02-11-10

Cyrille Argenti : Leven en bidden als christenen in de wereld van vandaag

 

Leven en bidden als Christenen in de wereld van vandaag

Cyrille Argenti 

Wat karakteriseert de wereld van vandaag en in wat verschilt hij van de wereld van gisteren ? Vanaf de VIe eeuw, getekend door het keizerrijk van Justinianus tot aan Byzantium en de regering van Clovis in Gallië, leefden de landen die gesitueerd zijn in een cirkelboog dat zich uitstrekt van Armenië tot Ierland, in het Christendom. Het christendom was de religie die erkend werd door de staat, en minstens theoretisch, door de meerderheid van de bevolking. Vanaf de VIIe tot de XIVe eeuw ontwikkelde  deze toestand zich in geheel Europa waar zij bleef voortbestaan tot aan het einde van de XXe eeuw. Vanaf Griekenland tot Scandinavië institutionaliseerden de Kerk en de Staat hun  verhouding. De bisschoppen kroonden de koningen of de keizers. De definitie van goed en kwaad werd gegeven door het Evangelie, wat niet betekende dat men altijd voor het goede koos ! Immers, zelfs indien de principes van de christelijke moraal werden aanvaard als normatief, dan nog werden ze niet met kracht toegepast door de regeringen en het geheel van de bevolking.

Sedert het einde van de XIXe eeuw, is deze situatie veranderd. Vooreerst – de ontwikkeling – vlug en belangrijk – van de wetenschappen en de techniek hebben de geesten getransformeerd. Velen waren  verblind door de wetenschappelijke uitvindingen en de nieuwe technologieën, nl. dat de wetenschap alle problemen van de mensheid zou kunnen oplossen. Er waren twee wereldoorlogen nodig om de illusie van het sciëntisme in te zien en zich bewust te worden  van de ambiguïteit van de vooruitgang, die buitengewone werktuigen voortbracht zowel ten goede als ten kwade, en die tegelijk de atoombom als de vaccins voortbracht. Gedurende deze tijd heeft de wetenschap het geloof van de troon gestoten in duizenden geesten (…)

De evolutie van de zeden heeft een ingrijpende verandering teweeg gebracht tussen de gehuwden en het gezin; zij heeft het huwelijk in diskrediet gebracht en een verhoging van het aantal echtscheidingen, vele jongeren willen zich niet meer engageren. Zij komen in een soort desillusie terecht die nog verergerd wordt door de opkomst van aids, die, als gevolg van seksuele overdracht, het idee heeft verspreid van een “liefde die doodt””.

Kortom, wij leven in een maatschappij die zijn schuilplaatsen heeft verloren. Een maatschappij die in de war gebracht is en verbijsterd, die begerig is om zowel de ideeën van het boeddhisme en het Hindoeïsme aan te nemen – zoals de theorie van de reïncarnatie – als de esoterische leerstellingen of theorieën die verspreid worden door sekten die uit Amerika komen (Mormonen, getuigen van Jehova, enz..), of nog de fantasierijke verbeeldingen van de apocriefe Evangelies.

Dit alles mengt zich onder de schapen van het christelijk geloof op een verwarrende en incoherente wijze,  en doet een soort van syncretisme ontstaan, die ons vreemd genoeg herinnert aan datgene wat heerste in de IIe eeuw van onze tijdsrekening, ten tijde van het “gnostiscisme”, die met zoveel energie is bestreden door de heilige Ireneüs. Maar in die tijd had het christelijk taalgebruik – dat gans nieuw was -  een groot impact  , dezelfde woorden, herhaald en beluisterd gedurende eeuwen, heeft dat impact verloren. In onze dagen, die men kan kenmerken als “post-christelijk” is de christelijke woordenschat opgebruikt. Een nieuwe taal uitvinden die actueel is en die bekwaam is de eeuwige waarheden uit te drukken is één van de moeilijkheden van de hedendaagse evangelisatie.

Het geloof in de verrezen Christus belijden

Hoe moet men in zo een wereld als christen – en bovendien als orthodox – zijn geloof uitdrukken in het dagelijks leven ? De bekoring van de christenen vandaag is om futloos te worden, te verzwakken, de boodschap van Christus af te zwakken om de wereld niet te schokken. Men praktiseert een laf christendom. Men durft de maagdelijkheid van Maria niet meer te bevestigen om niet lachwekkend over te komen. Men durft niet meer te verkondigen dat Christus is verrezen met een echt lichaam van “vlees en been” om niet de indruk te wekken dat men in mythes gelooft. Men durft de ene God in drie personen niet meer te verkondigen om de rede niet meer te stoten.

Vanaf dat moment spreekt men van de Heer Jezus alsof Hij slechts een mens was, een grote ingewijde of groter dan de profeten. Men herleid het Goede Nieuws volgens dewelke God de mensen heeft bezocht tot een moraliserende boodschap, tot een reeks bevelen en verboden. Kortom, men doet het zout zijn smaak verliezen; met wat zal men het terugkrijgen ?

Leven als christen vandaag, is leven van het Goede Nieuws in zijn volle verbazingwekkende volledigheid. Het is belijden dat het lichaam van de Verrezene, die nog altijd de sporen van de nagels heeft en de lans, een nieuwe schepping doet ontstaan waarop de dood geen vat meer heeft. Het is elke dag ontdekken dat Jezus van Nazareth, de Gekruisigde, waarlijk levend is want echt verrezen. Wij zijn dus geen slaven meer van de angst voor de dood. In tegenwoordigheid van een overledene, zingen wij het troparium van Pasen “Christus is verrezen uit de doden, door de dood heeft Hij de dood overwonnen”. De wanhoop van de ongelovige in plaats van de rustige hoop van de gelovigen die roept : “Laat rusten, o Christus, hem die gij hebt uitverkoren om het licht van Uw Aanschijn te aanschouwen, in de zachtheid van uw schoonheid”.

Zo is de Verrijzenis het fundament van ons geloof, maar zijn wij intiem en reëel hiervan overtuigd ? Stellen wij deze vraag voor God; laat ons het opnieuw onderzoeken door een intense bezinning en tijd voor noodzakelijke studie. Alleen voor het aangezicht van God, alleen in het verborgene van mijn geweten, moet ik mij afvragen : “Ben ik intiem ervan overtuigd dat Christus waarlijk verrezen is in zijn glorierijk lichaam, in zijn getransfigureerd lichaam ?”

In het Credo, dat wij elke zondag lezen in de loop van de Goddelijke Liturgie, belijden wij evenzeer dat Christus “de enige Zoon van God is, licht van licht, ware God van de ware God, één in wezen met de Vader, door wie alles geschapen is”. Daar verkondigen wij dat Hij de Schepper is, dat Hij God is als Zijn Vader, dat Hij dezelfde God is als de Vader en de Heilige Geest. Dit geloof is de steen waarop de Kerk is gebouwd (…). Omdat wij waarlijk geloven in de komst in het vlees van “de Ene van de Heilige Drievuldigheid, de deïficatie van ons vlees is het doel van ons dagelijks en reëel leven, dat wij willen doordrongen zien  van de Heilige Geest. Daarom plaatsen wij een icoon in het centrum van onze woonplaats en boven het huwelijksbed. De persoonlijke band met de Heer ontwikkeld zich en wordt verduidelijkt in de beschouwing van de heilige Iconen,  die een van aangezicht-tot-aangezicht geven tussen de orthodoxe christen en Christus. De iconen weerspiegelen ook de ervaring van de gelovige getuigen van Christus, profeten, apostelen, martelaren, al onze vaderen in het geloof. Hoe meer wij ons hiermee vertrouwd maken, doorheen hun icoon, hun leven en hun geschriften, hoe meer wij de weg terugvinden die leidt naar de Meester die ons gemeenschappelijk is. De icoon is daar opdat de God die mens geworden is aanwezig zou zijn op elk moment van de dag en de nacht, opdat Christus ons zou zien leven en wij ons levend zouden voelen onder het heiligmakende gezicht van God.

Maar wanneer wij de zondagen communiceren, zijn wij dan werkelijk ervan overtuigd dat wij “het lichaam” van de Verrezene nuttigen,van God die mens geworden is en “zijn bloed” drinken ? Wanneer wij de icoon van Christus in ons huis plaatsen, drukken wij dan waarlijk ons geloof uit van God de Zoon die mens geworden is en die ons reële leven binnentreedt, dagelijks, vleselijk ? Wanneer wij, op het feest van de Theofanie gezegend water nemen en daarmee het doopsel van Christus herdenken in de wateren van de Jordaan, denken wij dan waarlijk dat de Heilige Geest, die de wateren zegent, ook de materie zegent en de ganse schepping vernieuwt ? Kort, door elk van deze daden, drukken wij ons geloof in de Menswording van het goddelijke Woord in het dagelijkse leven concreet uit.

Het is zeer belangrijk om te bidden tot de Heilige Geest. God, die de mens geschapen heeft naar Zijn beeld, ’t is te zeggen naar het beeld van de Drie-eenheid heeft van de mensen geen geïsoleerde individuen gemaakt noch  kuddedieren, maar onderscheiden personen die slechts bestaan in relatie met elkaar, een onvervangbare verscheidenheid van eenieder. De Drie-eenheid is dus het model van de echtelijke relaties, van de sociale verhoudingen, van de kerkelijke structuren. Leven als christen in een maatschappij, is zonder ophouden dit trinitair model voor ogen te houden, waardoor de onvervangbare persoonlijkheid van eenieder openbloeit volgens zijn eigen roeping, in volle vrijheid, in een communio van liefde. Zeker, wij zijn genoeg realist om de omvang van het egoïsme te erkennen – de onze inbegrepen - , de macht van de onruststoker (de duivel) en de wet van de jungle die regeert over de gemeenschappen. Maar het trinitaire model – dat “het sociale programma van de christen” bevat – dat ons leven liefheeft, voorziet in de permanente dynamiek die ons gelijdelijkaan omvormt en een betekenis geeft aan al onze activiteiten in de schoot van ons gezin, in het sociale milieu, in onze Kerk. Vraag is : inspireert het trinitaire model de kwaliteit van onze menselijke relaties ?

Wij bevestigen, volgens het evangelie van Johannes, dat de  Heilige Geest “voortkomt uit de Vader” en dat Christus ons hem zendt (Joh.15,26). Wij roepen zijn nederdaling  “over ons” en over de “heilige gaven” in de loop van de Liturgie. Wij bevestigen met de heilige Seraphim van Sarov, dat “het doel van het leven is : de verwerving van de Heilige Geest”. Maar gaat dit zomaar ? Deze verwerving is zij werkelijk het doel van ons leven ? Nemen wij Pinksteren evenzo au serieux als de Verrijzenis? Welke plaats heeft de heilige Geest in ons bestaan ?  Beginnen wij elke dag opnieuw met direct de vernieuwing van de gave van de Heilige Geest te vragen :” Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid, gij die overal tegenwoordig zijt en alles vervult, Schatkamer van alle goed en Gever van het leven, kom en verblijf in ons, zuiver ons van alle smet en redt onze zielen, Gij die goed zijt” ? Op een meer algemene wijze, nemen wij de “werking van de Heilige Geest”au serieux om ons leven te richten en er zijn bemiddeling op elk moment te vragen ? Rekenen wij op onszelf en op onze eigen wil, ziek en zondig, of rekenen wij op Hem, de Heilige Geest, om “ons te bezoeken en onze zwakheden te genezen” ? Smeken wij Christus met geloof wanneer wij ons bewust worden van onze fouten, onze zonde, onze  ondergang, dat Hij ons Zijn Heilige Geest zou zenden om ons te zuiveren, ons te genezen, ons te veranderen, ons om te vormen, om van ons nieuwe schepselen te maken ? (…)

Persoonlijk gebed

Christen zijn, is vertrouwen hebben op de tussenkomst van de Geest van God in ons leven en voor onze persoon, om ze om te vormen naar het beeld van het leven van de persoon van de God-Mens. Het betekent dus dagelijks tijd vrijmaken om tot God te bidden in de naam van de Heer Jezus opdat de Geest die op Hem rust, zich uitspreidt over ons; het is in dit contact met de geest van Christus  de energiebron zoeken die onze persoonlijkheid zal oriënteren en een betekenis geeft aan ons leven. Maar wat is bidden ? Vooreerst is het geen gebeden opzeggen –een bandrecorder kan dat beter dan jij. Om te bidden moet men zich vooreerst voor het aanschijn van de levende God plaatsen, ’t is te zeggen in het aangezicht van de icoon van Christus. De levende God is tot ons gekomen. Hij heeft het gelaat van een mens aangenomen : dit van Christus. Doorheen zijn icoon, bekijkt Hij ons. Hij is altijd voorgesteld van vóór,, Hij die ons bekijkt; zijn blik ontmoet de onze. Dit van aangezicht tot aangezicht, van Persoon tot persoon, is het begin van het gebed.

Maar “wij weten niet te bidden zoals het hoort”, en “de Geest komt ons te hulp in onze zwakheid (…) Hij spreekt ten beste voor ons in onuitsprekelijk  verzuchtingen” zegt sint Paulus (Rom,8,26). Het is daarom dat het past om elk gebed te beginnen, maar ook elke andere daad die wij stellen, en gans de dag, met een aanroeping van de Heilige Geest. De heilige Basilios, in zijn “verhandeling over de Heilige Geest”, schrijft “Het is de Heilige Geest die het gelaat van Christus verlicht, Hij is het die ons de Vader doet kennen”. De aanroeping van de Heilige Geest leidt ons dus naar een trinitair gebed. Bidden, is naar de ontmoeting gaan van de “twee handen” die ons de Vader aanreikt : de Zoon die tot ons gekomen is als mens en die tot ons gesproken heeft met een mensenmond, en de Heilige Geest die over ieder van ons is nedergedaald, verzameld in de Kerk, onder de vorm van vurige tongen, op de dag van Pinksteren. Bidden, is de Heilige Geest verwerven om de Zoon te ontmoeten en de Vader te leren kennen (…)

Orthodoxie en orthopraxie

Maar is ons dagelijks leven wel een afspiegeling van de “theologie” die wij menen te belijden en onze godsvrucht ? Wij geloven dat Jezus van Nazareth de Christus, de Zoon van de levende God is, en nochtans is het zo dat in ons dagelijks leven – in ons gezin, op ons werk, gedurende onze vrije tijd, in onze affectieve relaties –  onze wijze van gedraging weinig verschilt met deze van onze omgeving, van onze geburen of collega’s die voor het merendeel ongelovig of onverschillig zijn voor de Persoon van Christus.

Hoe kan ons geloof groeien of moet zij onze familiale of sociale gedragingen wijzigen ? Wat onderscheidt onze wijze van leven van dit van de ongelovigen ? Hoe getuigen van de verrezen Christus in ons leven van elke dag ?

Voor velen die zich christen noemen heeft de moeilijkheid om dit probleem op te lossen hen geleid tot een ontwijking ervan door hun leven ervoor af te schermen. Enerzijds “praktiseren zij de religie” door hun aanwezigheid en hun deelname aan de diensten van de Kerk – “zij gaan naar de mis” -, ofwel door een persoonlijk gebed thuis. Anderzijds leven zij in de maatschappij op dezelfde wijze als de andere personen. Hun “religieus leven” en hun leven in de profane wereld zijn niet op mekaar afgestemd, zij weerkaatsen mekaar niet. Zodanig dat “de lekenstaat” de Kerken heeft kunnen kenmerken als “culturele assosiaties”. Zo beperken zij de “cultus”, de religie wordt een “privé zaak” zonder invloed op het sociale leven.

Dit probleem is in realiteit niet echt nieuw. Het was reeds in werkelijkheid, de houding van “religieuze” mensen in Israel , zo de verontwaardigheid opwekkend van Gods profeten.

Ik haat, ik misprijs uw feesten, voor uw plechtigheden walg ik (…) Uw offers  behagen mij niet. Verwijder van mij het geluid van uw lofzangen (…) maar dat het recht vloeit als water, en de rechtvaardigheid als een stortvloed die niet opdroogt (Amos 5,21-24. Cf.ook Jesaja 1,11-19.)

Kort, God heeft slechts behagen in gebeden en lofzangen dan die welke voortkomen  uit een rechtvaardige instelling in het sociale leven. Een cultus die ons leven niet omvormt is een hypocrisie. Een liturgisch leven dat niet uitmondt in wat Johannes Chrysostomos noemt “het sacrament van de broeder” is niet christelijk, maar een “heidense religie” religieus. Het is daarom dat Christus heeft gezegd, in twee zinnen uit het Oude Testament : “Gij zult de Heer uw God beminnen met gans uw ziel en gans uw geest, en uw naaste als uzelf. Doe dit en gij zult leven”. God aanbidden en zijn broeder dienen zijn één en hetzelfde; de cultus van het dagelijks leven afschermen is heidendom.

Het is niet hij die zegt : “Heer! Heer !” maar hij die de wil van mijn Vader die  het koninkrijk zal binnengaan “ (Matth 7,21). Het gaat er niet alleen om de waarheid te ontdekken en te belijden, men moet ook, zoals Christus zegt in het evangelie van Johannes “de waarheid doen” (Joh.3,21). Zonder dat is ons geloofsleven, het gebed, de communie slechts iets uiterlijks,een leugen, hypocrisie en Farizeïsme . De orthodoxie is het rechte geloof, de rechte verheerlijking. Maar er is geen orthodoxie zonder rechtzinnige daden, zonder orthodpraxie.

Geloven en glorie brengen aan God volgens de orthodoxie vereist evenzeer een manier van leven, een wijzen van handelen. Deze wijze van zijn, deze gedraging is beschreven door Christus in het sermoen op de berg (Matth 5-7). Het rust op een fundamenteel principe : de mens geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God.

De evangelische liefde in het dagelijks leven

Gans deze wijze van zijn, gans het geloof dat wij in ons leven uitdrukken, hetzij in ons gezin, op het werk, in onze vrije tijd of in ons affectief leven, moet zich incarneren in ons dagelijks leven. Het fundamentele principe van deze praktijk is zeer simpel : God heeft de mens geschapen – de gehele mens – naar Zijn beeld en gelijkenis, ’t is te zeggen als een persoon die slechts werkelijke bestaat in een communio van liefde met de anderen, en niet als een individu – een entiteit die opgesloten zit in de kooi van zijn egoïsme – of een anoniem nummer in een kudde-collectiviteit. Indien wij dus God aanbidden, dan verheerlijken wij Hem door zijn beeld te respecteren, ’t is te zeggen door elk menselijk wezen, vriend of vijand, sympathiek of onsympathiek, collaborateur of vijand – te behandelen als een broeder  die Christus zo heeft liefgehad dat Hij zijn leven ervoor heeft gegeven. Iedere man of vrouw is dus een persoon op weg naar het heil dat wij in de mate van onze mogelijkheden – al was het maar door een glimlach -, moeten aan bijdragen. Als wij een moordenaar in de gevangenis moeten opzoeken –“Ik was in de gevangenis en gij hebt mij bezocht” (Matth 25,36)- hoeveel te meer moeten wij ons interesseren voor het geluk en de vooruitgang van een rivaal of een tegenstander… Want hij is ook geschapen met het doel : zijn ultieme vergoddelijking.

In het gezin, op het werk en in de Kerk, zoeken wij onophoudelijk om met de ander te communiceren in het respect van zijn persoonlijkheid. Niet om hem te onderwerpen, te overheersen of hem op te nemen in een groep door hem ermee te assimileren, maar om hem lief te hebben zoals hij is, of veeleer zoals God hem oproept om te worden. Dit alles opdat hij ten volle het plan van de Schepper voor hem zou realiseren, door  de ontplooiing van zijn eigen gaven in dienst van de gemeenschap waarin hij leeft.

In het gezin : indien men christen is moet men van een ouder, een kind, een echtgenoot, een echtgenote, een broer, een zuster houden en niet zoeken om hen in bezit te nemen, te domineren, er profijt uit te trekken of hem voor zichzelf te willen. Het is het verlangen zijn eigen vrije ontplooiing te schenken en te zoeken wat men hem kan geven –“ Er is meer vreugde door te geven dat door te ontvangen” (Handelingen 20,35) – om hem te ondersteunen, hem te helpen om beter te worden, om zijn projecten te helpen realiseren en niet die welke wijzelf hem willen opleggen. Dit om hem te troosten, hem het maximum aan vreugde te schenken, opdat hij zich bemind zou voelen Waarlijk beminnen heeft niets te zien met sentimentaliteit; het is verlangen en hem aanmoedigen om zijn vergoddelijking te verkrijgen, want daarvoor werd hij geschapen. In deze zin mag men vooral niet vergeten om de voornamen  van de leden van ons gezin te vernoemen – levenden zowel als overledenen – bij het begin van de Goddelijke Liturgie, opdat hierdoor de Heilige Geest zou uitstralen over hen gedurende gans de week. De diptieken (lijst met namen  die men herdenkt, beginnend in twee colommen, één voor de levenden en een andere voor de overledenen), zijn de band tussen de liturgie en elke persoon die wij liefhebben en zouden moeten liefhebben.

In het professionele leven: Werken betekent voor een christen : een weerspiegeling geven van het Koninkrijk in de aardse realiteit en de materie van deze wereld. Het is wat schoonheid brengen in het leven. Of men loodgieter is of straatveger, het gaat erom de wereld mooier te maken. Een christelijk metser is op zijn manier een iconograaf. Indien het Evangelie ons een bepaalde visie heeft gegeven van het koninkrijk van God, dan proberen wij door onze arbeid er een planafruk van te maken in het domein waar onze activiteit wordt uitgeoefend. Dit kan zijn bijvoorbeeld de sfeer zijn welke een verpleegster tracht  te brengen in haar dienst, of de schoonheid welke de meubelmaker geeft aan het meubel dat hij maakt, de kleine notie van warmte welke een secretaris tracht te brengen in zijn bureau…. In elke arbeid kan de christen een klein beetje licht binnenbrengen, een klein deeltje van de hemel. Het volstaat hiervoor dat hij tijdens de Liturgie van de zondag heel aandachtig de lezingen van het epistel en het Evangelie volgt, dat hij zich afvraagt hoe men in het vervolg dit alles in de praktijk kan omzetten. Indien het Woord van God ons hart raakt, dan zal het ons leven veranderen en onze wijze van werken transformeren. De parabels van Christus en al zijn leringen zijn altijd dicht bij het dagelijks leven.

Elke  gezel van de arbeid en collega ,ondergeschikte of meerdere – is nooit een nummer of een robot, maar een persoon die God wil redden. Hij moet ons interesseren; wij moeten zoeken om met hem een menselijk contact te onderhouden, zijn zorgen en verzuchtingen ontdekken, een glimlach geven. Zelfs een cigaret aanbieden is reeds een toenadering. Het is een antenne die op de ander gericht is. Laten wij ons dus inspannen om op elk ogenblik het ijs te breken, het masker af te nemen, de koelheid van de professionele taal achter zich te laten, het hart van een onbekende te raken, een kleine dienst bewijzen aan hem of haar die ons een rotstreek heeft aangedaan, een vriendelijk woord voor hen die ons kortaf of kwetsend is geweest, ons ongeduld temperen, waken over ons slecht humeur, de vrede in het hart hebben en rondom ons doen heersen.

Wanneer wij de vorige dag gecommuniceerd hebben, laat ons er dan aan herinneren dat wij dragers van Christus geworden zijn in onze arbeidsplaats Als Hij in ons hart aanwezig is, zal deze aanwezigheid onbewust uitstralen rondom ons. Want deelnemen aan de eucharistie, is  God de toestemming geven om de meest intieme band te smeden die er is, op het niveau zelf van het zijn. Deze band kan vervolgens geleidelijk aan gestalte krijgen op het niveau van het bewustzijn en de dagelijkse omgang.

Wat tenslotte telt is niet zozeer wat wij doen of zeggen, maar wie we zijn. De goede boom kan slechts goede vruchten voortbrengen. Laat ons glimlachend en vrolijk zijn omwille van de Verrezen Christus,  tot vrede gebracht en vrede brengend, want wij zijn vergeven en verzoend. Anderzijds ben ik  wrevelig,  gekweld, prikkelbaar, agressief , het spel van de jungle spelend met wie mij omringt, hoe kan ik getuige van Christus zijn ?

In onze vrije tijd en ons affectief leven: om zijn taak zo goed of beter te kunnen volbrengen is het nodig dat wij ons van tijd tot tijd ontspannen. Het gaat hier niet om plezier te zoeken door zich van anderen te bedienen, maar om in de vriendschap en de liefde datgene te zien wat wij kunnen geven. De christen wil in de ander altijd een persoon zien, een doel op zich, nooit een middel. In onze vrije tijd, laat ons dan het menselijk contact zoeken en niet het plezier, de persoonlijke rijkdom die in de ander verborgen zit en niet de sensaties. Het nastreven van sensaties des-humaniseert de mens.

De Heer komt !

De andere dus beminnen, maar niet de liefde liefhebben. Uittreden uit zichzelf, de ander helpen, hem beter willen door hem te aanvaarden zoals hij is. Per slot van rekening, iemand waarachtig liefhebben, is zijn eeuwig geluk willen, ’t is te zeggen zijn vergoddelijking.

Leven als christen is het prachtige risico nemen om datgene niet te doen waar wij zin in hebben, noch dat waartoe de maatschappij of de omgeving ons  aanspoort te doen, maar datgene te doen  wat het Woord van God ons voorschrijft.

Dit alles is geen utopie, want wij geloven dat Christus ons zijn Heilige Geest heeft gezonden – die voortkomt uit de Vader – over zijn Kerk en over elk van zijn leerlingen op de dag van Pinksteren, en dat diezelfde Geest, dagelijks aanroepen, ons hart kan veranderen van een stenen hart naar een hart van vlees. Hij kan als een levende bron een woestijn omvormen tot oase, een vagebond in een heilige en, waarom niet, onszelf tot dienaren Gods.

De tijd van de “sociologische christenen”, ’t is te zeggen van hen die christen waren omdat de sociale structuren het zo verlangden, is voorbij. De tijd van de lauwe christenen, die Christus “uitbraakt uit Zijn mond” (Apoc.3,16)is voorbij. In een samenleving die steeds meer heidens wordt, laten wij meer en meer orthodoxe christenen worden, ’t is te zeggen steeds authentieker levende leerlingen van God die mens geworden is en dit door onze manier van leven en gans onze wijze van zijn.

De christenen zullen dan diegenen worden waartoe zij geroepen zijn : het licht van de wereld van vandaag, zoals ook zij die leefden in het tijdperk van Nero en Diocletianus.

De Heer komt !

(Vader Cyrille Argenti – vertaling uit het Frans : Kris Biesbroeck)

09:44 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.