14-10-07

De mens, icoon van God

 DE MENS, ICOON VAN GOD 

VADER  JOB GETCHA

             De christelijke anthropologie is het centrale thema van een uiteenzetting die op 9 mei laatstleden   gegeven werd  in de   katholieke parochie ‘Saint-Leon’ te Parijs, door Vader Job Getcha., deken van het theologisch instituut van Parijs (saint Serge). Vader Job Getcha is deken van het instituut sedert december 2005. Hij onderwijst er de kerkgeschiedenis en de liturgische ordo. Hij is lid van het centraal comité  van de Oecumenische raad van Kerken (COE) en van het gemengd comité voor de katholiek-orthodoxe dialoog in Frankrijk alsook van de groep voor  internationale oecumenisch  theologische  dialoog Saint – Irenée.  

            Op zekere dag vroeg iemand aan Vader Sophrony (Sakharov), leerling van de Heilige Silouan de Athoniet : “Wat is God ?”. Deze t_I0019000000C9006AA_CUSTOM_good_shepherd
antwoordde : “Wat is de mens ?”. Wat is de mens ?. Om op deze vraag te antwoorden, ondervraagt de Kerk de Schrift. Het verhaal van Genesis zegt ons hieromtrent dat de mens de zesde dag geschapen werd, ná alle andere schepselen. Hij verschijnt aldus als het hoogtepunt van de ganse schepping.

Wij lezen :”God zegt : nu gaan Wij de mens maken, als beeld van ons, op ons gelijkend : hij zal heersen over de vissen  van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt. En God schiep de mens als Zijn beeld, als Zijn gelijkenis schiep Hij hem ;man en vrouw schiep Hij hem. (Gen.1,26-27).Als de hebreeuwse tekst zegt “als ons beeld, op ons gelijkend”, dan bevestigt de Septuagint “naar ons beeld en naar onze gelijkenis”. De term “beeld” dat vertaald is uit het griekse eikôn , en dat van zijn kant weer een vertaling is van het hebreeuwse selem, kan een kneedbare voorstelling zijn, een afbeelding, een figuur, een schaduw. De term “gelijkenis”, dat het grieks vertaalt met homoiotès, dat weer een vertaling is van het hebreeuwse demût, betekent “kopie”. Gaat het hier om twee synoniemen, of moeten wij er hier twee verschillende begrippen  in zien ? 

De mens, een schepping van God

             Het beeld en de gelijkenis betekenen niet dat de mens een analogie is van God, zonder dewelke hij geen schepsel zou zijn. Immers, het verhaal van Genesis herinnert er ons aan dat de mens als man en vrouw is geschapen : welnu, in God bestaat er geen 02910_virgin_of_the_sign_igor_builin_tnl
onderscheid van  geslachten.Wat is dan het beeld van God in de mens? Epiphanius van Salami blijft hierbij onzeker wanneer hij zegt dat “De Traditie bevestigt dat elk menselijk wezen volgens het beeld van God is, maar zij definieert niet exact waaruit dit beeld bestaat”.De Heilige Johannes van Damascus zegt dat, wat hem betreft,  “de uitdrukking :volgens het beeld de rationaliteit en de vrijheid uitdrukt, terwijl de uitdrukking volgens de gelijkenis, de gelijkmaking met God door de deugd wordt uitgedrukt”
             Waar is het beeld en de gelijkenis ?  Men heeft dikwijls (zowel in Oost als West) het beeld van God geïdentificeerd met de ziel. Welnu, deze spiritualiserende benadering is niet die van de Kerkvaders Omdat de mens een geheel vormt van lichaam en geest, hebben  het beeld en de gelijkenis betrekking op gans de mens : lichaam, ziel en geest. De christelijke traditie distancieert zich eens te meer van het Platonisme. Als Plato zegt : “de ziel is de mens”, houdt Vader Georges Florofsky eraan te herinneren dat een ziel zonder lichaam, geen mens is, maar een spookbeeld. In de griekse Oudheid, zag Plato de zichtbare wereld als een afspiegeling van de wereld der ideeën. De wereld was volgens hem geschapen naar een model dat van een andere wereld kwam. Daarom is bij Plato “eikon” het beeld van de waarneembare wereld zoals het is doorgedrongen  in de ziel.             In het christendom wordt de trinitaire God opgevat als een ‘zijn-in-relatie’, het is een communio van drie personen. Dat ‘zijn-in-communio’ verlangt dus een communio te bewerkstelligen met zijn schepping. Vanaf dan is de mens, die geschapen is naar het beeld van God ook een ‘zijn-in-relatie’, van gemeenschap : hij moet de schepping koppelen aan zijn Schepper. Metropoliet Johannes van Pergamo schrijft : “Het ‘zijn’ van God is een relationeel ‘zijn’ : zonder het concept van communio, zou het niet mogelijk zijn om over het ‘zijn’ van God te spreken”. Als God communio is van de drie goddelijke personen, dan schept God een ‘zijn’ naar zijn beeld die van zijn kant ook een relationeel ‘zijn’ is. 

Van het beeld naar de gelijkenis

             Het beeld is dus een roeping tot communio : een oriëntatie, een richting of een relatie die vooreerst verticaal is, met God, maar ook horizontaal, met de mensen. Deze dubbele relatie, enerzijds tussen God en de mens, en anderzijds tussen de mensen onderling, is beschreven door Dorotheüs van Gaza als een cirkel  waarvan God het centrum is en waar de mensen worden gesitueerd op de punten van de cirkel : hoe meer ze zich naar het centrum toe bewegen, hoe meer ze mekaar benaderen. Deze roeping tot communio is tegelijk de basis van de opvatting over de hel bij Mararius van Egypte. Deze laatste vertelt in een apophtegma  dat hij op een bepaalde dag toen hij wandelde in de woestijn, een schedel opraapte waarvan de ziel in de hel was. De afgestorvene zegt hem : “In de hel, kunnen we mekaar niet van aangezicht tot aangezicht zien, maar we zijn er rug aan rug. Wanneer ge voor ons bidt , dan kan  iedereen een beetje het gezicht zien van de ander”  Verstoken zijn van deze roeping tot communio betekent een aantasting van het goddelijk beeld dat diep in onszelf is ingeschreven.             Indien, volgens de Kerkvaders, het beeld een wezenlijk  en onveranderlijke eigenschap is,  de gelijkenis van haar kant , kan verdwijnen of zich ontwikkelen. Het beeld is bewaard gebleven zelfs na de zondeval; de gelijkenis is, wat haar betreft, de oorspronkelijke glorie en haar ultieme hoop. De Heilige Ireneüs van Lyon bevestigt dat de volmaakte mens het beeld en de gelijkenis met God bezit, terwijl de onvolmaakte mens slechts het beeld heeft, maar niet de gelijkenis. Trouw aan de tekst van de Septuagint, introduceert Ireneüs hier een onderscheid tussen “beeld” en “gelijkenis”, en laat verstaan dat er een groei is, waar het beeld het vertrekpunt is en de gelijkenis het punt van aankomst. “De volmaaktheid is in de vooruitgang”, zegt Gregorius van Nyssa in zijn ‘Vie de Moïse’ . Hij verwijst ons hier naar het concept van déificatie (<Theôsis>) zoals het door gans de griekse patristiek is ontwikkeld : iedere keer dat de mens tot God nadert, ontdekt hij zijn kleinheid, zijn slaafsheid en zijn verwijdering van God, maar door zijn geschapen zijn “naar het beeld en de gelijkenis” met God, is hij geroepen om deel te hebben aan de goddelijke natuur. 

De  vrijheid

             Vrijheid is een eigenschap dat God ons geeft. Daar God vrij is, schept hij een wezen naar Zijn beeld, dat op zijn beurt vrij is. De vrijheid die geankerd is in het beeld, ontwikkelt zich tot gelijkenis. Vanaf dat moment is de vrijheid een  noodzakelijkheid in het heil van de mens. Zoals God de mens niet zou kunnen behoeden voor de zonde zonder zijn vrijheid in twijfel te trekken, zo zou God ook de mens tegen zijn wil niet kunnen redden, maar alleen in synergie, met de medewerking van de mens. Het is zo dat wij in de ogen van Sint Paulus.medewerkers van God zijn (1Kor.3-9).             Men vraagt dikwijls aan christenen : “zijt gij gered ?”. In een orthodox perspectief is de mens gered, Door aan zijn heil te werken wordt hij gered. De Kerkvaders, in het spoor van  Origines en de Heilige Johannes Cassianus, geven ons het voorbeeld van de landbouwer. Indien deze laatste zijn land niet bewerkt, alhoewel het klimaat mild is, zal hij ook niet oogsten, want  het onkruid zal de planten en het zaad doen stikken. Omgekeerd, als hij wél dag en nacht  zijn land bewerkt, maar als de klimatologische condities niet favorabel zijn, dan zal de oogst ook maar heel weinig zijn. Een goede oogst  is dus afhankelijk van het werk van de landbouwer en een goed seizoen. Zo gaat het ook met het heil, zeggen de Vaders, het is het resultaat van de synergie van de mens en God : de wil van de mens in samenwerking met Gods genade.             In zijn brieven brengt  de Apostel  Paulus ons in contact met de twee Testamenten. Hij spreekt van twee Adam’s, de ene  aards, de andere hemels, en hij stelt hen tegenover mekaar : daar waar de ene mislukt is door de zonde, slaagt de tweede in zijn heilswerk. De Heilige apostel Paulus zegt ons : “De eerste mens, Adam, werd een levend wezen. (Gen.2,7); de laatste Adam werd een levendmakende Geest. Maar het geestelijke komt niet het eerst; het natuurlijke gaat vooraf, daarna komt het geestelijke. De eerste mens, uit de aarde genomen, is aards, de tweede is uit de hemel. Zoals die eerste mens van aarde zijn alle aardse mensen, zoals de hemelse mens zullen alle hemelsen zijn. En gelijk wij het beeld van de aarde hebben gedragen, zo zullen wij ook het beeld dragen van de hemelse mens” (1 Kor,15,45-49).             Ergens anders schrijft de Apostel Paulus : “Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en met de zonde de dood en zo is de dood over alle mensen gekomen, aangezien allen gezondigd hebben. Er was immers reeds zonde in de wereld, vóór de wet er was; maar zonde wordt niet aangerekend waar geen wet is. Toch heeft de dood als koning geheerst in de tijd van Adam tot Mozes, dus ook over hen die zich niet op de wijze van Adam schuldig hadden gemaakt aan de overtreding van een gebod.Adam nu is het beeld van de Mens die komen moest. Maar de genade van God laat zich niet afmeten naar de misstap van Adam. De fout van één mens bracht alleen de dood, maar allen schonk Gods genade rijke vergoeding door de grote gave van zijn genade, de ene mens Jezus Christus. Zijn gave is sterker dan die ene zonde. Het oordeel dat volgde op de ene misstap liep uit op een veroordeling, maar de gratie die na zoveel overtredingen verleend werd betekende volledige kwijtschelding. Door toedoen van één mens begon de dood te heersen, als gevolg van de val van die mens. Zoveel heerlijker zullen zij die de overvloed der genade en de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en heersen, dank zij de ene mens Jezus Christus.Dit betekent : één fout leidde tot veroordeling van allen, maar één goede daad leidde tot de vrijspraak en leven voor allen. En zoals door de ongehoorzaamheid van één mens allen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van Een  allen worden gerechtvaardigd” (Rom, 5,12-19). Door het hoofd te bieden aan de gnostiekers die in hun dualisme de goede God van het Nieuwe testament stelden boven de slechte god van het Oude Testament, gaat Ireneüs van lyon de eenheid van het Oude en het Nieuwe Testament verdedigen. Daarom gaat hij Christus voorstellen als diegene die de schepping komt voltooien. Voor Ireneüs is de schepping van de mens slechts een voorbereiding op Zijn komst.  Het is op die manier dat Christus aan het lichaam van de mensheid haar waarachtig hoofd geeft – Ireneüs in het spoor van  Sint Paulus zal spreken van  “zich opnieuw onderwerpen”, ’t is te zeggen : verzamelen, “het ganse universum verenigen”, “onder één hoofd, Christus” (Ef,1,10). 

De ware Adam

             Voor Ireneüs verschaft  Adam aan de mens zijn prototype. Christus is datgene wat de mens wordt. De eerste Adam is slechts een ruwe schets, de tweede is het waarachtige beeld. Het zijn dus de gnostische stellingen, die goed en kwaad tegenover mekaar stellen, die ertoe geleid hebben dat Ireneüs het beeld van de gelijkenis ging onderscheiden. Voor  Ireneüs is Christus de ware Adam. Voor hem is het niet Adam die Christus verklaart en conditioneert, maar Christus die  het eerste ontwerp van Genesis vervult. Als het beeld van de onzichtbare God, is Christus het prototype van de mens, geschapen naar het beeld van God.  Wat Ireneüs ons zegt, opent voor ons een ongelooflijk perspectief. In zijn ogen is de menswording van de Zoon van God niet bepaald door de val van de mens maar is het van eeuwigheid een deel van Gods plan. Christus openbaart ons niet enkel het beeld van God, maar ook de waarachtige gelijkenis met God.             Het doel van het menselijk leven is niet eenvoudigweg de bevrijding uit de zonde : het is de deelneming aan het goddelijk leven (2 Petr.1,4). Het heil heeft  slechts één negatief aspect – de vlucht voor de zonde, de verzaking aan de zonde, maar het houdt ook een positief aspect in : de vereniging met en de participatie aan het goddelijk leven. Vanaf dat moment is het duidelijk dat het heil van de mens een persoonlijke dimensie heeft, verbonden met de vrijheid van de mens. Het heeft ook een kerkelijke dimensie, omdat het zich realiseert binnen de Kerk – Lichaam van Christus. Maar het heeft ook een kosmische dimensie : de mens is gered met de wereld en niet buiten de wereld. Het beeld van God :

Een bijdrage aan de post-moderne gedachte

             De opvatting van de mens als beeld van God geeft ons een goed perspectief met betrekking tot de de post-moderne gedachte, die zo getekend is door de secularisatie. De secularisatie heeft een wereld voor ogen zonder God. Welnu, zoals we gezegd hebben : God ontkennen is de mens ontkennen.  Het is dus niet verwonderlijk ,dat de maatschappij,  door God te verwerpen, en  als gevolg hiervan het beeld van God in de mens te ontkennen, datgene wat het diepste en grootste is in de mens, verwerpt, en ze wegzinkt  in angst en schrik, isolement en eenzaamheid, individualisme en het afgesneden-zijn van de wereld. Wij begrijpen beter waarom de geseculariseerde maatschappijen veel kwetsbaarder zijn voor conflicten,haat, depressies,zelfmoord,dronkenschap,drugs en andere afhankelijkheden.             Wij begrijpen tezelfdertijd waarom deze maatschappijen te maken hebben met een crisis van het milieu, als gevolg van de technische revolutie, die de schepping geweld aandoet. De secularisatie, die een nihilistische manier van leven voorstaat, zonder enige relatie met God, promoot een egoïstische en hedonistische wijze van bestaan zonder enige verwijzing naar de oorsprong en de doelgerichtheid van de wereld, ze ziet de relatie met de wereld slechts vanuit het standpunt van het ongebreidelde consumeren, waardoor een hebzuchtige maatschappij ontstaat.             Het beeld van God in de mens herkennen – is het herkennen van de menselijke vrijheid alsmede van de waarachtige roeping van de mens om in communio te treden met God en Zijn schepping. Het is dus een antwoord voor de hedendaagse crisis van de leefwereld, voor de problemen van de vervuiling en de armoede, alsook voor de negatieve gevolgen van de mondialisering die de wereld wil reduceren tot een supermarkt in een materialistische en totalitaire context . Welnu, “Wat is God ?” – bevragen we ons dus over wat de mens is. Uit SOP 320Vrij vertaald : Kris B              

De commentaren zijn gesloten.