09-11-08

De Heilige Vaders volgend.... 5Florofsky)

„De heilige Vaders volgend ":

Vader Georges Florovsky en de Patristieke Traditie

De Heilige Vaders volgend.... Het was gebruikelijk in de Oude Kerk om leerstellige verklaringen in te leiden met uitdrukkingen als deze. Het decreet van Chalcedon begint precies met deze woorden. Het zevende Oecumenisch concilie begint haar beslissingen betreffende de Heilige Iconen zelfs op een explicietere en gedetailleerde vorm : 'na het Goddelijk geïnspireerd onderricht van onze Heilige Vaders en de Traditie van de Katholieke Kerk (Denzinger 302).

Het was duidelijk méér dan enkel een beroep doen op de 'oudheid'. De kerk beklemtoont namelijk altijd de identiteit van haar geloof voor allen. Deze identiteit en vereenzelviging met de Apostolische tijd is juist de opvallenste symboliek en teken van rechtzinnig geloof. Zoals de beroemde zin van Vincent van Lerins het zegt : 'de Katholieke Kerk moet er zelf voor zorgen dat het het geloof van allen is, en dat het door allen geloofd moet worden (in ipsa item catholica ecclesia magnopere curandum est ut id teneamus quod ubique, quod semper, quod ab omnibus  creditum est)'(Commonitorium c. 2-3). Nochtans is de 'oudheid' op zich geen adequaat bewijs van het ware geloof. De archaïsche formules kunnen volkomen misleidend zijn.Vincent van Lerins was zich daar wel van bewust . Oude  gewoontes op zich garanderen nog niet de waarheid. Zoals de Heilige Cyprianus het zei : 'Een verleden zonder waarheid, is een grote vergissing' (Antiquitas sine veritate vetustas erroris est).

De ware traditie, volgens de Heilige Ireneüs  is slechts een traditie van 'waarheid' (traditio veritatis). En deze 'ware traditie' (true tradition) wordt slechts gewaarborgd door een vaststaand charisma van waarheid (charisma veritatis certum) door datgene dat vanaf het begin in de Kerk is bewaard in een ononderbroken successie van het Apostolisch ambt door de bisschoppen  : 'Wie de apostolische successie  aanneemt moet de genade van de waarheid zeker ontvangen' (qui cum episcopatus successione charisma veritatis certum acceperunt)

Aldus is de 'traditie' in de Kerk niet slechts een continuïteit van het menselijk geheugen, van riten en gewoontes. De traditie is daarentegen de continuïteit van Gods hulp, de voortdurende werking van de Heilige Geest. De Kerk is niet gebonden door de 'tekst', de 'brief' op zich, zij wordt constant bewogen door de 'Geest'. Dezelfde Geest, de geest der Waarheid, die gesproken heeft door de profeten, die de Apostelen begeleidde, die de Evangelisten verlichtte, en die nog werkzaam is in de Kerk en haar in het volle begrip van de goddelijke waarheid leidt, van glorie tot glorie.

De heilige Vaders volgend... Dit is geen verwijzing naar een abstracte traditie, naar formules en voorstellen. Het is vooral een beroep doen op personen, op heilige getuigen.  Het getuigenis van de Vaders behoort wezenlijk en intrinsiek, tot de eigenlijke structuur van het orthodox geloof. De Kerk is evenzeer gebonden aan het kerygma ( heilsboodschap, verkondiging) van de Apostelen als aan de dogma's van de Vaders. Allebei horen wezenlijk samen. De kerk is inderdaad 'Apostolisch', maar ze is ook 'Patristisch'. En het is slechts door het 'Patristisch' zijn dat de Kerk onophoudelijk 'Apostolisch' is. De vaders leggen getuigenis af van de Apostoliciteit van de traditie. Er zijn twee stadia te herkennen die aan de basis liggen van het Christelijk geloof. Ons eenvoudig geloof moest structuur verwerven.Er was een innerlijke drang daartoe, een noodzaak in de overgang van Kerygma naar dogma. Inderdaad, de dogma's van de Vaders zijn essentieel hetzelfde 'eenvoudige' kerygma die ons eens overgeleverd is en waarvan de apostelen getuigenis hebben afgelegd, eens en voor altijd. Maar nu is het kerygma-behoorlijk uitgesproken en ontwikkeld in een samenhangend geheel van onderling samenhangende getuigenissen. De apostolische prediking word niet alleen bewaard in de Kerk : ze leeft in de Kerk . In deze zin dat de leer van de kerkvaders een permanente deel is van het Christelijk geloof, een constante maatstaf of beslissend kenmerk  van het oude geloof, een 'testis antiquitatis'(= getuigenis van het oude'), maar bovenal en vooreerst, een getuigenis van het oude geloof, 'testis veritatis'(=getuigenis van de waarheid'). Bijgevolg is ons eigentijds beroep op de Vaders veel meer dan een historische verwijzing  naar het verleden. De opinie van de Vaders is een intrinsieke omschrijving  van de orthodoxe theologie, niet in mindere mate als de Heilige Schrift. Het kan er nooit van gescheiden worden. De Vaders zelf waren altijd dienaars van het Woord, en hun theologie was wezenlijk exegetisch. Dus, zoals het recent nog werd gezegd, 'de Katholieke Kerk van alle tijden is niet enkel een kind van de Kerk der Vaders, maar ze is en blijft de Kerk van de Vaders(6).

Het belangrijkste onderscheid van de Patristieke theologie was haar 'existentieel' karakter. De Vaders theologiseerden, zoals de Heilige Gregorius van Nazianze het zei, ' op de wijze van de Apostelen, en niet op de wijze van Aristoteles' (alieutikos ouk aristotelikos (Hom. 23,12). Hun theologie was altijd een 'kerygmatische theologie', zelfs wanneer het logischerwijze opgesteld en bekrachtigd werd met intellectuele argumenten. De uiteindelijke referentie was nog altijd het geloof, het spirituele bevattingsvermogen. Het volstaat in dit verband de namen te vermelden van de heilige Athanasios, de heilige Gregorius van Nazianze, de heilige Maximos de belijder. Hun theologie was een getuigenis. Los van het leven in Christus  heeft de theologie niets te getuigen. Indien de theologie los staat van een leven in geloof, zal ze al vlug degenereren tot inhoudloze redeneringen., een nutteloze 'polylogia'(woordkramerij), zonder geestelijke gevolgen. De Patristieke theologie was geworteld in een daadwerkelijk geloofsgetuigenis. Het was geen zelf-verhelderende 'discipline' die met argumenten kon worden verduidelijkt zoals bij Aristoteles, zonder een voorafgaand spiritueel engagement. Deze theologie kon enkel worden 'gepredikt', of 'verkondigd' en niet eenvoudigweg 'gedacht' worden op een schoolse manier. Het werd gepredikt van op de preekstoel, verkondigd in het gebed en de heilige riten en kreeg haar daadwerkelijke gestalte in de gehele structuur van het Christelijk leven. Zo een theologie kan nooit worden gescheiden van het gebedsleven en van de praktijk van de deugd. 'Het hoogtepunt van de zuiverheid. 'Het hoogtepunt van zuiverheid is het begin van de theologie' zegt de Heilige Johannes Klimakos (Scala Paradisi, grade 30). Anderzijds is theologie altijd, zo was het ook vroeger, niet meer dan 'propaideutic' (= een aanzet tot..), want haar uiteidelijke doel en bedoeling is en was  getuigenis te brengen van het Mysterie van de levende God in woord en daad. Theologie is geen doel op zichzelf, het is 'maar' een weg. Theologie geeft ons niet meer dan een 'intellectuele contourvorm' van het overgeleverde geloof, een 'noetisch' (= verstandelijk) getuigenis ervan. Alleen in een act van geloof wordt deze intellectuele contour gevuld met een levende inhoud. Maar toch is deze intellectuele contour onontbeerlijk. Christologische formules zijn actueel alleen maar van betekenis voor de gelovige, voor hen die de levende Christus hebben ontmoet, en Hem hebben aanvaard als God en Redder, voor hen die echt geloven in Hem, in Zijn Lichaam de Kerk. In deze betekenis is de theologie nooit een zelf - verhelderende discipline. Ze roept voortdurend op tot een geloofsvisie. 'Wat wij hebben gezien en gehoord, dat verkondigen wij u'. Los van deze 'verkondiging' zijn theologische formules zonder gevolg. Om deze redenen mogen formules nooit uit hun spirituele context genomen worden. Het is volslagen misleidend om bepaalde voorstellen, dogmatische of doctrinele, los van elkaar te beschouwen en ze te onttrekken uit het totale perspectief waarin ze alleen zinvol en gegrond zijn. Het is een gevaarlijke gewoonte zich te bedienen van 'citaten' van de Vaders en zelfs van de Schrift,en ze buiten de totale structuur van het geloof te behandelen, in dewelke ze waarachtig  levend zijn. 'De Vaders' volgen betekent niet slechts dat men hun zinnen citeert. Het betekent : hun mening verwerven, hun 'phronema' ( Grieks woord, in de orthodoxe theologie heeft het de betekenis van denkrichting, mening, opvatting). De orthodoxie maakt er aanspraak op om deze mening bewaard te hebben en ze te hebben getheologiseerd 'ad mentem Patrum' (in de geest van de Vaders). Op dit punt kan een belangrijke twijfel worden opgeworpen. De naam 'Kerkvaders' is normaal gesproken beperkt tot de leraren van de  Oude Kerk. En men veronderstelt momenteel dat hun gezag, indien erkend bij allen, zou afhangen van hun 'ouderdom', dit wil zeggen, van hun vergelijkende chronologische nabijheid van de 'Primitieve Kerk', tot het begin van het Apostolisch tijdperk van de Christelijke geschiedenis. Welnu, reeds de Heilige Jeronimos zelf voelde zich verplicht om dit geschil te betwisten : de Geest ademt inderdaad in alle tijden. Inderdaad, er was geen vermindering van 'gezag', en geen vermindering van de noodzaak van de geestelijke kennis in de loop van de Kerkgeschiedenis, natuurlijk altijd onder de controle van de eerste getuigen en de openbaring. Jammer genoeg is de tendens tot 'vermindering', als het tenminste niet gaat om een flagrant 'verval', vandaag één van de gebruikelijke  ontwerpen van historisch denken geworden. Het wordt algemeen,  bewust of onbewust, verondersteld, dat de vroege kerk , zoals ze was, dichter bij de bron van het geloof stond. In de rangorde van de tijd is het natuurlijk waar. Maar betekent dit ook dat de vroege Kerk eigenlijk het mysterie van de openbaring kende en begreep, of om het anders te zeggen 'beter' en 'vollediger' dan alle volgende tijden, zodat niets dan een 'herhaling' is overgebleven voor de komende tijden? Als een toegeving aan onze eigen ontoereikendheid en mislukking, als handeling van bescheiden zelf-kritiek kan een ophemeling van het verleden eervol en gezond zijn. Maar het is gevaarlijk om van hieruit het beginpunt van onze theologie van de Kerkgeschiedenis te maken of zelfs van onze theologie van de Kerk. Het wordt algemeen aanvaard dat 'het tijdperk van de Kerkvaders' is beëindigd, en dienovereenkomstig als een 'oude vorming' moet worden beschouwd, archaïsch en verouderd. De grens van de 'Patristische tijd' wordt verschillend gedefinieerd. Het is gebruikelijk om de Heilige Johannes van damascus als de 'laatste Vader' in het Oosten en de Heilige Gregorius de Grote of Isidorus van Sevilla als de laatste westerse Kerkvader te beschouwen. Deze keuze is meer dan eens betwist. Bijvoorbeeld, kan de Heilige Theodoor de Studiet niet gerekend worden onder de Vaders? In het westen suggereerde reeds Mabillon dat Bernardus  van Clairvaux, de doctor melifluus (honingvloeiende doctor) 'de laatste van de Vaders was en zeker niet ongelijk met de vroegere' (7). Anderzijds kan niet betwist worden dat de 'tijd van de Vaders' veel vroeger tot haar einde is gekomen dan zelfs de Heilige Johannes van Damascus. Het is gemakkelijk genoeg om zich de formule in herinnering te brengen van de 'Consensus quinquesaecularis',(nl. die de traditie, als een levende en gezaghebbende macht van de Kerk beperkt tot de overlevering van de eerste vijf eeuwen) die de 'gezaghebbende' periode van de Kerkgeschiedenis tot het Concilie van Chalcedon beperkte. Het was namelijk een protestantse formule. Maar de meer gebruikelijke Oosterse formule van de 'zeven Oecumenische Concilies' is echter niet veel beter, wanneer het ertoe neigt, zoals het gewoonlijk doet, het geestelijk gezag van de Kerk te beperken tot de eerste acht eeuwen. Alsof het 'Gouden tijdperk' van de Kerk reeds voorbij is en wij nu waarschijnlijk vertoeven in een ijzeren tijdperk, veel lager dus op de schaal van spirituele sterkte en authoriteit. Psychologisch is deze houding vrij begrijpelijk, maar het kan  theologisch niet worden gerechtvaardigd. De Vaders van de vierde en de vijfde eeuw zijn namelijk veel indrukwekkender dan de recentere, en hun intrinsieke grootheid kan niet worden in vraag gesteld. Maar toch bleef de Kerk na Chalchedon zeer levendig. In feite,  een overbeklemtoning van de 'eerste vijf eeuwen'  vertekent op een gevaarlijke wijze een theologische visie en verhindert  het juiste verstaan van het dogma van Chalcedon zelf. Het decreet van het zesde Oecumenisch Concilie wordt dan enkel beschouwd als een soort 'appendix' van Chalcedon, en de beslissende theologische bijdrage van de Heilige Maximos de Belijder wordt gewoonlijk volledig genegeerd. Een té sterke beklemtoning  van de 'acht eeuwen' verduistert onvermijdelijk de erfenis van Byzantium. Er bestaat nog altijd een tendens  om 'Byzantijns' als een inferieur gevolg, of zelfs als een decadente epiloog te beschouwen van het patristieke tijdperk. Waarschijnlijk zijn wij nu meer dan voordien, bereid om het gezag van de Vaders te aanvaarden. Maar 'Byzantijnse theologen' worden nog altijd niet gerekend tot de Vaders. In feite echter was de Byzantijnse theologie méér dan een slaafse 'herhaling' van de patristiek. Het was een organische voortzetting van de patristieke inspanningen. Het is voldoende om de Heilige Symeon de Nieuwe Theoloog in de elfde eeuw, en de Heilige Gregorios Palamas  in de veertiende eeuw te vermelden. Een beperkende verplichting van Zeven Oecumenische Concilies spreekt eigenlijk het basisprincipe  van de Levende Traditie in de Kerk tegen. Alle Zeven, maar niet slechts zeven.

De zeventiende eeuw was een kritieke periode in de geschiedenis van de Oosterse Theologie. Het onderricht in de theologie was op dat ogenblik van het traditioneel patristiek patroon afgeweken en had invloed uit het Westen ondergaan. De theologische gewoontes en reglementen werden geleend van het Westen en bovendien was het eclectisch, zowel van de laat Romeinse Scholastiek of de Post-Tridentijnse tijden en van de verschillende theologieën van de Reformatie. Deze ontleningen beïnvloedden sterk de theologie van de zogenaamde 'Symbolische boeken' van de Oosterse Kerk, die niet kunnen gezien worden als een authentieke stem van het christelijk Oosten. De stijl van theologiseren was veranderd, maar toch impliceerde dit geen verandering in doctrine. Het was inderdaad een pijnlijke en dubbelzinnig 'Pseudomorphosis'(oneigenlike vorm) van de Oosterse Theologie, die zelfs in onze tijd nog zijn sporen heeft nagelaten.Deze Pseudomorphosis  van Oosterse Theologie betekende eigenlijk een splinter in de ziel van het Oosten, om één van de favoriete uitdrukkingen van Arnold Toynbee te gebruiken. In het leven van de Kerk is echter de traditie van de Vaders nooit onderbroken geweest. De ganse structuur van de Oosterse Liturgie, in een inclusieve betekenis van het woord, is nog altijd grondig Patristisch. Het leven van gebed en meditatie volgt nog altijd het oude patroon. De Filokalia, die beroemde encyclopedie van Oosterse godsvrucht en ascetisme, die geschriften van vele eeuwen omvat, van de Heilige Antonios van Egypte tot de Hesychasten van de veertiende eeuw, wordt meer en meer het handboek van begeleiding voor iedereen die in onze tijd de Orthodoxe Praktijk entousiast willen beleven. Het gezag van zijn samensteller, de Heilige Nicodemus van de Berg Athos, is onlangs nog versterkt door zijn canonisatie in de griekse Kerk. In deze zin kan worden gezegd dat het 'tijdperk van de Vaders' nog altijd levendig aanwezig is  in het leven van de Kerk. Zal het ook in de scholen, op het vlak van theologische research en het onderricht niet worden verdergezet ? Moeten wij de opvatting van de Kerkvaders niet terug de plaats geven die haar toekomt in het theologisch denken en belijden ? Herstellen, zeker, niet als een archaïsche houding en gewoonte,  en niet als een eerbiedwaardig overblijfsel, maar als een existentiële houding, als een spirituele oriëntatie. Eigenlijk leven wij nu reeds in een tijdperk van heropleving en herstel. Maar toch is het niet genoeg om een 'Byzantijnse Liturgie' te houden, om een Byzantijnse stijl in de Iconografie en Kerkelijke architectuur te herstellen, om Byzantijnse vormen van gebed en zelf-discipline te beoefenen. Men moet naar de eigenlijke wortels van de traditionele vroomheid terugkeren die ons altijd als een heilige erfenis is nagelaten. Men moet de patristieke gedachte terugkrijgen. Anders zal men nog altijd het gevaar lopen van een interne scheiding tussen het 'traditionele' model van 'vroomheid' en het niet-traditionele model van het 'verstand'. Als toegewijden hebben de orthodoxen altijd gestaan in de 'traditie' van de Vaders. Zij moeten ook als theologen in de zelfde traditie van de Vaders staan. Er is geen andere manier waarop wij de integriteit van het Orthodox bestaan kunnen behouden en beveiligen.

Het volstaat hierbij te verwijzen naar de discussies op het Congres van Orthodoxe theologen, gehouden te Athene op het einde van het jaar 1936. Het was een representatieve vergadering : acht theologische faculteiten  uit 6 verschillende landen waren vertegenwoordigd. Twee belangrijke problemen waren opvallend op de agenda : vooreerst, de 'Externe invloeden op de Orthodoxe Theologie sedert de val van Constantinopel'; verder : 'De authoriteit van de Vaders'. Het feit van de groei van de orthodoxie in de Westerse wereld werd erkend en grondig geannaliseerd. Enerzijds werd het gezag van de Vaders opnieuw beklemtoond en een 'terugkeer naar de Vaders' werd bepleit en goedgekeurd. Het moet echter een creatieve terugkeer zijn. Een element van zelf-kritiek moet daarin worden geïmpliceerd. Dit brengt ons tot het concept van een Neopatristieke synthese, als taak en doel van de Orthodoxe theologie vandaag. De erfenis van de Vaders is een uitdaging voor onze generatie binnen en buiten de Orthodoxe Kerk. Haar onderhoudende macht werd meer en meer erkenbaar en erkend in de recente decennia, en dit in diverse hoeken van een verdeeld Christendom. Het groeiend beroep op de patristische traditie is één van het meest kenmerkend feit voor onze tijd. Dit appel is voor de Orthodoxie van wezenlijk belang en een dringende noodzaak, omdat de ganse traditie van de Orthodoxie altijd patristisch is geweest. Men moet zowel de problemen als de antwoorden van de Vaders herwaarderen. In deze studie zal de vitaliteit van de patristieke gedachte en haar eeuwigdurende opportuniteit naar voor komen. 'Onuitputtelijk is het voedsel van de Vaderen' (Inexhaustum est penu Patrum) heeft Louis Thomassin, een Frans Oratoriaan (Kath.priester) uit de zeventiende eeuw,en één van de voornaamste patristische geleerden van zijn tijd, het goed gezegd(8).

Eindnota's

6. Louis Bouyer, Le renouveau des etudes patristiques, in „La Vie Intellectuelle." Fevrier 1947, p. 18.

7. Mabillon, in het Voorwoord aan Bernard Opera, n. 23, Migne, P.L., CLXXXII, c. 26, onlangs geciteerd in de Encycliek van Paus Pius XII, Doctor Mellifluus (1953); English translation of the Encyclical in Thomas Merton, The last of the Fathers, NY,1954.

8.L. Thomassin, Dogmata theological, vol. I, Praefatio,p.XX

Vertaling : Kris Biesbroeck

Originally published in The Collected Works of Georges Florovsky (Belmont, MA: Nordland Publishing Co., 1987), Vol. IV, "Patristic Theology and the Ethos of the Orthodox Church," Part II, p. 15-22. This is an excerpt from an approx. 20

Oecumenisch concilie - zevende (450 x 630)

 Het 7e Oecumenisch Concilie

De commentaren zijn gesloten.