20-04-10

Heilige Christodoulos de Wonderdoener

Heiligenleven

 Heilige Christodoulos de Wonderdoener

 

Chrystobulos van Patmos 11

De heilige Christodoulos de Wonderdoener was afkomstig uit de buurt van Nicea omstreeks 1020. Van jongsaf leefde in hem de wens om monnik te worden en zijn ouders, die dit niet wilden, besloten hem zo vroeg mogelijk te laten trouwen. Toen de jongen dit bemerkte, ontvluchtte hij heimelijk zijn ouderlijk huis en ging naar de Olymposberg, eveneens in Bitthynië, een beroemd monnikencentrum. Daar ontving Johannes de naam Christodoulos en hij leerde de praktijk van het monniksleven.

Toen enkele jaren later zijn geestelijke vader gestorven was, maakte Christodoulos een grote pelgrimsreis van Rome tot Palestina, en daar ging hij als monnik naar een van de woestijnkloosters. Nu het byzantijnse rijk zwak was geworden, en dit gebied niet meer kon beschermen, werden die kloosters telkens weer lastig gevallen door roversbenden die veel monniken vermoordden en anderen als slaaf verkochten. Christodoulos wist met enkele anderen te ontsnappen, zij trokken naar een ander monnikencentrum, de berg Latra bij Milete.

De combinatie van leiderstalent en heilig leven in zijn persoon trok de aandacht, en de monniken wilden hem tot abt over de gehele gemeenschap maken. Hij weigerde, maar kreeg toen van de patriarch van Constantinopel de opdracht die taak te aanvaarden, en deze stelde hem tevens aan tot archimandriet, belast met het toezicht over alle kloosters van die provincie.

Maar hier herhaalde zich de treurige geschiedenis : piraten, moord, gevangenschap. En opnieuw deed het praktisch verstand van Christodoulos zich gelden, zodat hij met de zijnen kon ontvluchten. Hij trok nu rond op zoek naar eenzaamheid, en vond toen het eiland Patmos, dat aan zijn verlangen beantwoordde : grote onherbergzaamheid en, vooral, de aanwezigheid van de grot waar de apostel Johannes de Apocalyps had geschreven.

Hij ging naar Constantinopel om een vestigingsoorkonde te vragen, maar de keizer verzocht hem om het klooster op de Zagora aan de Hellespont onder zijn hoede te nemen. Christodoulos loste dit slim op door te zeggen dat zij dan eerst moesten beloven zich te houden aan de strikte Regel die hij zou invoeren. Zoals hij voorzien had, vonden de monniken deze regel veel te streng, en zo kreeg hij de handen vrij. De keizer (Alexios Kommenos) verleende de verlangde bul met vrijstelling van de keizerlijke belasting en de toezegging van een jaarlijks geschenk van broodgraan. Hij kreeg ook geld en arbeiders mee, zodat direct kon worden begonnen met de bouw van een kerk, toegewijd aan de heilige Johannes de Evangelist. Om allen aan te sporen deed hij zelf mee aan de zware handenarbeid, zonder af te zien van zijn strenge vasten en lange gebedsuren.

Onder Gods zegen vorderde de bouw voorspoedig, en tijdens een droogteperiode met voedselgebrek vermeerderden zich de rantsoenen op het gebed van de heilige. Maar aan die gelukkige toestand kwam opnieuw een einde : nu waren het de Noormannen die zelfs tot hier doordrongen op hun plundertochten. En  weer besloot Christodoulos te vluchten, en hij gaf opdracht de gehele voedselvoorraad aan de armen uit te delen. Pas na herhaald aandringen gaven de angstig bezorgde monniken gehoor. Toen zij echter een veilig toevluchtsoord hadden gevonden op het eiland Euboia, was er direct iemand die een heel schip graan ter beschikking stelde.

Na verloop van tijd begonnen er geregelder toestanden te heersen en de plundertochten  namen een einde. Christodoulos was intussen oud geworden, maar hij drong er bij zijn monniken op aan weer terug te keren naar het klooster dat zij met zoveel moeite hadden opgebouwd op Patmos en daar de verering van de heilige Johannes levend te houden. Zijn wens was dat ook zijn gebeente daar zou rusten. Zijn lichaam werd inderdaad overgebracht, na zijn dood in 1094. Er werd een kerkje gebouwd voor zijn relieken, waar vele wonderen geschiedden.

 

Uit : Heiligenlevens voor elke dag - uitg. Orth.Klooster heilige Johannes de Doper - Den Haag

De commentaren zijn gesloten.