15-02-08

OVER HET GEBED : Metropoliet Anthony

 


 OVER HET GEBED

De visie van Metropoliet Anthony  

ma1n

 Het is opvallend hoeveel boeken er tegenwoordig verschijnen over het gebed. Iedereen, die zich enigszins in deze materie verdiept, kan de nodige auteurs en titels noemen. De meesten van hen zijn westerlingen, hoewel ook de schrijvers uit Zuid-Oost-Azië en uit het Verre Oosten in het middelpunt van de belangstelling staan. Het is echter verheugend, dat ook de Orthodoxie een stevig woord meespreekt. Een van de meest prominente schrijvers in de westerse wereld is de Russische exarch in West-Europa, Anthony Bloom, Metropoliet van Soerozj.Van zijn hand verschenen de volgende werken over het gebed:- Living Prayer, 1966 (Nederlandse titel: Tijd voor gebed, 1973),- School for Prayer, 1970 (Nederlandse titel: De weg naar binnen, 1972),- God and Man, 1971,- Meditations on a Theme, 1972. 7RGCAF3V1DCCABD7CSKCAPLBSMVCAS6TTMMCAG1X77PCAH5QZF9CA3ZYB9MCAHV7J6XCAEWH9TICACNAP4RCAR6ZZ5FCAKG4K0DCA7WPR9XCAXIX07XCAUAIWESCAOW7X8ZCAGYG1DXCAZ79U1V
Deze werken zijn voor een groot gedeelte de neerslag van televisietoespraken, die metropoliet Anthony voor de BBC gehouden heeft. Het is gebleken, dat deze toespraken een zeer grote belangstelling genoten hebben. De daaruit voortgekomen boeken zijn bestsellers geworden. Dit alles doet de volgende vragen rijzen: wie is eigenlijk Metropoliet Anthony Bloom en wat is de reden, dat zijn gedachten zo aanslaan? 

De levensweg van Metropoliet Anthony.

 Anthony Bloom werd op 19 juni 1914 te Lausanne geboren. Zijn vader was lid van het corps diplomatique van het Russische keizerrijk. Zijn moeder was de zuster van de bekende Russische componist Aleksandr Skrjabin. Tijdens de verwarde dagen van de uitbrekende eerste wereldoorlog keerde het gezin Bloom naar Rusland terug. Daarop volgde een diplomatieke post in Perzië. Tijdens de Russische revolutie moest het gezin Perzië verlaten. Na een avontuurlijke zwerftocht door het Midden-Oosten belandden de Blooms in India. Een wrakke boot bracht hen vandaar naar Gibraltar en na een lange omzwerving door Europa vestigde het gezin zich in 1923 uiteindelijk in Frankrijk. Over de religieuze sfeer in het gezin Bloom is in de geschriften van Metropoliet Anthony niet veel te vinden. De vele jaren van omzwervingen hebben een regelmatig kerkelijk leven uiteraard onmogelijk gemaakt. Van zijn vader citeert hij de volgende uitspraak, die diepe indruk op hem gemaakt heeft: “Vergeet nooit, dat  het er niets toe doet of je leeft of sterft. Wat ter zake doet is alleen waarvoor je leeft en waarvoor je bereid bent te sterven”.  (De weg naar binnen, p. 9) Op zich genomen heeft deze uitspraak nog geen religieuze strekking. Van zijn moeder zegt hij, dat zij een wondere vrouw was: heel eenvoudig en open. Zij was het ook, die hem in het kritieke jaar van zijn leven het Evangelie in handen gaf. Dat kritieke jaar moet omstreeks 1930 gelegen hebben. “Tot aan die tijd”,  zegt hij, “was ik ongelovig en erg agressief antikerkelijk. Ik kende geen God, en alles wat met de idee van God te maken had, interesseerde me niet en haatte ik zelfs” (“De weg naar binnen”, p. 11).  Een religieuze invloed van zijn ouders was nauwelijks mogelijk, aangezien het gezin in Parijs geen gemeenschappelijke woning bezat en Anthony naar een kostschool gestuurd werd. Rond 1930 echter kreeg het gezin een eigen woning. De jonge Anthony voelde zich daardoor geconfronteerd met ‘volmaakt geluk’, maar ervoer tevens, dat geluk ondraaglijk is, als het niet ergens op gericht staat. Daarom nam hij het besluit zichzelf een jaar te geven om te zien of het geluk en het leven überhaupt enige zin hadden. Als hij in de loop van dat jaar geen enkele zin kon vinden, zou hij zelfmoord plegen. Volkomen onverwacht kwam er licht in de duisternis. Op een bijeenkomst van de Russische jeugdbeweging in Parijs, waar hij alleen maar uit fatsoen naar toe gegaan was, sprak een priester over Christus en over het christendom. Hij deed dat op een manier, die Anthony ten zeerste afstootte. Thuis gekomen vroeg hij aan zijn moeder het Evangelie en begon hij Markus te lezen. “Toen ik het begin van het Markusevangelie zat te lezen”, zo luiden zijn eigen woorden, “bemerkte ik, nog voordat ik bij het derde hoofdstuk aankwam, plotseling, dat er aan de andere kant van de tafel iemand aanwezig was. En de zekerheid, dat het Christus was die daar stond, was zo sterk, dat zij mij altijd is bijgebleven… Ik werd er in mijzelf volkomen zeker van dat Christus leeft en dat aan bepaalde dingen geen twijfel mogelijk is”  (Id. blz. 13-14). Na de middelbare school ging Anthony naar de Sorbonne, waar hij natuurkunde, scheikunde en biologie studeerde. Na te zijn afgestudeerd ging hij medicijnen doen, welke studie hij in 1939 voltooide. Omdat hij in 1937 de Franse nationaliteit had aangenomen, moest hij in de oorlog dienst doen als legerarts. Tevens nam hij actief deel aan het ondergronds verzet. Tijdens en na de oorlog zette hij zijn artsenpraktijk voort, maar er kam een nieuwe dimensie in zijn bestaan, doordat hij in 1943 in stilte zijn monniksgeloften aflegde. In 1948 werd hij priester gewijd en in januari 1949 vertrok hij naar Engeland om kapelaan te worden van het anglicaans-orthodox genootschap van Sint Alban en Sint Sergije.  In 1950 werd hij tot zielzorger van de Russische patriarchale parochie in Londen benoemd. In 1958 volgde zijn bisschopswijding en in 1962 werd hij aartsbisschop van de Russische Kerk in Groot-Brittannië en Ierland. In 1963 werd hij patriarchaal exarch voor West-Europa om tenslotte in 1966 bekleed te worden met de waardigheid van metropoliet. De weg van Metropoliet Anthony is duidelijk niet de weg van de doorsnee orthodoxe geestelijke. Het is een weg vol verrassingen: van diplomatenzoon tot berooide vluchteling, van ongelovige tot gelovige, van arts tot priester. Bij dit alles heeft hij, naar zijn zeggen, zijn eigen aard niet verloochend. Ondanks alle veranderingen is hij Rus gebleven. Daarom is zijn stem in het tegenwoordige gesprek over het gebed juist zo belangrijk. 


 Bronnen van de spiritualiteit van Metropoliet Anthony
ACVCADG8PWNCA4QDZ1CCAK344XWCAR5KSW1CAWYOSGECAMPNMW1CASM1KDUCABZGEQ9CA1EKGVDCASDZJGICACD6LE3CABNKX1DCAHW25AOCAJ8EUQNCAL5FZ56CA2OYR5OCA9PXB9TCAPFDLZ5

  Uiteraard heeft het lange verblijf in West-Europa Metropoliet Anthony niet onberoerd gelaten. In zijn bronnen komen westeuropese auteurs voor, zoals bv. Juliana van Norwich, de Engelse mystica van rond het jaar 1400. Hij illustreert zijn voordrachten met voorbeelden uit de hagiografie van de latijnse Kerk en citeert de Franse en Engelse literatuur. Maar verder blijkt uit alles, dat hij in de orthodoxe traditie staat. Graag verwijst hij naar de ononderbroken leer van de Orthodoxe Kerk. Sprekend over de methodiek van het bidden zegt hij: “De oude kerkvaders en de hele orthodoxe traditie leren, dat we met de inspanning van onze wil onze aandacht moeten richten op de woorden van het gebed, dat we uitspreken” (Tijd voor gebed, blz. 46 en 87). Wie zijn dan voor Metropoliet Anthony deze orthodoxe vaders? Het zijn de kerkvaders, zoals Athanasios, Johannes Chrysostomos, Gregorios van Nazianze en Johannes van Damaskinos. Het zijn de leraren van het monastieke leven: Efraïm de Syriër, Maximos, Johannes Klimakos, Izaäk de Syriër en Symeon de Nieuwe Theoloog. Naast deze stemmen uit het oosters monachisme klinkt het geluid van Russische monniken en startsi, zoals bv. van Ambrosios van Optina, van de onbekende Russische pelgrim, van Serafim van Sarov, van vader Jan van Kronstadt en vooral van Theofan de Kluizenaar.  XBHCABUJJC1CAKFP5G0CAM6QDIYCAV94IORCALNRY0KCALZP2JWCA0UYVAXCAZ97LTHCAV18VEUCALLLSC0CAVMEOZ5CA0RERBSCAHGGOIPCA4AMNGSCALO0HKOCAC4G0U2CAKK21O5CALE4BZR
Deze bronnen zijn voor een groot gedeelte van monastieke aard. Uiteraard hangt dit samen met zijn zeer bewuste toetreding tot de monastieke levenswijze in 1943. Als Russische monnik plaatst hij zich in de traditie van de Apophthegmata Patrum, die ook door hem aangehaald worden. Moderne auteurs, zoals bv. Dietrich Bonhoeffer, J. Robinson en anderen, die over het gebed geschreven hebben, noemt hij niet met name, hoewel het toch niet uitgesloten is, dat hij door hen beïnvloed is.    
      

  Het godsbeeld van Metropoliet Anthony . Om iets concreets te kunnen zeggen over het gebed in de opvatting van Metropoliet Anthony is het vanzelfsprekend op dehemelvaart 1 modern !! eerste plaats nodig iets over zijn opvattingen over God te weten. Men krijgt de indruk, dat hij ook hier weer zeer sterk in de orthodoxe traditie geworteld staat. Die traditie benadrukt zeer sterk de onkenbaarheid van God of, beter gezegd, zijn totaal anders-zijn. Het is de apofatische theologie, waarvan Vladimir Lossky zo’n kernachtige karakteristiek heeft gegeven in het hoofdstuk “Les Ténèbres divines” in zijn werk “Theologie Mystique de l’Eglise d’Orient” - Aubier - Ed. Montaigne - 1944. Ook bij Metropoliet Anthony komt dit anders-zijn van God sterk naar voren. Sprekend over het godsprobleem zegt hij: “We dragen in ons hoofd een aantal voorstellingen van God rond die we uit boeken hebben gehaald, in de kerk hebben opgedaan, van volwassenen hebben overgenomen toen we nog kinderen waren of van de clerus toen we groter werden. Dikwijls beletten ons die voorstellingen de ware God te ontmoeten. Ze zijn niet helemaal verkeerd, er zit wel een zekere waarheid in maar toch zijn ze totaal ontoereikend… Zet alle valse voorstellingen, alle afgodsbeelden opzij.  Als een hulp daartoe suggereer ik (voor deze week) het volgend gebed: Help mij, o God, elke valse voorstelling van U op te geven, hoezeer het mij ook moge verontrusten”. Dezelfde gedachte verwoordt Metropoliet Anthony ook in zijn boek Meditations on a Theme, waar hij schrijft (blz. 70-71): “De H. Gregorios van Nazianze zei in de vierde eeuw, dat we, wanneer we uit de Schriften, uit de traditie en de ervaring van de Kerk alles verzameld hebben, wat mensen over God te weten hebben kunnen komen, en daaruit een samenhangend beeld gevormd hebben, dat we dan nog maar een afgodsbeeld gecreëerd zouden hebben, hoe mooi het ook mag zijn. Zo gauw we een beeld van God maken en zeggen: «Kijk, dit is God», vervormen we de dynamische, levende, onuitsprekelijke, oneindig diepe God, die onze God is, tot iets beperkts van menselijke afmetingen, omdat alle geopenbaarde kennis nu eenmaal menselijke dimensies aanneemt”. Steeds opnieuw waarschuwt hij ervoor de ware God te vervangen door een valse God, door een afgod, door een vrucht van onze verbeelding. “Wanneer we spreken van ‘voor God komen staan’ denken wij bijna onvermijdelijk, dat wij hier staan en God daar, buiten ons. Indien we God boven ons, voor ons, rondom ons zoeken, zullen we Hem nooit vinden… Daarom moeten we beginnen met delven naar de binnenkamer, naar de plaats diep in de kern van ons wezen waar God ons verwacht en waar zijn Rijk in volheid aanwezig is.” Het lijkt er toch sterk op, dat men in deze formuleringen een echo vindt van het ‘Honest-to-God-debate’. De andersheid van God wordt sterk geaccentueerd en wij kunnen Hem niet bepalen vanuit onze persoon, Hem niet boven ons plaatsen, maar moeten Hem zoeken diep in de kern van ons wezen.Hoe staat deze God, die tegelijkertijd geheel transcendent en geheel immanent is, ten opzichte van de schepping? Laat Hij aan de schepping, aan het saeculum, haar eigen ontwikkeling, door Hem gedragen als diepste draagkracht? Men krijgt niet de indruk, dat Metropoliet Anthony sterk op deze vraagstelling ingaat. Toch lijkt het wel in die richting te gaan, waar de metropoliet zegt: “Ofschoon wij weten, dat God almachtig is, kan Hij geen wonderen verrichten, zolang wij denken dat Hij niets om ons geeft; daartoe zou Hij zijn wil moeten opdringen en dat doet Hij nooit, omdat zijn verhouding tot de wereld berust op zijn absolute eerbied voor de vrijheid en de rechten van de mens.” Deze woorden suggereren, dat mensheid en schepping een zelfstandige ontwikkeling hebben, in diepste wezen uiteraard gedragen door God. Of we een dergelijke uitspraak moeten kenmerken als een secularistieverschijnsel, valt moeilijk te zeggen. Wel schijnt de mens, volgens zijn visie, van het begin af aan meer geschikt, meer toegerust om zelfstandig op deze aarde te werken. Volgens hem die daarbij steunt op de H. Athanasios, begint onze vergoddelijking op het moment dat we geschapen worden. God schenkt de mens onmiddellijk zijn ongeschapen genade om hem met zich te verenigen. “De orthodoxe leer kent geen ‘natuurlijke mens’ aan wie naderhand de genade wordt toegevoegd. Hetzelfde scheppende woord roept ons tot het bestaan en tot onze uiteindelijke bestemming: dat wij in God zouden leven en Hij in ons, dat Hij alles in allen zou zijn”. Deze meerdere bekwaamheid, deze grotere ‘afheid’ van de mens zou men ook kunnen terugvinden in de volgende woorden van Metropoliet Anthony: “Te dikwijls worden we opgeslorpt door wat om ons heen gebeurt, door al de bijkomstigheden welke radio, televisie en nieuwsbladen ons opdringen: gedurende die enkele minuten (van bezinning) echter moeten we ons ontdoen van alles wat niet de kern van ons leven raakt… Zo komen we tot de ontdekking dat we sukkelaars zijn die God nodig hebben, niet om een leemte te vullen, maar om Hem te ontmoeten”.  Interpreteert men teveel, wanneer men zegt, dat Metropoliet Anthony hier de gedachte verwoordt, dat God geen ‘Lückenbüßer’ is? Is hier ongemerkt geen invloed te bespeuren van Dietrich Bonhoeffer? Men wendt zich niet tot God om leemten (Lücken) op te vullen, maar om Hem te ontmoeten, misschien beter nog: door Hem ontmoet te worden. Een plaats van bijzondere godsontmoeting is het kerkgebouw. Over de kerkwijding zegt Metropoliet Anthony, dat daardoor voor God een bepaald territorium veroverd wordt op een ontheiligde wereld, die door de duivel bewerkt is. Hoewel de woorden niet genoemd worden, wordt hier duidelijk gewerkt met de begrippen ‘sacraal’ en ‘profaan’. Toch betekent dit ‘profaan’ bij hem niet, dat de wereld godverlaten is. Hij zegt: “In de wereld is God aanwezig als een vreemde, een pelgrim, iemand die van deur tot deur gaat en nergens zijn hoofd te ruste kan leggen; Hij gaat door de wereld als de koning die verworpen werd en uit zijn rijk verbannen en nu is teruggekeerd om zijn volk te redden. In de kerk daarentegen is Hij thuis, het is zijn woonstede… Buiten de kerk doet Hij wat Hij kan, wanneer Hij kan…”.  Ook deze woorden lijken meer in de richting te wijzen van de ‘machteloze’ God, die niet van buitenaf tussenbeide wil komen in menselijke processen, waarvan Hij trouwens zelf de drager is. Misschien zit in deze beschrijving van het godsbeeld teveel interpretatie. Dit komt dan ook wel gedeeltelijk hierdoor, dat hij niet expliciet over seculariteit en secularisatie spreekt. Van de andere kant moeten we toch een verklaring zoeken voor het feit dat zoveel mensen zich door Metropoliet Anthony aangesproken voelen. Het zijn toch mensen van deze tijd, hoofdzakelijk westerlingen, die het bloed van de secularisatie door hun aderen voelen stromen. 

Jezus Getsemanie


              Het gebed volgens Metropoliet Anthony.

 Uiteraard kleurt dit beeld van God zeer sterk de visie, die Metropoliet Anthony op het gebed heeft. Het kan onmogelijk de bedoeling zijn om hier alle aspecten van het gebed te behandelen. We doen hier en daar een greep, hopend daarmee de meest saillante punten aan te raken. Zoals reeds bij de behandeling van de bronnen werd opgemerkt, hecht hij grote waarde aan de traditie. Uiteraard strekt zich deze tendens ook uit over het gebed. In Meditations on a Theme  zegt hij: “Zo dikwijls zeggen we, waarom bidden met woorden, die door anderen gewaarmerkt (coined) zijn? Drukken mijn eigen woorden niet precies uit, wat er in mijn hart en in mijn geest leeft? Nee, dat is niet genoeg. Wat we nl. beogen is niet eenvoudigweg lyrisch uitdrukken wat wij zijn, wat wij hebben geleerd en wat wij willen. Op dezelfde manier waarop we van de grootmeesters van de muziek en van de kunst leren, wat muzikale en artistieke schoonheid is, zo leren wij ook van de meesters van het geestelijk leven, die bereikt hebben waarnaar wij streven, en die waarachtige, levende en waardige leden van het lichaam van Christus geworden zijn; van hen moeten wij leren, hoe we moeten bidden, hoe wij de voorwaarden en de gesteldheid van geest, wil en hart kunnen vinden, die ons tot christenen maken. Dit is ook een daad van zelfonderwerping, waardoor we iets groters en waarachtigers dan onszelf toestaan in ons te leven en ons vorm, stimulans en richting te geven”. Metropoliet Anthony wil hiermee echter geenszins zeggen, dat men de gebeden van anderen per se moet nabidden, hoewel hij er op zijn tijd grote waarde aan hecht. “Het eerste waar het eigenlijk op aan komt”,  zegt hij, “is vorm, stimulans en richting te geven”. Naast de woorden, die men voor het gebed kiest, is ook de lichaamshouding zeer belangrijk. Hij citeert het advies van Theofan de Kluizenaar over de houding bij het gebed: “Wees noch te slap, noch te gespannen, gelijk een vioolsnaar die op een bepaalde toonhoogte moet klinken; houd het lichaam rechtop, de schouders naar achter, het hoofd in een gemakkelijke houding, de spanning van elke spier naar het hart gericht”. “Velen in onze moderne wereld”, aldus Metropoliet Anthony, “hebben de zin voor het gebed verloren en beschouwen de lichamelijke houding als bijkomstig, ofschoon ze dit allerminst is. Laten wij het niet vergeten: de mens is niet een ziel die in een lichaam vertoeft, maar hij bestaat uit lichaam en ziel en wij worden geroepen, volgens de H. Paulus, om God te verheerlijken in onze geest en in ons lichaam”. Een andere voorwaarde voor het gebed is, dat het gedragen moet worden door Jezus Christus. Het gebed van de christen is het gebed van Christus, zijn Vader van geslacht tot geslacht in telkens andere omstandigheden aangeboden door diegenen, die door genade en deelname Christus in deze wereld tegenwoordig stellen. Als aan de voorwaarden, die hier echter niet uitputtend opgenoemd worden, voldaan is, kan men er dan zeker van zijn God existentieel, voelbaar te zullen ontmoeten in het gebed? Met Metropoliet Anthony kunnen we hier uiteraard geen antwoord op geven. God is immers een persoon en de mens kan God niet door middel van een bepaalde ‘techniek’ dwingen tot een ontmoeting. Dan zou er geen sprake meer zijn van een persoonlijke verhouding en ontmoeting. Zoiets kunnen we wel doen met een idee, met een produkt van onze verbeelding of met de verschillende idolen die wij tegenover ons kunnen plaatsen ter vervanging van God. We kunnen iets dergelijks echter niet doen met de levende God. Wat hier duidelijk doorspeelt is zijn visie op God. God is de onkenbare, de geheel andere, de soeverein. Het is niet de mens zelf, die door zijn gebed, hoe voortreffelijk ook, een bepaalde voelbare reactie in zich oproept. Het is God, die datgene als antwoord in de mens laat opwellen, waarvoor hij vatbaar is. Op een andere plaats zegt hij: “In onze inspanning om te leren bidden zijn emoties praktisch van geen belang; wat we God moeten aanbieden is een vast besluit Hem trouw te zijn en Hem in ons te laten betijen. Van ons gebed wordt niet een of andere gemoedstoestand verwacht, maar een diepe omvorming van heel onze persoonlijkheid. Wat we beogen is voor God te verschijnen, in Zijn tegenwoordigheid op te gaan, Hem al onze noden voor te leggen, van Hem kracht en sterkte te ontvangen en alles wat nodig is, opdat zijn wil in ons volbracht mag worden. Dit laatste is het enige doel van ons gebed. Het is ook de enige maatstaf van een goed gebed, niet een of andere mystieke ervaring of vroom gebed… Bij overweging of gebed kan concentratie alleen worden bereikt door het te willen. Ons geestelijk leven steunt op geloof en vastberadenheid - en alle eventuele vreugde komt van God”. Daarom moet men bij het gebed niet bang zijn, wanneer men God slechts kan benaderen in de naaktheid van het geloof of zijn tegenwoordigheid helemaal niet ervaart. Het is onbelangrijk of men deze ervaart of niet en een gevoel van verrukking is geen garantie voor de godsontmoeting, noch draagt het ertoe bij.Er moeten andere voorwaarden vervuld worden en de belangrijkste is, dat degene die zich aan het gebed wijdt, zichzelf moet zijn. Degene die bidt moet de woorden zoeken die bij hem of haar passen en zich niet als het ware aan het gebed vertillen. En wanneer hij toch bepaalde, voorafbestaande teksten wil gebruiken, zal hij ernaar moeten streven zich tot de hoogte van die teksten op te werken. Dit afstand-doen van het gevoelsmatige, dit geduldig wachten op God, tot Hij zich wil openbaren, kan men misschien wel zien als de voornaamste boodschap, die Metropoliet Anthony aan de mens van deze tijd wil brengen. De christen van deze tijd is iemand, die graag iets wil ervaren, wil voelen. Men probeert diensten en gebeden zo samen te stellen, dat ze de individuele bidder of de gemeenschap iets doen. Uiteraard is zo’n activiteit niet af te keuren en zit er iets goeds in. Wil God immers zelf niet, dat de mens zich door het lichamelijke en door het woord zo optimaal mogelijk tot Hem richt? “We moeten God echter niet benaderen”, zegt hij desalniettemin, “om allerhande gevoelens te ondervinden noch om deelachtig te worden aan enige mystieke ervaring. Wij gaan naar God om in zijn tegenwoordigheid te staan; verkiest Hij ons daar bewust van te maken, Hij zij geprezen - maar wil Hij ons zijn werkelijke afwezigheid laten voelen, Hij zij nog geprezen, want Hij is vrij te komen en te gaan. Hij is even vrij als wij zijn, ofschoon wij gewoonlijk niet naar Hem toegaan als iets anders ons meer boeit. Laat Hij ons echter zijn tegenwoordigheid niet voelen, dan is het omdat we iets te leren hebben omtrent Hem en omtrent onszelf. Maar de afwezigheid die ons in het gebed pijnigt, het besef dat Hij er niet is, maakt ook deel uit van onze verhouding tot God en is zeer kostbaar”. In deze visie op het gebed past ook de regelmaat, die Metropoliet Anthony inzake het gebed voorstaat. Gebed is immers geen gevoelskwestie. Het is niet aan de mens God voor te schrijven hem binnen de zoveel tijd een gevoel van zaligheid te geven. Het gaat om het expliciet ter beschikking willen staan van God op persoonlijk niveau. Daarom zal men ook niet verbaasd moeten zijn over dorheid in het gebed en zelfs af en toe de moed moeten hebben om te zwijgen in plaats van gebeden te formuleren. Men moet er eenvoudig de tijd voor nemen en dan maar wachten op God. Aan het slot van deze beschouwing moet men constateren, dat er nog heel wat vragen open blijven. Daar is bv. de kwestie van de verhouding van het persoonlijke tot het liturgische gebed. Een andere zeer belangrijke vraag is: waarom hebben zijn televisie­toespraken en zijn boeken zo’n overweldigende belangstelling getrokken? Ongetwijfeld speelt zijn doorleefde en overtuigde betoogtrant hierin een grote rol. Hij is overtuigd van wat hij zegt, omdat hij het zelf zeer intensief doorleefd heeft. Hij is tot geloof gekomen na een zeer zware crisis, tijdens welke hij de zinloosheid van zijn eigen leven zag en zelfs met de gedachte aan zelfmoord speelde. Hij heeft toen de aanwezigheid van Christus zeer levendig gevoeld. Ook de stap van arts naar monnik en priester zal niet zonder nadenken gebeurd zijn. Dit alles duidt op een zeer bewuste keuze, die in zijn optreden naar buiten duidelijk naar voren komt. Daarbij heeft hij de gave om zijn gedachten op een zeer eenvoudige en begrijpelijke manier te brengen. Men hoeft zich niet te kwellen met de vraag: wat bedoelt hij eigenlijk? Het is voorts duidelijk, dat zijn godsvoorstelling de moderne mens aanspreekt. Het is het beeld van een liefhebbende God, wiens anders-zijn-dan-de-mensen, wiens vrijheid echter sterk benadrukt wordt. Het is blijkbaar een godsbeeld, dat past bij de seculariserende tendens, die de Kerken binnendringt en leeft in de harten van vele christenen. Als wij het oeuvre van Metropoliet Anthony zouden moeten karakteriseren, zouden we misschien het best kunnen zeggen: het is een stuk mystieke theologie in de beste oosterse zin van het woord. P.AL(overgenomen uit “Het Christelijk Oosten”26ste jaargang - 1974 - afl. 1)met dankbaarheid.  

banner blauw

De commentaren zijn gesloten.