02-04-08

Commentaar op de geloofsbelijdenis door V.Lossky en Pierre L'Huiller


Commentaar op de geloofsbelijdenis -deel 4

(artikel 8-12 -slot)

 

 

Door V.Lossky en Metropoliet Pierre L'Huillier


 

 ARTIKEL 8

 

Ik geloof in de Heilige Geest

Die Heer is en het leven geeft-

Die voortkomt uit de Vader.

Die met de Vader en de Zoon

Tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt.

Die gesproken heeft door de profeten.

           
                  Na het geloof in de persoon en het werk van Onze Heer Jezus Christus door de Kerk werd verkondigd, drukt de Kerk in dit artikel haar geloof uit in de derde Persoon van de Heilige Drieeenheid. De Vaders van het Ie Oecumenisch concilie hadden enkel het geloof van de Kerk in het bestaan van de Heilige Geest naar voor gebracht. Dit komt, omdat zij vooral hun aandacht wilden vestigen op de goddelijkheid van het Woord, een punt waarop er een aanvaring was tussen de Katholieke Orthodoxie en het arianisme. Nochtans konden de ontwikkelingen van deze controverse niet verzuimen om ook over de pneumatologie te praten, want het waren niet alleen de arianen die de goddelijkheid van de Heilige Geest ontkenden, maar ook sommige Christenen, die wel het dogma van arianen betreffende het Woord verwierpen, maar de consubstantialiteit van de Geest niet aannamen. Ook de Vaders van die periode moesten de orthodoxe leer verdedigen betreffende de derde persoon van de Heilige Drieeenheid en als gevolg daarvan de inter-Trinitaire relaties. Het tweede oecumenisch Concilie van 380, herhaalde de veroordeling van het arianisme onder al zijn vormen en het veroordeelde in het bijzonder de ketterij van Macedonius, die de goddelijkheid van de Heilige Geest ontkende. Als de Kerkvaders ten volle de goddelijkheid van de derde persoon van de Drieeenheid hebben verklaard, dan hebben ze toch, om sommige conservatieven te sparen, die vijandig stonden tegenover elke vernieuwing uitdrukking, de termen ‘God' en ‘consustantieel' niet ingevoegd in het Credo betreffende de Heilige Geest, zelfs al drukte het op een adequate manier het constante geloof van de Kerk uit. Deze voorzichtigheid droeg vruchten en de ketterij van de ‘pseumatomaten' ('t is te zeggen : zij die de Geest bestreden) werd vernietigd en de trinitaire terminologie werd definitief vastgelegd.

 

                Het christelijk geloof over de Heilige Geest als onderscheiden persoon van de Heilige Drieeenheid heeft zijn fundament in de nieuw-testamentische openbaring en op de eerste plaats in deze woorden van de Heer ; Gaat dus heen, onderwijst  alle volkeren en doopt hen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest (Matt.27,19).

 

               Het Oude Testament kende zeker de Geest van God als een werkende kracht en, in de visie van de profeten is het einde der tijden gekarakteriseerd door de uitstorting van de Heilige Geest (cf Jes.44,3 en Joël 2,28), maar het is in het Nieuwe Testament dat het Woord en de Geest worden gekend als personen.


               Zonder te verzaken aan het strikte monotheïsme van de openbaring van de Sinaï en volledig het principe van de numerieke eenheid van de Godheid te bevestigen, belijdt het christendom dat dit monotheïsme niet één-persoonlijk is, maar trinitair.

 

            Deze vooruitgang in de benadering van het goddelijk mysterie is duidelijk in het licht gesteld in een bewonderenswaardige passage van de Heilige Gregorius van Nazianza : " Het Oude Testament, schrijft hij, heeft duidelijk de Vader geopenbaard en op verborgen wijze de Zoon. Het Nieuwe Testament heeft de Zoon geopenbaard en heeft de godheid van de Heilige Geest geïnsinueerd. Vandaag leeft de Heilige Geest onder ons en leert Hij zich duidelijker kennen. Want het zou gevaarlijk geweest zijn indien de Vader nog niet zou gekend zijn, om openlijk de Zoon te verkondigen, en indien de godheid van de Zoon niet aanvaard zou zijn dan zou het niet toegelaten geweest zijn om de Heilige Geest, als een soort bijvoegsel, op te dringen...Het was dus passend, om door middel van gedeeltelijke  aanvullingen, en, zoals David het zei, door voortdurende opgang van heerlijkheid naar heerlijkheid  zal de Drieeenheid geleidelijk stralen.... De Redder kende verschillende dingen die Zijn leerlingen nu nog niet konden verdragen, alhoewel ze reeds vervuld waren van een overvloedige leer...en Hij herinnerde hen eraan, dat de Geest bij Zijn komst hen alles zou leren. Ik denk dat één van deze dingen de goddelijkheid  van de Heilige Geest zelf was" (Orat.31-theol.V,24-26).

 

               
                In de Heilige Geest is de Vader de bron van de godheid. De Zoon heeft Zijn essentie in de Vader uit wie Hij ‘ontstaan' is en de Heilige Geest ‘komt voort' uit de Vader. Het is daarom dat, in overeenstemming met de Leer van de Redder zelf (Joh.15,26), het Credo bevestigt   dat de Heilige Geest voortkomt uit de Vader. Het verschil tussen Zoon en Geest, op het vlak van de wijze van bestaan (Tropos tês hyparxeôs), heeft een hypostatisch onderscheid tot gevolg. De Kerk legt de nadruk op dit punt, maar tegelijkertijd belijden de Kerkvaders de onmogelijkheid voor de menselijke geest om te begrijpen waaruit dit onderscheid bestaat. De Heilige Gregorius van Nazianza schrijft :" Gij vraagt wat de ‘voortkomst' van de Heilige Geest is ? Zeg mij eerst wat het van eeuwigheid bestaan van de Vader is, dan zal ik u op mijn beurt uitleggen wat het ‘ontstaan' van de Zoon  en het ‘voortkomen' van de Heilige Geest is. Dan zullen we allebei getroffen worden door dwaasheid, omdat we het mysterie van God willen doorgronden" (Orat.31,8).

           
                De heilige Johannes van Damascus zegt op beknopte wijze :  "Geen enkele intellectuele inspanning kan ons het hoe van het ontstaan en het voortkomen  geven" (De fide orth.1,8). In het westen daarentegen heeft de scholastieke theologie getracht om een uitleg te geven van het ontstaan en het voortkomen, vertrekkend vanuit psychologische analogieën. Het is waar dat sint Augustinus reeds deze methode heeft gebruikt, alleen, de bisschop van hippo had er niets anders dan vergelijkingen  in gezien  om de menselijke geest een zekere benadering te geven van wat het trinitaire mysterie inhoudt en zeker geen rationele uitleg van de inter-trinitaire relaties. Hij schrijft ergens :  "Wat het verschil betreft tussen ontstaan en voortkomen, weet ik niet, en kan ik niet weten en het zou niet volstaan" (C.maxim.11,14).

 

                  De Orthodoxe Kerk beschouwd als een bruikbaar en toereikende uitdrukking van haar geloof de formule ‘handelend vanuit de toorn'. Ten overstaan van de ketters die beweerden dat de Geest slechts een schepsel was, legden de verdedigers van de Orthodoxie het accent op het feit dat de Heilige Geest rechtstreeks zijn bestaan heeft uit de Vader. Het is in deze zin dat de heilige Gregorius van Nazianza verklaart :  "De Heilige geest die voortkomt uit de Vader, is door het feit zelf dat Hij voortkomt, geen schepsel" (Orat.31,8).

                                                                                                                                                           In

In het Westen heeft de trinitaire theologie is vanaf de 5e eeuw een andere richting ingegaan : om de goddelijkheid van de Zoon te staven tegenover  het arianisme en om de relatie tussen de Heilige Geest en de Zoon te onderlijnen, is men begonnen met te affirmeren - eerst sporadisch, vervolgens systematisch - dat de Heilige Geest voortkomt uit de Vader en de Zoon (filioque). Parallel met de ontwikkeling van deze opvatting, eerst in Spanje, vervolgens in Gallië en in Duitsland, was men niet bang om met deze toevoeging van het filioque, het universele symbolum van het geloof te veranderen. Rome veroordeelde deze toevoeging. Maar in het begin van de 11e eeuw, toen het pausdom volledig afhankelijk was van de duitse keizers, werd deze toevoeging in Rome zelf ingevoerd. Dit was om twee redenen te veroordelen. Vooreerst : deze toevoeging  was een leerstelling dat geen enkel fundament had in de Bijbel, vervolgens, deze wijziging van de tekst van het Credo werd eenzijdig door de Kerk van het Westen gedaan, die hiermee het principe van Katholiciteit en conciliariteit hebben geschonden.

 

               Indien de Heilige Geest alleen uit de Vader voortkomt, volgt daaruit niet dat Hij vreemd is aan de Zoon; daarom schrijft de Heilige Johannes van Damascus : "Wij zeggen ook dat de Heilige Geest voortkomt uit de Vader en wij noemen Hem de Geest van de Vader. Wij zeggen niet dat hij voortkomt uit de Zoon, maar wel dat Hij de Geest van de Zoon is"(De fide orth., 1,8). In het bewonderenswaardig symbolum van de Heilige Gregorios van Nieuw-Caesarea (3e eeuw), lezen wij : " En één enkele Heilige Geest, die vanuit God ('t is te zeggen uit de Vader) zijn bestaan heeft en die zich aan de mensen openbaart door de Zoon, volmaakt beeld van de volmaakte Zoon, leven dat  oorzaak is van de levenden,heilige bron, heiligheid die de heiliging voortbrengt, in wie God de Vader zich heeft geopenbaard, die boven alles en in alles is, en de Zoon door wie alles (is)". Dus, als in de ontologische en eeuwige orde de Geest voortkomt uit de Vader, in de orde van de zending wordt Hij geopenbaard door de Zoon : "Wij belijden, schrijft de heilige Johannes van Damascus dat Hij ( de Heilige Geest) ons gegeven is en geopenbaard door de Zoon" (De fide orth.,ibid).

 

               De Heilige Geest is de bron van alle heiliging : voor Zijn lijden heeft de Heer de komst van de Geest aangekondigd, en deze belofte is met Pinksteren gerealiseerd.  Het leven van de Kerk is niets anders dan deze eeuwigdurende gebeurtenis, vooral door de sacramenten. Het is de aanwezigheid van de Heilige Geest die het fundamentele onderscheid uitmaakt in haar handelswijze tussen de Kerk, en  alle andere samenlevingsvormen, en het geeft haar een serene zekerheid middenin moeilijkheden.

 

               De Heilige Geest is de werkende kracht voor de heiliging van elke christen : het is door het ontvangen van de genade van de Heilige Geest, dat wij kunnen roepen, terwijl wij ons tot God richten , Abba, Vader (Rom,7,15 en Galaten 4,6). Het is daarom dat Sint Paulus de Heilige Geest, de Geest van adoptie noemt : "De Geest zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen zijn van God (Rom,8,16).

               
            
In het Credo belijden wij dat de Geest de Levengever is, want de genade die hij ons geeft maakt van ons deelachtig aan Gods natuur (2 Petrus 1,4). Dit moet niet geïnterpreteerd worden  in pantheïstische zin, maar we moeten er toch ook voor opletten dat men de bijbel niet ontdoet van zijn ware betekenis door deze uitdrukking te zien als een beeldspraak : het is om die reden dat de orthodoxe Kerk, om de leer over de transcendentie

Van God te bewaren en terzelfdertijd de mogelijkheid tot deificatie van de geschapen zijnden te bevestigen, met vastberadenheid het onderscheid leert tussen de onmededeelbare essentie en de goddelijke energieën die voor mensen wél toegankelijk zijn. Het is deze vergoddelijkende genade die reeds in deze eeuw diegenen verlicht die zich door ascese losmaken van de ijdelheden van deze wereld, en het is deze vergoddelijkende genade die na de tweede wederkomst de totaliteit van de cosmos zal verheerlijken en Christus'overwinning zich zal openbaren. In het licht  en de liefde zullen schepsel en Schepper zich verenigen.

ARTIKEL 9

En in één, heilige,katholieke en apostolische Kerk

              
                 
Door de Kerk voor te stellen als het voorwerp van ons geloof, herinnert het Credo ons eraan dat zij niet enkel een vereniging is van gelovigen, maar een voorname plaats inneemt in de geschiedenis van het heil. Gedurende zijn aards onderricht, verkondigt de Heer zelf dat Hij er de stichter van zal zijn (Matt 15,18) en vele nieuw-testamentische teksten verkondigen dat Christus er de aanvoerder van is (vb.Ef.1,22). De griekse term ekklèsia wordt in het Oude Testament gebruikt om de hebreeuwse tekst qahal  weer te geven, wat betekent de verzameling van Israël en de oproep van God. Zo lezen wij in Deuteronomium : "Waak dus met de grootste zorg om niets te vergeten, van wat uw eigen ogen hebben aanschouwd....Eens heb je op de Horeb voor het aanschijn van Jahweh, uw God gestaan, terwijl Jahweh tot mij sprak : Verzamel (Ekklèsiason)het volk voor Mij; ik zal hen mijn woorden doen horen, opdat ze leren mogen....Hij openbaarde u zij De Verbond, de tien geboden die Hij op twee stenen tafelen schreef..."(Deut.4,9-13). De term Qahal-Ecclèsia vindt men terug om de plechtige vergaderingen van het volk aan te duiden te Jerusalem. Wat wij dus moeten onthouden is, dat de term nooit gebruikt werd in een profane context. Dit stemt overeen  met het gebruik ervan in het Nieuwe Testament en in de oude christelijke literatuur, alsook wanneer het deze bepaalde gemeenschap aanduidt of wanneer het geheel van de gelovigen wordt aangeduid. Elders vindt men dikwijls de uitdrukking Kerk van God (vb.1Cor.1,2)

 

               De Kerk wordt in het Credo genoemd als zijnde één, Heilig, Katholiek en Apostolisch. Deze karakteristieken van de Kerk vormen één onscheidbaar geheel, want het ene kan niet zonder het andere. Alhoewel zij onderscheiden zijn, toch zou men geen enkel onder hen buiten beschouwing kunnen laten. Anders gezegd , het niet-aanvaarden of de verminking van één onder hen heeft zijn uitwerking op de anderen. Als voorbeeld : de orthodoxe opvatting van de eenheid is verbonden met een zeker begrip van katholiciteit. Het is niet voor niets dat de heilige Cyprianos van Carthago zijn werk, gericht tegen de dissidenten ‘De eenheid van de katholieke Kerk' noemt.

 

               Wanneer men de leer van de Kerk nader wil bekijken, dan moet men opletten voor onduidelijkheden  en dubbelzinnige begrippen. Twee extremen moet men vermijden : enerzijds, van een té spirituele opvatting van de Kerk, die de ganse sociale en institutionele realiteit ter zijde laat onder voorwendsel, het formalisme te vermijden, anderzijds, een té uitgesproken institutionalisme die zich boven het spirituele wil stellen.In feite kunnen deze twee exessen trouwens  als één geheel gezien worden, zoals dit het geval is in de ecclesiologieën waar men een zekere dualiteit toelaat tussen de spirituele Kerk van de uitverkorenen enerzijds, en de institutionele gemeenschappen anderzijds.

 

               De Kerk is één : Onze Heer Jezus Christus heeft slechts één Kerk gesticht. Hij heeft haar beloofd ze niet in de steek te laten, en ze is ten volle de bewaarster van de evangelische boodschap. Deze bevestiging was in de oudheid zo, zoals ze het ook nu nog is voor de christenen die trouw zijn gebleven aan de gegronde waarheid van de traditie. Men zou niet zoveel kerken hebben, want men kan toch niet meerdere waarheden hebben. Het is waar, dat men dikwijls spreekt over ‘kerken' om de lokale gemeenschappen aan te duiden. Dit is in overeenstemming met wat reeds het gebruik was in de apostolische tijd, maar deze pluraliteit heeft niets anders te betekenen dan de celebraties in de verschillende plaatsen van de eucharistische liturgie, die echter geen verdeelheid van Christus inhouden. Het is totaal anders, wanneer men de term ‘Kerk' gebruikt, om de dissidente christelijke gemeenschappen aan te duiden. In dit geval is er geen speciale theologische betekenis aan te geven, maar de term is er alleen voor een religieus christelijke gemeenschap ( het behoort niet tot ons onderwerp om de betrekkingen tussen de orthodoxe Kerk en de heterodoxe christelijke gemeenschappen te behandelen. Wij moeten echter verduidelijken dat wij geenszins het bestaan van een min of meer grote‘kerkelijkheid' ontkennen in elk van deze dissidente gemeenschappen. In elk geval kan dergelijk onderwerp, zelf oppervlakkig, niet in enkele regels benaderd worden).

 

               Wanneer wij zeggen dat de Kerk één is, dan verstaan we dat in de volste zin van het woord. Deze eenheid is er vooreerst in de tijd : de Kerk van vandaag is in haar essentie dezelfde als die van de Apostelen en de heilige Vaders van de eerste eeuwen. Zij is vervolgens ruimtelijk één : de locale Kerken die het zuivere orthodoxe geloof belijden en trouw de apostolische succesie bewaren zijn in communio  met elkaar en hebben dezelfde leider, Christus.

 

               De Kerk is heilige. Wij hebben in de Heilige Schriften gezien wat de betekenis is van de term qahal-ekklèsia : de kerk is dus heilig omdat ze gesticht is door Christus en dus exclusief in dienst staat van God. Zij is de stralende bruid, zonder smet noch rimpel of iets van die aard, maar heilig en zonder enige smet (Ef 5,27). Clemens van Alexandrië (3e eeuw)schrijft deze diepe zinnen :  " Indien men ofwel God zelf, hetzij het gebouw dat opgericht is ter Zijner eer heilig noemt, hoe zouden wij dan ook de Kerk dan niet bijzonder heilig noemen, zij die het geworden is, volgens ons kennen, voor de glorie van God ?"(Stromates VII,5,23). De Kerk is heilig door haar roeping, zij is de draagster van de genade die de Heilige Geest sedert de dag van Pinksteren onophoudelijk over haar uitstrooit . Deze genade wordt medegedeeld aan elk van haar leden, vooreerst door de doop, vervolgens door de andere sacramenten : het leven in de Kerk is een leven in Christus en niets anders. Daarom ook is dit leven altijd een ascese,het sluit elke passiviteit uit, want het komt ieder toe om de mogelijkheden te ontwikkelen die hem gegeven zijn door zijn lidmaatschap van de Kerk, Lichaam van Christus.

 

               De Kerk is Katholiek :  Indien in de profane griekse taal deze term niets anders aanduidt dan ‘universeel', dan heeft zij in de taal van de Kerk een bijzondere kleur gekregen : de Katholiciteit is een kenmerk dat de Kerk bezat toen zij slechts een groepje palestijnse leerlingen groepeerde, terwijl ze nu verspreid is over de vijf continenten. Het  Goede Nieuws van het heil, gebracht door Jezus Christus, is er voor gans de mensheid (Mt 27,19-20). In Christus is elk onderscheid van ras en culruur opgeheven, zoals de Apostel Paulus schrijft : "Neen, er bestaat geen onderscheid tussen jood en griek; Hij toch is dezelfde Heer voor allen; rijk voor allen die Hem aanroepen" (Rom 10,12). Deze kerkelijke universaliteit is een volheid, waar, conform met de orthodox christelijke leer, ieder persoon de mogelijkheid heeft om zich te ontwikkelen, want de tegenstelling tussen een bepaald deel en van alles is door de Kerk overstegen. In de Kerk weerspiegelt het leven dit van de éne en drieene tegelijk. De katholiciteit is ook een negatie van het sectaire particularisme. Het is zelfs dit aspect dat het meest benadrukt wordt in de oudste patristieke teksten waar het woord katholiek gebruikt wordt. Zo vindt men in het geschrift ‘Martelaarschap van de heilige Polycarpus' ( 2e eeuw)de formule : "De Kerk van God in Smyrna, aan de Kerk van God te Philomelium, en aan alle gemeenschappen van de wereld die behoren tot de heilige katholieke Kerk...". In het midden van de 2e eeuw, antwoordde de martelaar Pionius, op vraag van de rechter, dat hij Christen was, maar dit antwoord leek onvoldoende. Toen men hem dan vroeg tot welke Kerk hij behoorde, antwoordde Pionius :  "tot de katholieke Kerk". De term "katholiek" staat hier voor de waarachtige Kerk die door Christus gesticht is. Het is de term die men onveranderd terugvindt in de conciliaire documenten en vooral in het dogmatisch dekreet van de Vaders van het eerste Oecumenisch Concilie (325).

 

De Kerk is Apostolisch :  Zij is het, omdat zij gebouwd is op het fundament van de apostelen, en omdat ze trouw de leer van de Heer, ons doorgegeven door de Apostelen, bewaard   heeft. In deze zin is ‘apostoliciteit' synoniem met ‘authenticiteit'.  Daarom kan de apostoliciteit in zijn volheid slechts behoren tot de ‘Unam Sanctam', die de orthodoxe Kerk is. De materiële continuïteit in de apostolische opvolging is een noodzakelijke voorwaarde, maar zeker niet voldoende. De wettelijke opvolgers van de Apostelen zijn de bisschoppen die trouw waken over de apostolische leer. Hen komt het recht toe om het woord van waarheid te verkondigen en de Traditie te verklaren, zij zijn het ook die individueel of collectief de macht hebben om te onderrichten (potestas docendi). De bisschoppen als opvolgers van de apostelen, en de priesters die hun gedelegeerden zijn, offeren in naam van de Kerk het onbevlekte slachtoffer, want aan hen is ook het woord van de Heer gericht : Doe dit ter gedachtenis aan Mij (Luc 22,19). Zij hebben de macht om te binden en te ontbinden en de taak om de kudde spiritueel te hoeden die hen door God  is toevertrouwd. Er is binnen de or -thodoxe Kerk nooit twijfel ontstaan over het feit dat het episcopaat niet behoort het ‘bene esse'(wel-stand /zijn) of aan het ‘plenum esse''(volheid) van de Kerk , maar aan haar natuur zelf. Het is daarom dat de heilige Ignatius van Antiochië zo ver gaat om te schrijven, dat men de ‘ bisschop moet zien als de Heer zelf' (Brief aan de Efesiërs V,1). Dit wil daarom nog niet zeggen dat de bisschop een arbitraire macht heeft. Ook hij moet gehecht zijn aan de Traditie van de Kerk en in zichtbare communio met het geheel van het orthodox episcopaat, aan wie  de volheid van de macht toekomt, overeenkomstig de conciliaire structuur  van de Kerk, erfgenaam van de  apostolische gemeenschap. Anderzijds, indien op grond van het charismatisch leergezag, inclusief de apostolische successie, de wettige bisschoppen het exclusieve voorrecht hebben om officieel het door de Kerk voortdurend beleden geloof uitdrukkelijk te formuleren, en als logische gevolgtrekking daarvan ook de macht hebben om te excommuniceren, toch is het aan gans het christenvolk  dat de taak is weggelegd om het Geloof te verdedigen tegen elke misvorming. Trouwens, het is in de éénheid van de pastors en de ganse christelijke gemeenschap, in trouw aan de boodschap van de Heer en het apostolisch geloof dat de katholieke éénheid  zich manifesteert van de Heilige Kerk van God.

 

ARTIKEL 10

 

Ik belijd één doopsel tot vergeving van de zonden

            Dit artikel van het geloof herinnert ons aan de doopbelijdenis bij ons doopsel. Verkondigen, dat er slechts één doopsel is tot vergeving van de zonden, is erkennen dat het toebehoren aan Christus in de Kerk de enige weg tot het heil is. In de oudheid werd het sacrament van het doopsel over het algemeen  toegediend aan volwassenen. Vooraf werden ze ingeleid in de Christelijke leer. Door het doopsel te vragen, waren de neofyten er zich van bewust dat dit een breuk betekende met hun vorig leven. Vandaag de dag is dat niet meer zo, met uitzondering van de missielanden, wordt nu meestal kinderen gedoopt, reeds vanaf hun eerste kinderjaren. Op die manier kunnen ze ook reeds deelnemen aan het christelijk leven, overeenkomstig het woord van de Heer :  "Laat de kinderen tot mij komen" (Luc 17,16). In de twee gevallen betekent het opzeggen van dit artikel van de geloofsbelijdenis een  hernieuwing van de beloften gedaan, ofwel rechtstreeks, of door bemiddeling van de peter en de meter tijdens het doopsel. In de Liturgie wordt de geloofsbelijdenis gelezen of gezongen juist voor het begin van de anaphora (Anaphora betekent in het grieks ‘offergave'-‘offerande'; in de liturgische taal duidt deze term ook het centrale gedeelte van de eucharistische Liturgie aan. Dit komt in de romeinse Mis overeen met de canon, die ook de prefatie en de dialoog die er aan voorafgaat insluit).

 

            Op dit moment vormt het ook voor de verzamelde gelovigen een geschikt moment om het doopengagement terug in herinnering te brengen. Het vormt een afspiegeling van de aanbevelingen van de heilige Paulus met betrekking tot het Avondmaal : "Laat eenieder zichzelf onderzoeken, en dan eerst eten van het brood en drinken van de kelk" (1 Kor 11,28).

 

            In het Credo komt het artikel over het doopsel direct na dit betreffende de Kerk, en deze schikking is logisch, want er is geen ander middel om binnen te treden in de kerkelijke gemeenschap door Christus gesticht, dan door het ontvangen van het doopsel. Zo ligt dit sacrament aan de basis van elk christelijk leven. Het duidt de spirituele geboorte aan, en dit houdt, zoals wel al hebben gezegd, een breuk in met alles wat niet tot het koninkrijk van God behoort. Er is geen compromis mogelijk. "Niemand kan twee heren dienen;hij zal of de een haten en de ander beminnen, of de ene aanhangen en de ander verachten" (Matt 6,24; cf Luc 6,13). De Apostel Paulus schrijft aan de Romeinen :  "Of weet gij niet, dat wij allen, die gedoopt zijn tot de gemeenschap met Christus Jezus, dat wij gedoopt zijn tot de gemeenschap met Zijn Dood ?. In die gemeenschap met Zijn Dood zijn we dus begraven met Hem door het Doopsel, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de glorie van de Vader uit de doden is opgewekt....Welnu, zijn we met Christus gestorven, dan geloven we ook, dat we met Hem zullen leven. We weten, dat Christus, opgewekt uit de doden, niet meer sterft, en dat de dood geen macht meer over Hem heeft; want zijn sterven was een sterven voor de zonde ééns en voor al, maar zijn leven is een leven voor God. Zo moet ook gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God in Christus Jezus". (Rom 6,3-4 en 8-11).

 

            In de doopritus wordt het accent gelegd op de twee fasen : deze van de breuk en deze van de aansluiting :  "Verzaakt gij aan Satan, en aan al zijn werken, en aan al zijn engelen, en aan  al zijn diensten en aan gans zijn luister ?", en verder :  "Hebt gij u bij Christus aangesloten ?" In de christelijke oudheid was elk deel van de doopritus met symbolen geladen : men kan zelfs zeggen dat dit zelf tot het uiterste ging. Maar zekere aspecten van dit symbolisme overtroffen ruim deze van een eenvoudig  allegorisme: de Kerk heeft ze zorgvuldig behouden, zelfs als ze niet altijd goed begrepen worden door mensen van vandaag : De vaders insisteerden in hun doopcatecheses op het zich ontdoen van de oude mens op dezelfde wijze als het aantrekken  van een wit kleed aan de zuiverheid herinnert dat verkregen wordt door de ontvangst van het sacrament.

 

            Men weet, dat de orthodoxe kerk, enkele gemotiveerde uitzonderingen daar gelaten, het doopsel altijd toedient door onderdompeling : het is daarin immers dat de betekenis van dit sacrament tot uiting komt. Wij lezen in de Apostolische Constituties dit gebed om het doopwater te heiligen. : "Heilig dit water opdat zij die gedoopt worden gekruisigd mogen worden met Christus, en mogen sterven met Hem, dat zij mogen begraven worden met Hem, met Hem mogen verrijzen en opgenomen worden met Hem". In zijn commentaar op de drie onderdompelingen, die het paastridium voorafbeelden, schrijft de heilige Cyrillus van Jerusalem (4e eeuw) deze bewonderenswaardige regels : "O verbazingwekkende en paradoxale gebeurtenis ! wij zijn in werkelijkheid niet dood, en wij zijn in werklijkheid niet met Hem begraven, en wij zijn in werkelijkheid niet , na gekruisigd te zijn, met Hem verrezen. Maar de nabootsing voltrekt zich in het beeld, het heil, Hem, in de werkelijkheid. Christus is werkelijk gekruisigd, en werkelijk in het graf gelegd en werkelijk verrezen. En al deze dingen zijn vervuld in Liefde voor ons, opdat wij door de nabootsing ervan deel zouden hebben aan Zijn lijden en zo het heil bekomen". Aldus begrijpen wij dat het niet door een zuiver aanhankelijkheid aan het verleden is dat de orthodoxe Kerk trouw is gebleven aan de oude manier om het sacrament van het doopsel toe te dienen : het is omwille van de gehele sacramentele betekenis van de rite. Het is zeker dat het afschaffen van de onderdompeling een verzwakking zou teweeg brengen van het symbolisme die eigen is aan het sacrament.

 

            In de orthodoxe Kerk wordt het doopsel gewoonlijk met daarna de Myronzalving, die men in het westen het vormsel noemt. Indien het doopsel de geboorte van het spirituele leven betekent, dan bevestigt de myronzalving de integratie in de christelijke gemeenschap door het charisma van de Heilige Geest. Normaal eindigt de christelijke initiatie bij het ontvangen van de heilige Communie; het betekent voor de neophiet de volle communio met de Heer en de belofte opm te mogen deelnemen aan het messiaanse feestmaal in het Koninkrijk. Zo wordt het proces voltooid van de transfiguratie dat begonnen is met het doopsel en de zalving met zalfolie. Zo verenigt de christelijke initiatie in zich de drie sacramenten : doopsel, myronzalving, eucharistie, en, zoals wij hebben gezien, is dit verband niet toevallig. Het is ook geen bijeenbrengen om practische reden. Het beantwoord daarentegen aan een diepe betekenis..

 

            In het Credo belijden wij unum baptisma. Dit is een plechtige bevestiging van de éénheid van het doopsel : de heilige Apostel Paulus verklaart uitdrukkelijk aan de Efesiërs : Eén Heer, één enkel geloof, één enkel doopsel; één enkele God en Vader van alles, die boven allen , door allen en in allen is (Ef 4,5-6). Op de zelfde manier als dat wij belijden dat de Heer slechts één Kerk gesticht heeft, op dezelfde wijze belijden wij dat er slechts één doopsel is, want de Heilige Geest is één en ondeelbaar in wiens naam wij gedoopt zijn volgens het uitdrukkelijk bevel van de Heer (Matt 28,19). Het is daarom dat de Kerk het doopsel, toegediend in haar schoot, niet hernieuwd en dat zij niet-orthodoxen zonder opnieuw te dopen toelaat indien zij rechtsgeldig gedoopt zijn in de naam van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest, en dit conform de 7e canon van het 2e Oecumenisch Concilie (381). De geldigheid wordt hier bepaald door een correcte toediening van het sacrament vanuit het standpunt van de materie en de vorm enerzijds, en van het behoren tot een christelijke gemeenschap die het dogma van de Heilige Geest belijdt.

 

            Het doopsel wordt niet herhaald in het geval een christen aan zijn geloof verzaakt en vervolgens zijn reïntegratie in de Kerk vraagt, want het teken van God is onuitwisbaar : het wangedrag van een zoon verbreekt de band met zijn vader niet, zelfs vele en grote zonden verbreken de mogelijkheid niet die gegeven is met het doopsel. De weg van het berouw blijft altijd open, zoals onze Heer er ons het vertelt in de parabel van de verloren zoon.

 

            Het doopsel is een énig moment in het leven van de mens, omdat de gedoopte door dit sacrament gerechtvaardigd wordt voor God, niet door zijn eigen verdiensten, maar door het zich eigen maken van de verzoening en het heil ons gebrzcht door Jezus Christus. De vloek die over de mensheid is gekomen sedert de breuk in het begin is opgeheven door het offer van het geïncarneerde Woord : gedoopt zijn betekent opgenomen zijn in deze vernieuwd mensheid, waarvan Christus, de nieuwe Adam, de aanvoerder is. In Christus verwerven wij de vrijheid met alles wat zij bevat, 't is te zeggen, de mogelijkheid om een optie te nemen. In de christelijke initiatie komt de goddelijke genade in ons, maar ons komt het toe om de talenten die ons zijn toevertrouwd, vruchtbaar te maken. Indien wij dit niet doen, dan zal Gods toorn over ons komen, zoals ons de evangelische parabel leert (cf.Matt 25,26-30). Maar aan diegenen die de goddelijke geboden vervullen is het onuitsprekelijk mysterie van de vergoddelijkende vereniging beloofd (2 Patr 1,4).

 

 

ARTIKELS 11 EN 12

 

Ik verwacht de opstanding van de doden en het leven van het komend Rijk

            Wij hebben vroeger reeds gezien hoezeer het eschatologisch element funtamenteel was in het christendom. Het is deze gerichtheid op het ‘einde' die haar het eigen karakter geeft. Als we dit uit het oog verliezen, dan riskeren wij de evangelische boodschap te vervalsen. Het zou betekenen dat wij de Openbaring zouden herleiden tot een conformistische ethiek. Terwijl voor de griekse filosofie, omwille van haar cyclische opvatting van de tijd, de opstanding der doden geen enkele betekenis had, heeft het christendom vanuit de Bijbel de tijd gezien als lineair . Dit geeft aan dit geloof zijn volle betekenis. Men zal ook opmerken, indien men goed het kader onderzoekt waarin het gesitueerd is, dat het platonische idee van de onsterfelijkheid van de ziel ver verwijderd is van het christelijk dogma over het voortkleven van de mens.

 

            Het symbolum van het geloof gebruikt een bijzondert karakteristieke uitdrukking :

"Ik verwacht de opstanding van de doden". I,n het grieks wordt het woord "prosdokô" gebruikt; het heeft een dubbele betekenis die overigens moeilijk te vertalen is : enerzijds roept het het idee op van een subjectief afwachten; in dit geval komt het overeen met het ongeduldig wachten van de gelovigen waarvan wij het echo vinden op het einde van het boek Apocalyps (Kom, Heer Jezus ! Apoc.22,20), anderzijds heeft het woord "prosdokô" een objectieve betekenis :  weten dat een onvermijdelijke gebeurtenis, goed of slecht, zal plaatsvinden. De opstanding is niet eenvoudigweg een vrome hoop, zij is een zekerheid die het christelijk geloof  beïnvloedt. Anderzijds, als zij de heidenen verbaasd heeft doen staan (Hand.17,32), voor de meeste  Joden daarentegen leek het een normale zaak, zelfs toen de Sadduceeën ze hadden verworpen. Zij vindt haar oorsprong in het Oude Testament ( zie bv. Ezechiël 37,1-4). Wat nieuw is in het christelijk geloof is, dat de hoop op de gelukzalige opstanding verbonden is met het verlossende werk van Jezus Christus : Ik ben, zegt Onze heer aan Martha, de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zelfs al is hij gestorven; en wie leeft en gelooft in Mij, zal niet sterven voor eeuwig (Joh.11,25-26). Daarom schrijft de Apostel Paulus aan de Thessalonicenzen : Wij willen u niet in onwetendheid laten over hen die ontslapen zijn, opdat gij niet treurt als de anderen, die geen hoop meer bezitten (1 Tess.4,13). Het christendom is strukt gezien een religie van de hoop. Ook hebben de heldendaden van de martelaren van het geloof niets te zien met de kalmte van de antieke wijzen voor het onontkoombaar verval; wat is er meer ontroerend in haar vredevolle verzekering dan het gebed van de heilige Polycarpus op zijn brandstapel : "Heer almachtig, Vader van Jezus Christus, Uw welbeminde en gezegend kind, door wie wij U hebben leren kennen; God van de engelen en de machten, God van gans de schepping en van alle rechtvaardigen die nu leven; ik zegen U omdat Gij mij waardig hebt geacht voor deze dag en dit uur, waardig om gerekend te worden bij de vele martelaren en te mogen deelnemen aan de kel van Christus, om te verrijzen tot het eeuwige leven van de ziel en het lichaam, in de onvergankelijkheid van de heilige Geest"

           
                
Terwijl er in het symbolum van Nicea-Constantinopel sprake is van de "verrijzenis van de doden" spreekt het oude romeins Credo (zie inleiding) van de "verrijzenis van het vlees", om het het zeer concrete karakter van deze gebeurtenis te onderlijnen. De term "vlees" moet hier echter verstaan worden in de betekenis van "persoon", want we weten van ergens anders dat vlees en bloed geen deel kunnen hebben aan het onbederfelijke (1 Kor.15,51-54). Sint Paulus bevestigt heel duidelijk na afloop van een reeks redeneringen over de inhoud van de verrijzenis : Een ziele-lichaam wordt gezaaid,een geestelijk lichaam verrijst (1 Kor. 15,44). Zeker, het verrezen lichaam en het begraven lichaam zijn hetzelfde onderwerp, maar hun wijze van bestaan is verschillend. Om dit goed te berijpen  mag men niet uit het oog verliezen wat voor Sint Paulus de betekenis is van de spirituele categorie, dat verbonden is aan  dat van het goddelijke. Het spirituele lichaam is door de genade getransfigureerde lichaam. Zoals allen immers sterven door hun gemeenschap met Adam, zo zullen ook allen door hun gemeenschap met Christus herleven (1 Kor.15,22). De Verrijzenis van Christus is de aanvang van de verrijzenis der doden (ibid,20). Het leven van een christen moet van deze zekerheid doordrongen zijn; daarom moeten de christenen van vandaag zich gedragen als kinderen van het licht (Ef.5,8). De deelname aan de Heilige Eucharistie is de waarborg voor het eeuwig leven, zoals dit trouwens zo dikwijls in de liturgie in herinnering wordt gebracht. Het is wellicht in het sacrament van de Eucharistie dat het escatologisch accent het duidelijkst naar voor komt; het Heilig Avondmaal is het vooruitlopen op het messiaanse  feestmaal waartoe wij worden uitgenodigd. De nederdaling van de Heilige Geest over de Gaven tijdens de epiclese, actualiseert de gebeurtenis van Pinksteren en is een voorafbeelding van de triomf van de tweede wederkomst. De band tussen Pinksteren enerzijds , de tweede wederkomst en de algemene opstanding anderzijds, wordt in het Oosten op bijzondere wijze onderlijnd in de Liturgie; de zaterdag vóór de,zondag van Pinksteren is speciaal gewijd aan de overledenen; ook de dienst van de knielingen (de avond van Pinksteren) bevat veel verwijziongen naar de komende opstanding, zoals dit : "Wij danken U voor alles, voor onze komst in de wereld en voor ons gaan uit deze wereld, Gij die krachtens uw onfeilbare belofte in ons de hoop op de verrijzenis en het leven zonder vermenging doet ontstaan, waarvan wij hopen het eens te mogen beleven bij Uw komst"

            
                       
In de algemene opstanding die het einde van ons tijdperk zal inluiden, zien de christenen essentieel de openbaring van de overwinning van Christus. Dit werd ons met zekerheid aangekondigd door de Heer bij de aanvang van de derde dag. Maar de "dag van de Heer" zal ook     de dag zijn van het oordeel. Wij weten dat zij die het goede hebben gedaan er zullen uitgaan tot opstanding ten leven, maar zij die het kwade hebben verricht,; tot opstanding ten oordeel(Joh.5,29). Het is de definitieve scheiding van het kaf en het koren. Het komt aan niemand anders dan aan de Heer toe om deze scheiding te maken, en het is slechts bij het laatste oordeel dat het zal geopenbaard worden : dan zal er geen vermenging meer zijn, want niets dat onzuiver is zal binnentreden in het Koninkrijk. Er zal geen mogelijkheid meer zijn voor ommekeer : om dit goed te begrijpen, moet men dit niet beschouwen in een gevoelsmatig perspectief. Aan de overkant van de tijd, zal er slechts onveranderlijkheid zijn; de veroordeling is de verwijdering van God voor eeuwig, want het is buiten-tijdelijk. De roeping van het schepsel, in Gods plan, is de transfiguratie, de vergoddelijkte eenwording. In het leven van de "komende tijden", zal alles wat van God verwijderd  zal worden kunnen beschouwd worden als dood : het zal de tweede dood zijn, deze waarvan de Heilige Johannes schrijft in de Apocalyps (20,14) : Deze dood zal erin bestaan, door God vergeten te zijn. Dezen die God niet hebben willen kennen, zullen door Hem ook niet meer erkend worden Diegenen die God zullen gekend en gediend hebben zullen schitteren van een onuitspreekbare schoonheid en zonder verval.

 

            Het Credo Begint met de plechtige bevestiging van het geloof  in God. Maar deze daad van geloof is niet eenvoudigweg van intellectuele betekenis. Het veronderstelt een totaal engagement : in Christus en de Heilige Geest wordt het leven van een gelovige omvormd, want de christen, alhoewel hij leeft in deze wereld, is niet van deze wereld. Zijn aandacht is gericht op het Koninkrijk van het licht. Ook eindigt het Credo met de schitterende belijdenis van de verwachting van de opstanding en van het leven van het komend Rijk, waar geen smart, droefheid en tranen meer zullen zijn.

 

 

 

 


 

 

Op aanvraag kan het artikel 'Commentaar op de geloofsbelijdenis' in zijn geheel opgezonden worden. GRATIS

Gelieve erbij te vermelden in PDF  of HTML

 


 

Concilie 1e

 

 

Concilie van Nicea

 

 

              

              

                                                              

11:45 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.