22-01-08

Commentaar op de geloofsbelijdenis : deel 3


 


 

bannerLeftA_5_9

Commentaar op de geloofsbelijdenis - deel 3

(deel 1 en deel 2 - zie linkse kolom onder 'reeds verschenen artikelen)

ARTIKEL 7

 

"Hij zal wederkomen in heerlijkheid - om te oordelen levenden en doden en aan Zijn Rijk zal geen einde komen"

         Het geloof in de tweede komst van Christus is fundamenteel in het geheel van de christelijke leer, elke poging om het christendom te ‘de-ontologiseren' 't is te zeggen , om dit artikel van het geloof te schrappen of te minimaliseren, kan slechts beschouwd worden als een fundamentele vervalsing van de christelijke boodschap. Om de plaats dat dit dogma in de Kerk bekleedt te begrijpen, moet men het plaatsen in haar werkelijk perspectief;  namelijk : de christelijke opvatting van de tijd en de geschiedenis doet zich voor als een horizontale lijn : er is een begin, de schepping, een tragische gebeurtenis, de val, een centrale gebeurtenis, de Menswording, en een einde met de tweede komst van Christus (parousie). Bijgevolg, zoals het offer van Christus een bijzonder moment was (Hebr.7,27) zo zal ook het laatste oordeel een enig en definitief karakter hebben. Dit is de vaste leer van de Kerk, en het is daarom dat het vijfde oecumenisch Concilie (553) een ganse reeks opinies van Origines heeft veroordeeld. Hij hield er een cyclische opvatting van de tijd op na, die  onverenigbaar zijn met de Openbaring. De eschatologische verwachting is een fundamenteel element van de orthodoxe sacramenten-theologie . Daarom is de bijeenkomst van de christenen voor de eucharistische Liturgie niet alleen maar een gedenken van een voorbije gebeurtenis, geactualiseerd in het sacrament, maar het is ook een teken van de eschatologische verwachting  van de messiaanse gemeenschap die de Kerk is. Het is ook dat wat de apostel Paulus goed heeft onderlijnd  in zijn raadgevingen naar aanleiding van de instellingswoorden van het Heilige Avondmaal : "Telkens gij van dit brood eet en drinkt van deze beker, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt" (1 Kor.11,26). De eschatologische zinspeling is overigens zeer duidelijk in deze woorden van onze Heer, opgeschreven door Mattheüs : "En Ik zeg u : van nu af aan zal Ik de vrucht van de wijnstok niet meer drinken, tot op de dag, waarop ik ze hernieuwd  met u zal drinken in het rijk van mijn Vader" (Matt.26,29). De eucharistische bijeenkomst is een voorafbeelding van de Kerkelijke bijeenkomst in het messiaanse Koninkrijk. In een zeer oud christelijk document, de Didachè (1e -2e eeuw), lezen wij volgende woorden die deze hoop prijzen : "Zoals dit gebroken brood verspreid was over de bergen, en bijeengebracht één werd, zo moge Uw Kerk bijeengebracht zijn vanaf het uiteinde der aarde tot Uw Koninkrijk....". En verder :" Gedenk Heer, Uw Kerk, om haar te bevrijden van alle kwaad en haar te voltooien in Uw Liefde. Verzamel haar, de geheiligde, uit de vier windstreken naar Uw Koninkrijk dat Gij haar bereid hebt"

         De eerste christenen leefden in het verlangen naar de wederkomst van Christus, en zij drukten het uit met de arameese beknopte formule, die de apostel Paulus ons geeft : Maranatha (1 Kor 16,22; Ap 22,17).  Niettemin heeft onze Heer zijn leerlingen gewaarschuwd tegen het verlangen om te weten wanneer dit wederkomen zou plaatsvinden (Matt 24,36 ; Hand.1,7). Paulus zegt ergens anders, namelijk, wanneer hij de Thessalonicensen aanspoort om waakzaam te zijn : "Gij weet Duidelijk, dat de Dag des Heren komt als een dief in de nacht" (1 Thess.5,2). Christenen moeten altijd leven in de verwachting van de Parousie (wederkomst), maar dit afwachten mag niet uitgroeien tot een ijdele nieuwsgierigheid om het goddelijk plan op dit punt te doorgronden. De Kerk vermijdt riskante, onbezonnen speculaties op bepaalde teksten, zoals verschillende passages uit het boek Daniël of uit de Apocalyps, terwijl bepaalde sekten van alle tijden er misbruik van hebben gemaakt en nog maken, hetzij, om mathematisch het moment van de Parousie te bepalen, hetzij om deze of die personnage onder hun tijdgenoten te ontluisteren. Niet alleen zijn zulke speculaties in strijd met de voorschriften van de Heer, maar bovendien getuigen zij tegenover hen die zich hiertoe laten verleiden, van een miskenning van de regels van de joodse apocalyptiek, zoals ze tegenwoordig  goed bekend zijn uit verschillende documenten die verschenen zijn tussen de 2e eeuw vóór en de 2e eeuw ná onze tijdrekening.

Wij hebben de verschillen benadrukt tussen de twee komsten van de Heer in de wereld : Terwijl de eerste is gebeurd in een toestand van kenose (ontlediging), zal de tweede aan allen de macht van God tonen. Het is dat wat in het Credo wordt onderlijnd met de term : ‘in heerlijkheid' :  het zal klaar en duidelijk zijn voor allen, maar ook het feit van het te belijden zal dan niet meer kunnen aangehaald worden als iets waar we recht op hebben. Met het einde van deze wereld zal de mogelijkheid ophouden van nog te kunnen veranderen , hoe dan ook; alles zal onveranderlijk vastgelegd zijn, op een absolute wijze want het is buiten-tijdelijk. Het is daarom dat Onze Heer heeft gezegd : "Dan zullen zij gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven". Het is ook naar dit absoluut buiten-tijdelijke dat Sint Jan verwijst in zijn Apocalyps, sprekend over de tweede dood (Apoc 20,13-15). Het laatste oordeel zal de totale triomf van Christus zijn  over alle krachten van de  kwade, die ondanks het kruis en de Verrijzenis hun onverbiddelijke mislukking niet wilden erkennen.

         Wij moeten hierbij de opmerking maken dat de Heilige Schrift, evenals het Credo, het kosmisch aspect van het laatste oordeel op de voorgrond stelt; Christus verschijnt hier als de Koning van het heelal. Zo lezen wij : "Wanneer dan de mensenzoon in Zijn heerlijkheid komt, en alle engelen met Hem, zal Hij plaats nemen op de troon zijner majesteit. En alle volkeren zullen vóór Hem worden vergaderd; maar Hij zal ze van elkander scheiden, zoals een herder scheiding maakt tussen schapen en bokken" (Matt: 25,31-32 ; cf. Apoc.20,11-15)

De orthdodoxe iconografie heeft het thema van het oordeel op een verheven manier ontwikkeld, ofwel onder de vorm van de herder die de schapen scheidt van de bokken ( kerk van sint Apolinarius- de nieuwe te Ravenna, ca.520), hetzij onder een meer realistische vorm : Christus, verschijnend op de wolken, tronend tussen de apostelen om    levenden en doden te oordelen. Dit wordt opgeroepen door de engelen die op trompetten blazen (voorbeeld, de Dôme van Torcello,XIe eeuw).  

Het artikel van het Credo eindigt met volgende bevestiging : ‘En aan Zijn Rijk zal geen einde komen" Deze woorden die in onze geloofsbelijdenis voorkomen zoals ze afgekondigd zijn in de tijd van het 2e  Oecumenisch      Concilie (381), bevonden zich niet in de geloofsbelijdenis van de Vaders van Nicea (325).  Zij werden in het Credo geplaatst om de vreemde en dwalende opinie te weerleggen van Marcel van Ancyra, volgens welke het rijk van Christus zou eindigen met het einde der tijden. Zij schijnen opgenomen te zijn in het kader van zijn modalistische theologie, voor wie de Drie-eenheid slechts een voorlopige wijze van (bestaan is weggelegd, die uiteindelijk zou opgaan in een monade.

Reeds in het Credo van het concilie van de Dedicacering, gehouden in Antiochië in 351, vinden wij de formule : "...en opnieuw komende om de levenden en doden te oordelen en Koning en God blijvend in eeuwigheid".

         In de stralende afwachting van de glorievolle terugkeer van de Heer, roept de christen uit : "Dat de genade kome en dat de wereld moge voorbijgaan" (‘Didachè), maar ook  zijn zwakheid als zondig  schepsel kennend, bidt hij nederig : "O God, wanneer Gij op aarde zult komen, wanneer alles zal beven, wanneer een stroom van vuur vanuit de rechtspraak zal komen, wanneer de boeken zullen geopend worden en de verborgen zaken aan het licht zullen komen, verlos mij dan, o rechtvaardige rechter van het onuitblusbaar vuur en maak mij waardig om aan Uw rechterzijde te mogen zitten" (Kondakion van de zondag van carnaval).

NB. De griekse term ‘Anamnêsis' kent geen equivalent in onze taal; ‘gedachtenis' is té zwak en geeft in geen geval de nuance weer van het prefix ‘Ana'. In de protestantse opvatting van het Heilige Avondmaal wordt nochtans ‘Anamnêsis'opgevat als zuiver en alleen ‘gedachtenis'

ARTIKEL 8

Ik geloof in de Heilige Geest

Die Heer is en het leven geeft-

Die voortkomt uit de Vader.

Die met de Vader en de Zoon

tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt.

Die gesproken heeft door de profeten.

         Nadat het geloof in de persoon en het werk van Onze Heer Jezus Christus door de Kerk werd verkondigd, drukt de Kerk in dit artikel haar geloof uit in de derde Persoon van de Heilige Drie-eenheid. De Vaders van het 1e Oecumenisch concilie hadden enkel het geloof van de Kerk in het bestaan van de Heilige Geest naar voor gebracht. Dit komt, omdat zij vooral hun aandacht wilden vestigen op de goddelijkheid van het Woord, een punt waarop er een aanvaring was tussen de Katholieke Orthodoxie en het arianisme. Nochtans konden de ontwikkelingen van deze controverse niet nalaten om ook over de pneumatologie te praten, want het waren niet alleen de arianen die de goddelijkheid van de Heilige Geest ontkenden, maar ook sommige Christenen, die wel het dogma van arianen betreffende het Woord verwierpen, maar de consubstantialiteit van de Geest niet aannamen. Ook de Vaders van die periode moesten de orthodoxe leer verdedigen betreffende de derde persoon van de Heilige Drie-eenheid en als gevolg daarvan de inter-Trinitaire relaties. Het tweede oecumenisch Concilie van 380, herhaalde de veroordeling van het arianisme onder al zijn vormen en het veroordeelde in het bijzonder de ketterij van Macedonius, die de goddelijkheid van de Heilige Geest ontkende. Als de Kerkvaders ten volle de goddelijkheid van de derde persoon van de Drie-eenheid hebben verklaard, dan hebben ze toch, om sommige conservatieven te sparen die vijandig stonden tegenover elke vernieuwing de termen ‘God' en ‘consubtantieel' niet ingevoegd in het Credo betreffende de Heilige Geest, zelfs al drukte het op een adequate manier het constante geloof van de Kerk uit. Deze voorzichtigheid droeg vruchten en de ketterij van de ‘pseumatomaten' ('t is te zeggen : zij die de Geest bestreden) werd vernietigd en de trinitaire terminologie werd definitief vastgelegd.

         Het christelijk geloof over de Heilige Geest als onderscheiden persoon van de Heilige Drieeenheid heeft zijn fundament in de Nieuw-Testamentische openbaring en op de eerste plaats in deze woorden van de Heer ; Gaat dus heen, onderwijst  alle volkeren en doopt hen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest (Matt.27,19).

         Het Oude Testament kende zeker de Geest van God als een werkende kracht en, in de visie van de profeten is het einde der tijden gekarakteriseerd door de uitstorting van de Heilige Geest (cf Jes.44,3 en Joël 2,28), maar het is in het Nieuwe Testament dat het Woord en de Geest worden gekend als Personen.

         Zonder te verzaken aan het strikte monotheïsme van de openbaring op de Sinaï en volledig het principe van de numerieke eenheid van de Godheid te bevestigen, belijdt het christendom dat dit monotheïsme niet één-persoonlijk is, maar trinitair.

         Deze vooruitgang in de benadering van het goddelijk mysterie is duidelijk in het licht gesteld in een bewonderenswaardige passage van de Heilige Gregorius van Nazianza : " Het Oude Testament, schrijft hij, heeft duidelijk de Vader geopenbaard en op verborgen wijze de Zoon. Het Nieuwe Testament heeft de Zoon geopenbaard en heeft de godheid van de Heilige Geest geïnsinueerd. Vandaag leeft de Heilige Geest onder ons en doet Hij zich duidelijker kennen. Want het zou gevaarlijk geweest zijn indien de Vader nog niet zou gekend zijn, om openlijk de Zoon te verkondigen, en indien de godheid van de Zoon niet aanvaard zou zijn dan zou het niet toegelaten geweest zijn om de Heilige Geest, als een soort bijvoegsel, op te dringen...Het was dus passend, om door middel van gedeeltelijke  aanvullingen, en, zoals David het zei:  door voortdurende opgang van heerlijkheid naar heerlijkheid  dat de Drie-eenheid geleidelijk zal stralen.... De Redder kende verschillende dingen die Zijn leerlingen nu nog niet konden verdragen, alhoewel ze reeds vervuld waren van een overvloedige leer...en Hij herinnerde hen eraan, dat de Geest bij Zijn komst hen alles zou leren. Ik denk dat één van deze dingen de goddelijkheid  van de Heilige Geest zelf was" (Orat.31-theol.V,24-26).

In de Heilige Geest is de Vader de bron van de godheid. De Zoon heeft Zijn essentie in de Vader uit wie Hij ‘ontstaan' is en de Heilige Geest ‘komt voort' uit de Vader. Het is daarom dat, in overeenstemming met de Leer van de Redder zelf (Joh.15,26), het Credo bevestigt   dat de Heilige Geest voortkomt uit de Vader. Het verschil tussen Zoon en Geest, op het vlak van de wijze van bestaan (Tropos tês hyparxeôs), heeft een hypostatisch onderscheid tot gevolg. De Kerk legt de nadruk op dit punt, maar tegelijkertijd belijden de Kerkvaders de onmogelijkheid voor de menselijke geest om te begrijpen waaruit dit onderscheid bestaat. De Heilige Gregorius van Nazianza schrijft : "Gij vraagt wat de ‘voortkomst' van de Heilige Geest is ? Zeg mij eerst wat het van eeuwigheid bestaan van de Vader is, dan zal ik u op mijn beurt uitleggen wat het ‘ontstaan' van de Zoon  en het ‘voortkomen' van de Heilige Geest is. Dan zullen we allebei getroffen worden door dwaasheid, omdat we het mysterie van God willen doorgronden" (Orat.31,8).

         De heilige Johannes van Damascus zegt op beknopte wijze :  "Geen enkele intellectuele inspanning kan ons het hoe van het ontstaan en het voortkomen  geven" (De fide orth.1,8). In het westen daarentegen heeft de scholastieke theologie getracht om een uitleg te geven van het ontstaan en het voortkomen, vertrekkend vanuit psychologische analogieën. Het is waar dat sint Augustinus reeds deze methode heeft gebruikt, alleen, de bisschop van hippo had er niets anders dan vergelijkingen  in gezien  om de menselijke geest een zekere benadering te geven van wat het trinitaire mysterie inhoudt en zeker geen rationele uitleg van de inter-trinitaire relaties. Hij schrijft ergens : "Wat het verschil betreft tussen ontstaan en voortkomen, weet ik niet, en kan ik niet weten en het zou niet volstaan" (C.maxim.11,14).

                  De Orthodoxe Kerk beschouwd als een bruikbaar en toereikende uitdrukking van haar geloof de formule ‘handelend vanuit de toorn'. Ten overstaan van de ketters die beweerden dat de Geest slechts een schepsel was, legden de verdedigers van de Orthodoxie het accent op het feit dat de Heilige Geest rechtstreeks zijn bestaan heeft uit de Vader. Het is in deze zin dat de heilige Gregorius van Nazianza verklaart :  "De Heilige geest die voortkomt uit de Vader, is door het feit zelf dat Hij voortkomt, geen schepsel" (Orat.31,8).

                                                                                                                          In het Westen is de trinitaire theologie vanaf de 5e eeuw een andere richting ingegaan : om de goddelijkheid van de Zoon te staven tegenover  het arianisme en om de relatie tussen de Heilige Geest en de Zoon te onderlijnen, is men begonnen met te bevestigen - eerst sporadisch, vervolgens systematisch - dat de Heilige Geest voortkomt uit de Vader en de Zoon (filioque). Parallel met de ontwikkeling van deze opvatting, eerst in Spanje, vervolgens in Gallië en in Duitsland, was men niet bang om met deze toevoeging van het filioque, het universele symbolum van het geloof te veranderen. Rome veroordeelde deze toevoeging. Maar in het begin van de 11e eeuw, toen het pausdom volledig afhankelijk was van de Duitse keizers, werd deze toevoeging in Rome zelf ingevoerd. Dit was om twee redenen te veroordelen. Vooreerst : deze toevoeging  was een leerstelling dat geen enkel fundament had in de Bijbel, vervolgens, deze wijziging van de tekst van het Credo werd eenzijdig door de Kerk van het Westen gedaan, die hiermee het principe van Katholiciteit en conciliariteit heeft geschonden.

            Indien de Heilige Geest alleen uit de Vader voortkomt, volgt daaruit niet dat Hij vreemd is aan de Zoon; daarom schrijft de Heilige Johannes van Damascus : "Wij zeggen ook dat de Heilige Geest voortkomt uit de Vader en wij noemen Hem de Geest van de Vader. Wij zeggen niet dat hij voortkomt uit de Zoon, maar wel dat Hij de Geest van de Zoon is"(De fide orth., 1,8). In het bewonderenswaardig symbolum van de Heilige Gregorios van Nieuw-Caesarea (3e eeuw), lezen wij : " En één enkele Heilige Geest, die vanuit God ('t is te zeggen uit de Vader) zijn bestaan heeft en die zich aan de mensen openbaart door de Zoon, volmaakt beeld van de volmaakte Zoon, leven dat  oorzaak is van de levenden,heilige bron, heiligheid die de heiliging voortbrengt, in wie God de Vader zich heeft geopenbaard, die boven alles en in alles is, en de Zoon door wie alles (is)". Dus, als in de ontologische en eeuwige orde de Geest voortkomt uit de Vader, in de orde van de zending wordt Hij geopenbaard door de Zoon : "Wij belijden, schrijft de heilige Johannes van Damascus dat Hij ( de Heilige Geest) ons gegeven is en geopenbaard door de Zoon" (De fide orth.,ibid).

            De Heilige Geest is de bron van alle heiliging : voor Zijn lijden heeft de Heer de komst van de Geest aangekondigd, en deze belofte is met Pinksteren gerealiseerd.  Het leven van de Kerk is niets anders dan deze eeuwigdurende gebeurtenis, vooral door de sacramenten. Het is de aanwezigheid van de Heilige Geest die het fundamentele onderscheid uitmaakt in haar handelswijze tussen de Kerk, en  alle andere samenlevingsvormen, en het geeft haar een serene zekerheid middenin moeilijkheden.

            De Heilige Geest is de werkende kracht voor de heiliging van iedere christen : het is door het ontvangen van de genade van de Heilige Geest, dat wij kunnen roepen, terwijl wij ons tot God richten , Abba, Vader (Rom,7,15 en Galaten 4,6). Het is daarom dat Sint Paulus de Heilige Geest, de Geest van adoptie noemt : "De Geest zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen zijn van God (Rom,8,16).

            In het Credo belijden wij dat de Geest de Levengever is, want de genade die hij ons geeft maakt ons deelachtig aan Gods natuur (2 Petrus 1,4). Dit moet niet geïnterpreteerd worden  in pantheïstische zin, maar we moeten er toch ook voor opletten dat men de bijbel niet ontdoet van zijn ware betekenis door deze uitdrukking te zien als een beeldspraak : het is om die reden dat de orthodoxe Kerk, om de leer over de transcendentie van God te bewaren en terzelfdertijd de mogelijkheid tot deificatie van de geschapen zijnden te bevestigen, met vastberadenheid het onderscheid leert tussen de onmededeelbare essentie en de goddelijke energieën die voor mensen wél toegankelijk zijn. Het is deze vergoddelijkende genade die reeds in deze eeuw diegenen verlicht die zich door ascese losmaken van de ijdelheden van deze wereld, en het is deze vergoddelijkende genade die na de tweede wederkomst de totaliteit van de kosmos zal verheerlijken en Christus' overwinning zich zal openbaren. In het licht  en de liefde zullen schepsel en Schepper zich verenigen.

ARTIKEL 9

En in één, Heilige,Katholieke en Apostolische Kerk

            Door de Kerk voor te stellen als het voorwerp van ons geloof, herinnert het Credo ons eraan dat zij niet enkel een vereniging is van gelovigen, maar een voorname plaats inneemt in de geschiedenis van het heil. Gedurende zijn aards onderricht, verkondigt de Heer zelf dat Hij er de stichter van zal zijn (Matt 15,18) en vele nieuw-testamentische teksten verkondigen dat Christus er de aanvoerder van is (vb.Ef.1,22). De griekse term ekklèsia wordt in het Oude Testament gebruikt om de hebreeuwse tekst qahal  weer te geven, wat betekent de verzameling van Israël en de oproep van God. Zo lezen wij in Deuteronomium : "Waak dus met de grootste zorg om niets te vergeten, van wat uw eigen ogen hebben aanschouwd....Eens heb je op de Horeb voor het aanschijn van Jahweh, uw God gestaan, terwijl Jahweh tot mij sprak : Verzamel (Ekklèsiason)het volk voor Mij; ik zal hen mijn woorden doen horen, opdat ze leren mogen....Hij openbaarde u zijn Verbond, de tien geboden die Hij op twee stenen tafelen schreef..."(Deut.4,9-13). De term Qahal-Ecclèsia vindt men terug om de plechtige vergaderingen van het volk aan te duiden te Jeruzalem. Wat wij dus moeten onthouden is, dat de term nooit gebruikt werd in een profane context. Dit stemt overeen  met het gebruik ervan in het Nieuwe Testament en in de oude christelijke literatuur, alsook wanneer het deze bepaalde gemeenschap aanduidt of wanneer het geheel van de gelovigen wordt aangeduid. Elders vindt men dikwijls de uitdrukking Kerk van God (vb.1Cor.1,2)

            De Kerk wordt in het Credo genoemd als zijnde één, Heilig, Katholiek en Apostolisch. Deze karakteristieken van de Kerk vormen één onscheidbaar geheel, want het ene kan niet zonder het andere. Alhoewel zij onderscheiden zijn, toch zou men geen enkel onder hen buiten beschouwing kunnen laten. Anders gezegd, het niet-aanvaarden of de verwaarlozen van één onder hen heeft zijn uitwerking op de anderen. Als voorbeeld : de orthodoxe opvatting van de eenheid is verbonden met een zeker begrip van katholiciteit. Het is niet voor niets dat de heilige Cyprianos van Carthago zijn werk, gericht tegen de dissidenten ‘De eenheid van de katholieke Kerk' noemt.

            Wanneer men de leer van de Kerk nader wil bekijken, dan moet men opletten voor onduidelijkheden en dubbelzinnige begrippen. Twee extremen moet men vermijden : enerzijds, een té spirituele opvatting van de Kerk, die de ganse sociale en institutionele realiteit ter zijde laat onder voorwendsel het formalisme te vermijden, anderzijds, een té uitgesproken institutionalisme die zich boven het spirituele wil stellen. In feite kunnen deze twee exessen trouwens  als één geheel gezien worden, zoals dit het geval is in de ecclesiologieën waar men een zekere dualiteit toelaat tussen de spirituele Kerk van de uitverkorenen enerzijds, en de institutionele gemeenschappen anderzijds.

            De Kerk is één : Onze Heer Jezus Christus heeft slechts één Kerk gesticht. Hij heeft haar beloofd ze niet in de steek te laten, ze is ten volle de bewaarster van de evangelische boodschap. Deze bevestiging was in de oudheid zo, maar ze is  het ook nu nog  voor de christenen die trouw zijn gebleven aan de gegronde waarheid van de

traditie. Men kan niet ‘vele' kerken hebben, want er bestaan toch geen verschillende waarheden. Het is waar, dat men dikwijls spreekt over ‘kerken' om de lokale gemeenschappen aan te duiden. Dit is in overeenstemming met wat reeds het gebruik was in de apostolische tijd, maar deze pluraliteit heeft niets anders te betekenen dan de celebraties in de verschillende plaatsen van de eucharistische liturgie, die echter geen verdeelheid van Christus inhouden. Het is totaal anders, wanneer men de term ‘Kerk' gebruikt, om de dissidente christelijke gemeenschappen aan te duiden. In dit geval is er geen speciale theologische betekenis aan te geven, maar de term is er alleen voor een religieus christelijke gemeenschap ( het behoort niet tot ons onderwerp om de betrekkingen tussen de orthodoxe Kerk en de heterodoxe christelijke gemeenschappen te behandelen. Wij moeten echter verduidelijken dat wij geenszins het bestaan van een min of meer grote ‘kerkelijkheid' ontkennen in elk van deze dissidente gemeenschappen. In elk geval kan dergelijk onderwerp, zelf oppervlakkig, niet in enkele regels benaderd worden).

            Wanneer wij zeggen dat de Kerk één is, dan verstaan we dat in de volste zin van het woord. Deze eenheid is er vooreerst in de tijd : de Kerk van vandaag is in haar essentie dezelfde als die van de Apostelen en de Heilige Vaders van de eerste eeuwen. Zij is vervolgens ruimtelijk één : de locale Kerken die het zuivere orthodoxe geloof belijden en trouw de apostolische succesie bewaren zijn in communio  met elkaar en hebben dezelfde leider, Christus.

            De Kerk is heilige. Wij hebben in de Heilige Schriften gezien wat de betekenis is van de term qahal-ekklèsia : de kerk is dus heilig omdat ze gesticht is door Christus en dus exclusief in dienst staat van God. Zij is de stralende bruid, zonder smet noch rimpel of iets van die aard, maar heilig en zonder enige smet (Ef 5,27). Clemens van Alexandrië (3e eeuw)schrijft deze diepe wijsheid :  " Indien men ofwel God zelf, hetzij het gebouw dat opgericht is ter Zijner eer heilig noemt, hoe zouden wij dan ook de Kerk niet bijzonder heilig kunnen noemen, zij die het geworden is, volgens ons kennen, voor de glorie van God ?"(Stromates VII,5,23). De Kerk is heilig door haar roeping, zij is de draagster van de genade die de Heilige Geest sedert de dag van Pinksteren onophoudelijk over haar uitstrooit . Deze genade wordt

medegedeeld aan elk van haar leden, vooreerst door de doop, vervolgens door de andere sacramenten : het leven in de Kerk is een leven in Christus en niets anders. Daarom ook is dit leven altijd een ascese, het sluit elke passiviteit uit, want het komt ieder toe om de mogelijkheden te ontwikkelen die hem gegeven zijn door zijn lidmaatschap van de Kerk, Lichaam van Christus.

            De Kerk is Katholiek :  Indien in de profane griekse taal deze term niets anders aanduidt dan ‘universeel', dan heeft zij in de taal van de Kerk een bijzondere kleur gekregen : de Katholiciteit is een kenmerk dat de Kerk bezat toen zij slechts een groepje palestijnse leerlingen groepeerde. Nu is ze verspreid is over de vijf continenten. Het  Goede Nieuws van het heil, gebracht door Jezus Christus, is er voor gans de mensheid (Mt 27,19-20). In Christus is elk onderscheid van ras en cultuur opgeheven, zoals de Apostel Paulus schrijft : "Neen, er bestaat geen onderscheid tussen jood en griek; Hij toch is dezelfde Heer voor allen; rijk voor allen die Hem aanroepen" (Rom 10,12). Deze kerkelijke universaliteit is een volheid, waar, conform met de orthodox christelijke leer, ieder persoon de mogelijkheid heeft om zich te ontwikkelen, want de tegenstelling tussen een bepaald deel en het geheel is door de Kerk overstegen. In de Kerk weerspiegelt het leven dit van de éne en drie-ene tegelijk. De katholiciteit is ook een negatie van het sectaire particularisme. Het is zelfs dit aspect dat het meest benadrukt wordt in de oudste patristieke teksten waar het woord katholiek gebruikt wordt. Zo vindt men in het geschrift ‘Martelaarschap van de heilige Polycarpus' ( 2e eeuw)de formule : "De Kerk van God in Smyrna, aan de Kerk van God te Philomelium, en aan alle gemeenschappen van de wereld die behoren tot de heilige Katholieke Kerk...". In het midden van de 2e eeuw, antwoordde de martelaar Pionius, op vraag van de rechter, dat hij Christen was, maar dit antwoord leek onvoldoende. Toen men hem dan vroeg tot welke Kerk hij behoorde, antwoordde Pionius :  "tot de Katholieke Kerk". De term "Katholiek" staat hier voor de waarachtige Kerk die door Christus gesticht is. Het is de term die men onveranderd terugvindt in de conciliaire documenten en vooral in het dogmatisch dekreet van de Vaders van het eerste Oecumenisch Concilie (325).

De Kerk is apostolisch :  Zij is het, omdat zij gebouwd is op het fundament van de apostelen, en omdat ze trouw de leer van de Heer, ons doorgegeven door de Apostelen, bewaard heeft. In deze zin is ‘apostoliciteit' synoniem met ‘authenticiteit'.  Daarom kan de apostoliciteit in zijn volheid slechts behoren tot de ‘Unam Sanctam', die de orthodoxe Kerk is. De materiële continuïteit in de apostolische opvolging is een noodzakelijke voorwaarde, maar zeker niet voldoende. De wettelijke opvolgers van de Apostelen zijn de bisschoppen die trouw waken over de apostolische leer. Hen komt het recht toe om het woord van waarheid te verkondigen en de Traditie te verklaren, zij zijn het ook die individueel of collectief de macht hebben om te onderrichten (potestas docendi). De bisschoppen als opvolgers van de apostelen, en de priesters die hun gedelegeerden zijn, offeren in naam van de Kerk het onbevlekte slachtoffer, want aan hen is ook het woord van de Heer gericht : Doe dit ter gedachtenis aan Mij (Luc 22,19). Zij hebben de macht om te binden en te ontbinden en de taak om de kudde spiritueel te hoeden die hen door God  is toevertrouwd. Er is binnen de orthodoxe Kerk nooit twijfel ontstaan over het feit dat het episcopaat niet behoort het ‘bene esse'(wel-stand /zijn) of aan het ‘plenum esse''(volheid) van de Kerk , maar aan haar natuur zelf. Het is daarom dat de heilige Ignatius van Antiochië zo ver gaat om te schrijven, dat men de ‘ bisschop moet zien als de Heer zelf' (Brief aan de Efesiërs V,1). Dit wil daarom nog niet zeggen dat de bisschop een arbitraire macht heeft. Ook hij moet gehecht zijn aan de Traditie van de Kerk en in zichtbare communio met het geheel van het orthodox episcopaat, aan wie  de volheid van de macht toekomt, overeenkomstig de conciliaire structuur  van de Kerk, erfgenaam van de  apostolische gemeenschap. Anderzijds, indien op grond van het charismatisch leergezag, inclusief de apostolische successie, de wettige bisschoppen het exclusieve voorrecht hebben om officieel het door de Kerk voortdurend beleden geloof uitdrukkelijk te formuleren, en als logische gevolgtrekking daarvan ook de macht hebben om te excommuniceren, toch is het aan gans het christenvolk  dat de taak is weggelegd om het Geloof te verdedigen tegen elke misvorming. Trouwens, het is in de éénheid van de herders en de ganse christelijke gemeenschap, in trouw aan de boodschap van de Heer en het apostolisch geloof dat de katholieke éénheid  van de Heilige Kerk van God zich manifesteert.

Uit : commentaar op de geloofsbelijdenis : Vadimir Losky en Pierre L'Huillier. Vertaling : Kris B.( Wordt vervolgd.)

icnika_icon

11:48 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.