09-11-10

Georges Drobot : het licht in ce icoon

 

 

Het licht in de icoon

Door Vader Georges Drobot

 

christus22222.jpg

 

 

Het licht is van groot belang in de orthodoxe Kerk, om niet te zeggen van essentieel belang. Het woord “licht” komt voortdurend terug in de liturgische teksten – in de loop van de celebraties alsook in het persoonlijk gebed steekt men telken opnieuw de olielampen of de kaarsen aan. Het fysisch licht – dit van de sterren of de lichtbronnen – wordt het symbool van het eeuwige licht van het Koninkrijk van God.

De sacrale kunst van de orthodoxe Kerk, of het nu gaat om iconen, mosaïeken en fresco’s die de muren van een kerk versieren, is essentieel een liturgische kunst. Ze geven in beelden de geschiedenis van het heil weer dat verlicht wordt door de teksten van de kerkvaders en liturgische teksten, die gelezen of gezongen worden gedurende de diensten. Welnu, de orthodoxe liturgische cyclussen stemmen overeen met het cosmisch rythme  volgens dewelke onze aarde leeft. “Bidt zonder ophouden” (1 Thess.5,17) is het gebod dat het gebedsleven van elke christen regelt . Dit onophoudelijk gebed, eeuwig, incarneert zich in de cyclussen van de aardse tijden en wordt geregeld door het verloop van de zon.

De dagelijkse liturgische cyclus begint ’s avonds, volgens het Bijbelwoord : “Er was een avond en er was een morgen, het was  dag (Gen 1) Op het uur van het slapengaan, zingt men in de vespers de hymne van de heilige Sophronius van Jeruzalem : “ Vriendelijk licht der heilige glorie des onsterfelijken, hemelsen en heilige Vaders, Jezus Christus. Weer aangeland bij zonsondergang, schouwend het avondlicht. Zingen wij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest een lofzang van God”. Dit “vriendelijk licht” is geen eenvoudige woordelijke uitdrukking om te spreken van het ongeschapen licht van het Koninkrijk van God. Het drukt hier het visioen uit van de weerspiegeling van het goddelijk licht van de geschapen wereld, dat deze zang vervult van dankzegging. Het zachte, vriendelijke licht van de avond doet de verwachting van het opkomende licht van de morgen van de Verrijzenis levendig voor ogen houden.

Vervolgens komt de morgen die begint met de verheerlijking van God, schepper van het menselijk geslacht, aan wie hij de bekwaamheid geeft om het licht te zien – dit licht dat voor ons brand en dat wij met  onze ogen kunnen aanschouwen, het fysieke licht, en dat wat onze ziel kan waarnemen : het ongeschapen licht van het Koninkrijk. Op het einde van de Metten, roept de priester :” Eer aan U die ons het licht laat zien!”, en de assistent antwoordt hem :”Eer aan God in de hoge en vrede op aarde aan de mensen van goede wil…”.

 De lofprijzing tot God, Schepper en Gever van het licht is een onophoudelijke lofprijzing die het leven van de mens bepaalt of juister gezegd die al zijn daden oriënteert en  eindigt met ze te transfigureren : dat is de lering van de orthodoxe Kerk. Zo een “getransfigureerd” wezen transfigureert alles : zijn omgeving, de mensen die hem ontmoeten, de natuur die hem omringt, zoals wij het bijvoorbeeld weten van de heilige Serafim van Sarov. Hij heeft  anderen het licht van het koninkrijk laten  zien waarin hij reeds verkeerde vóór het einde van zijn leven, en hij groette hen die kwamen om hem te zien met de woorden : “Christus is verrezen, mijn vreugde !”.

Dus is het niet verbazingwekkend dat de liturgische diensten van Pasen diegene zijn die het goddelijk licht bezingen op een bijna onophoudelijke wijze. En als men weet, dat de zondag voor de christen de dag is van de Verrijzenis en haar licht, dan kan men zich voorstellen dat de sacrale kunst zal pogen te laten zien wat een paasgezang zegt : “ Vandaag is alles vervuld van licht : de hemel, de aarde en zelfs de hel. Dat gans de schepping de verrijzenis van Christus bezinge waarin onze kracht ligt.

De spiritualiteit van deze kunst die onafscheidelijk is van het liturgisch leven van de Kerk drukt zich vooreerst uit in de onderworpenheid, de gehoorzaamheid van de artist-iconograaf (schilder van iconen, miniaturen, fresco’s of mozaïeken) aan zijn spiritueel doel, dit verklaart het instrumentele aspect van zijn werk. Het is moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om het lichtgevend visioen van de spirituele wereld weer te geven in de gangbare vormen van kunst, want sprekend over het concrete – de menswording van het Woord van God, moet hij de spiritualiteit proberen weer te geven in zijn structuur. De “materiële” realiteit van de incarnatie sluit elke vorm van non-figuratieve vormen uit, “ het van zijn stoffelijk omhulsel ontdoen”, en de notie van het ongeschapen transfigurerend licht, dat ons het Koninkrijk van God onthult, laat geen naturalisme toe.

Onafscheidelijk van het leven van de orthodoxe Kerk, is de icoon dikwijls gekenmerkt als “theologie in kleuren”. Zoals elke waarachtige theologie, hangt de icoon af van de mystieke en theologische ervaring  van zijn auteur (want de Kerk van het Oosten scheidt nooit de mystiek van de theologie die, volgens haar noodzakelijk aanvullend  zijn binnen elke menselijke poging om God te benaderen) Het is bovendien zo dat de makers van deze theologische beelden welke de iconen zijn meestal onbekend blijven. Dit is vooral te wijten aan het feit dat zij een waarheid verkondigen welke oneindig meer belangrijk is dan hun eigen persoon. Door het ongeschapen goddelijk licht te tonen en de spirituele realiteit te bezingen, beschouwt de iconenschilder slechts de opperste waarheid die hem zichzelf doet vergeten. Daardoor is zijn persoonlijkheid getransfigureerd door het antwoord dan van boven komt. Ziedaar hoe, door zichzelf te vergeten of veeleer door meer transparant te worden voor de spirituele wereld, de iconograaf dit kan aantonen in zijn werk.

Om een beetje het woord ‘Icoon” te begrijpen in de orthodoxe wereld zou men het woord moeten schrijven met een grote “I”, want de ICOON is het beeld bij uitstek van de persoon of de afgebeelde gebeurtenis. Zij wil aan de toeschouwer de essentie zelf, de diepe waarheid van de personen en de dingen aantonen, zoals ze zich openbaren aan het eeuwige licht waarin ze baden en hen doordringt. De icoon toont ons geen uiterlijk voorkomen  van het moment, maar openbaart ons door haar transparantie de absolute betekenis van het voorgestelde. Zij is openbaring en lering, deelnemer en deelgenomene in de uitwisseling die zich heeft voltrokken tussen haar en door haar, tussen hem die ervoor bidt en de spirituele wereld. Immers, zo moet de functie van de icoon gezien worden volgens de formulering die tot stand is gekomen op het VIIe Oecumenisch Concilie welke de controverse moest sluiten rond de legitimiteit van de iconen : de ICOON moet de mens overtreffen in wat hijaan zijn fysieke blik voorstelt en zijn geest helpen om zich te richten op zijn Archetype.

Het fysieke licht staat ons toe om de goddelijke schepping waar te nemen en ze te integreren in ons bewustzijn op een wijze die helemaal specifiek is, verschillend van deze welke onze andere zintuigen ons bieden. Het goddelijk licht openbaart de zijnden en de dingen in hun waarheid en in hun schoonheid waarmee de Schepper hen heeft bekleed bij het begin, zonder dat een schaduw hen komt bezoedelen. De grote zieners waarvan de Bijbel ons de getuigenissen biedt, hebben gepoogd om hun visioenen van deze wereld zonder duisternis te beschrijven evenals zij hen de menselijke taal hebben toegestaan. Bijvoorbeeld : het visioen van Johannes : “En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de stad Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God; en zij had de heerlijkheid Gods, en haar glans geleek op een zeer kostbaar gesteente, als de kristalheldere diamant (…)De stad was van zuiver goud, gelijkend op zuiver glas (…) De stad had geen nood aan de zon noch aan de maan om haar te verlichten, want de glorie van God verlichtte hem (…) Er zal geen nacht meer zijn : en zij hebben geen nood aan een lamp, noch aan licht, want de heer God zal hem verlichten” (Apoc.21,10-11;18,23-22,5).

In de iconen (de schilderijen op hout, de fresco’s of de mozaïeken) is er geen bron van bepaald licht noch van schaduw. De gezichten en de lichamen schijnen van binnenuit te verlichten, door het licht dat God ze geeft “aan elke mens die op de wereld komt”, volgens een liturgisch gebed, dat vervolgt :” Dat de weerschijn van het licht van uw aangezicht zijn sporen mag achterlaten…” De  silhouetten van de personnages en het decor maken zich los op een lichte achtergrond, meestal verguld, maar ook een artistiek middel die korte metten maakt met de zwakke wil om een indruk van diepgang te geven, een verre illusie te scheppen. De icoon zegt de waarheid, zij wil geen illusie geven van wat dan ook. Zij wil iets betekenen, de weg tonen,zoals een verkeersteken of symbool (waarvan de reden van bestaan zich op een totaal ander vlak situeert), zij zal nooit effecten van optische illusie wekken.

Om dezelfde reden, ’t is te zeggen,om  te getuigen van een wereld van zuiver licht, gebruikt de icoon heldere kleuren die kunnen op elkaar gelegd worden, maar zich niet vermengen en zo hun glans zouden verliezen. De zieners van de Bijbel zoeken hun visioenen uit te drukken door het gekleurde licht te vergelijken met kostbare stenen of goud : “ In mijn visioen zag ik hoe een storm uit het noorden op kwam zetten : een grote wolkenmassa waar vuur in opflitste en die omgeven was door een gloed : de wolkenmassa schitterde als blinkend metaal(…) Boven het gewelf dat boven hun hoofden was gespannen zag men zoiets als een safiersteen in de vorm van een troon. En daarop, op wat dus een troon leek te zijn, was een mensengestalte zichtbaar. Ik zag een schittering als van metaal; boven zijn middel fonkelde die gestalte als metaal alsof er vuur in zijn binnenste gloeide, en onder zijn middel scheen hij vuur dat een gloed uitstraalde. Zoals de boog er uit ziet, die in de regentijd in de wolken staat, zo was de aanblik van de gloed die hij uitstraalde. Aldus openbaarde zich de heerlijkheid van Jahweh” (Ezechiël 1,4 ; 26-28). De oude Russische iconografen verkozen de weerschijn van deze schittering te zien in de modeste bloemen op het veld, waarvan zij zich inspireerden in hun gekleurde composities.

De tempel, de kerk is de  bevoorrechte liturgische ruimte, de plaats waar men bijeenkomt “in Naam van Jezus Christus”, volgens zijn gebod, waar de cherubijnen de troon van God omringen, zoals de orthodoxe liturgische hymne het zegt, om de Eucharistie te celebreren die de dankzegging bij uitstek is. Deze plaats is dus het symbool zelf van de geschapen wereld zoals zijn Schepper het ziet, zonder tijdelijke en ruimtelijke limieten. Een Syrisch gedicht uit de  VIe eeuw beschrijft op deze wijze de kerk van de heilige Sophia van Edessa (toegewijd in feite aan Christus die de wijsheid is – Sophia van God : “ haar uitgestrekte en schitterende bogen stellen de vier delen van de wereld voor, de veelheid en haar kleuren doet denken aan de roemrijke regenboog in de wolken (…). Haar dak uitgestrekt als de hemel : haar colommen, gewelfd en gesloten, zij is versiert met gouden mozaïeken, zoals het firmament met schitterende sterren. En haar verheven koepel is vergelijkbaar met de hemel der hemelen” Ten slotte besluit de auteur van het gedicht “Verheven zijn de mysteries van deze Tempel betreffende de hemelen en de aarde : in haar wordt de verheven Drie-eenheid op een typische wijze voorgesteld (’t is te zeggen, symbolisch), als ook het Heilsplan van onze Redder”.

De mozaïeken of de fresco’s die een kerk versieren stemmen dus overeen met dit ideaal programma. Het is het ontroerend licht van de ondergrond van de mozaïeken of de ruimtes, dikwijls in het blauw, en de ondergrond van de fresco’s  proberen de kwaliteit van het licht zonder verval van het eeuwig Koninkrijk van God te tonen. Nadat wij het belang van het beeld, zijn typische strengheid hebben gegeven(omdat, zoals wij hebben gezien, de icoon de waarheid van elk personage  moet meedelen, dus moeten de karakteristieken gerespecteerd worden),is het zo dat de orthodoxe kerken geen geschilderde ramen hebben, nochtans zijn zij zeker ook ontstaan van uit dezelfde wil om een wereld te tonen die gemaakt is van licht en transparantie. Zoals de icoon die, bij afwezigheid van diepgang, het menselijk psychisme verplicht om terug tot zichzelf te komen om het Archetype te vinden en dit vertrekkend vanuit de diepte van zijn spiritueel zijn. Zo staat de orthodoxe kerk  aan de rusteloze menselijke geest niet toe om van het uitwendige te vertrekken maar het opnieuw te centreren in het licht van het beeld van Christus die het gebouw domineert, om het nogmaals  te zeggen, het goddelijk beeld moet teruggevonden worden in het innerlijke van onszelf, dat ons zal leiden naar zijn Archetype.

Meestal zijn we ver van dit ideaal, vooral op onze dagen. Uit gewoonte zien wij de geschiedenis van de kunst, ook de sacrale kunst, als een evolutie, welbepaald als een vooruitgang. Welnu, de evolutie is niet synoniem met perfectie – dikwijls omvat zij de vernieling van de verworven wijsheid, de culturen, de kunstvormen en zelfs --- de mens.

De kunst wordt gezien als een weerspiegeling van haar tijd. En indien deze tijd is geplaatst onder het teken van de vernieling ? Dus, als een weerspiegeling van de tijd zal de kunst aan zelfdestructie doen. Tenslotte, de geschiedenis van de kunst is een geschiedenis van schepping en destructie. Deze voortdurende strijd is de oorzaak van enorme verliezen en wij bewaren er weinig van. Het is altijd gemakkelijker van de vernielen dan van te scheppen….

In de loop van het scheppingsproces, schept en vernielt de mens, vergist hij zich en gaat achteruit, om tenslotte opnieuw te scheppen. Maar de enige activiteit van de mens die aanvaardbaar is ,is zijn scheppende activiteit, want de mens is geschapen naar het beeld van zijn Schepper,  en zijn geschiktheid om te scheppen is de goddelijke vonk die hij van God heeft gekregen. De creativiteit komt dus op de tweede plaats, hij bereikt slechts de oorspronkelijke waarde indien hij zich richt op zijn Bron en wanneer hij zijn licht uitstraalt. Wanneer de mens deze Bron van scheppende energie vergeet, dan wordt zijn activiteit al vlug destructief.

Wanneer ik denk aan alles wat vernield is in de loop van de evolutie van de kunst en aan alles dat ook nu nog weloverwogen wordt vernield, dan heb ik lust om met Jesaja uit te roepen :” schildwacht wat denkt je van de nacht ?(Jes.21,11) Het is door het licht te zoeken dat men bemerkt dat alleen het goddelijk Licht ons de essentie van het licht kan mededelen. “In uw licht zullen wij het licht zien !” (Psalm 36,10). Moge het zich verder openbaren in de iconen !

Vader Georges drobot : Uittreksel van : Lumière et théophanie – L’Icone, Numero hors série de la revue Connaissance des religions, 1999.

Vertaling : Kris Biesbroeck

11:11 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.