21-09-10

Kallistos Ware : Mijn weg naar de orthodoxie 1

ONGEWOON EN NOCHTANS VERTROUWD :

MIJN WEG NAAR DE ORTHODOXIE (deel 1)

 

Kallistos Ware.jpg

 

 

Als weerklank van het bezoek van Mgr. Gabriël en Mgr. Kallistos Ware, bisschop van Diokleia,  zaterdag 1e Oktober en zondag 2 Oktober, geven we hier in twee delen een uittreksel van het boek van Mgr Kallistos Ware : ‘Approches de Dieu dans la voie orthodoxe’ , Cerf/Le sel de la terre, 2004

“Vandaag verenigen hemel en aarde zich”

Hymne van de vigilie van Kerstmis

 

“O wonderbare Orthodoxe Kerk !”

Vader Lev Gillet

Een afwezigheid en een tegenwoordigheid

Ik herinner mij de dag nog heel goed waarop mijn weg naar de Orthodoxie is begonnen. Het is gebeurd op een onverwacht moment, een zaterdag namiddag in de zomer van 1952. Ik was toen zeventien jaar. Ik wandelde op de Buckingham Palace Road, dicht bij het Victoria station in het centrum van Londen, toen ik voorbij een neogotische kerk uit de XIXe eeuw passeerde. Zij was groot en licht bouwvallig. Ik had die kerk nog nooit opgemerkt. Er was geen enkel uithangsbord  aan de buitenkant – publieke relaties waren nooit de sterke kant van de Orthodoxie in de westerse wereld – maar ik herinner mij een koperen plaat met deze eenvoudige woorden: ”Russische kerk”.

Toen ik de kerk van de heilige Philippus – want zo noemde die kerk – binnenkwam dacht ik dat ze volledig leeg was. Buiten, op straat, scheen de zon heerlijk, maar aan de binnenzijde was het koud en somber zoals in een kelder. Mijn ogen geraakten gewend aan het voornoemde. Het eerste wat mijn aandacht trok was een afwezigheid : geen banken, geen stoelen netjes op een rij; vóór mij strekte zich een  uitgestrekte ruimte uit met een  geboende houten vloer.

Opeens heb ik gemerkt dat de kerk niet helemaal leeg was, er waren, verspreid in het schip en de zijbeuken, enkele gelovigen, hoofdzakelijk bejaarden. Er hingen iconen aan de muur,verlicht met kleine lampjes en kaarsen voor de iconostase. Ergens zong een koor, maar men kon het niet zien. Na enige tijd verliet een diaken het heiligdom en ging de kerk rond om de iconen en de  gelovigen te bewieroken. Ik merkte dat zijn brokante kleding oud was en een beetje kapot.

Mijn eerste indruk van een afwezigheid had plotseling plaats gemaakt voor een gevoel van aanwezigheid die mij overmande. Ik voelde dat de kerk, schijnbaar leeg, vol was – vol van ontelbare onzichtbare gelovigen, die mij van alle kanten omringden. Intuïtief heb ik begrepen dat wij, het zichtbare volk van gelovigen,deel hadden aan een groter goed. Wanneer wij bidden, dan worden wij opgenomen in iets dat veel groter is dan onszelf, in een onverdeelde celebratie die alles omvat, die tijd en eeuwigheid verenigt, de realiteiten van hier beneden en die van hierboven. Jaren later heb ik de vreemde schok ervaren van de erkenning van de dingen die reeds lang  vertrouwd waren, en dit terwijl ik in de Eerste Russische kroniek las over de bekering van de Heilige Vladimir. Teruggekeerd in Kiev vertelden de russische ambassadeurs aan de prins dat zij hadden deelgenomen aan de Goddelijke Liturgie te Constantinopel : “ Wij wisten niet meer of we in de hemel waren of op aarde. Want er is op aarde geen dergelijke pracht, wij wisten niet hoe het te beschrijven. Wij weten alleen dat God daar verblijft onder de mensen {…….} Wij konden die schoonheid niet vergeten”. Ik was verstomd toen ik die woorden las, zij sloten perfect aan bij wat ik had ervaren tijdens die russische vigilie in Sint Philippus, in Buckingham Palace Road. Het decor was het enige verschil met de pracht van het Byzantium van de Xe eeuw, maar zoals de gezanten van de heilige Vladimir had ik ook ‘de hemel op aarde’ ontmoet. Ook ik had de directheid gevoeld van de hemelse liturgie, de nabijheid van de engelen en de heiligen, de ongeschapen schoonheid van het koninkrijk van God. “Nu celebreren de hemelse machten onzichtbaar met ons” (Liturgie van de voorafgewijde gaven) Ik verliet de kerk vóór het einde van de dienst. Toen ik buiten over datgene wat ik meemaakte dieper nadacht, was ik getroffen door twee zaken. Ten eerste, ik wist in het geheel niet hoelang ik binnengebleven was : misschien alleen maar een twintigtal minuten, maar het kan ook twee uur geweest zijn., ik was niet in staat om het precies te zeggen. Ik bevond mij op een plan waar het uur van het uurwerk  geen enkel belang meer.Toen ik vervolgens terug op straat kwam, werd ik onmiddellijk als met een golf meegesleurd door het lawaai van het Londense verkeer.. Het lawaai moet hoorbaar geweest zijn langs de binnenkant van de kerk, maar ik had het niet opgemerkt.

Ik was in een andere wereld geweest, waar tijd en lawaai geen enkele betekenis hadden, een wereld die meer reëel was – ik zou zelfs zeggen, meer solide dan deze van het Londen van de XXe eeuw tot dewelke ik plotseling  was teruggekeerd.

    Het officie van de vigilies waren helemaal in het kerkslavisch gecelebreerd; met mijn verstand verstond ik er geen letter van. Nochtans, toen ik de kerk verliet zei ik tegen mijzelf met overtuiging : hier ben ik thuis, ik ben aangekomen daar waar ik thuishoor. Het gebeurt dikwijls – vreemd,  is het niet ?- dat wij voordat wij een bepaalde iets hebben geleerd over een persoon, een plaats of een object, men reeds met zekerheid weet : hier heb je de persoon die ik zal liefhebben, ziehier de plaats waarheen ik moet gaan, ziehier het thema dat ik moet bestuderen , heel mijn leven, en onmiddellijk. Vanaf het moment dat ik had deelgenomen aan dat officie in de kerk van  Sint Filippus, in de Buckingham Palace Road, voelde ik diep in mijn hart dat ik geroepen  werd door de Orthodoxe Kerk. Deze kerk is reeds lang verdwenen : zij is afgebroken ongeveer vier jaar na mijn bezoek.

    Ik ben dankbaar dat mijn eerste contact met de Orthodoxie er niet een was via  de lezing van boeken, ook niet via de ontmoeting met orthodoxen in een sociale context, maar wél via de deelname aan een officie. De Kerk, zoals de Orthodoxen ze kennen, is op de eerste plaats een liturgische gemeenschap, die haar waarachtige identiteit uitdrukt door de aanroeping en de lofprijzing. De cultus komt eerst, de leer en de wetenschap komt op de tweede plaats. Ik heb dus het geluk gehad om de Orthodoxie te leren kennen door deel te nemen aan een gemeenschappelijk gebed.

Ik heb de Orthodoxe Kerk niet ontmoet als een theorie of een ideologie, maar als een specifiek en concreet feit, een celebrerende aanwezigheid.

“Dit is het wat ik altijd heb geloofd”

   Achteraf gezien werd het duidelijk dat mijn beslissing reeds genomen was deze namiddag van de zomer van 1952. Maar voordat ik opgenomen werd in de Orthodoxe Kerk, wachtte ik in feite bijna zes jaar. In Groot Britannië, in de jaren 1950, was het zeer ongewoon voor een Westerling om te willen binnentreden in de Orthodoxe Kerk, en de meerderheid van mijn engelse vrienden spanden zich met alle macht in om het mij uit mijn hoofd te praten. ‘Gij zult gans uw leven een zonderling zijn, was hun verwijt. God heeft u cultureel in het Westen geplaatst, vlucht de moeilijkheden niet en de uitdaging van uw historische erfenis’. ‘Hoe mooi de Orthodoxe liturgie ook is: is er geen tragische afgrond tussen de principes en de Orthodoxe praktijk ?, vroegen ze mij’ Was mijn toenadering tot de Orthodoxie niet te veel geïdealiseerd, té sentimenteel ? Was ik niet bezig met een zekerheid en bescherming te zoeken die ik hier op aarde niet vond en die wij niet te zoeken hebben ?

    Nog meer verbazing kwam er toen de meeste orthodoxen bij wie ik om raad ging, mij in het geheel niet aanmoedigden. Zij waren eerlijk en realistisch – ik ben er hen zeer dankbaar om – door mijn aandacht te vestigen op de historische tekortkomingen van de Orthodoxe Kerk, alsook op de specifieke moeilijkheden waarmee ze geconfronteerd worden binnen de Westerse wereld. Op vele domeinen, zegden zij mij bij wijze van waarschuwing, is de Orthodoxe Kerk ver verwijderd van de ‘hemel op aarde’. Wanneer ik bij de hulpbisschop van de griekse kathedraal in Londen, Mgr.Jacques (Vivros) van Apamée, op bezoek ging, sprak hij vriendelijk en lang met mij, maar hij vroeg mij met aandrang om lid te blijven van de Anglikaanse Kerk in dewelke ik was grootgebracht. Een russisch priester, die ik eveneens om raad vroeg, antwoordde mij precies hetzelfde.

   Op dat moment was ik verbaasd. . In de loop van mijn lectuur  was ik er van overtuigd geraakt dat de Orthodoxie er aanspraak op maakte niet alleen één van de vele ‘denominaties’ te zijn, maar de waarachtige Kerk van Christus op aarde. Nochtans, de orthodoxen zelf schenen mij te zeggen : ‘Ja, de Orthodoxie is waarlijk de enige ware kerk, maar jij mag er vooral niet intreden. Zij is er alleen voor ons. Grieken, Russen en andere Oosterlingen’. Het zich hechten aan de waarheid die redt, scheen af te hangen van een geboorte-accident en van geografie.

    In de tussentijd, en vóór het bezoek aan Mgr. Jacques, was ik begonnen met verschillende orthodoxe contacten te leggen. Kort na mijn eerste ervaring in het bureau van de russische kerk te Londen, begon ik mijn studies aan de Universiteit van Oxford. Gedurende vier jaar studeerde ik klassieke letteren, oud grieks en latijn, een beetje moderne filosofie; daarna ging ik aan de universiteit nog twee supplementaire jaren Théologie volgen – Ik wil er aan toevoegen : ik ben nooit naar een Anglicaans theologisch college gegaan, noch heb ik een wijding ontvangen in de Anglicaanse Kerk. In Oxford had ik het geluk om van geboorte Orthodoxe Christenen te ontmoeten. In het bijzonder heb ik kennis gemaakt met Nicolas Zernov die een lectoraat waarnam over de Oosters-Orthodoxe cultuur. Ik herinner mij vooral zijn grootmoedige gastvrijheid en deze van zijn vrouw Militza, de stimulerende en verbazingwekkende gesprekken die zij hielden met hun vele bezoekers. Ik ontmoette eveneens Vader (en toekomstige aartsbisschop) Basils Krivochène die voorging in de kleine russische kerk van Oxford en die zijn klassieke editie voorbereidde over de catechesen van de Heilige Symeon de nieuwe theoloog. Er opende zich een nieuwe wereld voor mij, toen ik de beschrijving hoorde die de Heilige Symeon gaf over zijn visioenen van het goddelijk en ongeschapen Licht. Ik begon de plaats te waarderen welke de Orthodoxie geeft aan het mysterie van de transfiguratie van Christus.

    Toen ik in Oxford was en onder invloed van mijn goede vriend en oude schoolkameraad, Donald (A.M.Allchin), werd ik een actief lid van het  genootschap van St Alban en St. Sergius, waarvan het doel is, een toenadering tussen de Oerthodoxie en het Anglikanisme.teweeg te brengen. De zomerconferenties van dit genoodschap hadden op mij een beslissende invloed. Ik hoorde er anglikanen zoals Aartsbisschop Michaël Ramsey, Vader Derwas Chitty en professor H.A.Hodges. Zij zagen allen in de Orthodoxie de integrale volheid van de Christelijke traditie, tot dewelke het Anglikanisme moet terugkeren. Zij hielden voor ogen, dat de anglikanen zouden kunnen toetreden tot de volheid van het orthodoxe geloof en tezelfdertijd toch anglikaan zouden  kunnen blijven. Op die wijze zou er een toenadering kunnen groeien  tussen anglikanen en orthodoxen.

    Hun enthousiasme deed mijn verbeelding ontvlammen, maar een deel van mijzelf bleef onvoldaan.. Ik had het verlangen om orthodox te worden, geheel en zichtbaar. Hoe meer ik leerde over de Orthodoxie, hoe meer ik begreep dat het dit was wat ik altijd geloofd had in het diepste van mijn hart, maar nooit tevoren  was het voor mij zo goed verwoord. Ik vond de Orthodoxie niet archaïsch, vreemd of exotisch. Voor mij was het doodeenvoudig niet anders dan het Christianisme.

“De Kerk is één”

   Mijn eerste contacten met de orthodoxe wereld  waren vooral met de russen. Ik verslond ‘A Treasury of Russian Spirituality’ van Georges P. Fédorov en ‘With the Russian Pilgrims to Jerusalem’ van Stephen Graham. Ik voelde mij onmiddellijk aangetrokken tot de Heilige Seraphim van Sarov, waarvan ik de geschiedenis las: ‘Flame in the Snow’, een licht geromantiseerde maar aangrijpende biografie geschreven door Julia de Beausobre. Op meer  theologisch vlak, was het korte essai van Alexis Khomiakov een cruciale stap op mijn weg  ‘de Kerk is één’, waar ik deze visie van communio geformuleerd vond, die ik zelf voor de eerste maal had ervaren als een levende realiteit in de russische kerk van Londen  {……}.

   Veel later, toen ik mij nog meer verdiept had in de orthodoxe theologie zag ik de limieten van de slavische kerkleer van Khomiakov in, maar op dat moment gaf hij mij net datgene wat ik nodig had . Ik werd ook enorm geholpen door het artikel van Vader George Florofsky : “Sobornost ; the Catholicity of the Church”. Daarin legde hij het accent op de essentiële natuur van de Kerk, als een eenheid in diversiteit, volgens het beeld en de gelijkenis van God en de Heilige Drieeenheid.{…..}.

   De Katholiciteit, voegde Vader George eraan toe, “betekent zichzelf zien in een ander en in de beminde”, het is in de Katholiciteit van de Kerk, en alleen daar, dat de “spijtige dualiteit en spanning tussen vrijheid en autoriteit  verdwijnt”. Sedertdien heb ik niet opgehouden om telkens terug te keren naar dit artikel, dat op twintig bladzijden méér zegt dan andere auteurs in ganse volumes {…..}

 Traditie, martelaarschap en stilte

 Terwijl ik mijn kennis van de Orthodoxie verdiepte,  trokken drie zaken die ik heel intens in mij opnam, mijn bijzondere aandacht. Vooreerst merkte ik in de hedendaagse Orthodoxe Kerk – ondanks de interne spanningen en haar menselijk falen – een levendige en ononderbroken continuïteit met de Kerk van de apostelen en martelaren, de Vaders en de Oecumenische concilies. Deze levendige continuïteit was voor mij samengevat in de woorden: volheid en heelheid, maar vooral in  de term traditie.De Orthodoxie bezit, niet door een menselijke verdienste, maar door Gods genade, een volheid van geloof en spiritueel leven, een volheid waarbinnen het dogma en het gebed, de theologie en de spiritualiteit er een organisch en integraal deel van vormen. Zij is in deze betekenis de Kerk van de Heilige Traditie.

  Ik houd eraan om in deze context in het bijzonder het woord ‘volheid’ te onderlijnen. De Orthodoxie heeft de volheid van het leven in Christus, maar zij heeft geen exclusief monopolie op de waarheid. Ik geloofde vroeger niet, en ook nu nog geloof ik niet dat er een absolutie tegenstelling is tussen het Orthodoxe ‘licht’ en de  niet-orthodoxe ‘duisternissen’ Wij moeten ons niet voorstellen dat, omdat de Orthodoxie de volheid van de Heilige Traditie bezit, de  niet-Orthodoxe Christelijke gemeenschappen niets zouden bezitten. Integendeel, ik ben nooit overtuigd geweest door de strenge eisen volgens dewelke het sacramentele leven en de genade van de Heilige Geest slechts kunnen bestaan binnen de zichtbare limieten van de Orthodoxe Kerk. Vladimir Lossky heeft zeker gelijk wanneer hij beweert dat  de niet–orthodoxe gemeenschappen, ondanks hun uiterlijke scheiding, toch door onzichtbare banden met de Orthodoxe Kerk verbonden zijn.

   Aldus , nog volgens Lossky, waarvan ik graag het standpunt overneem, gaan de niet-orthodoxe gemeenschappen op een  andere wijze voort met deel te nemen aan het genadeleven van de Kerk. Het is ook  niet minder waar dat, wanneer deze niet-orthodoxe gemeenschappen ook een deel van de reddende en levendmakende  waarheid bezitten, het slechts binnen de Orthodoxie is dat men de volheid van deze waarheid kan vinden.

    Ik was vooral onder de indruk door de manier waarop de orthodoxe denkers, wanneer zij spraken over de Kerk als deze van de Heilige Traditie, terzelfdertijd onderlijnden dat deze traditie niet statisch, maar dynamisch is, niet defensief maar verkennend, niet gesloten en  als afgedaan beschouwd, maar open naar de toekomst. De traditie, ik heb het geleerd van de auteurs die ik bestudeerde, is geen simpele herhaling van datgene wat in het verleden  is naar voor gebracht, maar een actieve manier om de ervaring van het Christelijk Mysterie in het heden opnieuw tastbaar te maken. De enig ware traditie is levendig en creatief, gevormd door de eenheid van de menselijke vrijheid met de genade van de Geest. Dit levendig dynamisme is voor mij geresumeerd in de  bondige formulering van Vladimir Lossky : “De traditie {...} is het leven van de Heilige Geest in de Kerk”, en hij gaat er dieper op in door er aan toe te voegen :”Men kan zeggen dat de ‘traditie’ de kritische geest van de Kerk vertegenwoordigt”. In de traditie kan men niet futloos blijven.{….}.

   Ik heb ontdekt dat de traditie – zoals het leven van de Heilige Geest binnen de Kerk – alles omhelst. In het bijzonder begrijpt zij het geschreven woord van de Bijbel, want er is geen tweedeling tussen de Schrift en de traditie. De Schrift bestaat binnenin de traditie;  het is zelfs  zo dat de traditie niets anders is dan de manier waarop de Schrift begrepen en beleefd is binnen de Kerken, en dit aan alle generaties. Ik zou de Orthodoxe Kerk daarom niet alleen ‘traditioneel’ noemen, maar ook scripturaal. Het is niet zonder reden dat het Evangelieboek in elke orthodoxe cultusplaats in het centrum op de heilige tafel  rust. Het zijn de Orthodoxen, eerder dan de protestanten die de ware evangelisten zijn – moesten de Orthodoxen in de praktijk even zo de Bijbel bestuderen als de protestanten het doen !

    Lossky en Florovsky verzekerden mij in hun geschriften : geheel zoals het leven in de Heilige Geest, omhelst de traditie  niet alleen alles, maar zij is ook onuitputbaar. Vader George Florovsky formuleert het aldus : “De traditie is de constante inwoning van de Geest, en niet alleen maar de herinnering van woorden. De traditie is een charismatisch principe en niet alleen een historisch{…} Het is de mededelende ervaring van de genade in de Kerk{…},welke in zijn katholieke volheid {…}nooit uitgeput is geraakt in de Heilige Schrift, noch in de orale traditie, noch in de definities. Zij kan niet, zij moet niet uitgeput geraken.

 {…}Deze  ontroerende en levengevende opvatting van de traditie die ik in de Orthodoxie ontdekte kreeg meer en meer een grotere betekenis voor mij. Ik vond altijd méér dan de levende continuïteit, waarvan de Orthodoxe kerk het getuigenis droeg. Dit miste ik in het anglicanisme waarin ik van jongsaf aan werd grootgebracht.

De continuïteit werd verzwakt, zoniet gebroken in de middeleeuwen, door de ontwikkelingen binnen het latijnse Westen .Zelfs, indien  voor vele anglicanen vanaf de XVI e eeuw de engelse Reformatie een poging was om terug te keren tot de Kerk van de Oecumenische concilies en de kerkvaders, in welke mate kan deze poging daadwerkelijk worden beschouwd als een succes ? De “Orthodoxie” van de anglicaanse Kerk scheen in het beste geval  impliciet meer een verzuchting en een verre hoop, dan een onmiddellijke en praktische realiteit.

   Ik zal altijd dankbaar blijven voor mijn anglicaanse opvoeding. Ik zou mij nooit willen engageren in een negatieve polemiek tegen de Communio waar ik begonnen ben om Christus te erkennen als mijn Redder. Ik herinner mij nog altijd met dankbaarheid de schoonheid van de gezongen officies in de abdij van Westminster, wanneer ik mijn opleiding kreeg aan de school van Westminster. In het bijzonder herinner ik mij de grote processies met het kruis, de kaarsen en de vaandels gedurende de gezongen eucharistie op het patroonsfeest van de Heilige Edouard de Belijder. Ik ben ook dankbaar voor de banden die ik heb gesmeed op school en aan de universiteit, met de leden van de gemeenschap van Sint-Franciscus, zoals met Pater Algy Robertson, pater Guardian en zijn jonge leerling , broeder Peter. Het zijn de anglicaanse franciscanen die mij de plaats van de zending in het binnenste van het christelijk leven hebben bijgebracht en de waarde van de sacramentele schuldbelijdenis.

    Ik beschouwde altijd mijn beslissing om de Orthodoxie te omhelzen als de bekroning van alles wat goed was in mijn anglicaanse ervaring : een bevestiging en geen afstand nemen van.. Nochtans, ondanks al mijn liefde en erkentelijkheid, kan ik toch niet zwijgen over datgene wat mij in de war heeft gebracht in de jaren 1950, en die mij vandaag de dag nog meer in de war brengt : de extreme verscheidenheid in het geloof en de praktijk en de conflicten die er bestaan in de schoot van de anglicaanse Communio. Ik was vooral(en ben nog altijd) in de war door de tegenstrijdige standpunten van de anglo-katholieken en de evangelisten over de artikels van het geloof, die even belangrijk zijn als de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie en de gemeenschap van de Heiligen. Moeten de geconsacreerde elementen beschouwd worden als het werkelijk Lichaam en Bloed van de Redder ? Kunnen we bidden voor de overledenen en  vragen aan de Heiligen en de Moeder van God, om voor ons te bidden ? Het zijn geen marginale vragen, waarop christenen het niet zomaar met elkaar oneens kunnen zijn. Het zijn fundamentele vragen voor ons leven in Christus. Hoe kon ik verder leven in een christelijk lichaam die aan zijn leden toestond om verschillende standpunten in te nemen die in deze kwesties dmetraal tegenover mekaar stonden?

    Ik was nog meer in de war door het bestaan in de schoot van het anglicanisme, van een ‘liberale’ vleugel, die de goddelijkheid van Christus , Zijn maagdelijke geboorte, Zijn wonderen en Zijn Verrijzenis in het lichaam in twijfel trekt. De woorden van Sint Thomas weerklonken in mijn oren :” Mijn Heer en Mijn God !” (Joh.20,28). Ik hoorde Sint Paulus tot mij zeggen :”Indien Christus niet is verrezen, is onze prediking waardeloos, en ook is uw geloof dan waardeloos”(1 Kor.15,14). Voor mijn eigen heil, had ik nood om te behoren tot een Kerk die zich trouw houdt  aan de christelijke fundamentele leringen met betrekking tot de Drieeenheid en de persoon van Christus. ,Waar kon ik zo een Kerk vinden ? Niet in het anglicanisme, helaas ! Het had niet deze continuïteit en deze volheid van de levendige traditie die ik zocht.

    Wat  in verband met Rome ? In de jaren 1950, vóór het tweede Vatikaans concilie, ik was toen  in alles een lid van de Kerk van Engeland die op een katholieke wijze dacht en onvoldaan was over het anglikaans relativisme. Het zou voor mij het meest evidente geweest zijn , dat ik een Rooms katholiek zou worden. Er was in feite een christelijke communio die niet minder was  dan in de Orthodoxe Kerk. Zij maakte ook  aanspraak op een ononderbroken continuïteit met de apostelen en de martelaren, met de eerste concilies en de Vaders. Het is bovendien een Kerk met een westerse cultuur. Waarom zou ik mijn blik richten op de Orthodoxe Kerk ? Kon mijn levendige traditie niet gevonden worden in iets wat dichterbij was ?

    Nochtans, wanneer ik  de neiging had om toenadering te zoeken met Rome, twijfelde ik. Dat wat mij weerhield was niet essentieel de vraag in verband met het filioque, alhoewel de lezing van Lossky mij het belang ervan had doen inzien. Het fundamenteke probleem was de universele aanspraak van de Paus en zijn onfeilbaarheid. Mijn studies over de eerste eeuwen van het christendom hadden mij klaar en duidelijk gemaakt dat de Oosterse Vaders zoals de heilige Basilios de grote en de heilige Johannes Chrysostomos – maar ook de westers Vaders zoals de heilige Cyprianus en de heilige  Augustinus –de natuur van de Kerk op aarde radicaal anders zagen dan deze van het eerste Vatikaans concilie. De leer over het primaatschap van Rome, speciaal sedert de Xe eeuw, had de continuïteit van de traditie binnen de romeinse communio ernstig aangetast. Het was alleen in de Orthodoxe Kerk dat ik de verzekering had om datgene te vinden wat ik zocht : de levende en niet aangetaste aanwezigheid van  het verleden

   Mijn overtuiging dat het slechts binnenin de Orthodoxie was dat ik de ononderbroken continuïteit met de Kerk van de apostelen en de Vaders vond – en dit in zijn ganse volheid , werd nog versterkt door twee andere aspecten van de Orthodoxie, die ik meer en meer begon op te merken . Het eerste was de frequentie van de vervolgingen en het martelaarschap binnen  de recente Orthodoxe ervaring – vooreerst die van de Turken, vervolgens, in de XXe eeuw, onder het communisme.  Er was iets die de Orthodoxe Kerk van nu direct verbond met de pre-Constantijnse periode van de eerste drie eeuwen. ‘Mijn kracht vervult zich in zwakheid’ (2 Kor. 12,9). Ik zag deze woorden zonder ophouden sedert de val van Byzantium vervuld in de geschiedenis van de Orthodoxie. Naast hen , die een duidelijke en zichtbare  marteldood hebben ondergaan, zijn er ontelbare anderen die in de Orthodoxie Christus

nederig hebben gevolgd door een leven te leiden van innerlijk martelaarschap : De kenotische Heiligen (die afstand gedaan hebben van de wereld : nvd vertaler), die een bewijs geleverd hebben van een zachte, edelmoedige en medelijdende liefde, zoals de heilige Xenia van St.Petersburg, de heilige Seraphim van Sarov, de heilige Johannes van Cronstadt en de heilige Nectarius van Egina. Ik vond datzelfde kenotisch medelijden in de geschriften van Dostojevsky en Tolstoï. Twee heiligen hebben mij vooral getroffen, want ik was pacifist vanaf de leeftijd van zeventien jaar : de prinsen van Kiev in de XIe eeuw, de twee broers Boris en Gleb. Zij hebben ‘de passie ondergaan’ in hun weigering om hun bloed te vergieten om zich te verdedigen, in hun verwerping van geweld en in hun onschuldig lijden zag ik een voorbeeld van de centrale boodschap van het kruis van Christus.

    Behalve het martelaarschap, was er een ander aspect van de Orthodoxie die ik begon te appreciëren, namelijk, de  mystieke theologie van de Oosterse Christen. Ik begreep dat de traditie niet enkel het overleveren van leerstellige definities inhield, maar ook het overleveren van een spiritualiteit. Er kan geen enkele vorm van scheiding of oppositie bestaan tussen beide. Zoals Vladimir Lossky het juist uitdrukt :’ Er is geen{…} christelijke mystiek zonder theologie, maar vooral, er is geen theologie zonder mystiek {…}. Mystiek wordt hier dus gezien als een volmaaktheid, het hoogtepunt van alle theologie, een theologie bij uitstek’.

    Ik voelde mij aangetrokken tot de Orthodoxie door de liturgische diensten, met hun rijke symboolwaarde en hun muziek. Ik zag nu hoe deze ‘iconische’ cultusvorm in het Oosten een tegengewicht vormde met de ‘niet-iconische’ of apophatische praktijk van het hesychastisch gebed, die beelden en gedachten achterwege laat. In het verhaal van een russische pelgrim en de geschriften van ‘Een monnik van de Oosterse kerk’ – archimandriet Lev Gillet, Orthodox aalmoezenier van het genootschap van St.Alban en St.Sergius -, heb ik geleerd hoe men het hesychasme of de stilte van het hart, door het voortdurend herhalen van het Jezusgebed kan bereiken. De heilige Isaac de Syriër toonde mij dat alle woorden hun volheid bereiken in de stilte, zoals  dienaars stil worden wanner hun meester in hun midden komt.

 

                                                                                  (Vervolgt)

 Vertaling : Kris B.

De commentaren zijn gesloten.