04-02-10

De icoon van het doopsel van de Heer

De icoon van het doopsel van de Heer (Epiphanie)

doopsel Jezus (352 x 450)
 


Tot aan de 4e eeuw, werden  het feest van de Geboorte en het Doopsel van de Heer  gevierd op éénzelfde dag (het is in 326 dat de feesten zich scheidden).Hun eenheid is nog zichtbaar in de gelijke structuren van de diensten van deze twee feesten en zij toont een zekere voltooiing van de Geboorte in dat van het Doopsel."In zijn Geboorte, zegt Jeronimus, komt de Zoon van God op de wereld op een verborgen wijze, in zijn doopsel, verschijnt hij op manifeste wijze". Zo zegt het ook Johannes Chrysostomos : "De Epiphanie is niet het feest van de Geboorte, maar dit van het Doopsel. Daarvoor was Hij ongekend bij het volk, door het Doopsel, openbaart Hij zich aan allen"(Hom37over het Doopsel)".

De Heilige geest rust voor eeuwig op de Zoon als een zich manifesterende kracht, hij openbaart de Zoon aan de Vader en de Vader aan de Zoon en realiseert aldus de goddelijke afstamming. Hij is de "eeuwige vreugde...waar de drie behagen scheppen in elkaar"(Heilige Gregorius Palamas). De incarnatie is geworteld in deze elfde act van afstamming die geleidelijkaan  de, menselijkheid van Christus bedekt.

In de Geboorte, daalt de Heilige Geest neer over de Maagd en maakt haar tot Theotokos, Moeder van God  "Het kleine kind dat zal geboren worden zal Zoon van God worden genoemd (Lucas 1,35). "Het kleine kind groeide...en de genade van God rustte op Hem"(Lucas 2,40). Om "waarlijk mens " te zijn, gaat de menselijke natuur van Christus doorheen zijn natuurlijke  en progressieve groei. De genade van de Geest vergezelde Hem, maar het is nog niet de Hypostase van de Geest die op Hem rust zoals zij in eeuwigheid rust op zijn goddelijkheid. Welnu, sprekend over het Doopsel, citeren de heilige Cyrillus van Jerusalem en de heilige Johannes van Damascus de Handelingen der Apostelen (10,38) : "God heeft Jezus van Nazareth gezalfd met de Heilige Geest", en zij onderlijnen in de gebeurtenis het hoogtepunt van de volwassenheid, de manifestatie van de menselijkheid van de Heer dat vanaf dat moment volledig vergoddelijkt wordt. Hij is Christus, de gezalfde; de Geest openbaart zijn Menselijkheid aan de Vader en de Vader aanvaardt Hem als Zijn Zoon : " aanstonds sprak een stem uit de hemel : Deze is mijn welbeminde Zoon, in wie ik mijn welbehagen stel" (Matth.3,17). De Geest daalt neer op de geïncarneerde Zoon  als een adem van aanvaarding op het moment zelf waar de Vader zegt : "Vandaag heb ik u voortgebracht" (variant van de tekst van Lucas die Psalm 1,7 citeert).

"Mijn genegenheid" of "mijn welwillendheid" is de wederzijdse liefde van de Vader en de Zoon  die vanaf dat moment rust op Christus in de hypostatische nederdaling van de Geest. De God-Mens openbaart zich reëel als Zoon van zijn twee naturen en deze volheid van de "ware God en de ware Mens" zal worden herbevestigd gedurende de Transfuguratie als een daad die reeds gemanifesteerd is in het Doopsel : "deze is mijn welbeminde Zoon". Daarom wordt het Doopsel Theophanie genoemd, Epiphanie, manifestatie van de Drie Personen in hun eenparige getuigenis. Indien het Troparium van de transfiguratie zegt " Gij zijt getransfigureerd...om aan uw leerlingen uw glorie te tonen", dan zegt het troparium van het Doopsel : "tijdens uw Doopsel in de Jordaan, o Christus... getuigde de stem van de Vader door u de naam van welbeminde Zoon te geven, en de geest, onder de vorm van een duif, bevestigde de ontegensprekelijke waarheid van deze woorden.....".

Zo groeide Jezus tot aan zijn rijpheid. "Hij was ongeveer dertig jaar" (Lucas 3,23), wanneer hij in de synagoge van Nazareth plechtig aankondigde : "De Geest van de Heer is over mij gekomen, hij heeft mij gezalfd"(Lucas 4,18). Het is het mysterie dat eigen is aan de incarnatie. De mensheid van Christus gaat door zijn vrije wilsbeschikking. Jezus wijdt zich in volle bewustzijn aan zijn aardse zending, onderwerpt zich geheel aan de wil van de Vader en de Vader beantwoord dit met het zenden van Zijn Heilige Geest over Hem. Gans de beknopte  samengevatte symboliek van het Doopsel dat de icoon van het feest ons toont doet ons de geduchte omvang begrijpen van deze daad : het is reeds de dood op het Kruis. Christus die zegt tot de heilige Johannes : " Laat nu maar, want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen" (Matth.3,15), het anticipeert aan het ultieme woord die zal weerklinken in de tuin van Getsemanie : " Vader, dat Uw wil geschiede...". De liturgische overeenkomst van de feesten onderlijnen dit duidelijk : zo toont het gezang van de liturgie van de 3e januari een frapante analogie met deze van Grote Woensdag, de dienst van de 4e januari met deze van Goede Donderdag en de dienst van de 5e januari met deze van Goede Vrijdag en passie zaterdag.

Sint Jan Baptist is bekleedt met een ambt van getuigenis : het is de getuige van de onderwerping van Christus, van zijn ultieme kenose.  Maar in Johannes de Doper als Archetype, als vertegenwoordiger van het menselijk geslacht, is het de ganse mensheid die getuige is van de Goddelijke Liefde. De "Filantropie van God" heeft haar hoogtepunt in de daad van het doopsel, "vervulling van de rechtvaardigheid", met de dood en de verrijzenis als eindpunt, de voor-eeuwige beslissing vervullend die wij hebben beschouwd in de Icoon van de Drie-eenheid.

"Welnu, zoals gans het volk zich liet dopen, zo liet ook Jezus zich dopen"(Lucas 3,21). Het Woord komt op aarde, naar de mensen toe, en wij zijn in de aanwezigheid van de meest ontstellende Ontmoeting van God en de Mensheid ("gans het volk"). Mystiek gezien herkennen alle mensen zich als "zoon in de Zoon "), "de welbeminde zoon" in "de welbeminde Zoon" en dus als de "vrienden van de bruidegom", de getuigen. Het fiat van de Maagd werd het ja van alle mensen bij de menswording, tot de komst van God "bij de zijnen". In de heilige Johannes de Doper, zeggen allen die de "zijnen" zijn, fiat aan de ontmoeting, aan de goddelijke Liefde, aan de filantropie van de Vader, Vriend van de mensen. Zoals Simeon "gedreven door de Geest"het kind Jezus ontvangt, zo ontmoet en ontvangt Johannes Jezus de Messias :"Er verscheen een mens, gezonden door God, zijn naam was Johannes, hij kwam als een getuige, om getuigenis af te leggen van het licht, opdat allen door hem zouden geloven" (Joh.1,6-7). Hij getuigt voor allen, in de plaats van allen, en dit getuigenis is een gebeuren in het innerlijke van de gehele mensheid en betreft alle mensen.

Het vierde evangelie van Johannes spreekt in zijn "proloog" onmiddellijk na "het Woord dat in de beginne was", en wanneer men leest "er was een mens door God gezonden"", voelt men dat zijn komst, in zekere zin ,  ook van "de beginne"", van eeuwigheid was. De hemel opende zich voor Hem en "hij legde getuigenis af : Ik heb de Heilige geest zien neerdalen over Hem...Hij is de Zoon van God" (Joh.1,29-34). In deze korte zin  is reeds, onder een gereduceerde vorm, gans het evangelie aanwezig. Johannes is diegene die weet, hij duidt het Lam aan want hij is binnengeleid in het mysterie van "het Lam, dat geofferd wordt vanaf de schepping van de wereld".....

Johannes heeft niets "voorspeld". Hij is de grootste profeet, want hij is de kleinste, dat wil zeggen, hij is bevrijd van zijn eigen voldoening om slechts diegene te zijn die "zich daar bevindt", die zich verheugd de stem van de  Bruidegom te horen, die de vriend van de Bruidegom is, en zijn vreugde is groot, zonder maat. Hij is de meest intieme nabijheid waar het woord weerklinkt. Hij is als beeld van de Zoon, die het woord van de Vader is, hij is als het beeld van de Geest, want "hij zegt niets uit zichzelf maar spreekt in naam van Hem die gekomen is". Hij is  "dit geweld die de hemelen  in vervoering brengt" en zijn martelaarschap illustreert op wonderlijke wijze een oud mystiek logion : "geef je bloed en ontvang de Geest"... Met de Theotokos omringt hij Christus en komt tussenbeide voor alle mensen. Hij kan het doen, want zijn vriendschap bereikt het niveau van een groot spiritueel waarvan de geschiedenis ons is verteld in de Apophtegmata Patrum : "De heilige Païsios de Grote bad voor zijn leerling die Christus had verloochend, en wanneer hij bad, verscheen de heer aan hem en zei : "Païssios, voor wie bid u ? Weet gij niet dat hij mij verloochend heeft ?" Maar de heilige hield niet op om medelijden te hebben en te bidden voor zijn leerling, en toen zei de Heer hem : "Païssios, gij zijt gelijk aan mij geworden door uw liefde...."

De liturgie noemt Johannes : "prediker, engel en apostel" Hij getuigt en zijn stem als vriend van de Bruidegom wekt de eerste apostolische roeping op : "Andreas en Johannes volgden Jezus" (Joh.1,37). Later, verlaat hij deze wereld en daalt neer ter helle als Voorspreker van de Blijde Boodschap.

Het doopsel van Johannes van Epiphanie was slechts een "doopsel van berouw voor de vergeving van de zonden" (Lucas 3,3), het was de bekering tot de uiteindelijke verwachting. Door naar de Jordaan te gaan, ging Jezus geen berouw doen, want Hij was zonder zonden. Zeggen dat Hij een voorbeeld van nederigheid ging geven beantwoordt nog altijd niet aan de grootheid van het gebeuren. Het doopsel van Jezus is Zijn persoonlijk Pinksteren, de neerdaling van de Heilige Geest en de trinitaire epiphanie : " Toen Gij gedoopt zijt in de Jordaan, werd de aanbidding van de heilige Drie eenheid geopenbaard" (troparium van het feest). Het is van deze volheid dat het sacrament van het doopsel in de naam van Jezus komt, deze naam verduidelijkt zich onmiddellijk in de volledige doop formule : " In Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest".  De liturgische teksten noemen het feest "het grote nieuwe jaar" want "het universum hernieuwt zich in het licht van de Drie eenheid". Het is juist dit moment dat de Bisschoppen kozen om aan de kerken de tijd van de grote vasten en de datum van de celebratie van Pasen aan te kondigen.

De icoon van Epiphanie geeft het evangelisch verhaal weer, maar voegt er enkele details aan toe genomen uit de liturgie van het feest en toont dat wat Johannes had kunnen vertellen. Bovenaan de icoon is een fragment van een cirkel aanwezig die de hemelen voorstelt die zich openen, en soms ook een kronkel die als een rand van een wolk lijkt, die vertrekt vanuit de zegenende hand van de Vader. Vanuit deze cirkel vertrekken de lichtstralen, symbool van de Heilige Geest. Zij verlichten de Duif. Een herinnering van het woord uit de beginne : "Dat het Licht zij", "de zich manifesterende energie" van de Geest openbaart ons de Trinitaire God : "De Drie eenheid onze God is aan ons geopenbaard zonder scheiding". Christus is gekomen om het Licht van de wereld te zijn die "diegenen verlicht die in duisternis gezeten zijn (Matth.4,16), vandaar de naam "feest van het licht". Terwijl Jezus neerdaalde in het water, verlichtte het vuur de Jordaan", het is het Pinksteren van de Heer, en het Woord ,voorafgebeeld door de "kolom van licht" toont ons dat het doopsel de verlichting, de geboorte van de zijnde in het goddelijk licht is.

Vroeger, op de vooravond van het feest, had de doop van de catechumenen plaats en de tempel was ondergedompeld in licht, teken van initiatie in de kennis van God.  De getuige van dit licht, de heilige Johannnes, stemt overeen met het gebeuren want hijzelf is " de aangestoken en schitterende toorts" en de mensen kwamen "zich verheugen aan zijn licht" (Joh.5,35).

De nederdaling van de Heilige Geest onder de vorm van een duif betekent de beweging van de Vader die zich richt op de Zoon. Anderzijds verklaart het, volgens de vaders,naar analogie met de zondvloed en de duif met de olijftak, een teken van vrede. De Heilige Geest zwevend over de wateren heeft het leven opgewekt, zo ook zwevend over de wateren van de Jordaan, wekt hij de tweede geboorte op van het nieuwe schepsel.

Christus is voorgesteld rechtopstaand op de bodem van het water,"versluierd door de golven van de Jordaan". Vanaf het begin van zijn zending trotseert Jezus de cosmische elementen  die de duistere machten verborgen houden : het water, de lucht en de woestijn. De doortocht door de Rode Zee figureert het doopsel : de overwinning van God op de draak van de zee, het monster Rahab. Een beeldspraak van het feest doet ons de Heer zeggen tot Johannes de Doper : "Profeet, kom mij dopen... Ik heb mij verhaast om de vijand ten onder te brengen die verborgen is in het water, de prins van de duisternis, om de wereld te bevrijden van de kluwen door het eeuwige leven te schenken". Door in de Jordaan  af te dalen, reinigt Hij de wateren:" Vandaag zijn de golven van de Jordaan veranderd in een hulpmiddel en gans de schepping is besproeid met mystieke golven" (gebed van de heilige Sophronius) Het is het ganse universum die zijn heiligmaking ontvangt : "Christus is gedoopt; Hij komt uit het water en met Hem wordt de ganse wereld hersteld" (beeldspraak van Cosmas). " Hij breekt de kop van de draak en hij herschept Adam", het is de herschepping van het menselijk wezen, zijn herstel in het gezuiverde lavacrum  van het sacrament. Didymos de blinde preciseert : "God heeft mij voor Zijn moeder de fontein van het doopsel gegeven (de Kerk), voor de verheven Vader, als broeder, de gedoopte Heer omwille van ons"

Op de icoon, zegent de Heer met de rechterhand de wateren en bereid Hij ze voor om doopwater te worden, die Hij heiligt door zijn eigen onderdompeling. Het water krijgt een andere betekenis, vroeger was het het beeld van de dood (zondvloed), nu is het de "bron van water en leven" (Apoc.21,6 ; Joh.4,14). Sacramenteel ontvangt het water de waarde van het bloed van Christus.

Aan de voeten van de Heer, in de wateren van de Jordaan, toont de icoon ons twee kleine menselijke figuren, een illustratie van de oud-testamentische teksten die deel uitmaken van het officie : "de zee zag het en week, de Jordaan boog ruggelings terug" (Psalm 114,3).Het troparium (toon 4) legt uit : De Jordaan trok zich eertijds terug door de mantel van Eliseüs, en de wateren verspreidden zich en lieten een droge doorgang, dit naar het waarachtige beeld  van het doopsel door welke wij gaan gedurende ons leven". Symbolisch beeld dat spreekt over een nog zichtbaar metanoia van de cosmische natuur, van de ommekeer van zijn ontologie.

 De zegen over het natuurlijk water heiligt het principe zelf van het aardse leven. Het is daarom dat na de Goddelijke Liturgie, de "grote zegen over het water" plaatsvindt (van een rivier, een bron of eenvoudigweg een bekken geplaatst in de Kerk).

Sprekende over de niet geheiligde wateren, beeld van dood-zondvloed, noemt de liturgie het het "vochtige graf" - hudatostrôtos taphos.  Immers, de icoon toont ons Jezus die neerdaalt in de Jordaan als in een vochtig graf. Deze heeft de vorm van een sombere grot (iconografische afbeelding van de hel). Hij daalt er volledig in af, met gans zijn lichaam (beeld van de begrafenis, weergegeven in het sacrament van het doopsel door volledige onderdompeling, figuur van het paastriduum), opdat "de aanvoerder van ons geslacht wordt weggerukt uit de duistere verblijfplaats". Het symbolisme verderzettend van de Geboorte, toont de icoon van Epiphanie ons de vooraf-nederdaling van Christus in de hel en de verrijzenis.

Christus wordt naakt afgebeeld, hij is als de naakte Adam en zo reikt hij de mensheid zijn paradijselijke kledij van glorie aan. Om aan te tonen dat het zijn eigen initiatief is, wordt Hij afgebeeld al gaande of een stap zettend naar Johannes de Doper : Hij komt vrijwillig en buigt het hoofd. Johannes is geschrokken : "ik heb het nodig om door U gedoopt te worden !... Jezus beveelt hem : "laat doen". Johannes strekt zijn rechterhand uit als bij een ritueel gebaar, in de linkerhand houdt hij een rol vast, de tekst van zijn prediking.

De engelen van de Incarnatie hebben een biddende houding, hun handen bedekt als teken van verering. Zij symboliseren en illustreren het woord van sint Paulus (Gal3,27): "Gij die in Christus zijt gedoopt, hebt u met Christus bekleedt..."

Vrij vertaald uit : Paul Evdokimov : L'art de l'icone, theologie de la beauté,pp 239 - 247. Door Kris Biesbroeck.

11:26 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.