12-10-11

De 7 oecumenische concilies

De 7 oecumenische concilies

 

oecumenisch concilie van Nicea2.jpg

 Het concilie van Nicea

 

1 Het concilie van Nicea (325)

Dat Arius, priester van Alexandrië, veroordeelde en daardoor de Mensgeworden Zoon van God als wezensgelijk met de Vader definieerde. Ook hield men zich bezig met de materiële organisatie van de Kerk. De eerste vier patriarchaten werden vastgelegd : in volgorde : Rome, Alexandrië, Antiochië en Jeruzalem (Later zou ook Constantinopel patriarchaat worden).

2. Het concilie van Constantinopel  (431).

Dat de geloofsbelijdenis (Credo) vastlegde en waar Constntinopel als Nieuw Rome (het  werd de hoofdstad van het Romeinse rijk), de tweede ereplaats ontving na Rome en boven Alexandrië.

3. Het concilie van Efese (431).

Dat de ketterij van Nestorius veroordeelde en verklaarde dat er in Christus geen twee personen naast elkaar bestonden – God en een mens die Jezus heette – maar dat de godheid en de mensheid in één persoon verenigd waren, de persoon van het Woord, Zoon van God : daarom is Maria de moeder van Jezus, moeder van God (Theotokos)

4 Het concilie van Chalcedon (451).

Dat bij het aanvaarden van één persoon in Jezus Christus de monofysieten veroordeelde : deze laatsten wilden geen onbderscheid maken tussen de persoon (hypostasis) en de natuur (physis) : als Christus één persoon is, zo beweerden zij, dan kan hij geen  twee naturen hebben maar slechts één, de goddelijke. Het concilie hield staande dat er twee naturen in de ene persoon van het Woord zijn en dat deze twee naturen verenigd zijn ‘zonder in elkaar over te gaan, elkaar te wijzigen, te verdelen of te scheiden’.

5 Het concilie van Constantinopel. (553).

Keizer Justinianus wilde aan de monofysieten, die hij tot de Kerk wilde terugbrengen, bewijzen dat het concilie van Chalcedon niet in het nestorianisme vervallen was en daarom haalde hij dit nieuwe concilie over om drie theologen uit de vijfde eeuw te veroordelen, die verdacht waren van nestoriaanse neigingen.

6. Het concilie van Constantinopel (680)

Dat een afwijkende vorm van het monofysitisme, het monotheletisme , veroordeelde. Volgens het monothelitisme heeft Christus wel twee naturen maar slechts één wil : de goddelijke wil. Het concilie stelde daartegenover dat de mensheid in Jezus Christus geen abstracte werkelijkheid is, maar dat deze zich  uit in een vrije wil die vrij en in alles aan de goddelijke wil onderworpen is. Christus heeft dus twee willen.

7.Het concilie van Nicea (784.

Dat zich uitsprak over de rechtgelovige leer over de beelden (iconen) die Christus en de heiligen voorstellen. De Zoon van God is werelijk vlees en een echte mens geworden : Hij kan dus uitgebeeld worden, evenals de heiligen.  DEeze beelden moeten vereerd worden, want het werkelijke voorwerp van de verering is degene die ze voorstellen, maar zij kunnen niet het voorwerp worden van aanbidding omdat men deze alleen voor God  mag verrichten. De verering van de beelden werd bestreden door verschillende ‘iconoclastische’ byzantijnse keizers.

Latere schrijvers vergelijken de zeven concilies met de zeven zuilen van de Wijsheid of met de zeven gaven van de heilige Geest.

Het is niet omdat de Orthodoxe Kerk geen ander dan de zeven concilies als oecumenisch  beschouwd, dat haar leergezag zich beperkt tot een bepaald historisch tijdperk. De Orthodoxe Kerk verklaart zich trouw aan het geloof van de oude concilies – de gemeenschappelijke erfenis van het christelijke Oosten en Westen – en ze is zich bewust de Ene Kerk te zijn  waarvan deze concilies vroeger de uitdrukking waren.

 

Uit: De Orthodoxe Kerk – huistorische en specifieke aspecten – door Bisschop Athenagoras van Sinope.

 

 

 

 

 

 

10:34 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.