23-03-09

God en de mens - deel 2

GOD EN DE MENS

Kallistos Ware

DEEL 2

DE MENS : ZIJN SCHEPPING, ZIJN ROEPING, ZIJN VAL

 

'Gij hebt ons gemaakt voor u en onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in u'.( 14)

De mens is geschapen om gemeenschap te hebben met God. Dit is de eerste en essentiële factor van de Christelijke leer met betrekking tot de mens. De mens echter , alhoewel geschapen om Gods vriend te zijn, heeft deze fundamentele roeping voortdurend genegeerd. Dit is de tweede  factor binnen de Christelijke antropologie.

De mens is geschapen om in communio te treden met God. In de taal van  de Kerk: God heeft  Adam geschapen naar zijn eigen beeld en gelijkenis , en heeft hem geplaatst in het Paradijs (15) . De mens echter heeft deze gemeenschap met God verworpen. In de taal van de Kerk : Adam is gevallen, en zijn val heeft gans de mensheid meegesleurd.

De schepping van de mens. God zegt : 'Laat ons de mens maken naar ons beeld en gelijkenis'

(Genesis, I, 26). God spreekt in het meervoud 'laat ons'. De griekse Vaders hebben het voortdurend herhaald : de schepping is een daad van de drie personen van de Drie-eenheid.

Daarom mogen wij nooit in het beeld en de gelijkenis met God, het Trinitaire beeld en gelijkenis uit het oog verliezen.Wij zullen het vitale belang hiervan zien.

Beeld en gelijkenis. Volgens de meeste Griekse Vaders  duiden beeld en gelijkenis niet exact hetzelfde aan.. 'De uitdrukking naar ons beeld, schrijft Johannes van Damascus, 'duidt op de rationaliteit en vrijheid, terwijl de uitdrukking naar onze gelijkenis onze gelijkwording met God aanduidt door de deugd' (16).

Het beeld , of de icoon van God  zoals de grieken zeggen  duidt op de vrije wil van de mens, zijn rede, zijn moreel gevoel en zijn verantwoordelijkheid. In feite komt het neer op alles wat de mens onderscheidt van het dier. Maar 'beeld' wil nog veel meer zeggen, het zegt ook dat wij van het 'geslacht' zijn van God (Hand.XVII,28), van Zijn  verwantschap.Tussen Hem en ons is er een punt van contact,een wezenlijke gelijkheid. De afgrond tussen de schepper en zijn schepsel is niet onoverkomelijk. Juist omdat wij gemaakt zijn naar Zijn beeld kunnen we God kennen en in gemeenschap met Hem treden.. En wanneer de mens gebruik maakt van zijn mogelijkheid om in gemeenschap met God te treden, dan zal hij worden zoals Hij, hij zal een goddelijke gelijkvormigheid verwerven. Of zoals Johannes van Damascus het uitdrukt  : hij zal opgenomen worden in God door zijn deugden.. Deze gelijkheid bewerken staat gelijk

met  de 'deïficatie', een tweede god worden, een God door de genade. 'Ik heb u gezegd : gij zijt goden, zonen van de Allerhoogste'(psalm LXXXI,6)(17).

In het beeld zijn de mogelijkheden vervat die God aan elke mens heeft gegeven vanaf zijn geboorte. De gelijkenis daarentegen is geen gratis gave die de mens heeft gekregen vanaf het begin van zijn bestaan. Het is een doel dat de mens moet nastreven. Het is iets wat slechts geleidelijkaan kan bereikt worden. Hoe zondig de mens ook is, hij kan het beeld-zijn niet verliezen, maar de gelijkenis hangt af van onze morele keuzes, van onze manier van leven, en kan dus door onze zonde worden tenietgedaan.

Zo is de mens als een volmaakt wezen geschapen, niet als dusdanig, maar hij heeft de mogelijkheid om er naartoe te groeien. Doordat het beeld-zijn een gratis gave is, is de mens geroepen om de gelijkenis te verwezenlijken door zijn eigen inzet. Hierbij natuurlijk geholpen door Gods genade. Zo hebben het verschillende griekse Vaders uitgedrukt : de eerste staat van Adam was er een van onschuld en eenvoud.'Hij was als een kind waarvan het inzicht nog niet volmaakt was' aldus de Heilige Ireneüs'( 18). Hij moest nog groeien om de volmaaktheid te bereiken'. God heeft Adam op het juiste pad gezet, maar de weg was lang om het uiteindelijke doel te bereiken.

Deze bedenking over Adam voor de val verschilt in zekere mate met de opvatting van de Heilige Augustinus, en die aanvaard is door het Westen.

Volgens de Heilige Augustinus was de mens in het paradijs zich vanaf het begin sterk bewust en verstandig. Zijn volmaaktheid was geenszins potentieel, maar volkomen gerealiseerd. De dynamische opvatting van Ireneüs staat dichter bij de moderne theorieën over de evolutietheorie dan de statische opvatting van Augustinus. Maar, aangezien beiden spreken als theoloog, en niet als wetenschappers, kunnen de wetenschappelijke hypothesen hun visies niet ondersteunen noch tegenspreken.

Het westen heeft dikwijls het beeld van God geassocieerd met de menselijke intelligentie. Veel orthodoxen ondersteunen hetzelfde idee, anderen daarentegen zeggen dat, omdat de mens een geheel is, het beeld van God de ganse persoon omvat, ziel én lichaam samen. 'Wanneer men zegt dat God de mens heeft geschapen naar zijn beeld',aldus Gregorius Palamas, 'betekent het woord mens niet de ziel alleen, of het lichaam alleen, maar de twee samen'(19). Het feit dat de mens een lichaam heeft , maakt hem daarom niet ondergeschikt, maar verhevener dan de engelen.

Het is waar, dat de engelen pure geesten zijn, terwijl de mens een mengeling is van het materiële en het intellectuele, maar dit toont alleen aan dat de mens vollediger is dan de engelen en rijker aan mogelijkheden.De mens is een microcosmos, een brug en het punt van ontmoeting met de ganse schepping van God. Het beeld van God in de mens heeft een zeer belangrijke plaats in het orthodoxe religieuze denken.

De mens is een levende theologie. En omdat de mens een ikoon is van God, kan hij God vinden door in zijn eigen hart te kijken, door 'in zichzelf te keren'. 'Het Koninkrijk Gods is midden onder U (Lucas XVII,21). 'Ken jezelf' zegt de heilige Antonius van Egypte. 'Diegene die zichzelf kent, kent God'(20). 'Als je zuiver bent', zegt de heilige Isaac de Syriër (einde VIIe eeuw),'dan is de hemel van U; gij zult in uzelf de engelen en de Heer der engelen zien'(21). En zoals men heeft gezegd van Sint Pacomius : 'In de zuiverheid van zijn hart heeft hij God gezien, de onzichtbare, als in een spiegel'(22).

Omdat hij een ikoon is van God, is elke mens, zelfs de meest zondige, oneindig kostbaar in de ogen van God. 'Diegene die zijn broeder heeft gezien, heeft God gezien' (23), heeft Clémens van Alexandrië (+ 215) ooit gezegd. En Evagrius leert ons : 'Na God moeten we elke mens beschouwen als God zelf'(24). Dit respect voor de menselijke persoon is uitgedrukt in de orthodoxe liturgie, wanneer de priester niet alleen de ikonen, maar alle leden van de gemeenschap bewierookt. Hij groet hiermee het beeld van God in elke mens.'De beste ikoon van God, is de mens' (25).

Genade en vrije wil.

Door het feit, zoals wij hebben gezien, dat de mens geschapen is naar de gelijkenis met God, heeft de mens een eigen wil. God wilde zonen en geen slaven. De orthodoxe  kerk verwerpt elke leer die een aanslag pleegt op de vrije wil van de mens. Om de relatie uit te drukken tussen de genade van God en de menselijke vrijheid, gebruikt de orthodoxie de term 'medewerking' (coöperatie) of synergie (synergeia).Volgens de woorden van Paulus : 'Wij zijn medewerkers (Synergoi) van God (I Cor.,III,9). De mens kan de volle gemeenschap met God niet bereiken, tenzij met Zijn hulp. Maar het vraagt ook de actieve medewerking van de mens zelf. Alhoewel datgene wat God doet oneindig belangrijker is dan dat wat de mens kan doen, toch moet de mens evenzeer zijn bijdrage leveren aan het gemeenschappelijke werk.

'De verheffing van de mens in Christus en zijn vereniging met God vereist een noodzakelijke samenwerking van deze twee ongelijke krachten : de goddelijke genade en de menselijke wil'(26). De moeder van God is het voorbeeld bij uitstek van deze synergie .

Sedert Sint Augustinus en het pélagianisme heeft het Westen deze kwestie van de genade en de vrije wil op een enigszins andere manier  uitgelegd. Velen  die opgeleid zijn in de Augustijnse traditie, vooral de Calvinisten, hebben heel wat bedenkingen bij de orthodoxe visie op de synergie. Hecht de orthodoxe visie niet te veel belang aan de mens  en té weinig aan God ? - Nochtans is de orthodoxe leer heel duidelijk : ' Zie, ik sta aan de deur en Ik klop. indien iemand mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen'(Apoc.,III,20).

God klopt, maar wacht tot de mens opendoet. Hij 'breekt' niet. Gods genade nodigt uit, maar dwingt niemand. In de termen van Johannes Chrystonomos luidt het : 'God dwingt niemand met  kracht, geweld. Hij wil het heil van allen, maar dwingt niemand'(27). 'Het is aan God om Zijn genade te verlenen' zegt  de heilige Cyrillus van Jeruzalem (+386).'onze taak is het deze te aanvaarden en te bewaren'(28).  Omdat de mens Gods genade heeft  ontvangen en bewaard  mag men daarom nog niet stellen dat men verdiensten heeft verdiend. Gods gaven zijn altijd 'gratis', de mens heeft geen enkel recht  tegenover zijn schepper.Maar omdat de mens het heil niet kan 'verdienen', moet hij eraan werken, want zoals geschreven staat 'Indien het geloof niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood' (Jacobus,II,17).

De val : de erfzonde.

God heeft Adam een vrije wil gegeven, dit wil zeggen, de mogelijkheid om te kiezen tussen goed en kwaad. Het hangt van Adam af  om zijn roeping aan te nemen of te weigeren. Hij heeft geweigerd. In plaats van voort te gaan op de weg die God hem had aangetoond, is hij een andere weg ingeslagen, hij is ongehoorzaam geworden. De val van Adam bestaat hoofdzakelijk in zijn ongehoorzaamheid aan Gods wil. Hij heeft zijn zijn eigen wil gesteld tegenover Gods wil, hij is gescheiden geworden van God. Het resultaat hiervan was, dat er een nieuwe bestaansvorm in de wereld is gekomen : deze van ziekte en dood. Door zich van God af te keren, die de onsterfelijkheid en het leven is, is de mens binnengetreden in een situatie die tegenstrijdig is met zijn natuur, en waarvan de monsterachtige omstandigheden onherroepelijk hebben geleid tot desintegratie en fysische dood..De gevolgen van Adam's ongehoorzaamheid hebben zich uitgespreid over al zijn nakomelingen.Wij zijn mekaars ledematen, herhaalt Paulus voortdurend; als een lid lijdt, lijdt gans het lichaam. Omwille van deze mysterieuze  eenheid van het menselijk geslacht is niet alleen Adam onderworpen aan de dood, maar de ganse mensheid. De gevolgen van de val zijn niet alleen fysisch, maar ook moreel. Door het gescheiden zijn van God, zijn Adam en zijn nakomelingen gekomen onder de macht van kwaad en zonde. Iedere mens wordt geboren in een wereld waarin het kwade overheerst, een wereld waarin  het kwade gemakkelijker te doen is dan het goede. De menselijke wil is verzwakt door wat de grieken noemen 'begeerte', en de Latijnen 'concupicentia'. Wij zijn allen onderworpen aan deze geestelijke aspecten van de erfzonde.

Tot hier komen zowel de rooms katholieken als de klassieke protestanten  overeen.

Maar vanaf dit moment zijn de meningen verdeeld. De orthodoxie heeft vanaf het begin geen al te groot idee gehad van de menselijke volmaaktheid voor de val, in tegenstelling tot het westen.. De orthodoxie is ook minder streng dan het westen wat betreft de gevolgen van de val. Adam is niet gevallen van een verheven hoogte van kennis en volmaaktheid, maar van een toestand van  oorspronkelijke eenvoud. Wij moeten dus zijn fout niet al te streng beoordelen. Zeker, als gevolg van de val is de geest van de mens  zodanig vertroebeld, en zijn wil is zodanig verminderd, dat hij niet meer kan hopen op een gelijkheid met God. De orthodoxie denkt echter dat  de val de mens niet  geheel heeft  afgesloten van Gods genade, maar gelooft dat de genade, in plaats van te handelen van binnenuit, zoals voor de val, nu handelt van buitenuit..De orthodoxie deelt het standpunt van Calvin niet, voor wie de mens, na de val, totaal verdorven is en onbekwaam tot één goede bedoeling. De orthodoxie is zeker niet akkoord met Augustinus, wanneer hij schrijft dat de mens onder de'verschrikkelijke noodzaak' is van te zondigen, en dat de natuur van de mens 'wordt gedomineerd door de zonde waarin hij is gevallen en waardoor hij zijn vrijheid heeft verloren'(29).. Het beeld van God is vertroebeld door de zonde, maar zij is nooit vernietigd ; volgens de woorden van een hymne die wordt gezongen tijdens een orthodoxe begrafenis : ' Ik ben het beeld van Uw onuitsprekelijke glorie, zelfs al draag ik in mij de wonden van de zonde'. En omdat hij altijd het beeld van God in zich draagt, bewaart de mens ook zijn vrije wil, zelfs al  wordt die wil beperkt door de zonde. Zelfs na de val heeft God 'aan de mens de mogelijkheid om te willen - Hem te willen gehoorzamen of niet' niet ontnomen' (30). Trouw aan de idee van de synergie, verwerpt de orthodoxie elke interpretatie van de val die geen plaats zou laten aan de menselijke vrijheid. De meeste van de orthodoxe theologen verwerpen ook de idee van erfzonde (reatus), onder andere door Augustinus naar voor gebracht , en nog altijd aanvaard door de rooms katholieke Kerk. Algemeen gesproken komt het orthodoxe standpunt hierop neer dat de mens automatisch erfgenaam is geworden van de verdorvenheid en sterfelijkheid van Adam., maar niet van zijn zonde : hij is slechts schuldig in de mate dat hij met zijn vrije wil Adam nabootst. Veel westerse christenen denken dat de mens onbekwaam is om ook maar iets te doen dat aangenaam is voor God, want hij kan niets doen dat niet besmet is door de zonde. Er is geschreven in het 13e van de 39 artikelen van de anglikaanse Kerk : ' De werken voor de rechtvaardiging zijn niet aangenaam voor God, want ze hebben een zondige natuur...'

Dit is een hypothese welke een orthodox huivert om te formuleren. En nooit zal een orthodox denken (zoals Augustinus en veel andere westerlingen) dat de pasgeborenen die sterven zonder gedoopt te zijn, en dit door de wil van een rechtvaardige God, zullen overgeleverd worden aan de eeuwige vlammen van de hel(31).

De verscheurde mensheid is minder somber voorgesteld vanuit orthodox standpunt, dan uit het standpunt van Augustinus of Calvijn. Maar de orthodoxie, vasthoudend aan het argument, dat de mens na de zondeval volledig zijn vrije wil behoudt, en bekwaam is het goede te doen, is nochtans akkoord met het westen in het gemeenschappelijk geloof dat de zonde een koof heeft teweeggebracht tussen de mens  en God, en dat de mens deze kloof niet op eigen krachten kan dempen. De zonde blokkeert de weg naar de eenheid met God. En daar de mens niet meer naar God kon gaan, is God tot de mens gekomen.

Uit het boek : «l'Orthodoxie - L Eglise des sept conciles» pp.285-319.

Vertaling : Kris Biesbroeck

18:41 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.