01-11-07

Commentaar op de geloofsbelijdenis deel 1

firebirdCrossA


 

 

COMMENTAAR

OP DE GELOOFSBELIJDENIS

 

Deel 1

 

 

Concilie 1e
                              Concilie van Nicea

De inleiding en de commentaar op het eerste artikel van de Geloofsbelijdenis van Nicea - Constantinopel zijn van de hand van Vladimir Lossky. Hij schreef het kort voor zijn dood in 1958. De commentaar op de andere artikelen zijn van de hand van Bisschop Pierre L'Huiller (Bisschop gewijd in 1968)

 

De tekst werd gepubliceerd in de revue CONTACTS, nr. 38-39 in 1962.

 

INLEIDING

 

            Het Credo of symbolum van het geloof is een plechtige belijdenis van de Christelijke dogma's, gelezen en gezongen tijdens de Liturgie, vóór het begin van het eucharistisch mysterie. Het eerste woord van deze heilige tekst - in het latijn : Credo, ‘ik geloof' - heeft betrekking op de artikels die volgen en geven aan deze uitdrukking van het gemeenschappelijk geloof van het godsvolk de waarde van een persoonlijk engagement van elk lid van de Kerk die samen belijden: ‘ik geloof', en verder ‘ik belijd', ‘ik wacht' (of ‘ik hoop').

 

            Maar, is het voldoende om dit met de lippen te belijden, zelfs als men het met alle ingetogenheid van het hart doet, indien de gedachte niet instemt met de diepere betekenis van deze woorden, woorden  die uitgedacht zijn door de Kerkvaders, om de geopenbaarde waarheid  tot bij ieder verlicht verstand door het geloof in Christus te brengen ?

 

Een groot orthodox theoloog van vorige eeuw, Metropoliet Philaret van Moscou, maakt een onderscheid tussen het geloof als geopenbaarde Waarheid, en het geloof als een bewuste instemming met de Openbaring. Een blind vertrouwen  ten overstaan van het gezag van het geloof is niet voldoende om ‘het geloof te bezitten' : ‘ Zolang uw geloof steunt op de Heilige Schrift en op het Symbolum, behoort ze God toe, aan Zijn profeten, aan Zijn Apostelen, aan de Kerkvaders; het is nog niet uw geloof. Maar wanneer je het in uw gedachten hebt, in uw geheugen, dan begin je het geloof te verwerven...

 

Men moet dus de 12 artikels van het geloof bestuderen, opdat deze woorden welke we in elke Liturgie opzeggen, onze gedachten zouden opwekken en we bewuste mensen zouden zijn  in Christus'Kerk.

 

Voordat wij het onderzoek van de Christelijke dogma's die in het Credo kort worden weergegeven bestuderen, moeten we enkele woorden zeggen over de geschiedenis van deze ‘regel van het geloof', welke een universele betekenis heeft gekregen in de Kerk.

 

Vóór het begin van de IVe eeuw waren de ‘symbolen' of korte formuleringen van het christelijk geloof vooral verbonden met het doopsel en met de catechetische voorbereiding. Zij waren dus tamelijk talrijk en varieerden volgens de lokale tradities van de Kerken. Deze belijdenisformules welke de nieuw gedoopten moesten uitspreken op de dag van hun doopsel, noemde men in de IIe eeuw ‘regel' of ‘canon' van het geloof.

 

Een nieuw type van canon verscheen in de IVe eeuw. Het was een antwoord op een noodzaak om het orthodoxe geloof duidelijk te formuleren ten overstaan van de ketterse leringen. Het zijn de conciliaire symbolen, die niet meer alleen een band hebben met het doopsel, maar die een veel bredere plaats gingen bekleden in het leven van de Kerk.

 

Het eerste Credo dat verkondigd werd door een algemeen concilie, was dat van Nicea (325). Het was een lokaal Credo (‘doopsel-credo'), waarschijnlijk van de Kerk van Jeruzalem, herschreven door een commissie van theologen, die het heeft uitgebreid om meer de goddelijkheid van Christus in het licht te stellen, dit tegenover de leer van het arianisme . Dit Credo had nog een universele autoriteit als een dogmatische belijdenis op de concilies van Constantinopel (381), Ephese (431) en van Chalcedonië.

 

Het Credo dat wij vandaag gebruiken, onder de naam van ‘symbolum van Nicea-Constantinopel' heeft slechts een algemene gelijkenis met het eerste Credo van Nicea. Ons Credo was oorspronkelijk, één van de uitdrukkingen van het ‘geloof van Nicea', met een sterk ontwikkelde leer over de goddelijkheid van Christus, voorgekomen uit de familie van doopbelijdenissen van Antiochië-Jerusalem, ná 370. Dit Credo, van het liturgische type, is waarschijnlijk bijgewerkt te Constantinopel door de Vaders van het IIe oecumenisch Concilie ten behoeve van de doopliturgie, zonder de intentie te hebben om ze in de plaats te stellen van het symbolum van Nicea. Men leest het met dit van het IVe Concilie (Chalcedonië) als een algemeen erkende  officiële dogmatische formule. Het werd als dusdanig in de liturgische praktijk van het Keizerrijk ingevoerd.

Op het einde van de Ve eeuw zal dit liturgisch Credo van Constantinopel beschouwd worden als het volledige en definitieve Credo van Nicea, en zal het vervangen. Het zal overal aangenomen worden als de  volmaakte ‘regel van het geloof' en het zal geleidelijkaan alle andere geloofsbelijdenissen van het Christelijk geloof vervangen : doop - of conciliaire belijdenissen. Het VIe oecumenisch Concilie (680) zal de autoriteit van dit Credo, genaamd ‘van Nicea-Constantinopel' definitief   bevestigen.

 

            De Christenheid van het Westen heeft naast het universeel Credo, een plaatselijk Credo bewaard : genaamd ‘het Credo van de Apostelen'. De oorsprong van dit latijns doop-Credo moet zeker zeer oud zijn, maar de definitieve formulering ervan  dateert pas van in de VIe eeuw.

 

ARTIKEL 1

Ik geloof in één God de almachtige Vader,

Schepper van hemel en aarde, van al wat zichtbaar en onzichtbaar is..

            De God van de Christelijke openbaring, de God van de Heilige Schrift en van het traditionele geloof van de Kerk, is géén onpersoonlijk Zijn, een Absoluut zijn zonder gezicht, Hij is niet onverschillig voor het lot van de mensen. Het monotheïsme van de christenen is niet dat van de filosofen. Maar het onderscheidt zich evenzeer van het restrictief monotheïsme van de religieuze tradities zoals het Jodendom en de Islam, die de levende en persoonlijke God van het Oude-Testament erkennen, zonder echter te erkennen dat deze God-Persoon zich kan onderscheiden van Zijn absolute Essensie, en  van Zijn eenzaamheid kan uitgaan, om méér  te zijn dan één Persoon, méér te zijn dan een gereduceerd te zijn tot zijn enig-zijn. De volheid  van de openbaring komt aan het Nieuwe Testament toe : de Zoon van God is mens geworden en wij zijn waardig geacht om de Heilige Geest te ontvangen die voortkomt uit de Vader. De Enige en persoonlijke God van het Christendom is een Drie-eenheid van Personen. Het is daarom dat de Verrezen Christus zijn leerlingen zal zenden  ‘ gaat heen en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest' (Matt.28,19). Het Credo van de Kerk is een verklaring van deze doop-formule.

 

Het aanvangsartikel, waar men het geloof ‘in één God' belijdt, richt zich tot de eerste Persoon van de Drieeenheid, tot de Vader die het persoonlijk Principe is van de onzichtbare Godheid, gemeenschappelijk aan de Drie Personen. De Drie - Vader, Zoon en Heilige Geest - zijn op dezelfde wijze God, zonder nochtans ‘drie Goden' te zijn, maar ‘één enkele God', één enkele essentie,substantie of natuur, in drie hypostasen of Personen. Krachtens deze absolute eenheid van zijn, onderscheiden deze drie Personen in niets van mekaar, alleen de wijzen van bestaan zijn eigen aan elke van de Drie : de van eeuwigheid bestaande Vader, het geboren zijn van de Zoon en het voortgekomen of uitgegaan zijn van de Geest. Men moet hieraan toevoegen dat deze persoonlijke eigenschappen een drievoudige relatie veronderstellen die ons toelaten om de Vader, de Zoon en de Heilige Geest van elkaar te onderscheiden, het moet ons leren om op een positieve wijze elke Persoon met de twee anderen te verbinden, zonder ze nooit in onze gedachten te isoleren. Als we spreken over de Almachtige God en ‘Schepper', dan mogen we niet vergeten, dat Hij alles schiep door zijn Woord (Joh.1,3), en dat diezelfde scheppende kracht niet vreemd is aan de Levensschenkende Geest.

 

            Er dient opgemerkt te worden dat de uitdrukking ‘almachtige', alhoewel ze juist is, toch niet getrouw de inhoud weergeeft van de griekse term ‘Pantocrator', wat wil zeggen : ‘Meester van alle dingen'. Alleen de God van de Bijbel, die Zijn naam aan Mozes heeft geopenbaard, zeggende : ‘Ik ben Diegene die is' (Exodus 3,14), is ‘Schepper' in de volle zin van het woord, Voortbrenger van het zijn vanuit het niet-zijn. Hij is geen goddelijke Veroorzaker, een ordenende ‘Demiurg' van een eeuwige vormeloze materie, van een voorafbestaande chaos van de wereld. Indien God alle dingen uit ‘het niets' heeft geschapen, dan moet men zich niet voorstellen dat er een pre-existerend ‘niets'(néant) bestond vóórdat de wereld als mogelijkheid geschapen werd. Het ‘niets' (néant) is geen principe  dat men tegenover het absolute Zijn van God zou kunnen stellen : deze uitdrukking ontvangt haar enige betekenis in relatie met het geschapen zijn dat ‘begon' te bestaan, zonder enig  voorafgaande conditie voor dat ‘begin' (Genesis 1,1), buiten de almachtige wil van God.

 

            Men moet echter niet aannemen dat dit ontbreken van externe condities ons ertoe zou verplichten om te veronderstellen dat God alles schiep ‘uit zichzelf', door een soort van emanatie, veruiterlijking : de wereld is niet een gedegradeerde en verwaterde Godheid, maar een absoluut nieuw zijn, tot het bestaan geroepen door een Schepper die door geen enkele interne noodzaak  bepaald  werd. De Schepping is een volstrekt vrije daad, een belangeloze act van de wil van God, wat niet wil zeggen een ‘willekeurige' act : De orde in het universum laat ons Gods Goedheid, Wijsheid en de Liefde van de Schepper om aan de wereld een zin en de hoogst mogelijke bestemming heeft gegeven, door hem aan het gezag van  persoonlijke en vrije mensen, geschapen ‘naar het beeld en de gelijkenis' van God (Gen.1,26-27).

 

            ‘De hemel en de aarde' : een bijbelse uitdrukking (Gen.1,1), die de gehele kosmos wil aanduiden, alles wat geschapen is als zijnde door God geschapen, krijgt in de patristieke exegese een  scheidend karakter, dit van de geestelijke en spirituele werkelijkheden, van de onzichtbare wereld van de ‘hemelse' geesten en van de visuele wereld waarin wij leven, waarmee wij nauw verbonden zijn door onze lichamelijke (biologische) en aardse  conditie. Men ziet dat dit onderscheid tussen ‘hemel' en ‘aarde' geenszins de noodzaak impliceert om een geocentrische kosmologie aan te nemen. Algemeen gesproken is het zo, dat ‘het conflict tussen wetenschap en religie' een vals probleem is, dat in onze tijd  alleen maar benadrukt wordt door slecht geïnformeerde gelovigen of sommige bekrompen wetenschappers, die in  hun willekeurige negaties over alles wat  in de experimentele wetenschappen het visuele domein overstijgt  in ‘materialistische' dogma's vastleggen. Immers, het is niet door de ruimte te exploreren dat men de spirituele onmetelijkheid van het geschapen universum zal ontdekken. Het is ook niet door de nucleaire fysica dat we het zullen leren kennen, door de structuur van de materie te gaan analyseren, deze al-machtige energie van de Schepper die het ‘bestaan' geeft aan alle ‘zichtbare en onzichtbare dingen'.

 

ARTIKEL 2

En in één Heer Jezus Christus, eniggeboren Zoon van God

voor alle tijden geboren uit de Vader,

Licht uit licht- ware God uit de ware God-

geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader,

en door wie alles geschapen is.

 

          Er is een duidelijke ongelijkheid in het Symbolum tussen het enige artikel dat zich richt op de eerste Persoon van de Heilige Drieeenheid en de zes artikels die betrekking hebben op de tweede persoon. Dit is gemakkelijk te begrijpen : het geloof in de almachtige God, Schepper van het universum, is gemeenschappelijk voor het jodendom en het christendom. Dat is echter niet zo, wanneer het gaat om de persoon en het werk van Onze Heer Jezus Christus.

 

            Om te beginnen stelt de relatie van God de Vader met de Zoon het probleem van het monotheisme : het Nieuwe Testament bevestigt bewust de goddelijkheid van Christus (Joh,1,1) zonder aan het strikte monotheisme te verzaken : de Vader en de Zoon zijn één ; de Heer zelf zegt het (Joh.,17), maar de manier waarop deze éénheid begrepen wordt, of veeleer, de menselijke benadering van deze waarheid is het voorwerp geweest van scherpe controverses. Twee valse oplossingen werden aangebracht : deze van de modalisten, die elk onderscheid tussen Vader en Zoon ontkenden, en deze van het Arianisme, die de volheid van de godheid weigerden aan Christus toe te kennen. Bovendien doet het absoluut reëel karakter van de mensheid van Christus de vraag rijzen over het  verband tussen het menselijke en het goddelijke in Zijn zijn. De controversen over dit tweede punt hebben slechts hun omvang gekend nadat ons Credo reeds geschreven was. De Kerk heeft door middel van andere definities moeten verduidelijken - namelijk door deze van het concilie van Ephese (431) en van Chalcedonië (451) - wat reeds bevestigd was door het Symbolum van Nicea-Constantinopel.

 

            Wij moeten hier even over iets anders uitweiden, om te onderlijnen dat de artikels van het Credo betrekking hebben op de Persoon en het werk van Christus, evenals de definities van de latere oecumenische Concilies. Zij kunnen op geen enkele wijze worden beschouwd als nutteloze speculaties die de zuiverheid van de evangelische boodschap zouden hebben vervalst, want wat de Kerk door middel van haar dogma's verdedigt is juist het meest fundamentele in de nieuw-testamentaire openbaring :  De boodschap van het heil geschonken door de mensheid in Jezus Christus. Welnu, indien Christus niet reëel en volledig God en Mens is, dan blijft de afgrond tussen het goddelijke en het menselijke onoverkoombaar. Wij komen op dit punt nog terug wanneer wij de artikels van het Symbolum met betrekking tot de incarnatie en de Verlossing zullen bespreken.

 

            De Kerk belijdt in het tweede artikel van het Symbolum van het Geloof vooreerst het uniek-zijn van de Zoon van God; hiermee is de ketterse interpretatie van het adoptianisme weerlegt, volgens welke Jezus slechts een geadopteerde mens was door God. Alleen Jezus Christus is van nature Zoon van God; de aanvaarding hiervan door de Christenen bij hun doopsel, brengt mee, dat zij zonen van God worden, maar dit heft in niets het radicale onderscheid tussen het ongeschapene en het schepsel op. Wij worden zonen van God door genade, Christus is het van nature en het is alleen omdat Christus het is van nature dat wij het kunnen worden door genade.

 

            Door te belijden dat de Zoon ‘voor alle tijden geboren is uit de Vader, belijden we niet dat de geboorte eenvoudigweg voorafgaat aan de schepping, maar dat zij buiten de tijd is, omdat het begrip tijd verbonden is met dat van de schepping. Daarom lezen wij in het Evangelie dit woord van de Heer : ‘Vóór Abraham werd, BEN IK' (Joh.,8,58), en niet ‘was ik', wat slechts een aanduiding zou zijn van een voorafgaan in de tijd. Men moet noteren dat de bevestiging van de geboorte ‘vóór alle tijden' op discrete wijze gericht is tegen de godslasterlijke formulering door de Arianen met betrekking tot de Zoon : ‘ Er was een tijd waarin hij niet was'.

 

            De Zoon is ‘Licht uit licht, ware God uit de ware God', want  behalve de persoonlijke begrippen ( dit wil zeggen : de eigenschappen door dewelke wij een Persoon van een ander in de Heilige drieeenheid kunnen onderscheiden), zijn de drie goddelijke Personen  absoluut identiek. Dit is het wat de heilige Gregorius van Nyssa ook zegt : ‘indien wij de goddelijke Natuur zonder onderscheid belijden, dan ontkennen wij het verschil tussen Oorzaak en veroorzaakte niet, en het is alleen daarin dat de ene zich onderscheidt van de ander' (Quod non sint tres dii, PG 45,133).

 

            Om deze volmaakte gelijkenis van de Vader en de Zoon uit te drukken, zegt de apostel Paulus ons dat Christus het ‘beeld van God' is (2 Kor.,4,4); In de brief aan de Hebreeën  wordt de relatie van de Zoon ten overstaan van de Vader uitgedrukt met deze woorden : ‘Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van Zijn wezen' (1,3)

Een Vader uit de IIIe eeuw, de heilige Gregorius de Taumaturg, bisschop van Neo-Césaréa heeft op wonderbare wijze deze theologie van het Beeld samengevat in zijn geloofsbelijdenis, waar wij lezen : ‘Eén enkele God, Vader van het levende Woord, van de voortbestaande Wijsheid, van de Kracht, van de eeuwige Beeldenaar; het Volmaakte dat het volmaakte voortbrengt, Vader van de enig-geborene Zoon. Eén enkele Heer, Onvergelijkelijke van het Onvergelijkelijke, God van God, Afdruk en Beeld van de goddelijkheid, actief Woord, Wijsheid die alle dingen bijeen houdt, efficiënte Oorzaak van de ganse schepping, Waarachtige Zoon van de waarachtige Vader, Onzichtbare van het Onzichtbare, Onvergankelijke van het Onvergankelijke, Onsterfelijke van het Onsterfelijke en Eeuwig van het Eeuwige' (Apud saint Grégoire de Nysse, PG 46,912)

 

Verduidelijkend wat reeds is geaffirmeerd bij het begin van het artikel, belijdt de Kerk altijd, tégen Arius en zijn aanhangers, dat de Zoon is ‘geboren, niet gemaakt', want het eeuwig voortkomen van de Zoon door de Vader, zoals trouwens ook het ontstaan van de heilige Geest, is een act van het goddelijke intra-trinitaire leven, dat niets gemeenschappelijk heeft met de schepping. Men kan zelfs geen analogie vinden tussen het ontstaan  van de Zoon door de Vader en de schepping, dat een werk is ‘ad extra' van de Heilige Geest, want volgens de bewonderenswaardige woorden  van de heilige Gregorius van Neo-Cesaria : ‘Niets dus van geschapen zijn of slaafsheid binnen de heilige Drieeenheid; niets van toevalligheid; niets dat, niet eerst reëel is, komt nadien'.

 

Om een einde te maken aan alle onduidelijkheid, hebben de Vaders van het oecumenisch concilie van Nicea bevestigd dat de Zoon ‘consubstantieel'(één in wezen') is (in het grieks :'homoousios) met  de Vader : het is het logisch gevolg van de voorafgaande bevestigingen : de mede-eeuwigheid van de gelijk-goddelijkheid van de goddelijke Personen, hun volmaakte eenheid van essentie. Deze term had het voordeel om elke ambiguïteit te vermijden, want de Ariaanse ketters gebruikten graag ofwel uitdrukkingen uit de Schrift, in het voordeel van hun theorieën , ofwel vage formuleringen die onderhevig waren voor verscheidene interpretaties. Het is daarom dat alle orthodoxe doktors, na de nodige verduidelijkingen,uiteindelijk besloten om zich te scharen achter deze term. De consubstantialiteit van de goddelijke Personen is een fundamenteel dogma van het authentisch christendom.

 

Het tweede artikel van het Symbolum eindigt met de bevestiging dat alles gemaakt werd door de Zoon : het is het echo van de klaar geformuleerde leer in het Nieuw Testament (Joh.,1,3 ; Kollossenzen 1,16). De ganse schepping is het gemeenschappelijke werk van de drie goddelijke Personen. Niettemin zijn zij de oorzaak van het zijn op een manier, eigen aan elk van hen ‘Indien de Vader de eerste oorzaak is, en de heilige Geest de vervolmakende oorzaak is, dan kan het Woord de bewerkende oorzaak worden genoemd'.

 

Het Credo zegt eigenlijk weinig over dit punt; het bevestigt alleen het traditionele geloof met deze eenvoudige woorden : ‘ door wie alles geschapen is'. Deze kortheid kan gemakkelijk verklaard worden : vooreerst heeft dit geformuleerde dogma in het Evangelie nooit het object geweest van controverses onder de christenen; anderzijds is het Credo de belijdenis van het geloof en men kan er geen zuiver speculatieve theorieën aan toevoegen die, hoe legitiem ze ook zouden zijn, zouden voorwenden deel uit te maken van het domein van de geloofsregel.

 

ARTIKEL 3

 

Hij is voor ons, mensen,en omwille van ons heil

uit de hemel neergedaald,

Hij heeft het vlees aangenomen, door de heilige Geest

uit de Maagd Maria, en is mens geworden.

          Terwijl het tweede artikel handelde over de Zoon in zijn ontologische en eeuwige relatie met de Vader, heeft het volgende artikel betrekking op de incarnatie van de Zoon.

 

            De nieuw-testamentische openbaring ,  vrijuit verkondigend dat de Messias die verwacht werd door Israël  het geïncarneerde Woord van God is, vertegenwoordigt zowel de vervulling als de voltooiing van het Oude Testament :

De profeten hadden duidelijk de komst van een nieuw tijdperk aangekondigd door een Messias, 't is te zeggen een gezondene door de Allerhoogste. De lijnen van deze Messias worden er zelfs verduidelijkt; zo schetst het boek Jesaja de figuur van de Dienaar die vernederd en beledigd wordt (Jes.53). Anderzijds, had de joodse gedachte, trouw blijvend aan een strikt monotheïsme, een zekere personalisatie opgemerkt van de goddelijke Wijsheid (bijvoorbeeld, Pr, 8-9, Ecc, 1 en 24), maar nooit was het verband van persoonlijkheid  tussen de bevrijdende Messias en de hypostatische goddelijke Wijsheid duidelijk merkbaar. Bovendien, hebben de laatste eeuwen voor onze jaartelling bij de joden het ontluiken naar voor gebracht van een geëxalteerd en een naar xenofobie ruikend nationalisme dat min of meer de messiaanse en universalistische visie van de oude profeten vervaagde. De verwachte Messias was bij velen niets anders dan iemand die de Joodse staat  in ere zou herstellen. Zelfs de apostelen, vóór pinksteren, kwamen  er niet toe zich van deze opvatting te ontdoen (Hand.1,6).

 

            Het derde artikel van het symbolum is het echo van de evangelische bevestiging : En het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond(Joh.1,14). De Kerk heeft altijd met strengheid de leer over de Incarnatie verdedigd; dit tegenover hen die deze waarheid, die de basis is van ons heil , negeerden of verdraaiden. In de commentaar van het vorige artikel, hebben wij de gehechtheid van de Kerk onderlijnd aan de bevestiging van Jezus Christus als de ware God en de ware Mens. De orthodoxe christenheid heeft ijverig gevochten tegen  het doketisme, die, vanuit een gnostisch dualisme, de realiteit van de Incarnatie ontkenden. Het is tegen deze ketters dat  de Heilige Johannes polemiseert in zijn eerste brief, wanneer hij schrijft : Hieraan onderkent gij de Geest van God : ieder geest die belijdt dat Jezus Christus werkelijk mens is geworden, is van God; maar iedere geest die Jezus neerhaalt, is niet van God, en dat is de eigenlijke ‘Antichrist'(1 Joh. 4,2-3). In zijn tweede brief schrijft hij verder : Want veel verleiders zijn tot de wereld uitgegaan; zij loochenen de komst van Jezus Christus in het vlees. Dat is het kenmerk van de verleider en de antichrist (2 joh.7-8).

Daarom roept de Heilige Schrift ons op om waakzaam te zijn, niet alleen voor de ketterij van de doketisten, maar ook en meer algemeen voor elke vorm van pseudo-spiritualisme dat de leer van Jezus Christus niet centraal stelt : Geïncarneerd Woord van God.

 

            De Incarnatie is de ‘gebeurtenis' bij uitstek in de heilsgeschiedenis : zij is geen feit dat men kan meerekenen bij vele andere. Het is de gebeurtenis die radicaal de geschiedenis heeft bepaald, want, door de Incarnatie van het Woord zijn de betrekkingen tussen God en de mens volledig getransformeerd. Het christendom heeft een rechtlijnige en geen cyclische opvatting van de tijd : dit wil zeggen, dat de tijd een bepaald begin heeft door de schepping en een einde dat zal bepaald worden door het laatste Oordeel. En deze lijn is juist op één punt onderbroken : door de Incarnatie. De Apostelen en de christenen van de eerste eeuwen hebben dit beslissend karakter van de Incarnatie miskend. Zij hebben er juist de aanvang in gezien van  het eschatologisch tijdperk dat door de profeten werd aangekondigd (zie bijvoorbeeld Hand.11,14-36 - bemerk de referentie naar Joël 3,1-5). Ireneus van Lyon, de grote doctor en getuige van de Traditie op het einde van de IIe eeuw, noemt het tijdperk dat begint met de Incarnatie : de ‘novissima tempora', de laatste tijden (Adv. Haer.3,24,1), onafhankelijk van elke beschouwing over de duur ervan.

 

            Men zal bemerken dat de terminologie van het credo eenvoudig is, en de dogmatische verduidelijkingen beknopt : ook hier moeten we voor de geest houden wat gezegd is in de commentaar van het voorgaande artikel over de bewuste afwezigheid van speculatieve theologie.

 

            De reden van de Incarnatie wordt dus samengavat in deze termen : ‘voor ons, mensen, en omwille van ons heil'. Overbodige  en ijdele speculaties of de Incarnatie ook plaats zou gevonden hebben zonder de erfzonde en dus zonder noodzaak van een verlossing, hebben geen plaats in de bewoordingen van de Regel van het Geloof. Anderzijds moet men aanstippen dat de universaliteit van het heil dat aan de mensheid is geschonken impliciet geaffirmeerd wordt in  de formulering van het artikel, en dit in overeenstemming met de zeer duidelijke bewoordingen van de Heilige Schrift : Dit is goed en welgevallig in het oog van God onze heiland, die wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen (1 Tim,3-4). Het is nauwelijks nodig eraan toe te voegen dat de uitdrukking van het Credo ‘...voor ons mensen,...' niet alleen betrekking heeft op dit artikel maar ook op de volgende die de economie van het geïncarneerde Woord behandelen.

 

De woorden ‘uit de hemel neergedaald' hebben  natuurlijk niets te maken met een ruwweg materialistische opvatting. Zij duiden op een grenzeloze inschikkelijkheid  van de  Incarnatie en onderlijnen de realiteit van het gebeuren, waarvan de mysterieuze grootheid ervan met een dusdanige nauwkeurigheid en schoonheid wordt uitgedrukt in de dogmatische brief van de heilige Sophrony (VIIe eeuw), hij zegt : ‘.....als Hij, de onstoffelijke is geïncarneerd, dan neemt Hij onze vorm aan, Hij, die volgens de goddelijke essentie, vrij was van vorm wat betreft het uiterlijke en de verschijningsvorm; Hij neemt een lichaam aan als het onze, Hij de onstoffelijke, wordt waarlijk mens, Hij die zonder ophouden wordt erkend als God. Men ziet Hem, gedragen in de schoot van zijn moeder, Hij die in de schoot is van de eeuwige Vader; Hij, de tijdloze, ontvangt een aanvang in de tijd; dit alles, niet door een bevlieging, maar door zich waarlijk en werkelijk geheel te ontledigen, door de wil van zijn Vader en de Zijne, door onze menselijke substantie op zich te nemen , door een  wezensgelijke vorm als de onze aan te nemen, een redelijke ziel, gelijk aan onze zielen, een zelfde geest als de onze; want daaruit bestaat de mens' (Lettre dogmatique PG 87, col.31661). Men moet eraan toevoegen dat de term ‘ontledigen', dat ontleend werd aan sint Paulus (Fil.2,7) niet verkeerd geïnterpreteerd mag worden, want datgene waarvan Christus zich ontdaan heeft  bij de Incarnatie, is niet van de goddelijke natuur maar van de glorie die hij trouwens manifesteerde in de Transfiguratie. De Incarnatie van het Woord impliceert geen enkele wijziging met betrekking tot de Ene goddelijke natuur : deze waarheid van de wet vind haar echo's in de ‘Lex orandi' van de Kerk; zo leest men in een gebed van de Liturgie van Johannes Chrysostomos : ‘Maar in Uw onuitsprekelijke en onmetelijke liefde voor de mens, zijt Gij mens geworden zonder verandering, noch vervalsing en zijt Gij onze hogepriester geworden....'

 

            De Kerk belijdt dat onze Heer ‘geïncarneerd is door de Heilige Geest en de Maagd Maria', conform zoals het uitgedrukt wordt in het Evangelie (Matt,1,18-2); Luc.1,26-38). De vermelding van de Alheilige Maagd Maria onderstreept de realiteit van de menselijkheid van Onze Heer, die de Messias is, voortgekomen uit de stam van David, aangekondigd door het Oud Testament. De Incarnatie gebeurde niet alleen door de eeuwige wil van de Heilige Drieëenheid , maar ook met de instemming van de Alheilige Maagd (Luc.1,38). In deze vertrouwvolle gehoorzaamheid in het woord van God, ziet de kerkelijke traditie een antwoord op de ongehoorzaamheid van Eva. Het Heilige  Justinus schrijft in de eerste helft van de IIe eeuw : ‘Wij begrijpen dat Christus mens geworden is door middel van de Maagd, opdat de geprovoceerde ongehoorzaamheid door de slang een einde neemt door de weg zelf waar zij was begonnen. Immers, Eva, die voordat zij het woord van de slang tot zich had genomen, maagd en ongeschonden was, bracht ongehoorzaamheid en dood op de wereld. De Maagd Maria bracht geloof en vreugde toen de engel Gabriël haar aankondigde dat de Heilige Geest over haar zou neerdalen en de kracht van de Allerhoogste haar zou overschaduwen, opdat het heilige geboren Wezen de Zoon van God zou zijn. Zij antwoordde : ‘Mij geschiedde naar uw woord'. Hij is dus uit haar geboren, Hij waarover zovele Schriften spreken.... Door Hem vernietigt God het rijk van de slang, en van hen, engelen en mensen die aan de slang gelijk zijn geworden.Hij bevrijdt hen, die berouw hebben over hun zonden en in Hem geloven, van de dood' (PG 6, col.712). Met sobere woorden en dogmatische juistheid somt deze Kerkvader, die zo dicht staat bij de apostolische oorsprong, ons alle redenen op  waarop de verering van de Alheilige Maagd Maria gefundeerd is.

 

            Het artikel eindigt met de uitdrukking ‘Hij is mens geworden'. Door de incarnatie wordt Christus zoals de menselijke natuur in alles aan ons gelijk uitgezonderd de zonde (cf.Hebr.11,17;Rom.7,3;Fil.2,7).

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

(wordt vervolgd           

 

 

                zzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzz

 

 

 

De commentaren zijn gesloten.