08-06-09

Augustinus : Eenheid en Liefde - deel 2

AUGUSTINUS

 Augustinus 555

Eenheid  en liefde

 2e deel

Uit zijn preken over de eerste brief van Johannes

 4.

Misschien vraagt iemand van u zich ongerust af waarom Johannes zo nadrukkelijk en uitsluitend insisteert op de liefde voor de medemens : "Wie zijn broeder liefheeft"(1 joh. 2,10). En "Dit is zijn gebod, dat wij elkaar liefhebben" (1 Joh.3,23). Aanhoudend heeft hij het over de liefde tot de mens. De liefde tot God, dat wil zeggen de liefde waarmee wij God beminnen, komt niet zo dikwijls ter sprake, hoewel men niet kan zeggen dat hij er helemaal stilzwijgend aan voorbijgaat. Maar in praktisch  heel zijn brief spreekt hij niet over de liefde tot de vijand. Terwijl hij uit alle kracht de liefde verkondigt en op het hart drukt, zegt hij nergens dat wij onze vijanden moeten beminnen; hij zegt altijd dat wij onze broeders moeten beminnen.

Bij de lezing van het evangelie zojuist hebt gij evenwel gehoord : "Als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan ? Doen ook de zondaars dat niet ?" (Matth.5,46). Hoe kan de Apostel Johannes de broederlijke liefde voorstellen als een hoogtepunt van volmaaktheid, waar Christus zelf zegt dat het niet voldoende is zijn broeder te beminnen, maar dat onze liefde zich ook moet uitstrekken tot onze vijanden ?. Zijn liefde uitstrekken tot zijn vijanden wil niet zeggen : zijn broeder overslaan. De liefde is als vuur; het begint met wat het dichtstbij ligt en loopt dan verder.

Uw broeder is u meer nabij dan de eerste de beste mens. Van de andere kant is u meer gelegen aan een onbekende die niets tegen u heeft, dan aan een vijand die tegen u is. Strek uw liefde uit tot uw naasten, alhoewel ge hier eigenlijk niet kunt spreken van "uitstrekken", want indien ge mensen bemint die met u één geworden zijn, bemint ge om zo te zeggen uzelf. Strek uw liefde uit tot onbekenden, die u nooit enig kwaad gedaan hebben. Ga nog verder en tracht uw vijand te beminnen. Er bestaat geen twijfel over dat de Heer dat van u verlangt. Waarom spreekt Johannes dan niet over deze liefde tot de vijand ?

5.

Elke liefde veronderstelt een zekere welwillendheid tegenover hen die we beminnen. Ook de lichamelijke liefde, die we eerder genegenheid noemen (Het woord "liefde" wordt in onze cultuur immers gewoonlijk voorbehouden om een meer verheven liefde aan te duiden. Hoewel voor mij alle woorden om de liefde aan te duiden gelijkwaardig zijn, aangezien de H. Schrift ze door elkaar gebruikt). Want wij mogen en kunnen de mens niet beminnen zoals een gastronoom verklaart van gebraden lijsters te houden. Waarom niet ? Omdat de gastronoom er alleen maar op uit is te doden en op te eten. Als hij zegt dat hij van gebraden lijsters houdt, dan houdt hij niet van de lijsters zelf, want die laat hij niet in leven, doch vernietigt hij. Van eten houden we slechts om het te verbruiken en zelf weer op kracht te komen. Maar van mensen mogen we nooit houden als van verbruiksgoederen. Neen, vriendschap is een zaak van welwillendheid ; vriendschap is iets willen geven aan hen die we beminnen. En als men dan niets heeft om te geven ? Dat is niet erg, de welwillendheid alleen is genoeg voor iemand die bemint.

Het heeft geen zin te verlangen dar er ongelukkige mensen zouden zijn om zich barmhartig over hen te kunnen buigen. Gij geeft brood aan iemand die honger heeft, maar het zou veel beter zijn dat niemand honger leed en gij aan niemand iets hoefde te geven. Gij geeft kleren aan iemand die er geen heeft, maar het zou veel beter zijn dat iedereen kleren bezat en er geen armoede bestond. Gij begraaft doden, maar het zou veel beter zijn dat iedereen het leven bezat, en dat niemand meer hoefde te sterven. Gij tracht mensen die het oneens zijn met elkaar, te verzoenen ; maar het zou veel beter zijn te leven in die eeuwige vrede van Jeruzalem waarin geen onenigheid meer bestaat. Al de hulp die wij geven wordt opgeroepen door nood. Neem de ongelukkigen weg uit deze wereld en alle werken van barmhartigheid worden overbodig.

Maar als er in deze wereld geen barmhartigheid meer nodig is, betekent dit dan niet noodzakelijk het einde van de weldoende gloed van de liefde ? Helemaal niet. Uw liefde zal meer authentiek zijn, als zij uitgaat naar een gelukkig mens aan wie ge niets hoeft te geven ; zij zal zuiverder en oprechter zijn. Want als gij geeft aan een ongelukkig mens, dreigt het gevaar dat gij over hem wilt heersen en hij, die de beweegreden was van uw weldaad, u onderdanig moet zijn. Hij verkeert in nood, gij geeft hem iets. Omdat gij de gevende partij zijt, lijkt gij beter en meer te zijn dan hij aan wie ge geeft. Wens dat iedere mens uw gelijke is, zodat wij allen op gelijke wijze afhankelijk zijn van die Ene, aan wie wij niets kunnen geven.

6.

In dergelijke zaken kent de hoogmoedige mens geen maat en daardoor wordt hij ook op een bepaalde manier hebzuchtig, aangezien "de geldzucht  de oorsprong is van alle kwaad" (1 Tim.6,10). Er is ook gezegd dat "de hoogmoed het begin is van elke zonde"(Sir.10,15). Soms vragen wij ons af, hoe deze twee uitspraken met elkaar te verenigen zijn : "De geldzucht is de oorsprong van alle kwaad" en "De hoogmoed is het begin van elke zonde". Als de hoogmoed het begin is van elke zonde, dan is zij ook de oorsprong van alle kwaad. De hebzucht is ongetwijfeld eveneens de oorsprong van alle kwaad, want in de hoogmoed ligt hebzucht opgesloten. Dit blijkt hieruit dat de hoogmoed geen maat kent. En wat is hebzucht? Ook hebzucht bestaat juist daarin : verder willen gaan dan nodig is. Door hoogmoed is Adam ten val gekomen, want "de hoogmoed is het begin van elke zonde". Daar was ook hebzucht mee gemoeid, want wie is meer hebzuchtig dan een mens voor wie God nog niet voldoende is ?.

We lezen hoe de mens gemaakt is naar het beeld en de gelijkenis van God. Van deze mens zei God : "Hij heerse over de vissen van de zee, de vogels in de lucht en alle dieren die zich over de aarde voortbewegen"(Gen.1,26). Hij zei niet : hij heerse over de mens ! Hij gaf de mens wel macht over de natuur : over de vissen, de vogels en de dieren die over de aarde kruipen. Waarom heeft de mens van nature een zekere macht over deze dieren ? Die macht bezit hij door het feit dat hij geschapen is naar Gods beeld, De mens is beeld van God door zijn verstand, door zijn geest, door zijn innerlijkheid ; doordat hij de waarheid begrijpt, onderscheid kan maken tussen recht en onrecht, weet door wie hij geschapen is, en zijn schepper kan verstaan en leven. Wie zich verstandig gedraagt, bezit dit inzicht.

Daarom roept de Schrift tot de velen, die het beeld van God in zich door slechte begeerten verwoesten en de vlam van hun begrip door perverse zeden als het ware doven : "Word niet gelijk aan paarden of muilezels zonder verstand"(Ps.31,9) Hetgeen hierop neerkomt : Ik heb u gesteld boven paarden en muilezels. Ik heb u gemaakt naar mijn beeld, Ik heb u macht gegeven op al het andere. Waarin bestaat die macht ? Hierin dat de beesten geen verstandelijke geest bezitten. De mens echter kan met zijn verstand de waarheid vatten en begrijpen wat boven hem uitstijgt. Onderwerp u aan Hem die boven u uitstijgt, en alles waarover gij als meerdere gesteld zijt, zal u onderworpen blijven. Omdat de mens echter door de zonde God verlaten heeft aan wie hij onderworpen moest zijn, wordt hijzelf de mindere van de wezens waar hij boven moest staan.

7.

Let op de volgorde : God, mens, dier. God boven u, het dier onder u. Erken Hem die boven u staat, om zelf erkend te worden door wat beneden u staat. Toen Daniël God erkende, erkenden de leeuwen hem als hun meerdere (Dan.6,22). Als ge echter Hem die boven u staat niet erkent of veracht, dan wordt ge afhankelijk van het lagere. Heeft God de hoogmoed van de Egyptenaren niet klein gekregen door middel van kikvorsen en muggen ?(Exodus 8) God had daarvoor ook leeuwen kunnen gebruiken, maar een leeuw gebruikt men om een moedige en sterke mens af te schrikken. Daarvoor waren de Egyptenaren te hoogmoedig en hoe hoogmoediger ze waren met des te geringere onbenulliger dingen moest hun hoogmoedige houding gebroken worden. Maar de leeuwen hadden ontzag voor Daniël omdat hij ontzag had voor God.

En de martelaren dan ? zij moesten vechten met wilde beesten en zijn door hun tanden verscheurd. Dat was toch niet omdat zij God niet erkenden ! Of waren de drie mannen in de vuuroven wel dienaren van God en de Makkabeën niet ? Het vuur week voor de drie mannen die God trouw bleven en verbrandde hen noch hun kleren (Dan.3,50). Maar het vuur spaarde de makkabeën niet. Neen, zusters en broeders, het vuur heeft ook de Makkabeën gespaard (2 Makk.7). Maar in hun geval was er een beproeving nodig en God liet die toe, naar het Schriftwoord : "God beproeft elk kind dat Hij als het zijne erkent" (Hebr.12,6). Ge denkt toch niet dat het staal de borst van de Heer zou doorboord hebben, als Hij het niet toegelaten had; of dat Hij op het kruishout zou gehangen hebben, als Hij het niet toegelaten had ; of dat Hij op het kruishout zou gehangen hebben, als Hij het zelf niet gewild had ? Heeft zijn schepsel Christus niet erkend of wilde Christus aan zijn gelovigen een voorbeeld van geduld geven ?

Zo bevrijdt God sommige mensen op tastbare wijze, anderen niet. Maar alle mensen maakt hij geestelijk vrij. Geestelijk laat Hij geen enkele mens in de steek. Uiterlijk lijkt God sommige mensen te verlaten, terwijl Hij anderen uiterlijk redt. Hij heeft sommigen ongetwijfeld gered om ons te tonen dat Hij redden kan. Hij gaf een bewijs dat Hij het kan. In het geval dat Hij geen redding brengt, moet ge veronderstellen dat Hij een diepere bedoeling heeft, niet dat Hij machteloos is.

Zusters en broeders, wanneer wij ontsnapt zijn aan alle strikken van dit sterfelijk leven, wanneer de tijd van beproeving voorbij is, wanneer de stroom van deze tijd heeft opgehouden te vloeien, wanneer wij omkleed zullen zijn met ons eerste feestgewaad : de onsterfelijkheid die wij door de zonde verloren, wanneer dit bederfelijke omkleed zal zijn  met onbederfelijkheid, dat wil zeggen ons vlees onbederfelijk zal zijn geworden en dit sterfelijke onsterfelijk, dan zal elk schepsel de volmaakte kinderen van God erkennen. Dan is het niet meer nodig beproefd of geslagen te worden. Alles zal ons onderworpen zijn als wij ons hier onderwerpen aan God.

Uit : Eenheid en liefde : Augustinus preken over de eerste brief van Johannes, pp132-136

Vertaling : Prof. Dr. TJ van Bavel

21:54 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.