28-09-10

Kallistos Ware : Mijn weg naar de orthodoxie (deel 2)

ONGEWOON EN TOCH VERTROUWD

MIJN WEG NAAR DE ORTHODOXIE

 

Deel II - Vervolg

De Kerk als communio

  Deze drie elementen – traditie, martelaarschap en stilte – volstonden reeds om mij te overtuigen van de waarheid en de gegrondheid van de Orthodoxie. Het beslissende argument om mij niet alleen tevreden te stellen om de Orthodoxie van buitenaf te beschouwen, maar te verlangen om er binnen te treden, werd mij gegeven door de woorden die ik hoorde in Augustus 1956, op de zomerconferentie van het ‘Fellowship of st.Alban and st.Sergius’. Men vroeg aan Vader Lev Gillet om de term ‘Orthodoxie’ te definiëren . Hij antwoordde : ‘ Een Orthodox is iemand die de apostolische traditie aanvaardt en die leeft in communio met de bisschoppen die de institutionele meesters zijn van deze traditie’

   Het tweede deel van deze bevestigingdeze welke ik in schuine letters heb weergegeven – was bijzonder betekenisvol voor mij. Ik dacht aan mijzelf : ja, als Anglicaan heb ik de vrijheid om de apostolische traditie te beschouwen als mijn eigen private idee. Maar kan ik eerlijk gezegd zeggen  dat deze apostolische traditie unaniem onderwezen wordt door de Anglicaanse bisschoppen met dewelke ik in communio ben ? De Orthodoxie: ik erkende het meteen met een heldere intuïtie, is niet zuiver een persoonlijke geloofsmaterie; zij veronderstelt ook een uitwendige en zichtbare communio in de sacramenten met de bisschoppen die de getuigen zijn van de waarheid, gemandateerd door God. De kwestie kon niet vermeden worden : indien de Orthodoxie wil zeggen : communio, was het dan mogelijk voor mij om werkelijk Orthodox te zijn zolang ik Anglicaan bleef ?

     Deze weinige woorden uitgesproken door Vader Lev Gillet schiepen geen enkel rumoer in de vergadering, maar ze betekenden wél voor mij een kritische ommekeer. Het idee, dat ze in mijn geest teweegbrachten – dat het Orthodoxe geloof onverbreekbaar verbonden is met de eucharistische communio – werd bevestigd door twee lezingen welke ik heb gegeven op dat moment. Vooreerst, viel ik op de briefwisseling tussen Alexis Khomiakov en de Anglicaan (wat hij toen was) William Palmer, lid van het Magdalen College van de universiteit van Oxford. Palmer had aan Khomiakov een exemplaar gestuurd van zijn werk ‘A Harmony of Anglican Doctrine with the Doctrine of the Catholic Church of the East’. Hierin hernam hij zin voor zin de Grote russische Catechismus van de heilige Philaret, metropoliet van Moscou : bij elke bevestiging citeerde hij passages van Anglicaanse bronnen die dezelfde leer bevestigden. In zijn antwoord ( gedateerd op 28 november 1846) maakte Khomiakov hem duidelijk dat hij evengoed een ander volume kon schrijven met citaten van andere Anglicaanse auteurs – met evenveel autoriteit als die welke Palmer citeerde – die rechtstreeks in tegenspraak waren met het onderricht van de Catechismus van Philaret (…).

     De woorden van Khomiakov waren streng maar juist, ze bevestigden datgene wat Vader Lev Gillet had gezegd. In deze periode, was ik ertoe gekomen datgene te geloven wat de Orthodoxe Kerk gelooft : maar ‘de manier en het proces’ door dewelke ik dit geloof had bereikt waren daadwerkelijk ‘protestants’. Mijn geloof was slechts een ‘ persoonlijk opinie’ en niet ‘het geloof van de gemeenschap’, want ik kon niet zeggen dat mijn Anglicaanse broeders allen geloofden zoals ik of dat mijn geloof dit was dat onderwezen werd door alle Anglicaanse bisschoppen met wie ik in communio was. Het is door volwaardig lid te worden van de orthodoxe Kerk – door binnen te treden in de volle en zichtbare communio met de Orthodoxe bisschoppen, die de geïnstitutionaliseerde meesters zijn van het Orthodoxe geloof – dat ik de ‘zekerheid van de waarheid’ kon bekomen.

    Enkele maanden later las ik een getypte tekst van een artikel over de ecclesiologie van de heilige Ignacius van Antiochië, geschreven door de grieks-amerikaanse theoloog Vader Romanides. Daar heb ik voor de eerste keer, onder een volledig ontwikkelde vorm,het perspectief van de ‘eucharistische ecclesiologie’ ontmoet.. Dit werd achteraf gepopulariseerd door de geschriften van Vader Nicolas Afanassief en van metropoliet Jean (Zizoulas) van Pergamo. Bij de eerste lezing gaf de interpretatie welke Vader John gaf aan de brieven van Sint Ignace mij de onmiddellijke overtuiging; wanneer ik de brieven zelf consulteerde, kregen mijn overtuigingen volledige bevestiging (…)

         De eenheid van de Kerk zoals de bisschop van Antiochië voor het ogen  had, is niet enkel een theoretisch idee, maar een praktische realiteit, gevestigd en zichtbaar gemaakt door de deelname van de ganse locale gemeenschap aan de heilige mysteriën, de eenheid wordt niet van buitenaf opgelegd door een juridische macht, maar zij ontstaat van binnen uit door het ontvangen van de communie.

De Kerk is boven alles een eucharistisch organisme die ontstaat door de celebratie van het sacrament van het Avondmaal van de Heer, ‘totdat Hij wederkeert’ (1Kr.11,26). In deze zin gaf sint Ignatius , verklaard door Vader John Romanides, mij de belangrijke ontbrekende schakel. Khomiakov had gesproken over de organische eenheid van de Kerk, maar hij had het niet in verband gebracht met de eucharistie. Vanaf het moment dat ik de integrale band tussen de kerkelijke eenheid en de sacramentele communie had begrepen, kwam alles in orde.

Maar wat betekende dit voor mij , ik die (nog altijd) er buiten stond, onbekwaam om de sacramenten te ontvangen in de Orthodoxe Kerk ? Op Pasen 1957 woonde ik voor de eerste maal de nachtdienst bij. Ik was van plan om later in de morgen de communie te ontvangen in een Anglikaanse kerk (dat jaar vielen het Orthodoxe en Westerse Pasen op dezelfde dag), maar toen ik terugkwam van de Orthodoxe celebratie, wist ik dat dit onmogelijk was. Ik had de Verrijzenis van Christus gevierd  met de Orthodoxe Kerk, op een manier dat zij volledig  en niet voor herhaling vatbaar was. Indien ik nadien ergens anders de communie zou hebben ontvangen, dan zou dit voor mij – voor mij persoonlijk – onwerkelijk en oneerlijk geweest zijn.

Na dit alles communiceerde ik nooit meer aan een Anglicaans altaar, zodat ik meerdere maanden zonder communiceren bleef. Ik sprak in september 1957 met Madeleine, de vrouw van Vladimir Lossky. Zij toonde mij het risico van mijn situatie aan, levend in een ‘no man’s land’ . ‘Gij kunt zo niet verdergaan, zei zij. De eucharistie is ons mystiek voedsel; zonder haar sterven we van honger’ (…)

Wees niet trots op het uiterlijke….

Dit bleef een argument dat in sterke mate vreesaanjagend was. Indien de Orthodoxe Kerk werkelijk de enig ware Kerk van Christus op aarde is, hoe kan het  dan, vroeg ik mij af, dat zij in het Westen in haar uiterlijke vorm zich zo etnisch en nationalistisch voordoet, zo weinig geïnteresseerd is in haar missionaire taak, zo verdeeld  in parallelle jurisdicties, die dikwijls met mekaar in conflict liggen ?.

In principe is de Orthodoxie er zeker  van en is ze altijd duidelijk geweest in haar vordering, de enig ware Kerk te zijn . Zoals ik las in de boodschap van de Orthodoxe gedelegeerden op de vergadering van de Oecumenische raad van kerken te Evanston (1954) :

Als besluit, komen wij ertoe om onze diepste overtuiging uit te drukken, dat de heilige Orthodoxe Kerk de enige is die volledig en intact ‘ het geloof die haar werd toevertrouwd éénmaal voor allen aan de heiligen’ heeft bewaard.. Dit is niet omwille van onze menselijke verdienste, maar omdat het God behaagt om het te bewaren als een ‘schat in lemen vaten,want de overvloed van  kracht komt  van God’(2 Kor.4,7).

Er scheen nochtans een gapende kloof te bestaan tussen de principes en de Orthodoxe praktijk . Indien de Orthodoxen geloofden dat zij werkelijk de enig ware Kerk zijn, waarom leggen ze met zoveel kracht obstakels op de weg van diegenen die er met overtuiging willen toetreden ? In welke zin was de Orthodoxie werkelijk ‘één’, terwijl, bijvoorbeeld er in Noord Amerika ten minste negentien verschillende Orthodoxe jurisdicties bestonden met niet minder dan dertien bisschoppen in de stad New York alleen ? Verschillende van mijn anglicaanse vrienden argumenteerden dat de Orthodoxe Kerk niet méér één was dan de Anglicaanse communio – zelfs minder volgens sommigen – en dat de stap ernaartoe zetten mij zou doen vallen van Charybde naar  Scylla.

Op dat moment werd ik geholpen door de woorden van Vladimir Lossky : Hoevelen hebben de Zoon van God herkend in de ‘man van smarten’ ?  Men moet ogen hebben om te zien, en een open oordeelsvermogen in de Heilige Geest om de volheid daar te herkennen waar het uiterlijk oog slechts beperkingen en gebreken waarneemt (…). Om de overwinning  te kunnen  onderscheiden  van de mislukking, de kracht van God die zich verwezenlijkt in zwakheid, de ware Kerk in zijn historische realiteit, moet men , volgens de woorden van de sint Paulus ‘ niet de geest van de wereld, maar de Geest die van God komt’, ontvangen, ‘ opdat wij de zaken van God zouden kennen die ons zijn gegeven door Zijn genade’ (1 Kor.2,12).

Als ik de empirische situatie van de Orthodoxie in de Westerse wereld van de XXe  eeuw onder ogen nam, was ik in werkelijkheid geconfronteerd met een duidelijke ‘mislukking’ en een duidelijke ‘zwakte’. De Orthodoxen zelf ontkennen dit  niet. Maar door ze in haar diepste dimensie te bekijken, kon ik ook ‘de ware Kerk in het innerlijk van haar historische dimensie’ zien.De etnische bekrompenheid en de Orthodoxe intolerantie, hoe diep ze ook mogen verankerd zijn, maken geen deel uit van de essentie van de Kerk, maar tonen ons een vertekend beeld en een verraad aan haar vrije natuur – Er zijn natuurlijk ook positieve aspecten aan het Otyhodox Christelijk nationalisme. Voor wat betreft het juridisch  pluralisme in de Orthodoxe Kerk in het Westen: er zijn specifieke historische oorzaken, de meest helderziende onder de Orthodoxe leiders hebben dit altijd beschouwd als een voorlopige  oplossing, die slechts voorlopig en tijdelijk is. Meer nog, er is een duidelijk verschil tussen de scheidingen die de overhand hebben in de schoot van het Anglicanisme en deze welke men vindt in de schoot van de Orthodoxie. De Anglicanen zijn (voor het grootste deel) één in hun uiterlijke organisatie, maar diep verdeeld in hun geloofsovertuigingen en hun vormen van openbare cultus. De Orthodoxen daarentegen  zijn enkel verdeeld in hun uiterlijke organisatie, maar sterk verenigd in hun geloof en cultus (…)

Verder kijkend,over  het  uiterlijk en zichtbaar falen van de Orthodoxie heen, deed ik een acte van geloof in ‘ de dingen die men niet ziet’ (2 Kor.4,18), in  haar fundamentele éénheid en onderliggende doctrinele  traditie, liturgisch en spiritueel.

Om binnen te treden in het Orthodoxe huis, moest ik aan een bijzondere poort aankloppen. Welke ‘jurisdictie’ ging ik kiezen ? Ik voelde mij sterk aangetrokken door de Russische Kerk in ballingschap, de Kerk buiten de grenzen (hors frontières) zoals men het gemeenlijk  noemt. Ik bewonderde er vooral haar trouw aan de liturgische, ascetische en monastieke erfenis van de Orthodoxie. Ik was slechts zestien jaar toen ik het boek had gelezen van Helen Waddel, ‘The Desert Fathers’, en sindsdien was ik gefascineerd  door de monastieke geschiedenis van het Christelijk Oosten . Ik ontdekte dat het grootste deel van de monasteria toebehoorden aan de russische Kerk buiten de grenzen. In West Europa had ik twee vrouwenkloosters bezocht die er van afhingen : deze van de ‘Aankoniging (Annuntiatio)’ te Londen en deze van de Moeder Gods te Lesna ( aan de buitenkant van Parijs). Ik werd er in beiden warm onthaald. Ik bewonderde ook de manier waarop de Kerk buiten de grenzen de nieuwe martelaren en de belijders vereerden die hadden geleden onder het juk van de Soviëts  Van de andere kant, was ik voor een stuk verlegen door het canonisch isolement van de synode in ballingschap. In de jaren vijftig was dit isolement minder dan nu, want in die periode waren er nog regelmatig concelebraties tussen de russische clerus in ballingschap en de bisschoppen en priesters van het Oecumenisch Patriarchaat. Maar ik zag dat de Orthodoxe Kerk in ballingschap meer en meer afgesneden werd van de wereld- Orthodoxie, en dat maakt mij bezorgd.

Ondanks mijn liefde voor de russische spiritualiteit, werd het mij duidelijk dat het best was voor mij om mij te voegen bij het Grieks diocees van Groot Brittanië, onder de obedientie van de Patriarch van Constantinopel. Daar ik klassiek filoloog was , had ik een goede kennis van het Nieuwtestamentisch en byzantijns grieks, en in die tijd had ik nog geen Kerkslavisch gestudeerd. Als ik lid werd van het Oecumenisch Patriarchaat, dan zou ik ook geen partij moeten kiezen tussen de verschillende rivaliserende russische groepen en kon ik ook mijn vriendschappelijke relaties onderhouden met zowel de leden van het Patriarchaat van Moscou als met de russische Kerk in ballingschap. Nog belangrijker :’Constantinopel was de moeder-Kerk van wie Rusland het geloof had ontvangen. Het leek mij juist, in mijn zoektocht naar de Orthodoxie, om naar de bron terug te keren.

Ik ging dus opnieuw bisschop Jacques d’apamée opzoeken en ik was zeer verbaasd dat hij tevreden was om mij praktisch onmiddellijk terug te zien.. Hij verwittigde mij echter :’Maar begrijp goed dat wij voor niets ter wereld u tot priester zullen wijden : wij hebben slechts behoefte aan Grieken’. Dit verontrustte mij niet, want ik was gelukkig mijn toekomst in God handen te kunnen leggen. Ik was zeer tevreden dat de deur eindelijk voor mij openging., en ik werd opgenomen zonder mijn condities  te stellen. Ik beleefde mijn opname in de Orthodoxie niet als iets dat ik met recht ‘opeiste’ , maar eenvoudig als een vrije en onverdiende gave van Gods genade. Ik was gelukkig en rustig wanneer bisschop Jacques mij als spirituele vader, Vader Georges Chérémétieff gaf, wat mij toeliet om dicht bij de russische Kerk in ballingschap te blijven.

Ik kwam zo aan het einde van mijn weg, of beter gezegd aan een nieuwe en beslissende etappe van een weg die was begonnen vanaf mijn jeugdjaren, en die, door Gods genade, zal voortduren tot in eeuwigheid. Een weinig na Pasen 1958, de vrijdag van de stralende week, op het feest van de Levende Bron, ontving ik de Myronzalving in de  griekse kathedraal van de heilige Sofia, te Londen-Bayswater. Ik was eindelijk thuis gekomen (…)

Binnen de Orthodoxie heb ik werkekijk bijna overal waar ik kwam, warmte, vriendschap en totale liefde vol mededogen gevonden, en ik heb zeker het voorrecht gehad om levende heiligen te ontmoeten. Deze die hadden voorspeld dat ik, eens Orthodox geworden, mij zou afsnijden van mijn eigen volk en mijn nationale cultuur hebben zich vergist. Door de Orthodoxie te omhelzen ben ik niet minder ‘engelsman’ geworden, maar juist een meer authentieke ‘engelsman’. Ik heb de oude wortels van mijn engels-zijn herontdekt, want de Christelijke geschiedenis van mijn land gaat reeds tot vele eeuwen voor het schisma tussen Oost en West. terug. Ik herinner mij een gesprek met twee Grieken, kort na mijn opneming. ‘Dit moet voor u wel heel moeilijk zijn, merkte de eerste op, om de Kerk van uw vaders te verlaten’. Maar de tweede zei me :’ Jij hebt de Kerk van uw vaders niet verlaten, jij bent er teruggekeerd’. Hij had gelijk.

Het is onnodig om het te verduidelijken : mijn leven als Orthodox was niet altijd de ‘hemel op aarde’. Dikwijls was ik ten diepste ontmoedigd ; Maar heeft Christus zelf  ons niet gewaarschuwd dat leerling-zijn wil zeggen ‘uw kruis opnemen’?. Achtenveertig jaar later kan ik uit gans mijn hart bevestigen dat de visie op de Orthodoxie, die ik had vanaf mijn eerste dienst van de vigilie in 1952 de juiste en ware was. Ik ben niet teleurgesteld.

Ik zou slechts één voorbehoud willen maken  : dat wat ik niet kon  op prijs stellen in 1952, maar dat ik nu klaarder inziezie, is het diep raadslachtig karakter van de Orthodoxie, zijn talrijke tegenstellingen en polariteiten.. De paradox van het Orthodoxe leven in de XXe eeuw  is samengevat in de woorden van Vader Lev Gillet, zelf Westerling die de weg naar de Orthodoxie is gegaan. Het zijn woorden die dichter bij het hart van de dingen staan dan alles wat ik mij kan herinneren van  andere.woorden :

O wonderlijke Orthodoxe Kerk, zo arm en zo zwak, die als bij mirakel stand houdt temidden van de wisselvalligheden en strijd, Kerk van contrasten, tegelijk zo traditioneel en zo vrij, zo archaïsch en zo levendig, zo ritualistisch en zo persoonlijk mystiek. Kerk waar de parel van grote waarde, het Evangelie,zo zorgvuldig is bewaard, dikwijls onder een laag stof ; Kerk die dikwijls niet wist hoe te handelen, maar die als geen ander de vreugde van Pasen weet te bezingen.

                                                           Uittreksel uit : Kallistos Ware,

                                                           Approches de Dieu dans la voie

                                                           Orthodoxe, Cerf/Le Sel de la terre,

                                                           2004. Vertaald uit de franse vartaling

                                                           van Françoise Lhoest door Kris Biesbroeck

                                                                                                                                                                 

09:35 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.