19-10-08

Het leven in Christus : J. Romanides

banner 3

 

HET LEVEN IN CHRISTUS

door Vader John. S.  Romanides

De heilige opdracht voor de Orthodoxie van vandaag en in het bijzonder voor de jongeren, die zich vaak van het liberalisme van de vorige generaties willen losmaken, is om de overwinning van Pasen in het dagelijkse leven van de Kerk te  herontdekken. Het gemeenschappelijk geloof en de verering van de Apostelen en de Vaders blijven essentieel onveranderd in onze liturgische en canonische boeken, maar in de praktijk, in de geest van de clerus en de gelovigen, heerst er een grote verwarring, die zonder twijfel te wijten is aan een gebrek van geestelijk inzicht in de aard zelf van het werk van Christus in de Kerk. Talrijke personen die beweren orthodox te zijn en die het oprecht willen zijn, stellen zich  het leven van de Kerk voor als zijnde in overeenstemming met hun eigen vage gevoelens,en niet in de geest van de Apostelen en de Kerkvaders. Wat ontbreekt, is een levendige aanvaarding van wat het sacramentele leven van de Kerk vooronderstelt.
Dit gebrek aan duidelijkheid verklaart in hoge mate de zwakheid van de Kerk in de westerse wereld en in het bijzonder wanneer het gaat over de houding ten opzichte van de verschillende varianten van schismas en ketterijen.Zij die niet kunnen begrijpen dat „de Geest zelf getuigenis aflegt aan onze geest dat wij kinderen van God zijn „(Rom 8,16) kunnen de Waarheid niet verkondigen, maar moeten zich de vraag stellen: zijn wij zelf niet  buiten de waarheid en, bijgevolg, afgestorven leden van de Kerk?

1.    Vooronderstelling van het sacramentele leven.

In tegenstelling tot de meeste Westerse belijdenissen die de dood als een normaal verschijnsel aanvaarden, of het beschouwen als een  gevolg van een juridische beslissing van God om de zondaar te straffen, stelt de Traditie van de Kerkvaders van het Oosten dat de dood wezenlijk aan de zonde gebonden is (1 Kor.56), en dat zij tot de macht van de duivel behoort (Hebr.2,14). De Vaders van het Oosten verwierpen het idee dat God de auteur van de dood is, en dat men in deze wereld normaal kan leven , onder voorwaarde dat men de natuurwetten volgt waarvan men veronderstelt dat zij  het universum besturen.

De orthodoxe opvatting van het universum is onverenigbaar met een statisch systeem van natuurlijke morele wetten. De wereld wordt daarentegen opgevat als het actieterrein  van levende personen. Een levende en persoonlijke God  ligt aan de oorsprong van de schepping. Zijn alomtegenwoordigheid sluit echter geen andere wil uit die door Hem zelf tot stand gebracht is, en die de macht heeft om Gods wil, de wil van de Schepper, te verwerpen.

Zo is de duivel niet alleen in staat om te bestaan, maar ook om te streven naar de vernietiging van Gods werken. Hij doet dit door de schepping naar het niets te trekken waaruit het gekomen is. De dood, die ‘een terugkeer is naar het niets’ (Heilige Athanasius – de incarnatio Verbi, 4-5), vormt de essentie zelf van de duivelse macht over de schepping (Rom.8,19-22).

De verrijzenis van Christus, in de realiteit van Zijn vlees en beenderen (Luc.24,39) vormt niet alleen het bewijs van het ‘abnormale karakter van de dood, maar noemt haar ook de echte vijand (1 Kor.15,26).

Maar als de dood een abnormaal verschijnsel is, kan er niet zoiets zijn als een ‘morele wet’, inherent aan het universum. De Bijbel, minstens, kent het niet (Rom.8,19-22). Anders heeft de Heer Jezus Christus zich tevergeefs opgeofferd voor ‘onze zonden’ om ons van deze slechte wereld te verlossen (Gal.1,4). Het lot van de mens was in het begin volmaakt, het moet ook nu terug volmaakt worden, zoals God volmaakt is (Ef.5,1;4,13). Deze voltooiing van de volmaaktheid werd onmogelijk gemaakt door de komst van de dood in de wereld (Rom 5,12), want ‘de angel van de dood’ is de zonde (1 Kor.15,56).

Eenmaal gebonden aan de macht van de dood, kan de mens zich slechts met verwaandheid aan zijn vlees interesseren (Rom 7,14-25).Zijn instinct van zelfbescherming  vervult zijn dagelijks leven en zet hem ertoe aan om vaak onrechtvaardig te handelen tegenover anderen, dit voor zijn persoonlijke winst. (1 Thess.4,4). Iemand die gebonden is door de angst om de dood (Hebr.2,15), kan in zijn leven geen scheppende liefde voortbrengen en navolger van Christus zijn (Ef.5,1). De dood en het instinct van zelfbescherming liggen aan de wortel van de zonde, die de mens van de eenheid in de liefde, het goddelijk leven en de waarheid scheidt. Volgens de Heilige Cyrillos van Alexandrië, is de dood de vijand die de mens verhindert  om God en de naaste te beminnen en om niet bezorgd te zijn om zijn eigen zorgen en zijn eigen comfort. Uit angst om elke waarde te verliezen, probeert de mens aan anderen te bewijzen dat hij werkelijke iemand is. Hij probeert zich dan naar buiten toe te gedragen alsof hij méér is dan anderen, op sommige punten althans. Hij houdt van degenen die hem vleien en verafschuwt diegenen die hem beledigen. Een belediging treft diepgaand de mens die vreest om onbelangrijk te worden!. Datgene wat de wereld beschouwt als een ‘natuurlijk mens’, is gewoonlijk iemand die leeft van gedeeltelijke leugens en teleurstellingen.Hij kan slechts hen liefhebben die hem een zekere veiligheid bezorgen, terwijl zijn instinct van morele en fysische zelf-bescherming hem oproept om zijn vijanden te haten (Matth. 5,46-48; Luc.6,32-36). De dood is de bron van het individualisme : het is zij die de macht bezit  om als scheidsrechter van de mens ‘het lichaam aan de dood’ volledig te onderwerpen (Rom 7,18).Het is de dood die, door de mens te herleiden tot egocentrisme en egoïsme, hem blind maakt voor de waarheid. En de waarheid wordt door velen verworpen, want zij is moeilijk te aanvaarden. De mens verkiest het liefst deze waarheid te aanvaarden die zijn persoonlijke verlangens tevredenstelt. De mensheid beoogt eerder de veiligheid en het geluk dan het lijden en de liefde te aanvaarden, want dit stelt zijn persoonlijke verlangens tevreden (Fil.1,27-29). De natuurlijke mens verkiest een godsdienst die hem een veiligheidsgevoel geeft  met morele voorschriften en eenvoudige regels die gevoelens van comfort geven en die geen enkele verloochening van zijn ‘ik’ vereisen in ‘het afgestorven zijn aan de leerbeginselen van de wereld’ (Kol.2,20).

De Apostelen en de Vaders brengen ons geen voldongen geloof vol van ‘gevoelens van vroomheid’  of  ‘troost’. Integendeel, op elke bladzijde horen wij een overwinningskreet over de dood en de vergankelijkheid.‘O dood,waar is uw prikkel ? O graf waar is uw overwinning ?..Genade aan God, die ons de overwinning geeft door Christus Jezus’ (1 Kor.15,55-57).

De overwinning van Christus op de duivel, die de mens van God en de naaste scheidt, heeft de macht van de dood vernietigd (Ef.2,13-22). Deze overwinning op de dood en de vergankelijkheid werd in het vlees van Christus vervuld (ibid.2,15), zoals ook voor de rechtvaardigen die ervoor gestorven zijn (1 Petrus 3,19). ‘Christus is verrezen uit de doden, door de dood heeft hij de dood overwonnen aan hen die in het graf zijn heeft hij het leven geschonken’ (Hymne van Pasen). Het Koninkrijk Gods is reeds aanwezig zowel over de grenzen van het graf heen als hier op aarde (Ef.2,19). De deuren van de hel kunnen niet zegevieren over het Lichaam van Christus (Matth.16,18). De macht van de dood kan het koninkrijk van het leven niet overweldigen. Elke dag nadert de duivel en zijn koninkrijk zijn definitieve nederlaag(1 Kor.15,26). Deze zekerheid hebben wij gekregen in het Lichaam van Christus.

2. Sacramentele deelname aan de overwinning van het kruis

De deelname aan de overwinning van het kruis is niet enkel maar hoop voor de toekomst, maar een aanwezige werkelijkheid  (Ef. 2,13-22). Zij wordt toegekend aan diegenen die gedoopt zijn (Rom.6,3-4) en gegrifd op het Lichaam van Christus (Joh.15,1-8). Er bestaat echter geen magische garantie voor het heil en de onafgebroken deelname aan het leven van Christus (Rom.9,19—2).

Christus is gekomen om de macht van de verdeeldheid te vernietigen, door diegenen te verenigen die in Hem geloven in het diepste van Zijn Lichaam. Het uiterlijk teken  van de Kerk is de eenheid in Liefde (Joh.17,21), terwijl het centrum en de bron van deze eenheid de eucharistie is : ‘want daar er één Brood is, vormen wij, die verscheiden zijn, één lichaam, omdat wij deelhebben aan één  enkel Brood’ 1 Kor.6,19-20). De doop en de myronzalving enten ons op het Lichaam van Christus, terwijl de eucharistie ons levend maakt in Christus en ons samen één maakt door de inwoning van de Heilige Geest in ons lichaam (1 Kor.6,19-20).

Het geloof is onvoldoende voor ons heil. De catechumenen, die reeds ‘gelovigen’ waren, moesten er voor hun doopsel op waken om datgene te verwerpen wat de wereld als ‘het normale’ beschouwt, door te sterven aan het lichaam van de zonde en de dood, en om te verrijzen in de éénheid van de Heilige Geest. Dit wil zeggen, dat wij moesten met verenig worden met de andere leden van een locale gemeenschap in Christus en het gemeenschappelijk leven in Liefde. De Orthodoxie kent niet zoiets als een  sentimentele liefde voor de mensheid. Het is met concrete mensen dat wij verenigd moeten worden om in Christus te leven. De enige weg die tot de liefde tot Christus leidt is de realiteit van de andere Christenen lief te hebben.’Ik zeg u, wat gij niet gedaan hebt voor één van deze geringsten, dat hebt gij ook voor Mij niet gedaan’ (Matth.25,45). De liefde voor het lichaam van Christus bestaat niet uit vage abstracties over de noodzaak om ideologen of menselijke beweegredenen te dienen. De liefde, volgens het beeld van Christus, bestaat erin om gekruisigd te worden voor de wereld, om zich van alle vage ideeën los te maken, om de volle complexiteit van het gemeenschappelijke te ‘leven’, om Christus lief te hebben in het lichaam van de broeders met hun zeer reëel bestaan. Het is zo gemakkelijk om over liefde en goedheid te spreken, maar het is moeilijker om in een intieme en waarachtige relatie te treden met mensen van verschillende afkomst. Het is nochtans dit wat de dood en de Verrijzenis van Christus heeft teweeggebracht : een  gemeenschap der heiligen die niet aan zichzelf denken, niet aan hun eigen  meningen, maar die ononderbroken hun liefde voor Christus en de andere mensen uitdrukken, zoekende om zich te verootmoedigen, zoals Christus zich heeft verootmoedigd. Wat niet mogelijk was onder de wet van de dood is mogelijk geworden door de eenheid in de Geest van leven.

3. Hoe wij vandaag de overwinning van het kruis verwezenlijken.

Gedurende haar bestaan heeft de kerk altijd moeten vechten tegen de zonde en de corruptie van haar eigen leden, en dikwijls ook in de schoot van haar geestelijkheid. Zij kon echter altijd de aangewezen middelen toepassen, want zij was in staat om de vijand te herkennen. De Kerk is in de waarheid, niet omdat al haar leden zonder zonde zijn, maar omdat het sacramentele leven altijd in haar aanwezig is, en hiertegen is de duivel machteloos. ‘Wanneer u zich vaak in één plaats verzamelt, is de macht van de duivel gebroken’ (H. Ignatios van Antiochië, Epistel aan de Efesiërs,13). Telkens als de leden van een Gemeenschap bijeenkomen om de Eucharistie te celebreren en ze in staat zijn om gemeende vredeskussen uit te delen voordat men communiceert aan het Lichaam en Bloed van Christus is de duivel verslagen. Nochtans, indien één lid van het Lichaam van Christus onwaardig communiceert, eet en drinkt hij zijn veroordeling (1 Kor.11,29). Wanneer een Christen in het geheel niet communiceert aan het Lichaam en Bloed van Christus in elke Eucharistie, is hij geestelijk dood (Joh.6,53). De Kerk heeft altijd geweigerd om het gebruik goed te keuren waarbij een groot aantal gelovigen de Eucharistie bijwonen, maar slechts weinigen communiceren. Aanwezigheid en deelname aan het gebed en de communie zijn onafscheidelijk (7e apostolische canon; Heilige Johannes Chrysostomos,3e homelie aan de Efesiërs). ‘ Hij die zich niet verenigt met de Kerkelijke gemeenschap heeft daardoor zelf zijn hoogmoed bewezen en heeft hij zichzelf veroordeeld’ (Heilige Ignatius van Antiochië, Efesiërs 5). De bijbelse en patristieke traditie is unaniem op dit punt : iemand kan slechts een levend lid van het Lichaam van Christus zijn, indien hij gestorven is voor de macht van de dood en leeft in de hernieuwing van de Geest van leven. Omwille van dezelfde reden werden zij, die Christus gedurende zijn folteringen hebben verloochend, gezien als geëxcommunieerden. Eens dat een christen met Christus stierf  in de doop,verwachtte men van hem dat hij bereid zou zijn om op gelijk welk moment met Christus te sterven. ‘wie Mij voor de mensen verloochent,hem zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is’ (Matth.10,33). De 10e Canon van het Eerste Oecumenisch Concilie neemt geen genoegen met de wijding te verbieden van diegenen die Christus gedurende de vervolgingen hebben verloochend, maar verklaart ook automatisch elke wijding van dit soort als ongeldig, zelfs al hebben ze plaatsgevonden in totale onwetendheid van de wijdende bisschop. Hij die dergelijke wijding zou hebben toegediend werd zelfs ook zijn priesterschap ontnomen. Hoe ernstiger is de zonde tegen de beloften van het doopsel van hen die te lui zijn om naar de Kerk te gaan. De goedkeuring die onze clerus van vandaag toekent aan onze sacramentele praktijk is nog meer onaanvaardbaar ! Indien de christen geëxcommunieerd was omdat hij Christus verloochend had na uren van fysische foltering, dan zijn zij die week na week zichzelf excommunieren des te meer te veroordelen. De kwaliteiten en de methodes van de duivel zijn niet veranderd, De duivel is gelijk aan zichzelf gebleven, zoals Paulus het beschrijft :”ook zijn dienaars doen zich voor als dienaars van gerechtigheid” (2 Kor.11,15).  De macht van de dood in de wereld is dezelfde gebleven. De middelen van het heil, door de dood van het doopsel en het leven van de Eucharistie zijn ook dezelfde gebleven (ten minste in de liturgische boeken van de Kerk). De Canons van de Kerk zijn niet veranderd. Wij kiezen nog altijd dezelfde Schriften die bekrachtigd zijn door de Vaders. Hoe kunnen wij dan onze moderne zwakheden verklaren ?  Zij zijn nog nooit zo evident geweest. Er kan slechts één antwoord zijn op die vraag. De leden van de Kerk bestrijden de  kwade niet meer in de geest van de Bijbel.  Veel Christenen gebruiken de Kerk voor hun eigen belangen en interpreteren de leer van Christus volgens hun eigen gevoelens. De essentiële taak van de orthodoxe jeugd moet vandaag de dag daarin bestaan, dat zij terugkeren tot de waarheid van de Apostelen en de Vaders, om niet meer te handelen volgens de wetten van de prins der duisternissen en de grondbeginselen van deze wereld. Want daarvoor is Christus gestorven. Dit  verloochenen betekent Christus’kruis en het bloed der martelaren verloochenen. Vooraleer de ‘strengheid’ van de leer der Kerkvaders te bekritiseren, moet de moderne orthodoxie terugkeren naar de vooronderstellingen van het leven in Christus in de Schrift, en erop letten om de leer van Christus niet te verderven.

P.R. Jean ROMANIDES in SYNAXE No 21 (p.26-28) en No 22 (p.23-26)

Vertaling : Kris Biesbroeck

 christus 87

De commentaren zijn gesloten.