16-02-11

Endokimov Paul : Het heilige

Het heilige

 

De gewone omgangstaal gebruikt dikwijls de uitdrukkingen : de heilige wil, de heilige plicht, de heilige wet, een heilig man. In de loop van de semantische evolutie zal de term “heilig” zich losmaken  van haar wortels en een morele betekenis aannemen die ver  staat van haar initiele ontologische betekenis.

Voor alles, stelt het heilige zich boven de elementen van deze wereld en stelt zij het binnendringen vast van wat R.Otto het “ganz Andere” noemt, alsoluut anders, verschillend van deze wereld. De Bijbel geeft ons de juiste betekenis : God alleen is “ontos” – waarachtig in alles wat hij is, de Heilige; het schepsel is er in zekere zin van afgeleid; het heilige of de heilige is nooit zo door zijn eigen natuur, door zijn essentie, maar altijd door participatie. De term Qadosh, agios,sacer,sanctus, houdt een relatie in van totaal toebehoren aan God en postuleert een uitzondering. De act die heilige maakt ontneemt iets of een zijnde zijn empirische condities en plaatst hem in communio met het numineuze, dat wat hun natuur verandert en dat onmiddellijk aan de omgeving het mysterium tremendum doet ervaren, de heilige siddering voor de tegenwoordigheid van dit “numineuze”. Het is niet de schrik voor het onbekende, maar een zeer karakteristieke mystieke ontzetting die elke manifestatie van de transcenderende, zijn energetische uitstraling vergezeld doorheen de realiteiten van deze wereld : “ Vrees voor mij zal ik doen uitgaan. Alle volkeren die gij aantreft zal ik in paniek brengen” zegt God (EX.23,27; of nog :”Kom niet dichterbij en doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilige grond” (Ex,3,5).

Het is onder de onechte elementen van deze wereld, de ontstellende intrede van een “onschuldige” realiteit, want geheiligd, wat betekent gereinigd en teruggebracht tot zijn  originele staat, tot zijn authentisch  noodlot :  de  zuivere verzamelplaats van een aanwezigheid, opdat het heilige van God erin ruste en uitstraalt. Immers, “deze plaats is heilige” door de aanwezigheid van God, zoals dat gedeelte van de Tempel  heilig was dat de ark van het Verbond bevatte, zoals de “Heilige schriften” het  zijn, want zij bevatten de aanwezigheid van Christus in zijn woord, zoals gans de Kerk heilig is, want God verblijft er en maakt het tot “Huis van God”, hij spreekt er en geeft het zijn voedsel. De “Vredeskus”, tijdens de  liturgische synaxis werd “heilig” genoemd want  het bezegelde de communio met de aanwezige Christus. De engelen, “tweede lichten” zijn heilig want zij leven in het licht van God en stralen het uit. De profeten, de apostelen, “de heiligen van Jeruzalem” zijn heilig door de charismen van hun dienstverlening. Het is door een “uitverkiezing” dat Israël het ethnos agion, een “heilige natie” was; en in de economie van het Nieuwe Israël wordt elke gedoopte  “gezalfde”, gezalfd met de gaven van de heilige Geest; deze gaven integreren hem in Christus opdat hij zou “participeren aan de natuur van God” (IIPetrus 1,4), en door deze deelname, wordt hij heilig , heiligt hij zich. De bisschoppen onder hen kennen zich de titel toe van sanctus frater,  en een patriarch draagt de titel “zijne heiligheid”, niet krachtens zijn menselijke realiteit, maar door zijn bijzondere deelname aan het priesterschap van Christus, enige opperpriester, alleen heilig.

De liturgie brengt ons een zeer uitdrukkelijke lering over deze notie. Voordat hij het eucharistisch maal offert, zegt de priester : “het heilige voor de heiligen” en de verzamelde gelovigen, alsof gegrepen door deze ontzagwekkende eis, antwoord door zijn onwaardigheid te belijden : Tu solus sanctus, Alleen de Heer Jezus Christus is heilig”. De enige, de unieke Heilige door zijn natuur is Christus, zijn leden zijn slechts heilig door het participatie aan deze unieke heiligheid. “Uw licht weerkaatst op de gezichten van uw heiligen” zingt de Kerk. “Christus heeft zijn Kerk liefgehad…opdat zij heilig zou zijn” (Ef.5,25-27), en “de gelovigen worden  heiligen genoemd omwille van de heilige dingen waaraan  zij deelhebben”legt Nicolas Cabasilas uit. Jesaja (6,5-6) geeft er een zeer nauwkeurige beschrijving van : “Ik ben een mens wiens lippen onzuiver zijn…maar één van de serafijnen vloog naar mij toe met in de hand een brandende kool die hij van het altaar had genomen met  een tang…en hij raakte mijn mond aan en zegt : dit heeft uw lippen aangeraakt, uw ongerechtigheid is weggenomen” De mens is  heilig geworden door zuivering, want de machten van daarboven hebben hem aangeraakt. De priester “herdenkt” dit visioen van  Jesaja : hij kust de rand van de kelk, symbool van de doorstoken zijde van Christus zeggend : Dit heeft mijn lippen aangeraakt, neem mijn ongerechtigheden  weg en zuiver mij van mijn zonden” De lepel waarmee de priester zich bediend om de heilige gaven te geven noemt in het grieks “lavis”, pincet, waarvan ook Jesaja spreekt, en de spirituelen,  die de eucharistie voor de geest halen, zeggen : “Gij nuttigt het vuur”

Uit deze unieke goddelijke bron vloeit, door participatie, de liturgische heiliging voort welke alle daden van het menselijk leven  integreren volgens hun daadwerkelijke bestemming.

De mens  geraakt er aan gewend om te leven in de wereld van God, in de diepten  waarin hij een paradijselijke toekomst kan waarnemen; het universum wordt opgebouwd in de cosmische liturgie, als tempel van de glorie van God. Dit doet ons begrijpen dat alles virtueel heilig is en dat er niets profaan is,  niets neutraal, want alles is op God gericht  ( het  liturgisch “gedenken” betekent zich op God richten, alles terugbrengen in de herinnering, tot  gedachtenis van God). Niettemin, naast het heilige vormt zich zijn karikatuur, de bedenkelijke deelname aan de “Prins van  de duisternis, aan de demoon.Het is daarom dat de heilige Gregorius van Nyssa categoriek  simpel weg het menselijke en het zuivere profane als onbestaand beschouwt. Ofwel is de mens  de “engel van het licht”, de icoon van God, zijn gelijkenis, of hij draagt het masker van het beest en  speelt hij voor aap.

De liturgie gewijd aan de taal van het heilige, introduceert in de wereld symbolen. Een symbool ( een kruis, een icoon, een tempel) vertegenwoordigt een deelnam aan het hemelse, zelfs in haar  uiterlijke materiële verschijning. Echter, een fragment van de tijd of het heelal wordt een hiërofanie, een  verzamelplaats  voor het heilige, en dit, zonder dat er iets verandert voor de fysieke ogen die blijven deelnemen aan de empirische omgeving. Maar tussen het heilige en zijn materiële drager, bestaat er een ontologische communio ( tussen de materie van de sacramenten of het menselijk zijn enerzijds, en de energieën van de genade van het andere anderzijds).  In het uiterste geval, de communie gaat over tot een consubstantialiteit en een totaal metabolisme : het brood en de eucharistische wijn betekenen noch symboliseren het lichaam en bloed , maar zij zijn het. Dit is het mirakel van de “identiteit door de genade” waarvan de heilige Maxim spreekt; de heilige Arsenius verscheen aan zijn leerlingen, onder de vorm van vuur, licht-mens :  hij ving het niet alleen op, hij bracht het voort. Maar voor deze beperkte gevallen zegt het woord van het evangelie : “Wie oren heeft om te horen hij hore”.

 

UitL’Art de l’icone’- Paul Evdokimov – pp.105-108

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

10:59 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.