10-08-10

Hoofdgedachten van de liturgie der iconenwijding

Hoofdgedachten van de liturgie der iconenwijding

 

mandylion 16 augustus.jpg

 

Het wezen van de icoon wordt ons het duidelijkst bij de liturgie van de iconenwijding, dat wil zeggen de door de priester verrichte gewijde handeling, waardoor een geschilderde icoon geschikt gemaakt wordt voor kerkelijk gebruik. Deze wijding is beslist noodzakelijk, want zij is de kerkelijke bevestiging van de identiteit tussen de geschilderde beeltenis en het hemels oerbeeld. De huidige liturgie van de iconenwijding vertoont nog duidelijk sporen van de conflicten, die in de tijd van de Beeldenstorm in de Kerk gewoed hebben. Ook in de 7e en de 8e eeuw hadden de tegenstanders van de heilige afbeeldingen zich vooral beroepen op het tweede van de tien geboden (Ex.20,4) : “Gij zult U geen godenbeelden maken, noch enig beeld van wat in de hemel daarboven, op aarde beneden, of in het water onder de aarde is !”, en zij hadden in de verering van afbeeldingen in de orthodoxe kerk een vergrijp gezien tegen het uitdrukkelijk verbod van God. Volgens hun opvatting hield de verering van de afbeeldingen in, dat daardoor God tekort wordt gedaan in de eer, die hem alleen toekomt. Op beide argumenten nu gaan de gebeden en lofzangen van de iconenwijding in. In het openingsgebed richt men zich namelijk tot God en laat dan duidelijk uitkomen, dat deze met zijn verbod alleen het vervaardigen van afgodsbeelden heeft bedoeld.”Gij hebt door een gebod verboden, afbeeldingen en gelijkenissen die U, de ware God mishagen, te maken om ze als de Heer te aanbidden en te dienen”.  Nadat dit is vastgesteld, wordt er echter met des te meer nadruk op gewezen, dat God zelf heeft bevolen  “beelden op te richten, waardoor niet de naam van vreemde, valse en niet bestaande goden, maar Uw allerheiligste en hoogverheven naam, die van de enig ware God wordt verheerlijkt”. Als zodanig worden vermeld de Ark des Verbonds met de beide gouden Cherubijnen, zowel als de Cherubijnen van verguld cypressenhout, die op Gods bevel aan de tempel van Salomon moesten worden aangebracht. Zo is God zelf na de afschaffing van de valse beelden- en afgodenverering begonnen met het afbeelden van de mysteriën van zijn rijk. De meest verheven afbeelding van zichzelf – zo gaat het wijdingsgebed verder – heeft God tot stand gebracht in zijn vleeswording, door de menswording van zijn Zoon, die het “Beeld van de onzichtbare God “Koll.1,15) is en de “afstraling van zijn Glorie” (Hebr.1,3). God zelf “de beeldhouwer van de hele zichtbare en onzichtbare schepping” heeft zichzelf afgebeeld in Jezus Christus, zijn volmaakte icoon. De menswording van de Zoon is de afbeelding, die God van zichzelf heeft gemaakt. Zo is God zelf de schepper van de eerste icoon, die zich in de gedaante van Christus voor ons mensen zichtbaar maakte.

En nu volgt de meest opvallende en voor ons West- europeanen meest onverwachte zinswending : van Christus zelf namelijk, de afbeelding van de Vader, hebben wij, zo wordt gezegd, een gedetailleerde, “niet door mensenhanden gemaakte” afbeelding, waarop de gelaatstrekken van de Godmens bewaard zijn gebleven. De liturgie zinspeelt hier op de reeds genoemde wonderbare afbeelding, die Christus aan koning Abgar van Edessa zond, evenals op de overlevering van de zweetdoek, waarmee Christus op weg naar Golgotha zijn aangezicht afwiste en waarop op wonderbare wijze de afbeelding van zijn gelaat achterbleef. Christus zelf heeft dus de eerste Christus-icoon gemaakt en daarmee zowel het schilderen van iconen als de iconenverering gewettigd – dit argument gebruikt men dus tegen het eerste bezwaar van de tegenstanders van iconen.

Het tweede bezwaar van de tegenstanders, dat God door de verering van de heilige afbeelding tekort wordt gedaan in de hem alleen toekomende eer, wordt weerlegd door een ander gezichtspunt, dat geheel ontwikkeld is uit de neo-platonische  bespiegeling over de afbeeldingen : “Wij verafgoden de iconen niet, maar weten, dat de eer, die aan de afbeelding bewezen wordt, opstijgt naar het afgebeelde wezen”. Niet de afbeelding als zodanig is voorwerp en ontvanger van de aanbidding, maar het afgebeelde wezen, dat er in “verschijnt”. Zo vindt men in de gebeden om voorspraak de uitdrukkelijke bede, dat de afbeeldingen niemand in de verleiding mogen brengen, de aan God alleen als de oorsprong van alle heiligheid toekomende verering op zichzelf te betrekken.

Uit :  Ernst Benz : De Oosters orthodoxe kerk, Aula boeken pp. 18-20

09:00 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.