03-05-10

Heiligenleven : de heilige Gallus

Heiligenleven

De heilige Gallus kluizenaar

 


Hij werd geboren in een adelijke Ierse familie. Hij werd monnik in de beroemde abdij van Bangor, onder de heilige Comgal. Daarna was hij een van de twaalf monniken die de heilige Columbanus vergezelden op zijn missie naar Gallië. Na een 20 jarig verblijf in Luxeuil werd de heilige Columbanus uit het land verdreven door de woedende vorstin Brunhilde. Het abbatiaat van Luxeuil werd aangeboden aan Gallus, maar deze weigerde want hij wilde de ballingschap delen van zijn geestelijke vader

Zij reisden noordoostwaards en bereikten bij Mainz de Rijn. Zij volgden het rivierdal omhoog tot in Zwitserland en begonnen toen het Christendom te prediken aan de heidense stammen rond de Zürichsee en de Bodensee. Gallus bleek daarbij van grote waarde doordat hij het Duits beheerste. Met gloeiende ijver gingen zij het heidendom te lijf, staken tempels in brand, sloegen de brouwvaten van het heilig bier in stukken en wierpen de vergulde afgodsbeelden in het meer. Dit wekte natuurlijk de woede op van de bevolking die hen te lijf ging en met geweld verjoeg. Maar zij konden zich handhaven in enkele oude romeinse nederzettingen, Bregenz en Lindau, waar nog enkele Christenen woonden.

Zij hervatten nu het monastieke leven, in Bregenz aan de Oostenrijkse oever, onder grote moeilijkheden, daar de bevolking hun geen eten wilde leveren. Zij moesten zich in leven houden met wat er buiten te vinden was, watervogels, en bessen in hert bos, totdat ze hun eigen tuin hadden aangelegd. Ze leerden netten maken, Gallus ging vissen op het meer dat grote vangsten opleverde.

Maar heel het centraaleuropese gebied kwam langzamerhand onder de macht van Diederik en de onverzoenlijke Brunhilde. Het was onmogelijk voor Columbanus daar nog langer te blijven, daar ook de bevolking tegen hem was, en zich bij de hertog beklaagde over de gewelddadige bekeringsijver van beide monniken. Het doorslaand argument daarbij was dat het jachtterrein door hun aanwezigheid bedorven werd daar zij de wilde dieren verjoegen. Columbanus trok dus in het jaar 612 verder naar het zuiden, want hij verwachtte in italië beter te worden ontvangen. Intussen was Gallus ziek geworden met hevige koorts en deze voelde zich te zwak om met Columbanus mee te trekken. Die temperamentvolle heilige werd kwaad over zulk een zwakheid, en hij verbood Gallus voor de rest van zijn leven de heilige Liturgie te vieren.

Toen Gallus zijn gezondheid teruggekregen had, was hij begrijpelijkerwijze met grote droefheid vervuld. Hij wilde zich nu terugtrekken in de eenzaamheid en samen met diaken Hiltibold trok hij de bergen inn .  Zij vonden een geschikte plaats aan de Steinach, waar zij een kluis bouwden van ruwe stammen. Maar spoedig kwamen er leerlingen bij en hun aantal groeide tot twaalf, terwijl door het vele bezoek er een weg ontstond door de wildernis.

In 615 werd hij gehaald omdat de bevolking van Konstanz hem tot hun bisschop had gekozen. Nu kon hij wijzen op het verbod van Columbanus om nog ooit te celebreren, maar hij bood wel een van zijn monniken aan voor de bisschoppelijke zetel. Bezorgd over het lot van zijn geestelijke vader, zond Gallus nu boden over de Alpen om onderzoek te doen. De boden kwamen terug met het bericht dat de heilige Columbanus gestorven was te Bobbio, dat dat hij zijn staf aan Gallus had vermaakt, als teken van zijn vergiffenis. Maar toen 10 jaar later, in 625, een delegatie van Ierse monniken uit Luxeuil hem kwam vragen daar het abbatiaat over te nemen na de dood van Eustatius, weigerde Gallus opnieuw. Hij wilde blijven in het klooster dat hij zelf had opgebouwd, en van waaruit hij zijn weldoende invloed uitoefende op de omgeving door zijn machtige prediking.

Toen Gallus oud geworden was, kwam zijn vriend, de priester Willemar ui Arbon, hem opzoeken en smeekte hem nog eens bij hem te komen. Gallus weigerde, want hij wenste te sterven in de hem zo dierbare eenzaamheid, maar toen hij zag hoe treurig zijn vriend werd door dit afwijzen, gaf hij toe en ging met hem mee naar Arbon. Hij kwam daar aan, oververmoeid en dodelijk ziek, en stierf enkele dagen later, op deze dag in 640. Zijn cel groeide uit tot het beroemde klooster Sankt Gallen, de grootste abdij uit die streken, het centrum van geestelijk leven en wetenschap in Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland, met een wereldberoemde bibliotheek, en tegelijk het middelpunt van een belangrijke stad die eveneens zijn naam draagt.

 Uit : Heiligenlevens voor elke dag : Uitg.Orthod.klooster Den Haag

De commentaren zijn gesloten.