03-12-07

Commentaar op de geloofsbelijdenis - deel 2

 

 


 

In Memoriam

 Pierre Huillier

Wij wensen ons medeleven te betuigen bij het overlijden van Aartsbisschop Pierre L'Huillier, emeritus Aartsbisschop van New York en tevens de auteur van deze commenaar op de geloofsbelijdenis

Eeuwige gedachtenis !

Moge God hem opnemen in Zijn eeuwige Vreugde

 

 

 


COMMENTAAR

OP DE GELOOFSBELIJDENIS

 

Deel 2

 

 

ARTIKEL 4

Hij is voor ons gekruisigd onder Pontius Pilatus,

Hij heeft geleden en is begraven

          Het bevrijdend werk van onze Heer Jezus Christus vormt een eenheid, het kan niet gescheiden worden : de menswording, de Dood op het Kruis, de Verrijzenis zijn slechts etappen binnen dit bevrijdend werk.

            Het artikel van het Credo vermeldt dat deze gebeurtenis heeft plaats gevonden "onder Pontius Pilatus" Hierdoor wordt het historisch karakter onderlijnd van het Lijden. Terwijl de  veronderstelde  heldendaden van de heidense goden zich vooral situeerden in voorbije en fabulachtige tijden, voltrekt het bevrijdende werk van Christus zich op een duidelijk historisch moment van de geschiedenis, en plaatst het zich in een duidelijk bepaald milieu.

            Men zal opmerkzaam zijn voor de herhaling van de uitdrukking "voor ons", dat we reeds in het artikel over de incarnatie zijn tegengekomen : de reddende dood van Jezus Christus is de bron van de vergeving en de verzoening, niet alleen voor de mensheid in het algemeen, maar voor ieder gelovige in het bijzonder : tussen Christus en ieder christen afzonderlijk is er een persoonlijke relatie, en het is aan elk van ons dat deze oproep is gericht : "Zo iemand mijn volgeling wil zijn, dan moet hij zichzelf verloochenen en Mij volgen"(Mt.16,24)

            De dood op het kruis kan niet gescheiden worden van de Verrijzenis, maar men moet zich hoeden voor een onjuiste interpretatie die het roemvolle aspect verhult, iets wat eigen is aan het lijden op zichzelf. Zoals de Verrijzenis van de Heer een uiting  was van Zijn overwinning, zo heeft ook de dood op het kruis reeds onmiskenbaar de nederlaag van de krachten van het kwaad aangetoond. De woorden van de gekruisigde Jezus :"Eli, Eli, lema sabachtani (Matt,27,46) komen uit een messiaanse psalm die niet alleen het zogenaamd gerechtvaardigd lijden vertolkt, maar ook het vertrouwen in God (Psalm 22), en moeten parallel worden gezien met het lied van de Dienaar van Jahweh (Jes.52,13-53,12), en het laatste woord van Jezus is : Alles is volbracht'(Joh,19,30). Dit roemvolle karakter van de Passie is algemeen onderlijnd in de Traditie : in het Oosten krijgt het Kruis gewoonlijk de naam van "levendmakend", terwijl in de westerse liturgie, de Passie over het algemeen gekwalificeerd wordt als "roemrijk" of  "gelukzalig". Dit wordt getrouw weergegeven in de orthodoxe iconografie, die vreemd is aan elke ongezonde bezinning over de kruisiging. Zelfs op het moment van de extreme "kenosis" (ontlediging) vergeet de Kerk niet dat diegene die aan het hout wordt gehangen "deze is die de wereld heeft overwonnen" (byzantijns officie van het Heilig Lijden"). Men moet er nochtans niet uit afleiden dat de Kerk haar denkwijze stopt bij het onmetelijk en daadwerkelijk lijden van de gekruisigde Jezus. Zij drukt het integendeel uit met een aangrijpend realisme van smart en daarom zegt zij : "Elk deel van uw heilig Lichaam heeft omwille van ons smaad en schande  geleden : uw hoofd, de doornen; uw gelaat, het gespuug; uw mond, de smaak van het azijn en de gal; uw oren, de godslasterlijke beledigingen; uw schouders, het purper van de spot; uw rug, de geseling; uw hand, de geseling; de verscheuring van gans Uw Lichaam op het kruis; uw ledematen, de nagels, en uw zijde, de lans. Gij die voor ons geleden hebt en die door uw lijden, ons hebt verlost, Gij die U, uit liefde voor de mensen aan ons hebt gelijkgemaakt en ons hebt verheven, Redder, heb medelijden met ons" (ibid.).

            Het is een fundamenteel dogma van het christendom, dat de dood op het Kruis aan de verscheurde mensheid bevrijding  en verzoening met God heeft gebracht. Een valse interpretatie, of minstens een  zeer  gebrekkige interpretatie van de dogma zou er in bestaan om de Verlossing te plaatsen binnen een juridisch-ethische context, een neiging die men sedert de Middeleeuwen terugvind in de westerse theologie, en dit ten koste van het sterke  realisme van het antieke christelijk denken. In het juridis-ethisch perspectief wordt het accent gelegd op de schuld die God is aangedaan door de erfzonde, een schuld die moet hersteld worden om de goddelijke gramschap te bedaren, en het is de geïncarneerde Zoon van God die het offer van het herstel moet bewerkstelligen.

            Het orthodoxe perspectief, gefundeerd op de Heilige Schrift  alsook op de liturgische en patristieke traditie ziet het op een andere manier : de erfzonde was de bittere vrucht van de vrijheid die aan de mens werd gegeven door zijn Schepper : God wilde aanbeden en bemind worden door vrije mensen, want alleen deze vrijheid geeft een betekenis aan de liefde; zonder de mogelijkheid van zelfbeschikking, - en dus ook van weigering-, zou de liefde van de mens voor God slechts een bespiegeling geweest zijn van de liefde van God voor zichzelf, zoals de weerschijn van een licht dat geprojecteerd wordt op een spiegel. Door het kwade te kiezen heeft de mens zijn roeping verraden en is hij onderworpen geworden aan de macht van de Vijand. God heeft nochtans de mensheid niet aan haar lot overgelaten. Verschillende Kerkvaders, zoals de Heilige Ireneüs, en de Heilige Theophiel van Antiochië, leggen de goddelijke inschikkelijkheid uit door het nog onvolwassen karakter van de primitieve mensheid. Alhoewel de mens vrijwillige gezondigd heeft, had de mens geen absolute verantwoordelijkheid. De verzoening is tot stand gekomen door Jezus Christus, ware God en ware mens. Door zich vrijwillig ter dood te laten brengen, heeft hij onherstelbaar de macht van de kwade gebroken, want de dood heeft de God-mens niet kunnen overwinnen. Zoals de latijnse hymne Victimae paschali : "De dood en het leven hebben een verbazingwekkende strijd aangegaan;  na zijn dood  leeft en regeert de Auteur van het leven".

            Mens zonder zonde, eersteling van een opnieuw verloste mensheid van de duivelse slavernij, toont Christus zich aan de Vader als het zuivere slachtoffer, het lam zonder smet. Het sacrificieel aspect van de dood van Jezus Christus knoopt rechtstreeks aan bij het Oude Verbond dat nu vervuld is en voorbij. De offers van de oude Wet waren er om in de goddelijke gunst te komen, opdat God het uitboeten van de fouten zou aanvaarden; zij waren de aankondiging van de volmaakte figuur , Christus, hogepriester en slachtoffer, die zoals de Liturgie van de Heilige Johannes Chrysostomos het zegt, "hij die offert en geofferd wordt". Het offer van Christus is niet alleen het laatste van de offers, hij is het unieke ware offer, wat in de Brief aan de Hebreeën zo goed wordt uitgedrukt : "Ons voegt ook een Hogepriester, die heilig is, onschuldig, onbezoedeld, verwijderd van de zondaars en verheven boven de hemelen; Eén, die niet zoals de hogepriesters dagelijks nodig heeft, eerst voor eigen zonden te offeren, daarna voor die van het volk; want dit laatste heeft Hij eens en vooral gedaan door het offer van Zichzelf. De Wet toch stelt tot hogepriesters mensen aan, met zwakheid behept; maar de eed-uitspraak, die na de Wet is gekomen, de Zoon, die volmaakt is voor eeuwig"(Hebr.,7,26-28)

            Na Zijn dood, is de Heer begraven en Zijn lichaam is tot de derde dag in het graf gebleven. Dit moment is met grote theologische precisie beschreven in een troparion van de byzantijnse ritus :" Lichamelijk in het graf, in de hel in de gedaante van een geest als God, in het paradijs met de dief, waart Gij op de troon met de Vader en de Heilige Geest, o Christus, die alles vervult en wat geen enkele plaats kan bevatten"

            Tijdens Zijn aardse leven, heeft Christus allusie gemaakt op zijn begrafenis. Aan de Joden die een teken vroegen, antwoordde Jezus :"Een boos en overspelig geslacht vraagt een teken; maar geen teken zal hun worden gegeven, dan het teken van Jonas de Profeet"(Matt.12,39), en nog:  " Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem weder opbouwen" (Joh.2,19).

            Doordat Hij doorgedrongen is tot de hel als bevrijder, doordat Hij door zijn eigen dood de dood, welke de zonde had gebracht, heeft overwonnen, is Christus de nieuwe Adam. Hij is het begin van een nieuw geslacht, dat door zijn gehechtheid aan Christus de overwinnaar, zijn ware roeping heeft teruggevonden, deze van de vereniging met God.

ARTIKEL 5

"Hij is verrezen op de derde dag volgens de schriften"

           Het geloof in de Verrijzenis van Jezus Christus maakt de kern uit van het authentisch Christendom. Daarom schrijft de Apostel Paulus aan de Korintiërs : "Maar zo Christus niet is verrezen, dan is onze prediking ijdel, ijdel ook uw geloof"

De apostelen zijn bij uitstek de getuigen van de verrezen Christus (zie vooral Hand.1,21-22). Want  de Verrijzenis heeft ons de schitterende manifestatie van Jezus

als de messias en Zijn goddelijkheid getoond. De houding die wij hiertegenover innemen vormt de scheidingslijn tussen geloof en ongeloof, en dit blijft zo voor alle geslachten tot aan het einde der tijden.

            Indien de meerderheid van de Joden weigerden om in de Jezus de verrezen messias te erkennen - hetzij zij de realiteit van de verrijzenis ontkenden, hetzij zij er geen enkele gevolgtrekking uit haalden- tenminste het idee van een verrijzenis was hen niet vreemd, met uitzondering van de Sadduceeën. Bij de heidenen was dit echter niet zo, de christelijke prediking van de algemene verrijzenis en van deze, reeds gerealiseerd in Christus ging hun bevattingsvermogen te buiten. Men vergeet vandaag de dag al te dikwijls dat er weinig gemeenschappelijke punten te vinden zijn tussen de filosofische opvatting van het voortleven van de ziel en het bijbelse idee van de verrijzenis., daarom was de prediking van Paulus op de Areopaag te Athene het voorwerp van sarcastisch sceptisme (Hand.17,16-34). Zo bleven het grootste deel van de Joden en de heidenen, om verschillende redenen, ongevoelig voor het teken van God.

            Voor de gelovigen, aan wie het gegeven is om door het geloof de grootsheid van de gebeurtenis te erkennen, betekent de Verrijzenis van Christus de triomf van het leven op de dood, de beëindiging  van de vervloeking welke op Adam en zijn nakomelingen rustte. Daarom is Pasen het feest van de overweldigende vreugde.De orthodoxe liturgie zingt dan ook uitbundig : "Pascha is heden ons heerlijk geopenbaard.Pascha, nieuw en heilig. Pascha, het mystieke offer. Pascha, het verheven offer. Pascha waar Christus ons verzoent. Pascha offer zonder smet.Pascha boven alles groot. Pascha der gelovigen. Pascha, dat ons het paradijs weer openstelt. Pascha, dat ons allen weer heiligt." (Stichieren van de lauden van Pasen) Voor het oude Israël was Pasen de herdenking van de bevrijding uit Egypte; voor de Kerk, nieuw Israël,is het Christelijk Pasen de herinnering aan de bevrijding van het juk van de dood; het is ook de aankondiging van de algemene verrijzenis, waarvan deze van Christus het werkzame middel is.

            Het is niet alleen in de paas-liturgie dat de  Kerk er ons aan aan het grote mysterie van de Verrijzenis herinnert, het gebeurt in elke zondagse liturgie. Ook de doopritus is doordrongen van dit paas-thema , omdat de nieuweling spiritueel gaat van de satanische slavernij naar het leven in Christus : "Wij allen die gedoopt zijn tot de gemeenschap met Christus Jezus, zijn gedoopt tot gemeenschap met zijn Dood. In die gemeenschap met zijn dood zijn we dus begraven met Hem door het Doopsel, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de glorie van de Vader uit de doden is opgewekt"(Rom.,6,3-4)

            De daad zelf van de Verrijzenis van de Redder ontsnapt aan elk menselijk waarneming ; er is in het Evangelie geen enkele beschrijving van het gebeuren. Daarom toont ons de traditionele orthodoxe iconografie de Verrijzenis zelf niet, maar wél de verschijning die er op volgde (zie Leonide Ouspensky : "Peut-on représenter la Resurrection du Christ ?" < Messager de l'Exarchat, N° 21,1955,pp.7-8)

            De verrezen Christus werd gezien door vele getuigen. De Heilige Paulus vermeld dat onze Heer is verschenen "aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk" (1 Kor.,4,6) En hij voegt er aan toe dat "de meesten nog in leven zijn" (ibid). De apostel laat de Korintiërs, die twijfelden, verstaan dat het mogelijk is om hen hierover te ondervragen. In elk geval was er geen "Christofanie"(manifestatie van Christus) die op zich  een sterk signaal zou kunnen geleverd hebben ten overstaan van alle mensen, voor het geloof in de Verrijzenis van de Heer, zelfs voor de bewoners van Jeruzalem.

Deze verschijning zal deze zijn van de tweede parousie (wederkomst), wanneer Jezus Christus in glorie zal wederkeren om levenden en doden te oordelen. Tot aan dat moment is er voor elke mens de vrije keuze, en voor hen die ontvankelijk zijn voor de goddelijke genadeweerklinken de troostende woorden van de verrezen Christus : "Zalig zij die zullen geloven zonder te zien" (Joh., 20,29). Daarom is het dat generaties christenen, zelf zij die ongeveer twintig eeuwen geleden leefden apostolische getuigen zijn,door met vurigheid bekend te maken : "Door de Verrijzenis van Christus te overwegen, aanbidden wij de Heer Jezus, de enige zonder zonde. Wij aanbidden o Christus, uw Kruis en wij zingen en verheerlijken uw heilige Verrijzenis" Bijgevolg snellen de christenen naar het graf, zoals de heilige myrondraagsters, om de woorden van de engel te horen die het goede nieuws verkondigen.

            Voor de christen is de erkenning van de Verrijzenis niet enkel een zuiver intellectuele act; elke gedoopt moet met de apostel Paulus zeggen : "Ik ben met Christus gekruisigd; en als ik leef, dan ben ik het niet meer, maar het is Christus die leeft in mij"(Gal.,2,19-20). De situatie van de christen is vreemd : hij leeft in de wereld, maar door zijn toebehoren aan Christus, breekt hij met de wereld voor zover deze wereld weigert om het gezag van Christus te erkennen.

            Het Credo bevestigt dat onze Heer "verrezen is op de derde dag volgens de schriften". Deze laatste uitdrukking bevat een veel grotere rijkdom dan op het eerste gezicht lijkt. Deze verwijzing naar het Oude Testament - want de term "Schriften" verwijst hier naar het Oude Testament - is dubbel : op het onmiddellijke plan is er het rechtstreekse profetisch getuigenis van het boek Jonas; de Heer is als "het teken van Jonas", als de voorafbeelding van zijn graflegging en Zijn Verrijzenis(Matt,12,38-40en 16,1-4; Luc,11,29-32). Maar er is ook een ander plan, dat gans het Oude Testament omvat, in deze zin, dat het zich richt op de persoon en het werk van de Messias. In deze zin legt Christus de schriften uit aan de pelgrims van Emmaüs : "Nu sprak Hij tot hen : O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet beter gelooft aan al wat de profeten hebben gezegd. Moest de Christus dit alles niet lijden, en zo zijn glorie binnengaan ? En te beginnen met Mozes en al de profeten, verklaarde Hij hun, wat in heel de Schrift over Hem was voorspeld"(Luc,24,25-27) En aan de apostelen zei Jezus :  "Dit is het, wat ik tot u heb gesproken, toen Ik nog bij u was :'Alles moest worden vervuld wat in de Wet van Mozes, in de Profeten en Psalmen van Mij staat geschreven". Toen verhelderde Hij hun gezicht, zodat zij de schriften konden verstaan. En hij zeide hun : Zo staat er geschreven : dat de Christus zou lijden en op de derde dag uit de doden verrijzen; en dat in Zijn naam bekering tot vergiffenis der zonden zou worden gepreekt aan alle volkeren, te beginnen bij Jeruzalem"(Lc,24,44-46). Men moet hierbij opmerken, datvolgens de joodse manier om zich uit te drukken, de Wet, de Profeten en de Psalmen het geheel van de Schriften aanduidden, overeenkomstig met de drie grote indeling van de Hebreeuwse bijbel.

            Het gebruik van de Oud-Testamentische getuigenissen ten gunste van de Verrijzenis van Christus in de primitieve christelijke catechese, speelde een zeer belangrijke rol. Wij kunnen er ons overigens gemakkelijk rekenschap van geven als we de toespraak van de Apostel Petrus lezen, gehouden voor de menigte op de dag van Pinksteren (Hand,2,14-36 en vooral 25-35)

ARTIKEL 6

"Hij is opgevaren ten hemel, en zit aan de rechterhand van de Vader"

            Nadat het Credo de Verrijzenis op de derde dag en het zitten aan "de rechterhand van de Vader" heeft bevestigd, wordt de Hemelvaart vermeldt. Hierdoor wordt het bevrijdend werk van de Heer verkondigd. Hiermee wordt ook de reeks artikels van het Credo beëindigd die betrekking hebben op het aardse optreden van Christus. En toch, indien de tijd van de Incarnatie, of meer exact de lichamelijke aanwezigheid van Christus op aarde afgesloten wordt met de Hemelvaart,  is er geen breuk met de daaropvolgende periodes , nl. de tijd van de Kerk die zal eindigen met de tweede en glorievolle wederkomst van onze Heer. De band tussen tussen deze twee periodes  is op twee manieren onderlijnd in de heilige Schriften : vooreerst op een externe wijze, door de literaire compositie : de Evangelist Lucas eindigt zijn Evangelie met de vermelding van de Hemelvaart en hij begint de Handelingen  met een veel uitgebreidere beschrijving van de gebeurtenis ; vervolgens is er de meer interne wijze : het Nieuwe Testament vertelt ons, dat de Hemelvaart geenszins een vernedering, een overgave betekent. In het Evangelie volgens Mattheüs zijn de laatste woorden van Christus die er worden vermeld, gebaseerd op de duidelijke verzekering dat Christus Zijn Kerk altijd liefdevol nabij zal zijn (Matt.28,20). Zij vinden hun echo

in het kondakion van het feest : "Nadat Gij de heilsorde had volbracht, en het hemelse met het aardse verenigd had, zijt Gij opgestegen in heerlijkheid, o Christus onze God, zonder van ons heen te gaan zodat er geen scheiding kwam. En hun die Gij liefhebt, roept Gij toe : Ik ben met u , en niemand tegen u".

            De Hemelvaart is de bekroning van het offer van Christus; het geofferde Lam biedt zich aan de Vader aan. Daardoor manifesteert Hij in zijn  God-menselijke persoon de herstelde eenheid tussen God en de mens. In dit verband lezen wij in de brief aan de Hebreeën : Hij heeft eens en voor altijd één enkel Offer gebracht voor onze zonden (Hebr.10,12).

            Het nederdalen uit de hemel, vermeld in het derde artikel van het Credo kan slechts in beperkte mate vergeleken worden met de Hemelvaart, nl. deze van de Kenose (de ontlediging) van de Zoon van God die begint met de incarnatie en eindigt met de Hemelvaart. Men mag ook niet vergeten dat de kenose niets gewijzigd heeft aan de inter-trinitaire relaties, want de drie-hypostatische God blijft onveranderlijk en bestendig, en dus is de Zoon ontologisch met de Vader  en de Heilige Geest verenigd buiten elke tijdelijke toevalligheid om. Anderzijds moet men het eigen karakter van de Hemelvaart onderlijnen, die gelegen is in de verheerlijking van de God-mens : Christus, de nieuwe Adam, is de Heer van een  vernieuwde mensheid, die, juist in Zijn persoon voortaan  in glorie zetelt aan de rechterhand van de Vader. Hierdoor merken wij dat de Verlossing niet eenvoudigweg een bevrijding betekent van de vervloeking die te wijten is aan de zonde, want de verheerlijking van de mensheid door Christus is definitief. Daarom kan de Apostel Paulus schrijven : Moge de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der glorie, u een geest van wijsheid en openbaring verlenen, opdat gij Hem moogt leren kennen. Hij verlichte de ogen van uw hart, opdat gij moogt inzien : welke de hoop is, waartoe Hij u geroepen heeft; welke de rijkdom der glorie is, die Hij aan de heiligen als erfenis schenkt; en welke de overweldigende grootte der kracht is, die Hij ons gelovigen ten dienste stelt. Dezelfde krachtige werking zijner Macht heeft Hij ook in Christus betoond, door Hem uit de doden op te wekken, en Hem te doen zetelen aan zijn rechterhand in de hemel : hoog boven alle heerschappij en macht en kracht en hoogheid, en boven elke naam die genoemd wordt in deze wereld niet alleen, maar ook in de toekomstige wereld.(Ef.1,17-21)

            De Hemelvaart is dus geenszins een uit-het-lichaam-treden van het goddelijk Woord, want in de geschiedenis van het heil zoals het zich ontplooit volgens het door God voorafbepaalde plan , is er geen regressieve beweging. De nieuw-testamentische leer van de Kerk, Lichaam van Christus, is slechts te begrijpen vanuit het geloof in de Hemelvaart en het Zitten aan de rechterhand van de Vader : Christus stort als het ware op een organische manier over de Kerk het goddelijk leven uit, krachtens het principe van de solidariteit tussen het hoofd en de ledematen : Hij (God-Vader) heeft alles onder zijn voeten gesteld. En Hij heeft Hem aan de Kerk geschonken als Hoofd van alles (Ef.1,22; cf. Koll.1,18).

            Men  moet , in een gezonde theologie, de kracht van deze affirmatie niet ontwijken, anders gaat men misschien ook andere schriftteksten hun echte betekenis ontnemen, zoals deze die de mogelijkheid verkondigen voor de leden van de Kerk om deelgenoten te worden aan de goddelijke natuur (2 Petr.1,4). Alleen door zich te richten op de leer van het kerkelijk Lichaam kunnen wij deze blijkbaar mysterieuze teksten uit het vierde Evangelie begrijpen : Voorwaar, voorwaar, ik zeg u : wie luistert naar mijn woord, en in Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, hij heeft het eeuwig leven, en in het gericht komt hij niet; maar hij is overgegaan van de dood naar het leven (Joh.5,24)

            Het is, omdat de Hemelvaart geen breuk is, dat Pinksteren er het noodzakelijk gevolg van is, zoals de Heer zelf het duidelijk bevestigt : Toch zeg ik u de waarheid : het is goed voor u dat Ik heenga. Want zo ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen; maar zo Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden.(Joh.16,7). Ofschoon wij Pinksteren een specifieke gebeurtenis noemen : de zending van de Heilige Geest vijftig dagen na Pasen, kan gans de tijd van  de Kerk die nu begint beschouwd worden als een eeuwigdurend Pinksteren, want gans het leven van de Kerk kan slechts begrepen worden in het perspectief van een optreden van de Heilige Geest. De celebrant vraagt in elke Liturgie aan God om ons Zijn Geest te zenden over het verzamelde volk en over de gaven.

            Christus heeft, door zichzelf te offeren, de mensheid met God verzoend. Door de Hemelvaart is deze mensheid verenigd met de godheid en zit in glorie aan de rechterzijde van de Vader. Het komt echter aan elke mens afzonderlijk toe om zich dit

Heil, geofferd in Jezus Christus, toe te eigenen, want anders zou de menselijke vrijheid  worden geschonden. God geeft ons het heil, maar hij legt het niet op. Na de Incarnatie, zoals ook daarvoor, wordt de mens in zonde geboren, als een slaaf van kwade machten, maar sedert de vervulling van het reddende werk van Christus, wordt hij geïntegreerd in de nieuwe schepping door lid te worden van het Lichaam van Christus. Daarom moet de mens ontvankelijk zijn voor de genade, want uit eigen kracht kan de mens niets beginnen. Het is dat wat de Kerk met overtuiging leert ten overstaan van de Pelagiaanse opvatting van het heil; maar deze noodzakelijke oorspronkelijke tussenkomst van God betekent niet dat de mens nu een passieve houding moet aannemen. Iedereen moet de woorden van Jezus voor ogen houden die Hij richt tot Zijn volgelingen van elke tijd : Zo iemand Mijn volgeling wil zijn, dan moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen (Matt,16,24 ; cf.Mc. 8,34  en Luc.9,23)  De oude mens achter zich laten om zich te bekleden met de nieuwe mens veronderstelt een voortdurende ascese, want indien het doopsel een verzaking betekent aan de satanische overheersing en een toewijding aan het Lichaam van Christus, moet men zonder ophouden strijden om datgene te bewaren wat is bereikt en het vruchten doen dragen. Nochtans vindt deze geestelijke hemelvaart, hoe moeilijk zij ook kan zijn, haar vervulling in de fundamentele optimistische sfeer van het Christendom, want de gelovige hoort de weerklank van deze woorden van de Heer, die zijn waakzaamheid levendig houden, en zijn hoop versterken: In de wereld hebt gij verdrukking te lijden; maar schept moed : Ik heb de wereld overwonnen ! (Joh.16,33)

ARTIKEL 7

"Hij zal wederkomen in heerlijkheid - om te oordelen levenden en doden en aan Zijn Rijk zal geen einde komen"

            Het geloof in de tweede komst van Christus is fundamenteel in het geheel van de christelijke leer, elke poging om het christendom te ‘de-ontologiseren' 't is te zeggen , om dit artikel van het geloof te schrappen of te minimaliseren, kan slechts beschouwd worden als een fundamentele vervalsing van de christelijke boodschap. Om de plaats dat dit dogma in de Kerk te begrijpen, moet men het plaatsen in haar werkelijk perspectief;  namelijk : de christelijke opvatting van de tijd en de geschiedenis doet zich voor als een horizontale lijn : er is een begin, de schepping, een tragische gebeurtenis, de val, een centrale gebeurtenis, de Menswording, en een einde met de tweede komst van Christus (parousie). Bijgevolg, zoals het offer van Christus een bijzonder moment was (Hebr.7,27) zo zal ook het laatste oordeel een enig en definitief karakter hebben. Dit is de vaste leer van de Kerk, en het is daarom dat het vijfde oecumenisch Concilie (553) een ganse reeks opinies van Origines heeft veroordeeld. Hij hield er een cyclische opvatting van de tijd op na, die  onverenigbaar zijn met de Openbaring. Fde eschatologische verwachting is een fundamenteel element van de orthodoxe sacramenten-theologie . Daarom is de bijeenkomst van de christenen voor de eucharistische Liturgie niet alleeen maar een gedenken van een voorbije gebeurtenis, geactualiseerd in het sacrament, maar het is ook een teken van de eschatologische verwachting  van de messiaanse gemeenschap die de Kerk is. Het is ook dat wat de apostel Paulus goed heeft onderlijnd  in zijn raadgevingen naar aanleiding van de instellingswoorden van het Heilige Avondmaal : "Telkens gij van dit brood eet en drinkt van deze beker, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt" (1 Kor.11,26). De eschatologische zinspeling is overigens zeer duidelijk in deze woorden van onze Heer, opgeschreven door Mattheüs : "En Ik zeg u : van nu af aan zal Ik de vrucht van de wijnstok niet meer drinken, tot op de dag, waarop ik ze hernieuwd  met u zal drinkenin het rijk van mijn Vader" (Matt.26,29). De eucharistische bijeenkomst is een voorafbeelding van de Kerkelijke bijeenkomst in het messiaanse Koninkrijk. In een zeer oud christelijk document, de Didachè (1e -2e eeuw), lezen wij volgende woorden die deze hoop prijzen : "Zoals dit gebroken brood verspreid was over de bergen, en bijeengebracht één werd, zo moge Uw Kerk bijeengebracht zijn vanaf het uiteinde der aarde tot Uw Koninkrijk....". En verder :" Gedenk Heer, Uw Kerk, om haar te bevrijden van alle kwaad en haar te voltooien in Uw Liefde. Verzamel haar, de geheiligde, uit de vier windstreken naar Uw Koninkrijk dat Gij haar bereid hebt"

            De eerste christenen leefden in het verlangen naar de wederkomst van Christus, en zij drukte het uit met de arameese beknopte formule, die de apostel Paulus ons geeft : Maranatha (1 Kor 16,22; Ap 22,17).  Niettemin heeft onze Heer zijn leerlingen gewaarschuwd tegen het verlangen om te weten wanneer dit wederkomen zou plaatsvinden (Matt 24,36 ; Hand.1,7). Paulus zegt ergens anders, namelijk, wanneer hij de Thessalonicensen aanspoort om waakzaam te zijn : Gij weet dDuidelijk, dat de Dag des Heren komt als een dief in de nacht (1 Thess.5,2). Christenen moeten altijd leven in de verwachting van de Parousie (wederkomst), maar dit afwachten mag niet veranderd worden in een ijdele nieuwsgierigheid om het goddelijk plan op dit punt te doorgronden. De Kerk vermijdt riscante, onbezonnen speculaties op bepaalde teksten, zoals verschillende passages uit het boek Daniël of uit de Apocalyps, terwijl bepaalde sekten van alle tijden er misbruik van hebben gemaakt en nog maken, hetzij, om mathematisch het moment van de Parousie te bepalen, hetzij om deze of die personnage onder hun tijdgenoten te ontmoedigen. Niet alleen zijn zulke speculaties in strijd met de voorschriften van de Heer, maar bovendien getuigen zij tegenover hen die zich hiertoe laten verleiden van een miskenning van de regels van de joodse apocalyptiek, zoals ze tegenwoordig  goed bekend zijn uit verschillende documenten die verschenen zijn tussen de 2e eeuw vóór en de 2e eeuw ná onze tijdrekening.

Wij hebben de verschillen benadrukt tussen de twee komsten van de Heer in de wereld : Terwijl de eerste is gebeurd in een toestand van kenose (ontlediging), zal de tweede aan allen de macht van God tonen. Het is dat wat in het Credo wordt onderlijnd met de term : ‘in heerlijkheid' :  het zal klaar en duidelijk zijn voor allen, maar ook het feit van het te belijden zal dan niet meer kunnen aangehaald worden als iets waar we recht op hebben. Met het einde van deze wereld zal de mogelijkheid ophouden van een wijziging , hoe dan ook; alles zal onveranderlijk gefixeerd zijn, op een absolute wijze want het is buiten-tijdelijk. Het is daarom dat Onze Heer heeft gezegd : "Dan zullen zij gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven". Het is ook aan dit absoluut buiten-tijdelijke dat Sint Jan verwijst in zijn Apocalyps, sprekend over de tweede dood (Apoc 20,13-15). Het laatste oordeel zal de totale triomf van Christus zijn  over alle krachten van de  kwade, die ondanks het kruis en de Verrijzenis hun onverbiddelijke mislukking niet wilden erkennen.

            Wij moeten hierbij de opmerking maken dat de Heilige Schrift, evenals het Credo, het kosmisch aspect van het laatste oordeel op de voorgrond stelt; Christus verschijnt hier als de Koning van het heelal. Zo lezen wij : "Wanneer dan de mensenzoon in Zijn heerlijkheid komt, en alle engelen met Hem, zal Hij plaats nemen op de troon zijner majesteit. En alle volkeren zullen vóór Hem worden vergaderd; maar Hij zal ze van elkander scheiden, zoals een herder scheiding maakt tussen schapen en bokken" (Matt 25,31-32 ; cf. Apoc. 20,11-15). De orthdodoxe iconografie heeft het thema van het oordeel op een verheven manier ontwikkeld, ofwel onder de vorm van de herder die de schapen scheidt van de bokken ( kerk van sint Apolinarius- de nieuwe te Ravenna, ca.520), hetzij vervolgens onder een meer realistische vorm : Chrustus, verschijnend op de wolken, tronend tussen de apostelen om levenden en doden te oordelen. Dit wordt opgeroepen door de engelen die op trompetten blazen (voorbeeld, de Dôme van Torcello,XIe eeuw).

            Het artikel van het Credo eindigt met volgende bevestiging : ‘En aan Zijn Rijk zal geen einde komen" Deze woorden die in onze geloofsbelijdenis voorkomen zoals ze afgekondigd zijn in de tijd van het IIe Oecumenisch Concilie (381), bevonden zich niet in de geloofsbelijdenis van de Vaders van Nicea (325).  Zij werden in het Credo geplaatst om de vreemde en dwalende opinie te weerleggen van Marcel van Ancyra, volgens dewelke het rijk van Christus zou eindigen met het einde der tijden. Zij schijnen opgenomen te zijn in het kader van zijn modalistische theologie, voor wie de Drieeenheid slechts een voorlopige wijze van bestaan is weggelegd, die uiteindelijk zou opgaan in een monade.

Reeds in het Credo van het concilie van de Dédicace, gehouden in Antiochië in 351, vinden wij de formule :"...en opnieuw komende om de levenden en doden te oordelen en Koning en God blijvend in eeuwigheid".

            In de stralende afwachting van de glorievolle terugkeer van de Heer, roept de christen uit : "Dat de genade komt en dat de wereld moge voorbijgaan" ‘Didachè), maar ook  zijn zwakheid als zondig  schepsel kennend, bidt hij nederig : "O God, wanneer Gij op aarde zult komen, wanneer alles zal beven, wanneer een stroom van vuur vanuit de rechtspraak zal komen, wanneer de boeken zullen geopend worden en de verborgen zaken aan het licht zullen komen, verlos mij dan, o rechtvaardige rechter

Van het onuitblusbaar vuur en maak mij waardig om aan Uw rechterzijde te mogen zitten" (Kondakion van de zondag van carnaval).

NB. De griekse term ‘Anamnêsis'kent geen equivalent in onze taal; ‘gedachtenis' is té zwak en geeft in geen geval de nuance weerd van het prefix ‘Ana'. In de protestantse opvatting van het Heilige Avondmaal wordt nochtans ‘Anamnêsis'opgevat als zuiver en alleen ‘gedachtenis'

(wordt vervolgd)

23:41 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.