09-01-09

André Borrély : Het doopsel, betekenis en riten

HET DOOPSEL : BETEKENIS EN RITEN

Door Vader André Borrély

 

 

1. Het doopsel verandert radicaal de wijze van bestaan van de mens.

 

1.1. Het doopsel in de eniggeboren Zoon

 

Binnen de Orthodoxie is het feest van 6 januari, het feest van de Theofanie, van het doopsel van Jezus door Johannes in de Jordaan. Het is het fundament van het doopsel van de catechumenen. De wijding van het doopwater voltrekt zich door het lezen van een gedicht van de Heilige Sophronius, patriarch van Jerusalem van 634 tot 638. Het is hetzelfde gedicht dat gelezen wordt op het moment van de zegening van het water op 6 januari. En dat wat de hemelse Vader verkondigt met betrekking tot zijn Zoon, de eniggeboren zoon, op het moment van Zijn doop in de Jordaan, dat verkondigt de kerk op haar beurt bij de doop van elk nieuwgeborene. Op het moment dat Jezus uit het water opsteeg hoorde men een stem uit de hemel : 'Gij zijt mijn welbeminde Zoon in wie ik mijn welbehagen stel'  In het spoor van Wellhausen, merkt P. Lagrange op dat er in het Oud testament geen groot verschil bestaat tussen 'welbeminde-zoon' en 'énige zoon'. Door het doopsel, wordt de mens een uniek wezen in deze wereld, onvervangbaar. Als herschapen mens in de wateren van het doopsel, naar het beeld van de Trinitaire God en om op Hem te gelijken, moet de mens, evenals God, niet volgens een cataphatische, maar volgens een apophatische

benadering gezien worden. In het grieks betekent 'kataphasis' : bevestiging, en 'apophasis' : negatie. Omdat hij een persoon is die geschapen is naar het beeld van de Zoon om te gelijken op de goddelijke Drie-eenheid,  deelt de mens aan het 'ongekend-zijn' van de drie goddelijke Personen. Hij is in wezen mysterie, dit wil zeggen: onuitputtelijk door zijn rijkdom, onpeilbaar door zijn diepte, waarvan dus men meer met zekerheid kan zeggen wat het niet is, dan wat het wél is. Het christelijk doopsel heeft als fundamenteel doel, de wijze van bestaan van deze bepaalde nieuwe mens te omvormen, door de aanwezigheid in hem van de Drie-ene, moeilijk onder woorden te brengen, onvatbaar voor de rede, niet te herleiden, niet te vervangen God.

 

Juist door het doopsel gaat de mens van een biologische wijze van existeren naar een kerkelijke wijze van bestaan. Dit is wat de orthodoxie 'deïficatie' noemt waarin hij de kwintessens van het heil in Christus ziet. Voor de orthodoxie, bestaat het heil hoofdzakelijk in het feit dat de mens niet (zeker) aan de substantie van God deelheeft, maar wel aan zijn persoonlijk bestaan. Het heil is de realisatie, in de schoot van de mensheid, van het trinitaire leven, het is de uitbreiding 'ad extra' van de wijze van bestaan van de drie goddelijke Personen. Voor de orthodoxie is het feest van 6 januari onlosmakelijk verbonden met het feest van de doop van Christus en deze van de Heilige Drie-eenheid. Daarom spreken wij van Theophanie, liever dan van Epiphanie. Elke Theophanie is een Epiphanie, maar elke Epiphanie is niet noodzakelijk deze van de Drie-enige God. Het troparium dat de kerk voortdurend herhaalt op de dag van 6 januari onderlijnt het trinitaire karakter van het feest : 'Toen Gij Heer, gedoopt werd in de Jordaan, werd de aanbidding der heilige Drie-eenheid geopenbaard : de Vader heeft van U getuigd, en noemde U Zijn geliefde Zoon, de geest, in de gedaante van een duif, bevestigde de waarheid van dit woord. Gij verschijnt ons, o Christus God, en hebt de wereld verlicht : Ere zij U'. Welnu tijdens de dienst van de doop, lezen wij het einde van het Evangelie volgens Mattheüs die ons zegt dat het in de naam van de Vader, en de Zoon en de Heilige Geest is dat de leerlingen werden uitgezonden door de verrezen Christus om in de wereld te getuigen aan alle natiën (Matth.28,19). En het is door drie onderdompelingen dat de celebrant de catechumenen dopen : in de Naam van de Vader, in de Naam van de Zoon en in de Naam van de Heilige Geest. Gedoopt worden wil zeggen : binnengeleid worden in de levenswekkende  act waardoor de Vader de volheid van zijn goddelijk leven meedeelt aan Zijn unieke Zoon, 't is te zeggen : zijn Heilige Geest. En deze vergoddelijkende binnenleiding betekent voor de mens de omvorming van individu tot persoon. Het is van deze omvorming dat de Kerk droomt wanneer zij de celebrant doet zeggen, in verband met de toekomstige dopeling, in het laatste gebed van de dienst van het catechumenaat : ' Ontneem hem de oude mens en bekleedt hem met de nieuwe mens voor het eeuwig leven... opdat gij niet meer een kind van het vlees zult zijn, maar een zoon (dochter) van Uw Koninkrijk' 'Een kind van het vlees' of ook nog 'de oude mens', het is de mens, levend een natuurlijk leven, biologisch, onderworpen aan alle noodwendigheden van het menselijk bestaan in zijn gevallen staat. Het is het menselijk bestaan in zijn gevallen toestand, verdierlijkt door de zwakte van de zonde, broos, zwakzinnig, vergankelijk, bederfelijk, aards.

 

1.2. Het individu en de persoon

 

De existentie van het individu, is de biologische, genetische existentie. Het verschil met de persoonlijke existentie ligt hem hierin, dat het individu niet bestaat als vrijheid, maar als noodzaak. Ik word geboren in de wereld zonder dat ik erom gevraagd heb. En dit biologisch bestaan leidt onvermijdelijk en wanhopig naar de dood. De biologische wijze van existeren is tragisch wat betreft het niet erin slagen om een persoon te worden op biologisch, natuurlijk  niveau. Het heil ons gebracht door Christus is de realisatie in de mens van de goddelijke gelijkenis. Het is het feit, dat de mens niet meer als individu bestaat, maar als een persoon.

Het christelijk doopsel betekent dat de mens als persoon ophoudt om zijn nagestreefd doel te ontlopen door wat Maurice Blondel noemt zijn 'willende wil' (volonté voulante'), 't is te zeggen zijn diepe wil, dat wat de mens wil zonder dat hij het wilt en dat hij niet kan verhinderen het te willen. Het doopsel betekent dat de twee bestandsdelen van het biologisch bestaan, te weten de 'eros' en het 'menselijk lichaam', ophouden voertuigen tot de dood te zijn Het doopsel heeft als essentiële betekenis, de bepalende wijze van de menselijke existentie te veranderen. Het gaat niet om een morele verbetering, maar om een 'anangenesis', een her-geboorte, een herstel, van een nieuwe geboorte als persoon, van een omsmelting van het gehele menselijk plasma. Deze notie anangenese, organische  her-geboorte is uitgedrukt in de eerste brief van Petrus : 'Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die in Zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.... Want gij zijt wedergeboren niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levend en blijvend woord van God (1 Petrus 1,3 en 23). De eros en het door de zonde verdierlijkt lichaam zijn gedoopt, 't is te zeggen dat zij  een verandering in hun wijze van bestaan niet verloochenen, maar juist een inspanning zullen doen om het te veranderen. Zij worden dan zaad van het spirituele en onvergankelijk lichaam. Een goed begrepen christelijke ascese is fundamenteel een transfiguratie en een vergeestelijking van het lichaam , en van gans het zintuiglijk menselijk leven, die het ongeschapen en goddelijk licht moet laten schijnen, zoals een kristallen vaas de zonnestralen. De doop geeft de mens de zekerheid dat de persoonlijke existentie naar het beeld en de gelijkenis met God een historische realiteit is, waarvan de mogelijkheid ons gegeven is door Christus de Redder.. Hij is de Redder in deze duidelijke zin, dat Hij aan de mensen de realiteit zelf van de peroon heeft medegedeeld. Allen zoals wij zijn, delen de menselijke natuur in stukken : wij zijn min of meer mensen, min of meer intelligent, min of meer begiftigd met verstand, min of meer deugdzaam. In Jezus van Nazareth, waarlijk God en waarlijk mens, is de volheid van de mensheid  gemanifesteerd : Ecce Homo (zie de mens). Ziedaar de waarachtige mens, de mens die volledig mens is omdat Hij volledig God is. In Jezus Christus is ons geopenbaard dat God alleen waarachtig mens is en dat wij slechts waarachtig mens kunnen worden tenzij in Jezus Christus. Zeggen dat God ons vergoddelijkt of dat Hij ons totaal vermenselijkt, of nog dat Hij ons redt of deïfieerd : het gaat hier altijd om dezelfde werkelijkheid.

Het doopsel betekent fundamenteel het verwerpen van de ketterij van Nestorius : Christus kan ons niet verlossen omdat Zijn hypostase slechts een biologische hypostase is. In Jezus Christus is er geen onderscheid tussen menselijk en goddelijk. Deze mens was volledig goddelijk in Zijn menselijkheid en volledig menselijk in zijn goddelijkheid. Jezus van nazareth is als waarachtig God en als waarachtig mens komen getuigen van de mogelijkheid voor de menselijke persoon om te ontsnappen aan de tragische toestand van de verscheurde menselijke natuur, van de fundamentele vervreemding die de dood voor de menselijke vrijheid voorstelt.. Het doopsel maakt van elke mens een perfecte mens, 't is te zeggen, een waarachtig mens, een authentieke hypostase, vooraf geroepen voor de vrijheid en de liefde. Het doopsel verleent aan de mens een manier van bestaan op eenzelfde wijze als waarop de drie Hypostasen van de Drie-eenheid bestaan. Het doopsel betekent voor elke mens dat de christologie geen realiteit is die slechts op Jezus Christus van toepassing zou zijn. Door het doopsel is de christologie in het existentiële bereik van de mens zelf gekomen. De menselijke natuur kan worden gehypostasieerd, 't is te zeggen : men kan het op zich nemen, onafhankelijk van de tragische noodzaak van de biologische wijze van existeren die wanhopig leidt tot de dood. Het doopsel betekent de mogelijkheid die zomaar aan de mens wordt gegeven om te gaan leven op de wijze zoals Jezus van Nazareth heeft geleefd. : door zijn bestaan te bevestigen als persoon, door niet meer te gaan steunen op de wetten van zijn verscheurde biologische natuur, maar door te steunen op een relatie met de goddelijke Drie-eenheid die fundamenteel een relatie is van vrijheid en liefde. Indien het onze Vader - spijtig genoeg té dikwijls verkeerd vertaald - het fundamentele gebed is van de Christenen, dan is het omdat het ons de essentie zelf geeft van het doopsel. Inderdaad, door het doopsel treedt de mens binnen in de algemeen eeuwige act waarin de Vader zijn Enige Zoon de volheid van zijn vaderlijk Leven meedeelt, 't is te zeggen de Heilige Geest. Door het doopsel wordt de mens zoon van God, hij identificeert zich met de hypostase van de Zoon.

 

1.3 Het kerkelijk bestaan.

 

Het doopsel verleent aan de mens een wijze van bestaan dat geheel kerkelijk is. De kerkelijke wijze van existeren is de menselijke existentie als gedoopte en wordt gedefinieerd als een zijn-in-communio. Wanneer Jezus zegt tot Nicodemus : 'Gij moet opnieuw geboren worden' (Joh.3,7), dan spreekt hij hem over de mogelijkheid voor de mensen, om zo te leven dat ze zich niet zouden laten bepalen door de wetten van de biologie en het instinctief-affectieve , door de gevallen  natuur, losgemaakt van God en verdierlijkt door de zonde. Dit is een onopeisbaar geschenk van God.

 

De kerk is essentieel de plaats waar, in de geschiedenis der mensen, de niet biologische wijze van het menselijk bestaan zich realiseert. De Kerk is het god-menselijk model in de schoot waarvan de mens geboren wordt tot het Trinitaire leven, niet slechts gedurende één uur, de dag van zijn doopsel en zalving, maar voor gans de duur van zijn leven :  de dag van zijn huwelijk, of zijn priesterwijding, wanneer hij communiceert aan het Lichaam en bloed van de Verrezene, wanneer hij de ziekenzalving ontvangt of de goddelijke vergeving van zijn fouten. De celebratie van het doopsel strekt zich uit over gans zijn christelijk bestaan, in de viering van elk van de andere sacramenten. Deze laatste zijn niets anders dan god-menselijke daden door dewelke de Heilige Geest handelend in de Kerk het werk van de vergoddelijking van de mens verder zet dat begonnen is bij het doopsel. Het gaat hier nogmaals en nogmaals om de realisatie in de mens van een wijze van bestaan dat niet meer bepaald wordt door de noodzaak van een biologisch bestaan. Authentisch de realiteit van mijn doopsel beleven betekent dat mijn echte vader niet diegene is die me biologisch heeft voortgebracht, maar mijn Vader in de hemel, dat mijn waarachtige broeders, niet mijn biologische broeders zijn, maar de leden van de Kerk, dat mijn waarachtige familie niet mijn biologische familie is,maar de Kerk. In het derde Evangelie vreest Jezus niet om te bevestigen :'Zo iemand tot Mij komt, en zijn vader niet haat, zijn moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, hij kan mijn leerling niet zijn'(Lucas 14,26). De Evangelist Mattheüs drukt dezelfde eis uit in een verzachte vorm wanneer hij het heeft over diegene die zijn naasten meer bemint dan Jezus. Hetzelfde wanneer men komt te zeggen aan Jezus dat zijn moeder en zijn broeders buiten staan en Hem willen zien. Jezus antwoordt hierop : 'Mijn moeder en mijn broeders zijn zij die het woord van God aanhoren en het in praktijk brengen' (Lucas 8,21). Noteren wij  hierbij dat deze tekst wordt gelezen in de Byzantijnse Liturgie op het feesten van de Moeder Gods. Iemand dopen is niet zijn kerkelijk en biologisch bestaan als gelijken te stellen, het is hem de overwinning laten behalen van het eerste op het laatste.

 

1.4. Men moet het doopsel vieren in de loop van de zondagse Liturgie.

 

Waarom is het zo belangrijk om het doopsel toe te dienen in de schoot van de goddelijke Liturgie , 't is te zeggen in de schoot van de parochiale gemeenschap ? Té veel priesters geven toe aan de druk van de familie die van het doopsel een familiale aangelegenheid willen maken, de zaterdag namiddag of de zondag namiddag, indien het al niet gebeurt ten huize van de ouders van het kind ! In de grote traditie van de Kerk doopte men altijd tijdens de liturgieën van Pasen of Pinksteren, van Kerstmis of op het feest van de Theofanie. Het is daarom dat men ook vandaag nog altijd geen 'Heilige God, heilige Sterke, Heilig Onsterfelijke' zingt, maar het 'Gij allen die gedoopt zijt in Christus, Gij hebt u met Christus bekleedt' Gelukkig is er een zeker aantal orthodoxe priesters die families uitnodigen, indien zij minstens in staat zijn  om het te begrijpen, om hun kinderen de zondag morgen ten laten dopen, wanneer de ganse parochiale gemeenschap samen is voor de eucharistische viering. In de Orthodoxie viert men slechts éénmaal de eucharistie op dezelfde dag en in dezelfde kerk. Dit opdat iedereen - burgers en proletariërs, kinderen en volwassenen  - samen hun eigen respectievelijke biologische en sociale wijzen van existeren  zouden transcenderen. Het doopsel bewerkstelligt een overwinning op het relationeel netwerk van het biologisch bestaan. Het bevrijdt de mens van elke relatie die bepaald wordt door zijn biologische identiteit. Hen liefhebben die ons door de bloedband nabij zijn, is gehoorzamen aan biologische wetten. De andere mensen liefhebben - al zijn ze van rechts of links , zwart of blank, rijk of arm - in de eucharistische communio van de Kerk, is hetzelfde als de vrijheid gelijkstellen aan het zijn zelf van de mens, het is getuigenis afleggen van het feit dat de natuur de persoon niet bepaalt, maar dat het integendeel de persoon is die de natuur de mogelijkheid biedt om vrij te existeren. Het doopsel betekent de vrijheid van de persoon ten overstaan van de natuur, 't is te zeggen de mogelijkheid om lief te hebben zonder iemand uit te sluiten. De roeping van de gedoopte is om de eenzijdigheid, iets wat inherent is aan het biologisch bestaan, te transcenderen. Zonen worden van de Kerk door het doopsel, is essentieel de mogelijkheid verwerven lief te hebben  zonder onderscheid. De nieuwe geboorte door het doopsel in de schoot van de 'Ecclesia mater' maakt van de persoon een ledemaat van een relationeel netwerk welke elk exclusivisme uitsluit. In de wateren van het doopsel heeft de radicale differentiatie plaats tussen de persoonlijke hypostase en het biologisch individueel leven waarvan de horizont de dood is.

 

2. De doopriten

 

2.1. De exorcismen en de verzaking aan de Satan.

 

De overgang van de biologische en individuele existentie naar het existentieel persoonlijke en kerkelijke existeren wordt op verschillende manieren uitgedrukt in de doopviering.

Eerst en vooral hebben wij de exorcismen en de verzaking aan de Satan. De orthodoxe Kerk begrijpt de ultieme vraag van het Onze Vader - verlos ons van het kwaad - niet alsof het gaat om bevrijding van het metaphysisch kwaad, van een abstractie. De betekenis van de tekst is veeleer: Onttrek ons aan de Slechte, de Sluwe, de Boosdoener, 't is te zeggen : de Duivel. Zijn eerste hoofdstuk samenvattend bevestigt de Apostel Johannes ons : 'We weten dat wie uit God  is geboren, niet zondigt, maar wie uit God is geboren (dit wil zeggen Jezus) waakt over zichzelf, en de Boze ( o Ponèros : het is hetzelfde woord als wat in het Onze Vader nogal eens slecht wordt vertaald met 'het kwade') heeft geen vat op hem. We weten, dat we uit God zijn, maar dat de hele wereld in kwaad verkeerd' (1 Joh. 5,18). Het gaat hier over een heel concreet iemand, een zeer reëel iemand, een goed gedefinieerd iemand. Bij de vestiging van zijn Koninkrijk is Jezus op een heuvel met iemand die Hij de vijand noemt, de Prins van deze wereld, de Satan. Het komt er anderzijds niet op neer bevrijd te worden door de Demon : door de bevrijdende menswording zijn wij van nu af aan reeds bevrijd. Wij moeten daarentegen een terugkeer vrezen in kracht van de Tegenstander, de Antichrist. De zege over de wereld, 't is te zeggen over de zonde en de dood van het gedode maar verrezen Lam, is reeds op het essentiële vlak gerealiseerd. Dood voor de zonde, is de gedoopte met Christus verrezen, en door deze verrijzenis wordt hij een medeburger van de hemel en de tempel van de Heilige Geest. De draak van de Apocalyps is op aarde neergeworpen (Apoc.12,13), maar hij bezit een macht om de mensen op de proef te stellen.

 

Drie exorcismen zijn rechtstreeks tot Satan gericht :'Satan, ga uit van dit schepsel, en keer daar niet meer terug...ga uit en trek wag van deze, met het kruis bezegelde, nieuwgekozen strijder van Christus onze God ...' En de celebrant vraagt met nadruk aan de Heer Sabaoth, aan de God van Israël : 'Heer Sabaoth, God van israël, Gij die alle ziekten en gebreken geneest : zie neer op Uw dienaar (...). Doorvors en onderzoek 'hem), drijf de onreine geesten uit, en reinig het werk van Uw handen ('t is de zeggen : de catechumeen) en maak gebruik van Uw alles overgheesrende macht, en doe (hem) zgevieren over het boze in zichzelf, en over de slechte geesten' ...Vervolgens, vraagt de priester aan de catechumeen om zich naar het westen te keren, naar daar waar de zon gaat slapen en die ons dus symbolisch spreekt over de duisternissen. Dan nodigt de priester de catechumeen uit om te 'verzaken aan de duivel, aan al zijn werken, aan al zijn engelen, aan al zijn diensten en aan al zijn luister'.

 

2.2. Het zich ontdoen van de klederen

 

De catechumeen wordt vervolgens in het baptisterium binnengeleid. 'van zodra ge zijt binnengetreden, zegt de Heilige Cyrillos van Jerusalem, moet gij u ontdoen van uw klederen'. Ten tijde van de Kerkvaders ging het om een volstrekte naaktheid. Het afleggen van de kleren is het symbool van het zich ontdoen van de oude mens en zijn biologisch bestaan. Pseudo-Denys ziet in dit zich ontdoen van de kleren ook het zich ontdoen van gans het voorafgaande leven van de catechumeen. Door zich te ont-kleden getuigt de toekomstige christen van de ernst van zijn besluit om zijn vroegere biologische existentie uit te roeien,  't is te zeggen, hij doet een belofte tot de dood om zich te engageren in een gans andere wijze van existeren : de kerkelijke en persoonlijke existentie. Door zich van zijn kleren te ontdoen geeft de doopkandidaat  duidelijk aan dat hij wenst te verzaken aan al zijn passies en aan de begeerten van het vlees, en dat hij ernaar verlangt om de oorspronkelijke  onschuldige naaktheid van Adam, (dit wil zeggen van de mensheid) van vóór de val terug te verwerven. De catechumeen bevindt zich nog buiten het paradijs. Hij deelt nog altijd in de 'ballingschap' van Adam in het 'Oosten van de tuin van Eden'. Zijn binnenleiding in het babtisterion betekent dat deze ballingschap een einde neemt. Het gaat er voor de catechumeen om, om de oude mens af te leggen alsof men een oud kledingstuk aflegt. Na de doop gaat hij een ander kleed krijgen : het Koninklijke kleed van onvergankelijkheid dat hem door de verrezen Christus, de nieuwe Adam, zal worden geschonken. Het kleed van licht, het Koninklijke kleed die toestaat om te verschijnen in het nieuwe Eden, in de Kerk, om zo deel te kunnen nemen aan het bruiloftfeest van het Lam, aan de goddelijke Eucharistische Liturgie, aan de goddelijke Communie. Door de zonde verloor de eerste Adam de onschuld en de oprechtheid van de naaktheid. Hij begon schaamte te krijgen en deed kleren aan. De catechumeen die  op weg is om gedoopt te worden zal een tegenovergestelde weg doorlopen. Hij ontdoet zich van zijn kleren, die noodzakelijk waren geworden na de zondeval, en naakt zal hij het lichtend en verijzenisvolle kleed ontvangen van de nieuwe Adam.

 

Merken wij hierbij ook nog op dat de nieuwe Adam, Christus, op het kruis ook volledig ontbloot werd, vernederd voor de heilige vrouwen, en vooral voor zijn moeder. De catechumeen is niet groter dan Hem, die hij toch beschouwt als zijn enige meester. Zoals Hij moet ook de catechumeen zich vernederen door zijn naaktheid, opdat hij het zou transcenderen  in het kleed der verrijzenis. De kledij van vóór het doopsel stelt de bederfelijke mens voor. Theodor van Mopsueste zegt tot de catechumeen : 'Uw kleren moeten weggenomen worden, teken van sterfelijkheid, en door het doopsel zult gij u het kleed der onsterfelijkheid aantrekken'. Door zich uit te kleden duidt de catechumeen symbolisch aan dat hij zich van het oude kleed  van bederf en zonde, het kleed waarmee Adam werd bekleed na de zondeval wil ontdoen. Het zich ontdoen van de kleren tijdens de doop symboliseert de breuk met het verleden. Hij gaat erom, dat de gedoopte de uiterlijke tekenen van de zondige en verscheurde mensheid waarvan de wijze van bestaan biologisch is, ruilt : een bestaan gekenmerkt door de vergankelijkheid van het graf ruilen voor het schitterende kleed van de nieuwe Adam, de Verrezene, die aan de wereld een andere manier van bestaan heeft geopenbaard , het bestaan van de persoon, het zijn-in-communio, het  kerkelijk bestaan. Deze ruil is het tegenovergestelde van dat wat de eerste Adam had gedaan : hij heeft zijn onschuldige naaktheid geruild voor een ellendige bekleding. Het afleggen van de kleren van de catechumeen betekent voor hem een bevrijding : hij legt de kleren af van de oude mens opdat hij de glorie van de eerste Adam zou terugvinden, dit wil zeggen van de mensheid zoals God ze oorspronkelijk had gewild. De nieuw gedoopte zal de glorievolle naaktheid van de oorspronkelijke mensheid van voor de val, terugvinden. En indien nu tegenwoordig het moeilijk denkbaar is om aan onze catechumenen een totale naaktheid voor te stellen, naaktheid die ook onze Heer Jezus christus ten deel is gevallen, op heilige Vrijdag, dan is het alleen omdat wijzelf, onze catechumenen,onze kerkelijke gemeenschappen, maar ook alle gedoopten, niet meer dezelfde vurigheid hebben als de gemeenschappen van de eerste eeuwen. Orthodoxen, wij leven niet op het niveau van onze theologie. Wij gaan voort , samen met de onverdeelde Kerk, om dat lat hoog te leggen, maar wij komen er niet meer toe om een sprong te maken. ! En omwillen van die zwakheid, dragen onze gemeenschappen niet meer de catechumenen zoals ze gedragen werden in de tijd waarin de levenskracht van de primitieve Kerk heel intens was binnen het kerkelijk lichaam. In deze context van verval wordt de naaktheid beleefd als puur vernederend, dit wil zeggen, als de enige naaktheid van de zondige mens die ontdaan is van zijn kleed van glorie. Het komt er dus op aan, dat wij de naaktheid opnieuw zouden moeten zien als een deelname aan de vernederende naaktheid  van de nieuwe Adam op het kruis, op heilige Vrijdag. Door zich van zijn klederen te ontdoen, kan en moet de catechumeen zich bewust zijn van zijn toestand als zondaar, 'ongelukkig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt', om de termen te hernemen van de boodschap gericht aan de Kerk van Laodicea (Apoc.3,17) Indien de catechumeen zich zo ontdoet van zijn klederen dan is het om vrij te zijn in zijn pogen om de duivel te weerstaan en uiteindelijk zich te bekleden met de nieuwe mens, om gelijk te worden met de Verrezene, met de nieuwe Adam. Zich zo om-kleden betekent zich losmaken van de duisternissen en zich bekleden met het licht.

 

Op onze dagen, zou de Heilige Cyrillus van Jeruzalem helaas niet meer tot onze catechumenen durven zeggen wat hij tegen hen zij in zijn tijd : 'O wonder ! Gij zijt geplaatst onder de ogen van allen, en gij hebt geen schroom. Het is, omdat gij  uzelf in waarheid het beeld van onze eerste vader Adam wilt voorhouden. Adam was naakt in het aards paradijs en schaamde zich niet'.

 

De naaktheid op de dag van het doopsel betekent dus tegelijk het afleggen van de bederfelijkheid en de vrees voor de zonde, de terugkeer naar de oorspronkelijke onschuld en de ongedwongenheid van de paradijselijke staat. De Heilige Gregorios van Nyssa schrijft in een homilie van Pasen : ' Voortaan zal Adam, wanneer je zijn naam noemt, geen schaamte meer hebben, hij zal zich onder het verwijt van zijn handelswijze niet meer verbergen onder de bomen van het paradijs. De belofte hervinden, dat alles duidelijk zal worden op de laatste dag'. Eenmaal dat hij de oude klederen heeft afgelegd, symbool voor de oude mens, zal de catechumeen die weldra de nieuw gedoopte zal zijn het nooit meer opnieuw moeten doen : het doopsel is onomkeerbaar.. En indien in de eerste eeuwen van de Kerk men de tendens had om het doopsel naar de leeftijd van ongeveer dertig jaar of zelfs later te verschuiven, zelf in christelijke families, dan is het omdat men dacht dat men na de doop niet meer kon zondigen. Het is over dit thema dat de eerste brief van Johannes handelt op het einde,wij hebben het reeds geciteerd : 'We weten, dat wie uit God geboren is, niet zondigt, maar wie uit God is geboren, waakt over zichzelf, en de Boze heeft geen vat op hem' (1 Joh.5,18). Het is om dit geloof van de Kerk mee te delen dat de nieuw gedoopte, bij het verlaten van het doopwater niet zijn oude kleren van sombere kleur aantrekt, maar witte kleren, klederen die licht uitstralen, klederen die ons spreken over de verrijzenis van de nieuwe Adam en de nieuwe tuin van Eden die hij door te verrijzen uit het doopwater heeft herschapen. Die nieuwe tuin van Eden is de Kerk.

Vervolgens komt de onderdompeling en het opstaan uit het water.

 

2.3. De drievoudige onderdompeling en oprijzen uit het water.

 

De doop-epiclese is een aanroeping van de levengevende actie van de Heilige Geest, opdat zijn energieën door de onderdompeling in het water de catechumeen zou omvormen : van de oude mens  in een verrezene. Door zijn overvloedige en chaotische aanwezigheid spreekt het water tot de mens - aan Noë en aan Jonas - over verdrinking en verstikking, over bedolven worden en dood, over zondvloed en dood. Maar tegelijk is het voor hem een bron van vruchtbaarheid en leven. Zo bieden de Nijl en de Jordaan de mogelijkheid tot hygiëne en het lessen van de dorst. Het water dat opwelt uit de rots van de woestijn verkondigt en verzinnebeeldt het water dat in overvloed zal stromen op de dag van de Messias, symbool van een nieuwe uitstorting en van een onuitputtelijke spirituele vruchtbaarheid. Welnu, de celebratie van de doop betekent en vooronderstelt dat de dagen van de Messias aangebroken zijn, want Christus is verrezen. Het opstaan uit het water betekent de vreugde om opnieuw te kunnen ademen, en dit door de Heilige Geest in te ademen. Het water verzinnebeeldt de verrijzeniskracht van de Geest. Het water omsluit de catechumeen als een graf, maar de Geest omvormt het graf tot baarmoeder. In zijn Kerkelijke Hiërarchie noemt Pseudo-Denys bewonderenswaardig het baptisterium 'de baarmoeder van elke afstamming'. Dodelijk als het is, wordt het water levengevend en moederlijk. De gedoopte rijst op uit het water van de doopvont en dit laatste wordt een leeg graf, naar het voorbeeld van het graf van Joseph dat de myrondraagsters leeg vonden op die morgen van Pasen. Een gedoopte die tenvolle zich bewust is van zijn doopsel moet onder ogen zien dat zijn werkelijke dood zich achter hem bevindt, want hij heeft een einde genomen met zijn doopsel. Hij hoeft de biologische dood, dit van het individu dat onderworpen is aan de natuurlijke noodzaak, niet meer te vrezen. Gedurende de eerste eeuwen van de Kerkgeschiedenis noemde men de christenen : zij die niet meer de dood vrezen. Het woord dopen komt van het griekse 'baptein', dat duiken, wegzinken, onderdompelen betekent.  Van dit werkwoord 'baptein' komt een ander werkwoord voort, 'baptizein', dat ook dezelfde betekenis heeft van duiken, wegzinken, onderdompelen. In christelijke taal 'dopen door onderdompeling'. De drievoudige onderdompeling/opstaan uit het water gebeurt door een volledige onderdompeling van de gedoopte in het graf van het golvende water, opdat zo het graf met Christus en de verrijzenis met hem die gedoopt wordt worden gesymboliseerd. De totale onderdompeling spreekt ons over een graflegging. In zijn commentaar van de brief aan de Romeinen, spreekt Pater Lagrange over de Russische en griekse pelgrims, dus orthodoxen, die in de tijd dat P.Lagrange in Palestina leefde (tussen 1890 en 1935), baadden in de Jordaan op de dag van de Theofanie, de 6e januari. Ze waren gekleed in linnen ochtendjassen, die ze nadien meenamen naar huis opdat ze hen als lijkwade zouden kunnen gebruiken na hun dood. Het is daarom dat de bijbeltekst die wordt gelezen in de loop van een doopselviering deze is van de brief aan de Romeinen hoofdstuk 6,3-11, waar Paulus spreekt over het christelijk doopsel : 'Wij allen die gedoopt zij tot gemeenschap met Christus Jezus, we zijn gedoopt tot de gemeenschap met Zijn Dood. In de gemeenschap met Zijn Dood zijn we dus begraven met Hem door het Doopsel, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de glorie van de Vader uit de doden is opgewekt. Want wanneer wij met Hem zijn samengegroeid door het beeld van Zijn Dood, dan zullen ook we het ook wezen door dat van Zijn Verrijzenis. Dit weten we : onze oude mens is gekruisigd met Hem, opdat het zondige lichaam ten onder zou worden gebracht, en wij niet langer slaven van de zonde zouden zijn; want wie dood is,is vrijgemaakt van de zonde. Welnu, zijn we met Christus gestorven, dan geloven we ook, dat we met Hem zullen leven. We weten, dat Christus, opgestaan uit de doden, niet meer sterft, en dat de dood geen macht meer over Hem heeft; want Zijn sterven was een sterven voor de zonde ééns en voor al, maar Zijn leven is een leven voor God. Zo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God in Christus Jezus'.

'...zich onderdompelen in de wateren van het doopsel, is zich onderdompelen in de dood van Christus. Deze drievoudige onderdompeling/opstaan uit het water wordt gevolgd door de epiclese, dit wil zeggen : de aanroeping van de Naam der drie goddelijke personen van de Heilige Drie-eenheid. De drievoudige handeling herinnert tegelijk aan het verblijf van Christus gedurende drie dagen in het graf van Jozef van Arimatea, en de drie Hypostasen van de Heilige Drie-eenheid in wiens naam de drievoudige onderdompeling/opstaan uit het water heeft plaatsgehad. In zijn uitleg van de Goddelijke Liturgie (Hoofdstuk 4) schrijft Nicolas Cabasilas : 'Wij geven ons leven in ruil voor een ander. Welnu, ons leven geven is sterven. De Heer eist, door ons deelgenoten te maken van Zijn Verrijzenis, dat wij iets teruggeven voor deze grote gave, maar wat ? De navolging van Zijn Dood : en dit door driemaal ten verdwijnen in het doopwater als in een graf'.De dood door besprenkeling of door water alleen maar op het hoofd te laten vloeien (infusie) is slechts uit noodzaak toegestaan en dan nog in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij zieken. Het kan als dusdanig niet worden ingesteld als een algemene regel. De volledige onderdompeling (emersie) van de gedoopte in het water is van groot belang omwille van  het feit dat zij de graflegging van Christus immiteert. 'Als in een graf, merkt de Heilige Johannes Chrysostomos op, want als wij het hoofd in het water dompelen wordt de oude mens wezenlijk begraven en bedolven, hij is in één keer gans verborgen, wanneer wij hem er terug uithalen is het de nieuwe mens die opstaat'. In zijn verhandeling Adversus Praxean, schrijft Tertullianus : 'Zoals onze Redder drie dagen en drie nachten in de schoot van de aarde verbleef, zo bootsen de gedoopten met de drievoudige omderdompeling dit graf van de Heer na'. Hetzelfde bevestigt de Heilige Basilios : ' Het grote sacrament van het doopsel wordt gecelebreerd met drie onderdompelingen en door eenzelfde aantal epiclesen, opdat het symbool van de dood wordt verzinnebeeld en de gedoopten een verlichte ziel hebben door de uitstorting van de goddelijke kennis'. Zelfs in het Westen was de gewone manier van dopen deze van de onderdompeling en dit tot in de 14e eeuw. Daarvan heeft men nog het getuigenis bewaard in de vele baptisteria overal ter wereld, vooral in Italië. De 12e canon van het concilie van Neo-Caesarea ontneemt die priesters hun priesterschap, die om gezondheidsredenen het doopsel hadden aanvaard door een eenvoudige infusie. Thomas van Aquino beschouwt het doopsel door onderdompeling (emersie) 'communior, laudabilior, tutior' (Summa Theologica IIIa 66,7). Voor hem beeldt de onderdompeling op een meer expressieve wijze de graflegging van Christus uit, deze wijze van dopen is gemeenschappelijk en aanbevelingswaardiger (ibid. art 7.2). Het is de Engelse Theoloog Alexander of Hales (1180-1245) die als eerste de geldigheid van een doopsel zonder medische noodzaak door infusie heeft bevestigd. De mening van Alexander of Hales werd gedeeld door zijn leerling Bonaventura. De ambrosiaanse en de mozarabische riten bleven trouw aan de onderdompeling (emersie). Deze werd in Spanje gebruikt tot midden in de 18e eeuw. Op de vooravond van de Reformatie bevatte het engelse gebruik enkel de doop door onderdompeling. Nog in 1614 stelde Paus Paulus V het doopsel door onderdompeling van een kind voor als een alternatief voor de doop door infusie(water over het hoofd). Op dat moment was echter de algemene praktijk deze van de infusie (iets voor de Reformatie in de 16e eeuw).

 

Het water wast en zuivert niet alleen. Het doodt ook door te verdrinken en te stikken , maar diegene die eruit ontsnapt ervaart een zekere verrijzenis ! Het water dat het leven geeft is ook het water dat tot de dood kan leiden. Nicolas Cabasilas schrijft : 'Het water verwoest een vorm van leven maar legt ook het andere bloot, het slokt de oude mens op en doet de nieuwe mens herrijzen' (La vie en Christ II,9). In een artikel dat verschenen is in 1952 in 'La Maison Dieu' en getiteld : het symbolisme van de doopriten (Le symbolisme des rites baptismaux) Nr 32, p.6), Heeft Pater Louis Bouyer aan een rooms-katholieke autokritiek gedaan die zeer merkwaardig is. Hij schrijft : ...'Er zijn bijna geen symbolen meer in onze riten zoals wij ze celebreren. Wij hebben op een ongevoelsmatige wijze het symbool vervangen door een soort abstract teken van het symbool, die voor het symbool ongeveer hetzelfde is als een pil nemen voor een maaltijd. Een echt symbool zegt méér dan alle woorden samen. Het is daarom dat Onze-Heer in de economie van de genademiddelen het symbool aan het woord heeft willen toevoegen, en dit, om te zeggen wat met het woord niet kan gezegd worden. Want het symbool is een levende act die de mens als geheel omvat, lichaam en ziel, en hem de waarheid die in een act abstract bleven doet ontdekken. Het symbool wordt als een realiteit ervaren in een concrete act. Wij zijn er daarentegen toe gekomen om met een vloed van  onmachtige woorden te trachten een zekere betekenis te geven aan schrale gebaren, woorden die ontdaan zijn van elke vorm van het reële leven. Het soort uitholling en  het doen verschrompelen van de oude doopritussen maakt dat het geen echte symbolen meer zijn, want ze zijn gedegradeerd tot het minimum dat de levendige verbeelding nog zou kunnen ontroeren... Welk verband bestaat er tussen de ervaring van een mens die enkele druppels water op het voorhoofd krijgt, die bovendien direct nadien worden afgeveegd en de ervaring van een mens die een echt bad neemt ? Indien men de dopen nog zou vieren zoals in het Oosten, waar men het kind, gans naakt, driemaal in het water dompelt tot boven het hoofd als in een echt bad, dan zouden de meest ongevoelige mensen voor de primitieve poëzie er zelfs nog iets van begrijpen. De arbeider die van een vuil en afmattend werk thuiskomt en die een goede douche gaat nemen, of zijn hoofd even onder het water steekt vooraleer hij de avond in zijn gezin of met vrienden gaat doorbrengen, weet perfect wat een propere huid kan doen. Hij gaat zich als een nieuw mens voelen nadat hij zich gewassen heeft. Maar wat kan hij spiritueel als gemeenschappelijk zien  wanneer hij in een parochie de pastoor ziet die amper drie druppels water haastig over het hoofd van het kind giet ? (pp.6-7)'. Het is ontegensprekelijk dat het verrichten van de infusie, ten koste van de  onderdompeling  het symbolisme verarmt, iets wat eigen is aan het christelijk doopsel. Het veroorzaakt een verduistering van de symbolische verwijzing naar de dood en  verrijzenis van Christus. Men kan hierbij nog opmerken dat de doop door infusie ook het symbool van de naaktheid doet verdwijnen. Gelukkig is men sedert Vaticanum II en in de nieuwe Catechismus van de katholieke Kerk bezig om het belang van de doop door onderdompeling (emersie) te herontdekken. De wens van de Orthodoxen is, dat het doopsel door onderdompeling meer en meer frequent gedaan wordt in het Westerse christendom. In de orthodoxe wereld heeft men ook dikwijls de tendens geconstateerd om over te gaan door de doop door infusie. Dit was ondermeer het geval in het noorden van Rusland, omwille van het klimaat. In de XIIe eeuw heeft bisschop Elie (1165-1186) de bewoners van Novgorod er voor gewaarschuwd dat zij zich niet mochten tevreden stellen met water op het hoofd te gieten tijdens het doopsel in plaats van de onderdompeling in het doopwater. Men kan deze waarschuwing ook terugvinden in 1274 (synode van Wladimir), en in de 14e en 15e eeuw, in de  brieven van de metropolieten Cyprianos (1390-1405) en Photius (1408-1437) aan de bewoners van Novgorod en Pskov. Maar deze praktijk was steeds slechts een marginaal fenomeen.

 

Vader André Borrély, rektor van de parochie van de heilige Ireneos te Marseille.

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

Franse tekst : http://www.orthodoxa.org/FR/orthodoxie/theologie/bapteme....

 

10:11 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

Post een commentaar

NB: commentaren worden gemodereerd op deze weblog.