02-12-08

Ireneos van Lyon : de Kerk

IRENEOS VAN LYON

 Irenaeus van Lyon

 

De Kerk

 

De nieuwe Wet van de Heilige Geest

 

89. Reeds Jesaja leert ons dat Christus ons niet tot de Mozaïsche Wet wil terugvoeren, - Hij heeft immers de Oude Wet tot een einde gebracht - maar dat men door het geloof en de liefde voor Gods Zoon voortaan een nieuw leven moet leiden, door de krachtige bijstand van het goddelijk Woord (Jes.43,18-21) : Denk niet meer aan wat gebeurd is, blijf niet steeds denken hoe het vroeger was. Voorwaar, Ik doe iets nieuws; reeds staat het op het punt te gebeuren en gij zult het meemaken. Ik leg een weg aan in de woestijn. Ik laat stromen vloeien door de dorre aarde, om Mijn uitverkoren volk te drenken, het volk dat Ik Mij verworven heb om mijn deugden te verkondigen.

'Woestijn' en 'dorre grond' dat waren de heidenen vóór zij geroepen werden, want het Woord was nog niet onder hen gekomen, en zij waren nog niet gedrenkt met de Heilige Geest, die een nieuwe weg had geopend van vroomheid en gerechtigheid, en die rijke bronnen han doen ontspringen : de door de profeten beloofde Heilige Geest, die uitgestort was over geheel de aarde.

 De uitstorting van de Heilige Geest

90. Bij onze roeping gaat het dus om de vernieuwing door de Geest en niet om de oude letter (Rom.7,6), zoals jeremia profeteerde (31,31-34) : Zie, er komen dagen, spreekt de  Heer, dat Ik met het huis Israël en het huis Juda een nieuw Verbond zal sluiten; niet zoals dat welk Ik met hun vaderen gesloten heb in de tijd dat Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte te leiden. Doch zij hielden zich niet aan dit Verbond en daarom heb ik Mij niet meer met hen bezig gehouden, zegt de Heer.

Maar dit is het nieuw Verbond dat Ik na deze dagen met Israël sluiten zal : Ik leg hun Mijn Wet in de geest en grif die in hun hart. Zo zal Ik hun God zijn en zij zullen Mijn volk wezen. Voortaan zullen zij niet meer elkander onderrichten : Ken de Heer, want allen, klein en groot, zullen Mij kennen. Want Ik wil aan hen hun schulden vergeven, en hun zonden wil Ik niet meer gedenken.

Ook de heidenen worden geroepen

91. Ook de geroepen heidenen zullen deze Beloften erven en zij zullen deel uitmaken van dit Nieuwe Verbond. Dat leert ons Jesaja waar hij zegt (17,7vv) : Zo zegt de God van Israël : Te dien dage zal de mens zijn hoop stellen op zijn Schepper, en zijn ogen zullen opzien naar de Heilige van Israël; en zij zullen niet langer heil verwachten op de altaren der afgoden, het werk van hun eigen handen, dat hun vingers hebben vervaardigd.

Dit woord is dus gesproken over hen die de afgoden hebben verlaten, en die geloven aan God onze Meester, de Heilige van Israël. Deze Heilige van Israël nu is Christus, en wij zien op tot Hem die verschenen is onder de mensen. Maar wij hebben onze hoop niet gesteld op andere goden, het werk van mensenhanden.

God onder de mensen

92. Het Woord Gods is onder ons beschikbaar geworden, immers Gods Zoon is tot Mensenzoon geworden, om gekend te worden door ons die Hem vroeger nooit hadden gekend. Daarover sprak het Woord zelf door de mond van Jesaja (Jes.65,1) : Ik ben verschenen aan hen die niet naar Mij hadden gevraagd, en ik ben gevonden door hen die Mij niet hebben gezocht. Ik zeide : 'Hier ben Ik' tot een volk dat Mijn Naam nog niet had aangeroepen.

Geroepen tot heiligheid

93. De profeet Hosea heeft in het Boek der Twaalf Profeten aangekondigd (2,25) : Ik zal tot Niet-Mijn Volk zeggen : Mijn volk zijt gij; en de niet-geliefde zal bemind zijn. En in plaats van tot hen te zeggen : ge zijt Mijn volk niet, zal men hen noemen : Kinderen van de levende God.

Zo heeft ook Johannes de Doper gezegd (Matt.3,9) : God kan uit deze stenen kinderen voor Abraham verwekken. Want nadat onze harten zich hebben afgekeerd van de steenverering en wij vrijgemaakt zijn, zien wij God in het geloof en worden wij kinderen van de door het geloof gerechtvaardigde Abraham (Gal.3,6-8). En daarom zegt God door de profeet Ezechiël (11,19) : En ik zal hun een ander hart geven en in hun binnenste een nieuwe geest leggen; het stenen hart zal ik wegnemen uit hun binnenste en Ik zal hun geven een hart van vlees, opdat zij wandelen volgens Mijn voorschriften, en Mijn wetten overdenken en onderhouden. Zij zullen Mijn volk zijn en Ik wil hun God zijn.

De nieuwe gemeente

94. Door het vleesgeworden Woord van God, die onder de mensen woont, is de roeping der heidenen tot stand gebracht en de verandering van hun hart, zoals het staat bij Zijn leerling Johannes (1,14) : Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Daardoor heeft de Kerk zovele uitverkorenen voortgebracht, want noch Mozes, noch de Engel (Elia) is onze voorspraak, maar de Heer Zelf heeft ons gered (Jes.63,9), door velen als kinderen te geven aan de Kerk, talrijker dan de Synagoge : de Gemeente der eerstelingen, zoals Jesaja heeft gerofeteerd (54,1) : Jubel onvruchtbare, die niet gebaard hebt. Deze onvruchtbare, die in de voorafgaande tijd geen kinderen aan God kon schenken, is de Kerk, zoals de Profeet vervolgt : Jubel het uit van vreugde, zij die geen weeën heeft gehad, want talrijker zijn de kinderen van de eenzame dan die van de gehuwde. Immers, de oude synagoge had een man, de Wet.

De roeping der heidenen

95. Ook Mozes zegt in Deuteronomium dat de heidenen de eersten, het weerspannig volk daarentegen de laatsten zouden zijn (32,21) : Gij hebt Mijn naijver opgewekt door wat geen God is, en Mij vertoornd door uw afgoden. Daarom zal Ik uw naijver opwekken door wat geen volk is, en uw toorn door verstandelozen.

Want de Joden hadden de ware God verlaten om eredienst te bewijzen aan godheden die slechts niets zijn. Zij doodden Gods profeten en profeteerden voor de Baäl, de afgod der Kananieten. Hem die werkelijk Gods Zoon was, hebben zij minachtend verworpen, en zij gaven de voorkeur aan Barrabas die wegens moord gevangen was (Markus 15,7). Zij hebben de eeuwige Koning verloochend en een tijdelijke Caesar als koning erkend (Joh.19,15). Daarom heeft het God behaagd Zijn erfdeel over te dragen aan de heidenen hoewel zij niet tot de stad Gods behoorden en zelfs niet wisten wie Gpd was.

Volmaakter dan de oude Wet

96. Dank zij deze roeping is ons het leven verleend, en heeft God het geloof van Abraham in ons tot leven gebracht. We moeten dus niet meer achterwaards zien, dxz. Terugkeren tot de Oude Wet. Wij hebben immers de Heer der Wet ontvangen, de zoon van God. Door te geloven in Hem, leren wij God beminnen uit geheel ons hart en onze naaste als onszelf (Matt.27,39). Maar de liefde tot God sluit elke zonde uit, en het liefhebben van de naaste kan niet samengaan met hem kwaad te doen (Rom.13,10). Daarom hebben wij geen wet nodig als pedagoog (Gal.3,25) : zie, wij spreken met de Vader en staan voor Zijn Aangezicht, omdat wij kinderen zijn in de boosheid (1 Kor.14,20), maar vol kracht in gerechtigheid en reinheid . De Wet hoeft niet te zeggen : Gij zult niet echtbreken (Ex.20,14) tegen hen die zelfs niet denken aan een vreemde vrouw. Evenmin : Gij moogt niet doden tegen wie uit zijn hart alle gevoelens van toorn en haat verdrijft.

Ook niet : Gij zult niets begeren wat uw naaste toebehoort  tot hen die zich niet inlaten met aardse dingen omdat zij schatten verzamelen in de hemel. Noch : Oog om oog, tand om tand tot wie niemand voor vijand doch allen voor naaste houdt en daarom zelfs geen hand kan uitsteken om zich ergens over te wreken.

Ook zijn er geen Tienden te vragen van wie al zijn bezit offert aan God, en die vader en moeder en alle verwanten verlaat om Gods Woord te volgen. Het is niet nodig te gebieden één dag in rust en zonder werk door te brengen aan iemand die iedere dag Sabbath viert, dwz. Die in de tempel van God, het menselijk lichaam (1 Kor.3,16), God waardig dient en elke uur de gerechtigheid beoefent.

Reeds door de Profeten had de Heer gezegd : Barmhartigheid wil IK en geen offer, kennis van God en geen brandoffer. Zelfs al slacht de goddeloze voor Mij een rund dan zal het zijn alsof hij een hond wurgde; en brengt hij een spijsoffer, dan zou het zijn of hij zwijnebloed bracht (Hos6,6 , Jes.66,3). Wie echter de Naam des Heren aanroepen, zullen gered worden. Want er is geen andere naam onder de hemel waardoor de mensen gered worden (Hand.4,12) dan die van God, d.i. van Gods Zoon, Jezus Christus, aan Wie zelfs de demonen en boze geesten en alle opstandige krachten zich moeten onderwerpen.

God helpt Zijn gelovigen

97. Wanneer nu de naam van de onder Pontius Pilatus gekruisigde Jerzus Christus wordt aanroepen, wordt Satan van de mensen verdreven; want waar ook maar iemand bidt, die in Hem gelooft en Hem aanroept onder het volbrengen van Zijn wil, daar komt Jezus nabij : daar is Hij tegenwoordig om de gebeden te verhoren van hen die zich met een rein hart tot Hem richten.

Nu wij zo de verlossing ontvangen hebben, loven wij zonder ophouden God die ons door Zijn oneindige, onbegrensde, ondoorgrondelijke wijsheid heeft gered; en Die ons vanuit het hoogste der hemelen het heil verkondigt heeft, namelijk de zichtbare komst van onze Heer, Zijn leven in ons menselijk vlees. Uit onszelf zouden wij zulk een heerlijkheid nooit hebben kunnen bereiken, maar hetgeen voor mensen onmogelijk is, blijkt toch mogelijk voor God (Luc.19,27).

Ook de profeet Jeremia heeft daarover gesproken in het boek Baruch (3,29-41) : Wie is opgeklommen naar de hemel om haar uit de wolken naar beneden te brengen ? Wie over zee gevaren en bracht haar hier voor kostelijk goud ? Niemand vond haar weg of kende haar pad. Maar de Alwetende kent haar door Zijn inzicht. Hij heeft de aarde voor altijd geordend en haar vervuld met viervoeig vee. Hij zendt het licht uit en roept het terug, het gehoorzaamt aan Zijn woord. De stereen stralen vol vreugde op hun plaats; Hij roept ze tevoorschijn en zij antwoorden : 'Hier zijn wij', jubelend van blijdschap om hun schepper. Zo is onze God, niemand is met Hem te vergelijken.

Uit Hem stamt de wijsheid in al wat bestaat en Hij gaf haar aan Jacob, Zijn dienaar en aan Israël, Zijn beminde. Daarna verscheen de Wijsheid op aarde en woonde onder de mensen. Zo is het met het Boek van Gods Geboden, de altijd-blijvende Wet. Allen die de Wet onderhouden, zullen leven; maar wie haar verlaten, zullen sterven.

Het gaat hier over de Zoon Gods, die van de Vader heerschappij over ons leben ontving, en  Die haar, toen Hij op aarde verscheen en onder de mensen woonde, naar beneden bracht tot ons die zo ver van Hem verwijderd waren. Zo heeft Hij de Geest van God de Vader met Gods schepsel verenigd, opdat de mens naar Gods icoon en gelijkenis zou zijn.

Gevolgtrekkingen

98. Dit is de lieflijke waarheid zoals deze gepredikt wordt, en dit is de wijze van onze verlossing. Dit is de weg die leidt tot het leven, welke door de Profeten voorzegd en door Christus ten uitvoer is gebracht. Zo is het door de Apostelen overgeleverd en door de Kerk in heel de wereld aan haar kinderen overgedragen. Deze waarheid moeten we dan ook ongerept bewaren in goede gezindheid om God te behagen door goede werken en daarop onze wil en onze verlangens richten.

Mogelijke dwalingen

99. Laat niemand zich dus inbeelden dat God de Vader iemand anders is dan onze Schepper, zoals sommige ketters het voorstellen. Want zij hebben minachting voor God die het Zijn is, en wat wij aanbidden is een niets, want zij construeren zich een Vader die iets veel verheveners is dan onze Schepper en denken op die manier iets gevonden te hebben dat groter is dan de waarheid.

Dat is in feite goddeloosheid en belediging tegen hun God en hun Schepper. Dat hebben we uitvoerig beargumenteerd in ons boek tegen de zogenaamde Gnosis.

Weer anderen zien neer op de nederdaling van de Mensenzoon en het feit dat Hij vlees geworden is. We hebben in dit boek laten zien hoe de Profeten hebben voorspeld dat juist daardoor de mensheid tot volmaaktheid gebracht zal worden, en dat vormt ook de inhoud van de prediking der Apostelen. Ook zule mensen moeten we dus rekenen tot de ongelovigen. Nog anderen weigeren de gaven te erkennen van de heilige Geest en verwerpen de mogelijkheid van de profetie, terwijl juist het aanvaarden daarvan het goddelijk leven voortbrengt in de mens. Jesaja had zulke mensen op het oog waar hij zegt (1,30) : Want als een ontbladerende terebint en als een waterloze tuin, zo zullen zij worden. Zij zijn waardeloos voor God, omdat zij geen vrucht kunnen voortbrengen.

100. Zo is de dwaling op schikwekkende wijze weggeraakt van de drie hoofdwaarheden waarmee wij bezegeld zijn door de Doop. Want het gaat ofwel tegen de Vader, ofwel zij verwerpen de heilseconomie van de vleeswording van de Zoon, ofwel zij verzetten zich tegen de Heilige Geest doordat zij de profetie verachten.µ

Wij moeten er voor oppassen deze dwaling niet in onszelf toe te laten en ons onttrekken aan het gezelschap van zulke leraars, wanneer wij tenminste willen behagen aan God en het heil willen ontvangen dat van Hem afkomstig is.

Eer aan de alheilige Drie-eenheid en de ene Godheid : aan de Vader en aan de Zoon en aan de alles vooruitziende Geest. In de eeuwen der eeuwen.

AMEN

Uit : Ireneos van Lyon : Het Christengeloof

Uitgave van het orthodox klooster van Den Haag

12:13 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.