18-03-10

Cyprianos van Carthago : De tollenaar ...durfde zelfs zijn ogen niet ten heme heffenl

H. Cyprianus (rond 200-258), bisschop van Carthage et martelaar
Het gebed van de Heer, § 4, 6


"De tollenaar... durfde zelfs zijn ogen niet ten hemel heffen"


    

Cyprianus van Carthago1

 

  De mensen van gebed moeten hun smeekbeden en hun vragen met bescheidenheid, kalmte, terughoudendheid en discretie uitdrukken. Herinneren we ons dat we in aanwezigheid van God zijn. Het is nodig dat de houding van ons lichaam en de toon van onze stem aangenaam zijn voor God. Het past niet om uit te barsten in geschreeuw; het past om te bidden met bescheidenheid en terughoudendheid.

      De Heer leert ons om te bidden in afzondering, in eenzaamheid en op afgelegen plaatsen en zelfs in onze binnenkamers (Mt 14,23; 6,6), hetgeen beter overeenkomt met het geloof. Wij weten dat God overal aanwezig is, Hij hoort en ziet alle mensen, de blik van zijn oppermachtige majesteit dringt door tot in het geheim. Er staat immers geschreven: "Ben Ik een God van nabij, luidt het woord van de Heer, en niet een God van verre? Zou zich iemand in schuilhoeken kunnen verschuilen, dat Ik hem niet zou zien? luidt het woord van de Heer. Vervul Ik niet de hemel en de aarde? luidt het woord van de Heer." (Jr 23,23-24).

      De mens van gebed, mijn geliefde broeders en zusters, moet niet negeren hoe de tollenaar in de Tempel naast de farizeeër bad. Hij hief zijn ogen niet onbeschaamd ten hemel, hij stak zijn handen niet arrogant uit. Hij sloeg zich op de borst, hij erkende zijn innerlijke en verborgen zonden, hij smeekte om hulp van de goddelijke barmhartigheid. De farizeeër vertrouwde daarentegen op zichzelf. De tollenaar verdiende het om als rechtvaardig erkend te worden. Want hij bad zonder te hopen op heil door zijn onschuld, aangezien niemand onschuldig is. Maar hij bad door zijn zonden te bekennen, en zijn gebed werd verhoord door Degene die de nederigen vergeeft.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

De commentaren zijn gesloten.