03-08-10

In memoriam : Dom André Louf

In memoriam

Dom André Louf ocso

(1929-2010)

 

a-louf.jpg

 

 

Dom André Louf stierf op 12 juli en werd twee dagen later in de abdij waar hij als achttienjarige intrad, begraven. We wisten dat hij onlangs vanuit Zuid-Frankrijk naar een ziekenhuis in Bailleul, nabij de abdij van de Catsberg, was overgebracht. Zijn einde was in zicht. Nu is het zover. Een vaderlijke vriend, abt en kluizenaar, een creatief schrijver en uitnemend vertaler, geestelijke begeleider en inspirator van zovelen, een vurige oecumenist in gesprek met de orthodoxen vooral, is van ons heengegaan. Diamant met vele facetten, straalde hij met zijn rijk getalenteerde persoonlijkheid ver buiten de monastieke kringen. Zelfs de universiteit van Louvain-la-Neuve erkende zijn gezag toen ze hem in 1995 tot doctor honoris causa maakte. Heel zijn leven werd hij evenzeer naar de publieke markt als naar de barre eenzaamheid van de woestijn getrokken. Hij maakte keuzes en hij werd gekozen. Man van smaak zocht hij nooit het banale op, wel het unieke. Maar meer dan eens in zijn leven verliep het nog anders dan hij verhoopte. Zijn vroege trek naar kluizenaarschap kreeg plots een heel andere wending toen hij op 33-jarige leeftijd tot abt van zijn gemeenschap werd verkozen. Na tien jaar meende hij zijn ontslag als abt te kunnen indienen maar de algemene overste van de orde dacht er anders over. Toen hij dan toch – na 35 jaar abt – zich in 1998 kon terugtrekken, hoopte hij kartuizer te worden. Maar daar werd het hem niet toegestaan… Een benedictijner zustergemeenschap in Zuid-Frankrijk nodigde hem echter uit: hij mocht bij hen aan de rand van de gemeenschap die uit zusters en broeders bestond, een leven in een kluis leiden. De stal van een gestorven ezel werd voor hem tot kluis omgebouwd… Daar ontpopte hij zich tot een bedrijvige vertaler: heel Ruusbroec maakte hij toegankelijk in het Frans, met een bijzonder aanvoelen van het taaleigen van de Vlaamse mysticus. Daarna kwam Isaak de Syriër aan de beurt. Daar leverde hij pionierswerk door in samenwerking met Sabino Chialà uit Bose nog onuitgegeven teksten voor het eerst in het Frans te vertalen. Ook uit het Russisch vertaalde hij een hele studie over Isaak geschreven door zijn orthodoxe vriend Mgr Ilarion Alfayev. Niet eens alles van wat hij vertaalde is reeds gepubliceerd. Postuum verschijnen straks nog meerdere geschriften, onder meer van een ander, nog onuitgegeven Syrische Vader, Simon van Taibouteh (8e eeuw). Enkele jaren terug publiceerde Stéphane Delberghe enkele gesprekken met dom André. Deze werden prompt in het Nederlands vertaald (Met Gods genade, Lannoo 2002). Ook Leo Fijen (Kruispunt, Nl.) slaagde erin met heel zijn cameraploeg tot in de kluis van dom André binnen te dringen en hem te ondervragen. Dit zijn zeer recente beelden van de man: hij  liet alles zien, zo maar, ongeremd maar wat geen mens kan filmen bleef ook verborgen. Iedere nacht stond hij op, zo vertelde hij, en dan zat hij daar te bidden, met of zonder boek, met of zonder woorden, twee drie uur lang. Secretum meum mihi. Mijn geheim blijft het mijne… De innerlijke weg die deze uitzonderlijke gestalte in het geestelijke landschap van het Westen volgde, met vallen en opstaan, met liefde en met leed, getekend door ontgoochelingen en aanvechtingen zowel van buiten als van binnen, blijft meer verborgen dan openbaar. Hij was een zoeker die andere zoekers aanmoedigde, als stonden we in onze generatie terug aan het begin van de weg. ‘Ook wij trappisten weten niet meer wat de nachtwake is, we moeten het herontdekken, met trial and error’. Als zoeker – hij die als abt ’s nachts opstond en orgel speelde in de abdijkerk – liep hij meer dan eens vast in zijn edelmoedigheid en moest dan noodgedwongen op zijn stappen terugkeren. Zijn eerste voorstelling van het trappistenleven was heldhaftig: hoe meer inspanning, zweet en tranen, hoe beter. Tot zijn lichaam hem signaaltjes gaf van totale uitputting. Dit werd het begin van een diepe bevraging. Zal de genade een kans krijgen in een o zo edelmoedig leventje? De kentering werd een radicale verzoening met het armste eerst in de mens. ‘Ik ben gekomen niet om rechtvaardigen te roepen maar zondaars’. Dat woord van Jezus heeft niemand in onze generatie met zoveel kracht nieuw leven ingeblazen als dom André. Zijn vele bijdragen over geestelijke begeleiding vertrekken telkens van dat ene inzicht: verwacht het niet van je inspanningen maar laat je beminnen door de Liefde die eerst is. Vanuit zo’n intuïtie ging ook de poort open naar de Syrische Vaders en vooral naar Isaak de Syriër en later naar Simon van Taibouteh. Twee jaar geleden nog sprak hij in Gent over die Simon, en het laatste citaat dat hij toen als een zegel op het geheel aanhaalde betrof die hem zo dierbare thematiek: ‘Het gebed van een zondaar met vermorzeld hart, wiens geweten zich vernedert als het. zich aan zijn fouten en zwakheden herinnert, is beter dan het gebed van een verwaande rechtvaardige, opgeblazen als hij is wanneer hij aan zichzelf denkt, die te paard zit op de hovaardigheid, wiens houding hoogdravend is omdat hij zich inbeeldt een geestelijke trap bereikt te hebben. Wanneer een zondaar zich van zijn zwakheden bewust is en berouw begint te voelen, is hij een rechtvaardige maar wanneer een rechtvaardige in zijn geweten overtuigd is van zijn rechtvaardigheid, is hij een zondaar’ Zijn vele talenten konden hem parten spelen, dat gaf hij zelf toe. Men stuurde hem naar Rome om bijbelstudie te doen. Hij werd exegeet maar zijn exegetische vorming met kennis van meerdere oude talen maakte van de Schriften een studieboek vol linguïstische raadsels. Hij liep vast. De ware lectio divina van monniken lukte niet meer. Tot zijn geluk kreeg hij dan de redactie van het tijdschrift Collectanea Cisterciensa toevertrouwd. Dit bracht hem binnen in de wereld van Bernardus en Willem van St Thierry. Hier ontdekte hij opnieuw die andere omgang met het schriftwoord als openbaring, als evenement. De lezing van Karl Barth (Dogmatik I) had, net daarvoor, de schok bewerkt: het Woord Gods is een doorbraak, een bevruchtend gebeuren in het hart van de mens die luistert. Veel van zijn mijmeringen en beschouwingen over het Woord Gods ontspringen aan die krachtige intuïtie van toen. Zijn allereerste publicatie, Heer, leer ons bidden, (Lannoo 1971, in meer dan tien talen vertaald), getuigt van die ontdekking. Zelf bekende hij dat hij als abt weinig tijd had om nog te lezen, met name exegetische literatuur. Wel gaf hij wekelijks op zondag een homilie in de gemeenschap. Dat was gebruikelijk op de Catsberg (niet op feestdagen, wel op zondag). ‘Datbereid ik goed voor. Ik plaats mij onder het Woord en ik deel aan mijn broeders mee waar ik voor het ogenblik geestelijk aan toe ben’. Dit is voor mij nog steeds een van de meest treffende definities van wat een homilie kan zijn. Vrienden bundelden deze homilieën en deze werden dan ook onder meer in het Nederlands vertaald. Hij werd abt juist midden het concilie Vaticanum II. De hele orde en elke abdij werden uitgenodigd de liturgie in nieuwe vormen en andere talen, laat staan met nieuwe muziek uit te rusten. Hij stond midden in die branding, dacht veel na over wat liturgie was en vandaag nog kon zijn in het leven van een monnik. Hij schreef zeer vaak over die thema’s. Ook hier kwamen vooral Syrische teksten hem inspireren, wanneer ze spreken over de tempel van het hart. Zijn denken cirkelde rond de innerlijkheid, de inwoning van de Geest met zijn ingevingen en het vieren in een verstild gemoed tot het gebed één wordt met de geest en constant murmelt in een arm, gebroken hart. Hij kende het hesychasme van het Oosten maar had ook in het Westen oude teksten teruggevonden die het huis Gods nergens elders plaatsen dan in het hart, zonder gedachten of beslommeringen van buiten af. In zijn meest synthetische presentatie van het monastieke leven, La voie cistercienne. A l’école de l’amour (DDB 1980) werkte hij die thema’s uit en citeerde een hele dialoog, anoniem bewaard, uit de 12e eeuw over ‘het innerlijke huis’ (de domo interiori seu conscientia, p. 108-117). Zijn laatste publieke conferentie in Gent (juni 2008) bespeelde precies dit grote thema: De liturgie van het hart. De. Hij bracht die op een late avond met bijzondere kracht naar voor, als klonk innerlijke mens hier zijn testamentaire afscheidsrede (zie Heiliging 2008, p. 80-96). Ook de oecumene beleefde hij vanuit het hart. Hij was diep overtuigd dat de ontmoeting met de orthodoxie, als we ons begeven op het niveau van het vermorzelde hart, ‘de ene ongescheiden Kerk’ (Olivier Clément) terug tot leven kon brengen, in afwachting dat we tot in het sacramentele leven ook samen het heilige brood en de wijn konden delen. Zijn pelgrimstocht naar de Athosberg en naar Roemenië in 1969 had hem die ervaring op uitmuntende wijze gegeven. Hoezeer ook kerkelijk en dogmatisch gescheiden, toch is gebleken dat er geestelijk een wederkerige ervaring mogelijk was, met name op het moment dat dom André zelf aan een vader om leiding vroeg. Na een aarzeling gaf de ander zich gewonnen aan dit moment van genade en de westerse monnik ontving van zijn oosterse vader een woord van licht dat, zo bekende hij later, hem heel zijn leven is blijven vergezellen. Armoede, nederigheid, gebroken hart en rouwmoedigheid: in die richting concentreerde zich zijn aandacht steeds meer. Was hij soms kerkpolitiek een uiterst goed geïnformeerde gezagsdrager in de orde en zelfs daarbuiten, deze belangstelling taande met de jaren weg. Het zwaartepunt was verlegd zoals ook uit de beelden op Kruispunt met Leo Fijen te zien was. Wie hem de laatste jaren van dichterbij mocht naderen, kon opmerken hoe hij nu en dan behoorlijk in de war kon zijn, zonder daarom zijn glimlach te verliezen. Het grote in zijn leven als geheel is dat zijn weg, gewild en ongewild, hem bracht tot die vrede van het hart en tot die armoede van geest die hij in al zijn werken over meer dan veertig jaar telkens weer verkondigd had. Hij stierf als een arme, een ‘armen dwaas’ volgens de zelfduiding van Guido Gezelle, maar wel ten diepste verzoend in het meest schamele van zijn menszijn. Een groot meester, lichtbaken voor ontelbaren, heeft zijn cel en kluis gewisseld voor de hemelse gemeenschap der armen, der heiligen. Wat hij als lichtende afgrond van Barmhartigheid elke nacht opnieuw opzocht, mag hij nu van ‘gelaat tot gelaat’ aanschouwen. En wij geloven dat hij, zoals voordien, ook nu nog en vrijer dan ooit voor ons ten beste zal spreken, arm voor de armen.

Br Benoît Standaert osb

09:49 Gepost in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.