komen moord voort. Mijn kind, wees niet wellustig, want wellust leidt tot ontucht. Spreek geen vuile taal, heb geen glurende ogen, want uit al deze dingen wordt overspel voortgebracht. Mijn kind, wees geen waarzegger, omdat het leidt tot afgoderij. Wees geen tovenaar, noch een astroloog, houdt u zich niet bezig met reinigingsriten, weiger al deze dingen te doen, want uit al deze dingen wordt afgoderij veroorzaakt. Mijn kind, wees geen leugenaar, want een leugen leidt tot diefstal. Heb het geld niet lief, noch wees ijdel, want uit al deze dingen komen diefstal voort. Mijn kind, wees geen mopperaar, omdat het naar Godslastering leidt. Weest niet eigenzinnig, noch kwaad van hart, want uit al deze dingen komen Godslasteringen voort.

Integendeel, weest zachtmoedig, want de zachtmoedigen zullen de aarde beërven2. Weest lankmoedigheid, medelijdend en argeloos en zachtmoedig en goed en blijf altijd beven voor de Woorden die gij gehoord hebt. Gij zult uzelf niet verheffen, noch uw ziel hoogmoedig laten worden. Hecht uw ziel niet aan trotsen, maar ga om met rechtvaardigen en nederigen. Aanvaard alles wat er ook gebeurt met de kennis dat buiten God om niets gebeurt.

Hoofdstuk 4. Diverse Voorschriften. Mijn kind, denk dag en nacht aan hem die het woord van God tot u spreekt, en eer hem zoals u met de Heer zou doen. Waar dan ook de Vorstelijke Regel wordt verkondigd, daar is de Heer. En gij zult dag na dag de heiligen zoeken opdat gij rust moogt vinden bij hun woorden. Gij zult geen verdeeldheid zoeken, maar breng bijeen hen die strijden voor de vrede. Oordeel rechtvaardig en bestraf overtredingen zonder aanziens des persoons. Gij zult iets niet onbeslist oordelen wanneer iets niet of wel zal zijn. Gij zult uw hand niet uitstrekken om te ontvangen, noch sluiten om te geven. Indien gij iets bezit door het werk van uw handen dan zult gij het weggeven als losprijs voor uw zonden. Aarzel niet om te geven, noch zult gij klagen wanneer gij geeft, omdat gij weet wie de Goede Beloner is. Gij zult u niet afwenden van de arme, maar eerder alle dingen delen met uw broeder, en niet zeggen dat het uw eigen bezittingen zijn. Want als gij gemeenschap hebt aan iets wat onsterfelijk is, hoeveel te meer in dingen die sterfelijk zijn? Ga niet uw handen aftrekken van uw zoon of dochter, maar leer ze eerder in hun jeugd de vrees voor God. Ga niets doen wat uw slaaf of slavin doet verbitteren, die op dezelfde God hopen, anders zouden zij de vrees voor God verliezen, die boven beiden (heer en meester) staat, want hij komt niet diegenen roepen naar uiterlijke schijn, maar hen wier Geest Hij heeft voorbereid. En gij slaven, gij moet onderdanig aan uw meesters zijn in eerbied en ontzag3, omdat uw meester het beeld is van God. Gij zult alle hypocrisie haten en alles wat niet welgevallig is aan de Heer. Verlaat onder geen voorwaarden de Geboden van de Heer, maar bewaar wat u hebt ontvangen, zonder iets toe te voegen en zonder iets daaraan weg te laten. In de kerk zult gij uw zonden belijden, en gij zult niet in de buurt komen in uw gebedsplaats met een slecht geweten. Dit is de manier van leven.

Hoofdstuk 5. De weg naar de dood En de weg van de dood is dit: In de eerste plaats dit is het kwaad met vervloekingen: moorden, overspel, lust, hoererij, diefstal, afgoderij, tovenarij, hekserij, verkrachting, valse getuigenissen, hypocrisie, dubbelhartigheid, bedrog, hoogmoed, verdorvenheid, eigenzinnigheid, hebzucht, vuile praat, jaloezie, overmoed, zelfverheffing, opschepperij, vervolgers van het goede, haters van de waarheid, minnaars van de leugen, zij kennen het loon van de gerechtigheid niet, zien het belang niet voor het goede, noch het rechtvaardig oordeel, kijken niet naar dat wat goed is, maar naar het boze, van wie zachtmoedigheid en geduld ver weg zijn, minnaars van ijdelheden, die wraak nastreven, geen medelijden hebben met een arme, niet werken voor de gekwelden, niet wetend van Hem die hun Schiep, kindermoordenaars, vernietigers van het werk van God, zich afkeren van de arme, hen kwelt die bedroefd zijn, voorsprekers van de rijken, wetteloze rechters van de armen, volslagen zondaars. Kinderen, verlost u van dezen.

Hoofdstuk 6. Tegen valse leraren, en voedsel geofferd aan afgoden. Ziet toe, en zorgt ervoor dat niemand van deze weg van de Leer afdwaalt , want (afdwaling) leert u van God te scheiden. Want als u in staat bent om het gehele juk van de Heer te dragen, zult u volmaakt zijn, maar als u niet in staat bent om dit te dragen, draag waar u toe in staat bent. En met betrekking tot voedsel, draag bij waar u toe in staat bent, maar wat aan afgoden geofferd is, daarvoor moet u uiterst voorzichtig zijn, want het is de dienstverlening aan dode goden.

Hoofdstuk 7. Over de Doop En betreffende de doop, doop op deze wijze: Na al deze dingen eerst gezegd te hebben, doop in de naam van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest, in stromend water. Maar als gij geen stromend water hebt, doop dan in ander water, en als ge niet dopen kunt in koud water, doe het dan in warm water. Maar als u geen van beide hebt, giet water drie keer op het hoofd in de naam van Vader, Zoon en Heilige Geest. Maar voor de doop, laat degene die doopt, de gedoopten en anderen (die daartoe in staat zijn) gaan vasten, maar draag de dopeling op een of twee dagen voor de doop te vasten.

Hoofdstuk 8. Vasten en gebed (het Onze Vader). Maar laat niet uw vasten samenvallen met de huichelaars, want zij vasten op de tweede en de vijfde dag van de week. In plaats daarvan vast op de vierde dag en de (dag van de) Voorbereiding (vrijdag). Bid niet zoals de huichelaars, maar zoals de Heer bevolen heeft in Zijn Evangelie, zoals deze:

Onze Vader die in de hemel zijt, Uw naam worde geheiligd. Uw Rijk kome. Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schuld zoals ook wij vergeven onze schuldenaren. En breng ons niet in bekoring, maar verlos ons van de kwade, want van U is de macht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid 4 ..

Bid dit drie keer per dag.

Hoofdstuk 9. De Eucharistie. Aangaande nu de Eucharistie, dank op deze manier. Ten eerste, met betrekking tot de beker:

Wij danken U, onze Vader, voor de heilige wijnstok van David, Uw knecht, die U aan ons bekend heeft gemaakt door Jezus uw knecht. U zij de heerlijkheid tot in eeuwen der eeuwen.

En met betrekking tot het gebroken Brood:

Wij danken U, onze Vader, voor het leven en de kennis die U aan ons bekend gemaakt hebt door Jezus uw knecht, tot U zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Zoals dit gebroken Brood werd verspreid over de heuvels, en werd verzameld en EEN werd, laat dus uw Kerk verzameld worden tot aan de einden der aarde in Uw Koninkrijk, want van U is de heerlijkheid en de macht door Jezus Christus tot in eeuwen der eeuwen.

Maar laat niemand eten of drinken van uw Eucharistie, tenzij ze zijn gedoopt in de naam van de Heer, want met betrekking tot dit heeft de Heer ook gezegd: "Geef niet wat Heilig is aan de honden."

Hoofdstuk 10. Gebed na de Communie Maar nadat u verzadigd bent, geef op deze manier dank:

Wij danken U, heilige Vader, voor uw heilige naam, dat Gij het mogelijk gemaakt hebt om te wonen in onze harten, en voor de kennis en het geloof en de onsterfelijkheid, die Gij aan ons bekend gemaakt hebt door Jezus uw knecht, aan U zij de glorie tot in eeuwigheid. Gij, Almachtige Meester, die alles geschapen heeft omwille van Uw Naam; U gaf eten en drinken aan de mensheid voor de vreugde, opdat zij U danken, maar voor ons hebt Gij geestelijk Eten en Drinken gegeven en het eeuwige leven door Uw Dienaar. Voor alles danken wij U, dat U machtig bent, aan U zij de glorie tot in eeuwigheid. Vergeet Heer, Uw kerk niet, om het te bevrijden van alle kwaad en maak het volmaakt in Uw liefde, en verzamel het uit de vier windstreken, geheiligd voor Uw Koninkrijk dat Gij voor haar bereid hebt, want van U is de macht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Laat de genade komen, en laat deze wereld voorbijgaan. Hosanna aan de Zoon Gods van David! Als iemand heilig is, hij kome, als iemand is niet zo, laat hem zich bekeren. Marán-athá(*). Amen.

Maar sta toe dat de profeten Dankzegging doen zoveel als zij dit verlangen.

Hoofdstuk 11. Met betrekking tot Leraren, Apostelen en Profeten. Wie dan ook komt en u leert al deze dingen die zijn gezegd, ontvangt hem. Maar als de leraar zelf afgedwaald is en een andere leer verkondigt die deze Leer vernietigt, luister niet naar hem. Maar als hij leert om de gerechtigheid en de kennis van de Heer te vergroten, ontvangt hem dan als de Heer. Maar met betrekking tot de apostelen en profeten, handel volgens het voorschrift van het Evangelie. Laat elke apostel die tot u komt worden ontvangen als de Heer. Maar hij mag niet langer dan een dag aanwezig zijn, of twee dagen als het nodig is. Maar als hij drie dagen blijft, is hij een valse profeet. En als de apostel vertrekt, laat hem voldoende brood nemen tot de volgende verblijfplaats. Als hij ​​om geld vraagt, dan is hij een valse profeet. En elke profeet die spreekt in de Geest zult gij niet beproeven of oordelen, want elke zonde zal vergeven worden, maar deze zonde zal niet vergeven worden. Maar niet iedereen die spreekt in de Geest is een profeet, maar alleen als hij de weg van de Heer volgt. Daarom zal van hun levenswijzen de valse profeet en de profeet bekend zijn. En elke profeet die om een maaltijd vraagt in de Geest, zal het niet eten, tenzij hij inderdaad een valse profeet is. En elke profeet die de Waarheid leert, maar niet doet wat hij leert, hij is een valse profeet. En elke profeet, die bewezen heeft waarachtig te zijn, en werkt aan het mysterie van de Kerk in de wereld, maar niet onderwijst aan anderen om te doen wat hij zelf doet, mag niet onder u worden geoordeeld, want God zal over hem oordelen, want zo deden ook de oude profeten. Maar wie zegt in de Geest, Geef me geld, of iets anders, daar zult gij niet naar hem luisteren. Maar als hij vraagt om iets voor anderen die in nood zijn, laat niemand hem oordelen.

Hoofdstuk 12. Ontvangst van de christenen , maar ontvangt iedereen die komt in de naam van de Heer, en stel hem daarna op de proef, want gij zult rechts en links kunnen onderscheiden. Als hij een reiziger is , zult gij hem bijstaan ​​zo ver als gij in staat bent, maar hij zal niet meer dan twee of drie dagen bij u blijven, indien nodig. Maar als hij bij u wil blijven, en een ambacht heeft, laat hem dan werken en eten. Maar als hij volgens uw kennis - geen ambacht heeft, zorg ervoor dat geen Christen werkeloos5 blijft. Maar als hij wil niet werken, hij is handelaar in het Christendom. Ziet er op toe van dezen weg te blijven.

Hoofdstuk 13. Ondersteuning van de Profeten. Maar iedere ware profeet die wil leven onder u is zijn levensonderhoud waard. Dus ook elke ware leraar en arbeider is waardig levensonderhoud te ontvangen. De eerste vruchten, dus van de producten van wijnpers en dorsvloer, van runderen en van schapen, zult gij nemen en te geven aan de profeten, want zij zijn uw hogepriesters. Maar als gij geen profeet hebt, geef het (goed dan) aan de armen. Als gij een partij deeg maakt, neem de eerstelingen en geeft volgens het gebod. Dus ook als gij een kruik wijn of olie opent, neemt u de eerstelingen en geeft het aan de profeten, en van het geld en de kleding en van elk bezit, neemt u de eerstelingen, en geeft volgens het gebod.

Hoofdstuk 14. Christelijke bijeenkomst op de dag des Heren. Maar elke dag des Heren komt u bijeen en breekt het Brood, en zeg dank na uw zonden te hebben beleden, dat uw offer rein zal zijn. Maar laat niemand die in onmin staat samen te komen met u, totdat zij verzoend zijn, opdat uw offer niet zal worden ontheiligd. Want dit is het, waarvan gesproken is door de Heer: "In elke plaats en tijd biedt mij een zuivere offerande aan, want Ik ben een grote Koning, zegt de Heer, en mijn naam is geweldig onder de volken6."

Hoofdstuk 15. Bisschoppen en diakens. Benoem daarom, voor uw zelf, bisschoppen en diakens die de Heer waardig zijn, zachtmoedige mannen, en geen minnaars van geld, waarheidsgetrouw en betrouwbaar, want ook zij zijn in de dienst zoals van profeten en leraren. Daarom veracht hen niet, want zij zijn uw geëerde personen, samen met de profeten en leraren. En berisp elkaar, niet in toorn, maar in vrede, zoals staat in het Evangelie. Maar voor iedereen die ageert tegen een ander, laat niemand spreken, noch laat hij iets van u horen totdat hij berouw toont. Maar wat betreft uw gebeden en aalmoezen en al uw daden, handel zoals het staat in het Evangelie van onze Heer.

Hoofdstuk 16. Waakzaamheid, de wederkomst van de Heer. Waakt over uw leven. Laat uw lampen niet uitgeblust worden, noch uw lendenen losgemaakt, maar wees bereid, want gij weet niet het uur waarop onze Heer zal komen. Maar kom vaak samen, op zoek naar de dingen die bevorderlijk zijn voor uw zielen, want de hele tijd van uw geloof zal niet baten, als gij niet volmaakt zijt in het laatste ogenblik. Want in de laatste dagen zullen de valse profeten en de verdervers worden vermenigvuldigd, en de schapen zullen veranderen in wolven, en de liefde zal veranderd worden in haat, want wanneer wetteloosheid toeneemt, zullen zij elkaar haten en vervolgen en elkander overleveren, en dan zal de misleider van de wereld als Zoon van God verschijnen, en hij zal tekenen doen en wonderen, en de aarde zal in zijn handen worden overgeleverd, en hij zal boosaardige dingen doen die nog nooit zijn voorgekomen sinds het begin. Dan zal de schepping van de mens terecht komen in het vuur van beproeving, en velen zullen tot struikelen worden gebracht en zullen vergaan, maar wie volhardt in het geloof wordt gered van de vloek zelf. En dan zal het teken van de waarheid komen: ten eerste, het teken van een uitspanning in de hemel, dan het teken van het geluid van de bazuin. En ten derde, de opstanding van de doden - maar niet van alle, maar zoals er wordt gezegd: "De Heer zal komen en al Zijn heiligen met Hem7." Dan zal de wereld de Heer zien komen op de wolken van de hemel.

Noten:

(*)Marán-athá is een Aramees woord en betekent "Onze Heer kome". Zie ook 1 Korinthiërs 16 : 22

  1. Zie Matteus 5 vers 43 tot 48
  2. Zie Matteus 5 vers 4
  3. Zie 1 Petrus 2 vers 18
  4. Zie Matteus 6 vers 9
  5. Zie 1 Tessaloncia 3 vers 12
  6. Zie Malakias (Maleachi) 1 vers 11
  7. Zie Matteus 25 vers 31 en Judas 1 vers 14 (geciteerd uit het Boek Henoch)

10th December 2013 geplaatst door Liefde en Trouw aan de Kerk

 

 

16:03 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.