30-11-10

De orthodoxe Kerk tegenover de uitdagingen van vernieuwing en hervorming

De Orthodoxe Kerk tegenover 

de uitdagingen van vernieuwing en hervorming

Pantelis Kalaïtzidis

De hierna volgende tekst was (in verkorte vorm) te horen in het kader van de internationale conferentie Religions and Reform, georganiseerd door de Konrad-Adenauer-Stiftung en het Royal Institute for Interfaith-Studies, in Jordanië, op 29 en 30 januari 2007. Auteur is de orthodoxe theoloog Pantelis Kalaïtzidis, die filosofie studeerde aan de Université Paris-Sorbonne en directeur is van de Academie voor Theologische Studies in het Griekse Volos. We publiceren, in vier afleveringen, de integrale neerslag van deze uiteenzetting, verschenen in het tijdschrift Contacts n°  223

De orthodoxe kerk wil graag trouw zijn aan de apostolische en patristische traditie. Ze bevindt zich in de ononderbroken continuïteit van de primitieve kerk. Het criterium van de patristische theologie bepaalt in hoge mate haar theologische denken en haar zending in de wereld. Ze herinnert er ook voortdurend aan dat ze noch de letter noch de geest van de traditie heeft verdraaid of veranderd. Ze heeft deze traditie geërfd van de zeven oecumenische concilies in het eerste millennium of van de traditie van de Vaders uit de onverdeelde kerk. Behalve deze nadruk op de traditie herinnert de orthodoxe kerk er voortdurend aan dat ze "de Kerk van de Heilige Geest" is. De Kerk die meer dan een ander de juiste plaats van de derde persoon van de Drie-Eenheid heeft bewaard (met alles wat dit impliceert voor de ecclesiologie, de canonische structuur en de kwestie van de eenheid); de Kerk die de vernieuwende bezieling van de Trooster heeft kunnen bewaren, alsook de charismatische dimensie van het kerkelijke leven.

Geografisch en cultureel gezien vinden we de orthodoxe kerk voornamelijk terug in de grensgebieden tussen Oost en West. De meest betrouwbare berekeningen schatten het aantal gelovigen rond de 180 à 200 miljoen wereldwijd. De meerderheid daarvan is nog steeds geconcentreerd in de traditionele, orthodoxe gebieden, namelijk het Nabije en het Midden-Oosten, de Balkan, het zuidoosten en het oosten van Europa. Anderen zijn verspreid over de orthodoxe diaspora in Noord-Amerika (de Verenigde Staten en Canada), Australië, Centraal- en West-Europa. Bovendien zijn er behalve de gelovigen  afkomstig uit traditionele orthodoxe families, steeds meer bekeerlingen: westerlingen die zijn toegetreden tot de orthodoxe kerk ten gevolge van een persoonlijke keuze en niet door hun geboorte of omdat ze tot een bepaalde natie, cultuur of identiteit behoren.

I. Traditie, vernieuwing en hervorming

Door het accent te leggen op o.m. het begrip traditie en de daaraan verbonden trouw, maakt de orthodoxe kerk aanspraak op christelijke katholiciteit en universaliteit;  ze omschrijft zichzelf als de Kerk die de volheid van het geloof en de waarheid behoedt. Maar blijkbaar heeft het belang van het begrip traditie, gecombineerd met historische factoren – namelijk het einde van het oosterse christendom en zijn onderwerping (vijf eeuwen lang) aan het Turks-Ottomaanse gezag – ertoe geleid dat termen als hervorming, herziening, evolutie en innovatie taboe zijn geworden. Ondanks de pneumatologische dimensie die duidelijk haar stempel heeft gedrukt – en dat nog steeds doet – op de orthodoxe kerk, zijn deze termen bijna verboden, of lijken ze in ieder geval problematisch voor en vreemd aan de orthodoxe traditie en spiritualiteit. Wanneer bepaalde protestantse kerken vandaag nog steeds lijden aan een bepaald fundamentalisme van de Bijbel of van de bijbelse letter, dan bevindt de orthodoxe kerk zich vaak verstrikt en geblokkeerd in een "fundamentalisme van de traditie", wat in de praktijk haar pneumatologische en charismatische dimensie in de weg staat. Het verhindert haar om deel te nemen aan de moderne wereld en om haar creatieve vermogens en charisma's in het heden te ontplooien.

Nochtans vinden we in de loop van de geschiedenis van de orthodoxe kerk talrijke momenten terug van beslissende veranderingen en evoluties, of nog van herinterpretaties en herformuleringen die tot een goed einde werden gebracht en die contrasteren met het huidige immobilisme. In onze ogen moeten deze momenten beschouwd worden als het natuurlijke uitvloeisel, het verlengstuk van de theologie van de Menswording en van de pneumatologie; ze moeten dus gezien worden als het permanente, door de Kerk beleefde Pinksteren, of nog als een gevolg van haar engagement in de wereld. Zo worden we er terecht aan herinnerd dat, "wanneer we geloven dat de Heilige Geest nooit heeft opgehouden in de Kerk werkzaam te zijn, de roep tot hervorming en vernieuwing in de Kerk altijd gegrond is" (L.J. Patsavos). Deze visie geeft aan de voortgang van de Kerk in de wereld zijn historische dimensie en zijn eschatologische finaliteit.

Wanneer we dit pneumatologische en eschatologische gezichtspunt volgen – het sluit aan bij een breder perspectief dat ons geopend is door de Menswording en de godmenselijkheid van Christus – dan kan er in de schoot van de orthodoxe kerk ruimte ontstaan voor hervormingen. Zeker wanneer we ons herinneren dat deze hervormingen niet de kern van het geloof aantasten en niets te maken hebben met de fundamentele leerstellingen, zoals de triadologie en de christologie. Hervormingen behoren tot het domein van het tijdelijke en hebben vooral betrekking op praktische, morele, canonische of liturgische kwesties. Zoals vader Nicolas Afanassieff, de grote orthodoxe theoloog en canonist, duidelijk zegt over de canons van de kerk: zij zijn tijdelijke uitdrukkingwijzen van eeuwige waarheden. Dit impliceert dat naast de onveranderlijke en eeuwige waarheden (zoals de fundamentele leerstellingen), die niet kunnen worden veranderd of gewijzigd naargelang de tijd, de periode, de culturele context, enz., er ook de tijdelijke uitdrukking en de historische toepassing van deze waarheden zijn, die onderhevig zijn aan veranderingen, wijzigingen of hervormingen. Met andere woorden, hervormingen vertrekken vaak van pogingen tot formuleringen en herformuleringen van het “hoe” van de waarheid, waarbij de kern van de waarheid onaangeroerd blijft. Hervormingen gaan over het begrip en de interpretatie van de waarheid, de actualisering of aanpassing op een bepaalde plaats en op een bepaald tijdstip van de eeuwige waarheid, van de christelijke “enhypo-statische”waarheid, en niet van het wezen zelf van deze waarheid. Met uitzondering dus van de triadologische en christologische leer – de kern van het kerkelijke geloof dat nooit het voorwerp kan zijn van enige hervorming – lijkt ons dat voor de rest elke discussie toegelaten is, soms zelfs wenselijk. Merken we in dit verband op dat tijdens het eerste millennium alle oecumenische concilies van de onverdeelde kerk uiteindelijk betrekking hebben op kwesties die in hoofdzaak triadologisch of christologisch zijn; ze hebben het christelijke geloof vormgegeven en het katholieke geloof afgebakend, de volheid van het geloof geplaatst tegenover de gedeeltelijke aanvaarding ervan – de ketterij. Wanneer we deze stelling in een oecumenisch perspectief doorzetten, dan zouden we kunnen stellen dat, met uitzondering van de triadologie en de christologie die de basis zelf van het christelijke geloof en de christelijke praxis vormen, we voor het overige vrijelijk zouden kunnen discussiëren of, naargelang de precieze context (de tijd, de ruimte, de sociale veranderingen, de nieuwe filosofische richtingen, enz.), zelfs zouden kunnen overgaan tot hervormingen, vermits deze betrekking hebben op de tijdelijke sfeer en niet op “de harde kern” van het geloof.

Deze aanvaarding van de hervorming en van wat in de kerk kan worden hervormd, onderstelt van tevoren een tegelijk positieve en kritische benadering van de contextuele theologie. Dit is bij de orthodoxen niet altijd het geval. Ongeacht enkele excessen, legt de contextuele theologie de nadruk op de nauwe band tussen de tekst en de context; ze herinnert er ons aan dat we onmogelijk theologie kunnen bedrijven op een zuiver intellectuele of academische wijze, zonder rekening te houden met de geschiedenis en de socioculturele context, met de pastorale noden en de onvermijdelijke diversiteit van de menselijke culturen en de theologische uitdrukkingsvormen. Nochtans impliceert het aanvaarden van zo’n hervorming ook een "orthodoxe" versie van het principe "Ecclesia reformata et semper reformanda", een principe dat volgens de eminente orthodoxe historicus en theoloog Jean Meyendorff "duidelijk de protestantse benaderingswijze van de Traditie is". Deze grond tot "permanente hervorming" van wat menselijk en tijdelijk is in de Kerk, dit principe van "de hervormde en steeds opnieuw te hervormen Kerk" dat gewoonlijk aan het protestantisme wordt toegeschreven, kan en moet door het orthodoxe christendom toegepast worden "op de zuiver menselijke elementen – en die zijn talrijk in de historische kerk", zo zegt dezelfde theoloog. "Maar wat God ons geeft," zo gaat hij verder, namelijk "de goddelijke aanwezigheid van zijn volheid in ons en onder ons, in de sacramenten en in de Waarheid die in de Kerk bewaard wordt door de Heilige Geest, dat staat boven elke 'hervorming'." Volgens het standpunt van Meyendorff vormt dit 'maar' het wezenlijke verschil tussen de protestantse en de orthodoxe benadering van de hervorming: eerstgenoemde beschouwt de Kerk als een volledig menselijke instelling, terwijl voor de tweede datgene wat de Kerk uitmaakt, niet menselijk is, maar eerder godmenselijk. Dit godmenselijke aspect mag niet tot het onzichtbare worden herleid: het is zichtbaar en historisch, net als de Godmens die een zichtbare en historische persoon was. Volgens Meyendorff schuilt er achter deze verschillende benadering van de hervorming een fundamenteel theologisch verschil, dat teruggaat op de overheersing van het augustinisme in het hele (katholieke, maar ook protestantse) Westen. Dit heersende augustinisme heeft vanwege zijn stelling over de identificatie van God met zijn essentie, nooit de oosterse leer van de deïficatie van de mens en zijn reële deelname aan Gods leven (via de goddelijke energieën) kunnen begrijpen en aanvaarden. Met als gevolg dat het protestantisme de gemeenschap tussen God en de mens in de Kerk heeft afgewezen, en dus ook de verering van de heiligen en het sacramentele realisme heeft verworpen.

II. Kleine geschiedenis van de herinterpretaties, herformuleringen en hervormingen in de orthodoxe kerk

 Laten we na deze elementaire preciseringen en ophelderingen, en met het oog op een theologie van de hervorming, terugkeren in de tijd naar die momenten van verandering en evolutie, van herinterpretaties en herformuleringen, die eigenlijk slechts het natuurlijke gevolg zijn van de theologie van de Menswording en de pneumatologische dimensie van de Kerk. We kunnen in het kort enkele van die grote momenten van evolutie en herformulering aanhalen, die samenvallen met de bloei van het oosterse christendom. Toentertijd hadden die momenten het effect van kleine 'revoluties' of kleine 'hervormingen', alhoewel het telkens slechts ging om herinterpretaties en herformuleringen van het oorspronkelijke gegeven of van de vroegere traditie:

 – De openheid van de primitieve kerk ten aanzien van de heidenen en meer bepaald van de Griekse wereld, zoals dit merkbaar is in o.m. de geschriften van Johannes, de theologie van de heilige Paulus of de beslissingen van het apostolische concilie van Jeruzalem in 48 n.Chr. Dit concilie heeft alle joodse vooronderstellingen (op cultureel of religieus vlak) opgeheven om zo de heidenen tot de kerk te kunnen toelaten. Het wordt overigens als het eerste concilie van de kerk beschouwd.

 – De ontmoeting of synthese tussen het christendom en het hellenisme, op een moment dat het christelijke geloof, dat aanspraak maakte op universaliteit, ertoe gebracht werd om zich uit te drukken in denkvormen ontleend aan de antieke Griekse filosofie. Hierbij probeerde de christelijke theologie, waarvan de filosofische uitgangspunten aanvankelijk onverenigbaar waren met die van het Griekse denken, een antwoord te geven op vragen die van oorsprong niet christelijk maar Grieks waren.

 – Een analoge beweging leidde van de bijbelse theologie, met haar Semitische en meer bepaald Hebreeuwse roots, naar de patristische theologie. Deze laatste werd niet enkel gevoed door het joodse denken en het evangelische woord, maar ook door de Griekse filosofie en cultuur. Aanvankelijk was de patristische theologie slechts een exegetische theologie, die vertrok van de interpretatie van de Schrifttekst, maar die tegelijk een antwoord probeerde te geven op de uitdagingen en vragen van de heidense filosofen en van het Griekse denken in het algemeen. Aldus getuigde de patristische theologie in die tijd van een aanzienlijke verandering in de wijze van interpreteren van de gewijde teksten. In sommige opzichten belichaamde zij een eerste poging tot ontmythologisering (vooral bij Origenes en Gregorius van Nyssa). Merken we op dat wanneer de Kerkvaders de Bijbel begonnen te interpreteren, zij vooral bekommerd waren om de geest van de Bijbelse teksten bloot te leggen en niet zo geïnteresseerd waren in de letter ervan. Ze deinsden er niet voor terug om gebruik te maken van alle interpretatieve en exegetische methodes die in hun tijd bekend waren, en van alle kennis die de filosofie en andere disciplines, die ze vaak jaren lang hadden bestudeerd, hun verschaft hadden. Het patristische denken kende overigens zo'n ontwikkeling, dat bepaalde theologen en patrologen – ook sommigen die zich tot de behoudsgezinde of 'traditionele' stroming rekenden – niet aarzelden om ten opzichte van het Bijbelse of primitief-christelijke denken, te spreken van "groei" (Gr. auksèsis). Ter verduidelijking voegden ze er echter aan toe dat "groei" hier niet betekent verbetering, rijping of vooruitgang in de openbaring van het geloof, maar de vervolmaking in Christus en door de Heilige Geest van het geestelijke leven, alsook de doctrinaire verrijking van het leven in de kerk.

 – Hoe paradoxaal het ook moge lijken, de primitieve christelijke theologie en in zekere mate ook de patristische theologie waren binnen hun specifieke context 'modern' avant la lettre; ze waren zelfs de voorbode van bepaalde aspecten van de westerse moderniteit. We vergeten al te gemakkelijk dat het primitieve christendom, gezien de radicale breuk die het in de christelijke gemeenschappen teweegbracht, eigenlijk een vroegtijdige vorm van 'moderniteit' vertegenwoordigt, die om diverse redenen – in het kader van deze uiteenzetting kunnen we hierop niet verder ingaan – haar bevrijdende werking niet heeft kunnen afmaken of realiseren: de vervanging van de abstracte metafysica door de persoonlijke ervaring en de vereniging met God; de gelijkheid van geslachten en rassen (een eerste aanzet in de richting van de bevrijding van de vrouw); de eschatologische overwinning in Christus van elke vorm van onrechtvaardigheid en scheiding; de desacralisering van de keizer en zijn gezag; de vrijmaking van de persoon van zijn religieuze onderwerping aan de stad, de staat of het gesacraliseerde gezag;  de vrijmaking van de menselijke persoon van zijn slaafse onderwerping, ditmaal op biologisch vlak, aan zijn ras, patriarchale familie, stam; de weergaloze uniciteit en de uitzonderlijke waarde van de menselijke persoon; de ontvoogding van de onderwerping aan de letter van de wet; de aanzet tot bevrijding van de voor die tijd duistere en niet opgehelderde aspecten van de biologische functies van de mens; de onttovering en desacralisering van de natuur, enz.

– De liturgische evolutie die begonnen is met gemeenschappelijke maaltijden en het eenvoudige eucharistische gebed in de eerste eeuwen van het christendom, om uit te monden in een hele reeks officies en riten. Deze ontwikkeling heeft tot het begin van de 16e eeuw voortgeduurd en wordt onder meer gekenmerkt door de overgang van een parochiale liturgische traditie naar een monastieke liturgische traditie. In wezen is hierbij het communautaire en eschatologische karakter van de cultus behouden gebleven, alsook de visie op de Eucharistie als het sacrament bij uitstek van de kerk. Dit wezenlijke sacrament van de christelijke communauteit doet de ganse biddende gemeenschap deelnemen aan de transfiguratie van de wereld en de geschiedenis, door een voorsmaak te geven van het Eschaton en te anticiperen op het Koninkrijk Gods.

 - De canonische hervormingen, vooral door het Concilie "in Trullo" (Quinisextus) in 691-692. Op basis van het hierboven vermelde onderscheid tussen de eeuwige waarheden en hun tijdelijke en historische uitdrukkingsvormen, hebben deze hervormingen niet enkel het canonische systeem van de kerk, maar ook haar ecclesiologische structuur en liturgische ordening duidelijk gewijzigd. Laten we hier opmerken dat de canonische hervormingen door het Concilie "in Trullo" een poging waren om het theologische onderricht van de kerk aan te passen aan de historische realiteit, die sinds de tijd van het primitieve christendom geëvolueerd was. Deze hervormingsactiviteit getuigt van een conciliaire creativiteit, waarbij zelfs de canonische en conciliaire decreten werden herzien of vervangen. Het probleem dat zich stelt in een tijd van conciliaire achteruitgang, zoals nu het geval is, is dat we de dialectiek tussen de eeuwige waarheden en de tijdelijke en historische uitdrukkingswijzen van deze waarheden, vergeten; we geven er de voorkeur aan deze dialectiek en het criterium van de waarheid te vervangen door de wet van de gewoonte. Het meest karakteristieke voorbeeld van deze situatie is het verplichte celibaat van de bisschoppen, dat ingevoerd werd door canon 12 van het Concilie "in Trullo". Bijna iedereen erkent inmiddels de impasse en de ernstige problemen die deze dertien eeuwen oude hervorming met zich meebrengen. Maar de conciliaire achteruitgang die de orthodoxe kerk al lange tijd kenmerkt en de voorrang van het principe van de gewoonte op het principe van de waarheid, verhinderen elke ernstige discussie en elke beslissing om terug te keren naar de traditie en de ordening van de oude kerk.

 - De vertaling van de Bijbelse en liturgische teksten in de lokale talen, dit vanaf de eerste eeuwen van het christendom, en later, vanaf de eerste Byzantijnse missies; maar ook de verwerping van elke theorie van 'heilige talen', vermits de Menswording van Christus elk menselijk werk, elke plaats, elke taal en elke cultuur heeft geheiligd (en dit vele eeuwen vóór de protestantse Hervorming of, a fortiori, het Tweede Vaticaans Concilie).

 - De voorbeelden die dateren van na het primitieve christendom, zoals het onstaan van het monachisme (dat aanvankelijk wilde herinneren aan de eschatologische dimensie van het christelijke geloof en een protestbeweging was tegen het compromis van de institutionele kerk met de wereld en het gezag) en het ontstaan van de iconenverering (die de theologie van de Menswording vooronderstelt, evenals het achter zich laten van de Semitische aniconische cultus). Het is interessant erop te wijzen dat het monachisme en de iconenverering mettertijd de karakteristieke en zelfs onmisbare uitdrukkingsvormen van de orthodoxe spiritualiteit en vroomheid zijn geworden.

   Men kan natuurlijk discussiëren of redetwisten over de juistheid, de waarde en de reikwijdte van deze veranderingen en evoluties, of over hun trouw aan de apostolische traditie. Maar men kan niet ontkennen dat deze veranderingen en evoluties deel uitmaken van de geschiedenis van een kerk die haar trouw aan deze traditie hoog in het vaandel draagt, die van de traditie een beslissend, zo niet opperste criterium van haar kerkelijke leven en theologie maakt. De voorbeelden zijn beperkt – we zouden er nog vele andere kunnen aanhalen en ons bv. buigen over praktische of morele zaken, zoals echtscheiding, die al vrij vroeg werd toegelaten in de orthodoxe kerk. Maar we hebben de voorbeelden hier enkel naar voren geschoven om eraan te herinneren dat de begrippen hervorming en herziening, in de breedste zin van het woord, niet onbekend zijn in de traditie van de oosterse kerk..                      

Vertaling uit het Frans: Xavier V

12:07 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.