16-11-11

Biecht en communie : Alexander Schmemann

Biecht en Communie

 

Aartspriester Alexander Schmemann

 

Wat  is  in  deze  voorbereiding  d eplaats  van  de  sacramentele  biecht  ?    Een vraag die we moeten stellen en proberen te beantwoorden  omdat  in  vele  Orthodoxe kerken de leer is ontstaan en tegenwoordig algemeen wordt geaccepteerd, dat het voor leken  onmogelijkis  de  communie  te ontvangen  zonder  voorafgaande sacramentele  biecht  en  absolutie.  Zelfs wanneer  iemand  veelvuldig  de  communie wenst te ontvangen, moet hij toch iedere keer opnieuw biechten of minstens de acramentele absolutie ontvangen.

 Maar nu is het moment gekomen om openlijk te stellen dat, wat er ook voor uiteenlopende en ernstige redenen waren, waardoor deze leer en praktijk konden ontstaan, die redenen niet alleen niet gebaseerd zijn op de Traditie,maar in feite tot zeer verontrustende misvormingen leiden van de Orthodoxe leer over de Kerk, over de Eucharistie en over het Boete-Sacrament zelf.

 Om  zich  hiervan  te  overtuigen  behoeft  men  zich  slechts  de oorspronkelijke  opvatting  van  de  Kerk  over  het  Sacrament  van  boete  in herinnering te brengen. Dit was en is nog steeds volgens de oorspronkelijke leer van de Kerk, het Sacrament van verzoening met de Kerk, van terugkeer tot de  Kerk  en  tot  haar  leven    van  hen  die  geëxcommuniceerd  waren,  dit  wilzeggen, voor hen die waren buitengesloten van de Eucharistische samenkomst van de Kerk. In het begin was, wegens het hoge morele levenspeil dat men van de leden van de Kerk verwachtte, slechts éénmaal zo’n verzoening toegestaan :“Indien  iemand  na  de  grote  en  heilige  roeping  (  van   het  Doopsel)  door  de duivel en door de zonden is verleid, kan hij maar éénmaal boeten”, lezen we in De Herder van Hermas,een christelijk document uit de tweede eeuw, “want indien iemand vele malen zondigt en telkens boete doet, baat hem de boete niet”.

 Later, en vooral na de massale kerstening van het Romeinse Rijk, die volgde op de bekering van Keizer Constantijn, werden de strenge regels voorde Boete wat verzacht, maar de opvatting over het sacrament zelf veranderde geenszins.  De  biecht  was  alleen  voor  degenen  die  door  de  kerk geëxcommuniceerd waren wegens daden en zonden, die  duidelijk omschreven waren in de canonieke Traditie van de Kerk. En dat het sacrament van de Boete nog  steeds,  ook  vandaag,  door  de  Kerk  zo  begrepen  wordt,  blijkt  immers duidelijk  uit  het  gebed  van  de  absolutie  :  “….verzoen  hem  (haar)  met  de Heilige Kerk in Christus Jezus, onze Heer….” (Dit i s, tussen haakjes, HET gebed voor de absolutie dat in de Orthodoxe Kerken algemeen in gebruik is. Het  tweede  gebed,  onbekend  in  menige  Orthodoxe  kerk  –  “….en  ik, onwaardige priester, vergeef u en ontsla u van uw zonden door de macht die mij gegeven is….”, is van westerse oorsprong en ver scheen in onze liturgische boeken in de tijd van de snelle “latinisering” van  de Orthodoxe Theologie).

 Betekent  dit,  dat  de  niet-geëxcommuniceerden,  de  trouwe  gelovigen, door de Kerk als zonder zonden werden beschouwd ? Natuurlijk niet. De leer van de Kerk zegt immers dat niemand behalve God zonder zonden is en dat er “geen mens op aarde leeft die niet zondigt”  Maar de Kerk heeft ook altijd geleerd dat, hoewel er zonden zijn die een christen excommuniceren, er ook zonden zijn die niet leiden tot deze breuk met de gemeenschap der gelovigen en deelname aan het Sacrament.  Nicolas Cabasilas schrijft :

 “Er zijn zonden die niet ten dode zijn volgens de l eer van de heilige Johannes. En daarom is er niets dat de christenen, die geen zonden hebben begaan welke hen scheiden van Christus en ten dode voeren, kan weerhouden van de gemeenschap met de heilige Mysteriën en de deelname ter heiliging, niet  alleen  uiterlijk,  maar  wezenlijk,  want  zij  blijven  levende  ledematen, verenigd met het Hoofd….”

 Het is echter niet zo dat deze zonden – de algehele  zondigheid, zwakheid en onwaardigheid van ons leven – geen berouw en ver geving behoeven. De gehele  voorbereiding  voor  de  Communie  is,  zoals  we  gezien  hebben, doortrokken van dat  berouw  en  een kreet om  vergiffenis.  De  sacramentele biecht  en  de  sacramentele  absolutie  zijn  daarvoor  echter  niet  noodzakelijk, omdat  die  alleen  golden  voor  geëxcommuniceerden.  Onze  “niet  dodelijke” zonden en onze algehele” “zondigheid” belijden wij telkens wanneer we bijeen zijn voor het sacrament van Christus’ Tegenwoordigheid. Het gehele leven van de Kerk is in feite gevestigd op dit voortdurend berouw. Tijdens de Heilige Liturgie zelf belijden we onze zonden en vragen we om vergeving in het gebed van het Trisagion :

 ….vergeef ons alle bewuste en onbewuste zonden. Hei lig onze zielen enlichamen en geef ons om U te dienen in heiligheid al de dagen van ons leven….

 En wanneer we de Heilige Kelk naderen vragen we vergeving voor onze “vrijwillige  en  onvrijwillige  zonden,  begaan  in  woord  en  daad,  bewust  en onbewust”  en geloven wij dat we, naar de mate van  ons berouw, vergiffenis verkrijgen  juist  door  onze  deelname  aan  het  Sacrament  der  vergeving  en genezing.

 Het  moet  dan  ook  duidelijk  zijn  dat  de  leer,  die  stelt  dat  het Boetesacrament  absolute  voorwaarde  is  voor  het  toelaten  van  de  gewone gelovigen  (de  leken)  tot  de  communie,  niet  alleen  afwijkt  van  de oorspronkelijke en algemene Traditie van de Kerk, maar ook een verminking is van  de  Orthodoxe  leer  over  de  Kerk,  van  de  Eucharistie  en  van  het Boetesacrament zelf. Een verminking van de leer over de Kerk, omdat het de facto haar leden in twee categorieën verdeelt, waarbij voor de ene categorie (de leken), de wedergeboorte door de Doop, de heiliging door de Zalving, “het medelid  worden  met  alle  Heiligen  van  Gods  hofhouding”,  niet  voldoende geacht  worden  voor  het  deelkrijgen  aan  het volledige  lidmaatschap,  dit  wil  zeggen  het deelhebben aan het sacrament waarin de Kerk zichzelf realiseert als het Lichaam van Christus en de Tempel van de Heilige Geest. Die visie verminkt de leer over de Eucharistie omdat zij aan de communie andere voorwaarden stelt dan het lidmaatschap van de Kerk en het praktisch onmogelijk maakt de Eucharistie te zien en te ervaren als het sacrament bij uitstek van de Kerk, als de daad waardoor, in de woorden van de Basilius- Liturgie, “wij allen die deelhebben aan het ene Brood en de ene Beker, één worden met elkaar in de gemeenschap met de Heilige Geest”.

 Tenslotte is het een misvorming van het Sacrament van Boete zelf omdat het,  door  een  formele  en  in  feite  enige voorwaarde  te  worden  voor  de  communie,  de biecht  in  de  plaats  stelt  van  de  wezenlijke voorbereiding voor de communie, die, zoals we gezien  hebben  bestaat  uit  een  diep  innerlijk berouw.  De nadruk en de hele beleving van het sacrament verschuift van berouw naar absolutie, en wordt begrepen in termen van een bijna magische macht. Het is die formele, half-magische, half-juridische “absolutie”, en niet  de verzoening met de Kerk waarvan  hij  door  zijn  zonden  was  geexcommuniceerd,  die  iemand tegenwoordig in de biecht zoekt, en hij zoekt die niet omdat zijn zondigheid hem dwars zit (meestal vindt hij dat iets vanzelfsprekends en onvermijdelijks) maar omdat het hem het “recht” geeft om met een goed geweten tot de Heilige Gaven te naderen. En nu het niet meer dan een “voor waarde” is geworden, is het Boetesacrament, - zo beslissend, zo ontzagwekkend in de vroege Kerk –feitelijk zijn werkelijke betekenis en plaats in de Kerk kwijt geraakt.

 Hoe is het mogelijk geweest dat een dergelijke leer in de Kerk is kunnen ontstaan  en  tot  norm  is  geworden  ,  en  door  velen  wordt  verdedigd  als  een quintessence van de Orthodoxie ? Daar zijn drie belangrijke factoren voor aan te wijzen. Eén hebben we reeds genoemd. Het nominale, minimalistische en lauwe reageren op het appèl dat de Kerk op haar leden doet, het verwaarlozenvan de sacramenten wat de Vaders openlijk veroordeelden en wat aanvankelijk leidde tot het minder en minder ontvangen van de communie, en tenslotte tot de “eens-per-jaar-verplichting”, die er van gemaakt is .  Dan spreekt het vanzelf dat een christen, die maar zelden tot de Heilige Mysterieën nadert en die overigens best  tevreden  is  met  zijn  feitelijke “excommunicatie”,  wel  verzoend  moet worden met de Kerk en niet tot de communie kàn word en toegelaten tenzij via het Boetesacrament.

 Een tweede factor, totaal verschillend van de vorige, was de invloed van de monastieke biecht – de geestelijke leiding die e en ervaren monnik gaf aaneen minder ervarene – waarvan de bedoeling “een voortdurende “blootstelling van  de  ziel”  was  van  de  laatste  aan  de  eerste.    De  “Starets”  aan  wie  een dergelijke geestelijjke leiding en “biecht” was toe vertrouwd, hoefde niet per sé priester  te  zijn  (van  oorsprong  werd  het  monastieke  leven  in  feite onverenigbaar geacht met het priesterschap) en dit zich uitspreken had volstrekt niets te maken met het Boetesacrament.  Het vormde een integraal onderdeelvan het monastieke leven en de discipline die gebaseerd was op de volstrekte gehoorzaamheid, en op de verloochening van de eigen wil door de monnik.  Zo was  het  volgens  de  Byzantijnse  monastieke  typica  van  de  twaalfde  en  de dertiende  eeuw  de  monnik  verboden  zowel  om  de  communie  te  ontvangen alswel zich ervan te onthouden naar eigen beslissing, zonder de toestemming van de abt of van zijn geestelijke leidsman, want, om één van deze typica te citeren,  “wie  zichzelf  de  Communie  ontzegt,  volgt      zijn  eigen  wil”.  In vrouwenkloosters had de abdis eenzelfde volmacht.  Hier is dus sprake van een “biecht” van niet-sacramentele aard en in zekere zi n te vergelijken met wat we vandaag “gericht gesprek” zouden noemen.  Maar historisch gezien is dit van grote, ja zelfs van beslissende invloed geweest op de sacramentele biecht. In een tijd van geestelijk verval (waarvan men bijvoorbeeld nog duidelijk sporen terugvindt in de canons van het zogenaamde Concilie van Trullo, dat in Constantinopel  werd  gehouden  in  691)  en  van  verlies  van  het  morele  en geestelijk gezag van de “seculiere” geestelijken,  werden de kloosters praktisch de enige echte centra voor geestelijke leiding en waren de monniken de enige geestelijke raadgevers voor de Orthodoxen.  En zo gingen langzamerhand de twee  vormen  van  biechtpraktijk  –  de  “sacramentele”  en  de  “geestelijke”  in elkaar over : de geestelijke kon de voorbereiding voor de Heilige Communie worden  en  de  “sacramentele”  kon  geestelijke  problem en  insluiten  die  er vroeger niet bijhoorden.

 Maar  hoe  gerechtvaardigd  deze  ontwikkeling,  geestelijk  en  historisch gezien, ook was, hoe heilzaam ook onder de toenmalige omstandigheden, ze heeft  het  hare  bijgedragen  tot  de  grote  verwarring  die  nu,  in  onze tegenwoordige omstandigheden, waarschijnlijk, meer kwaad dan goed doet. Er bestaat natuurlijk  geen enkele twijfel over de essentiële behoefte die er binnen de Kerk is aan pastorale en geestelijke begeleiding.  Maar waar het om gaat is dit  :  wordt  deze  behoefte  voldoende  opgevangen  binnen  onze  drie-tot-vijf minuten  biecht  met  een  lange  rij  wachtenden  van  al  diegenen  die  met  hun eenmaal-per-jaar biecht hun “plicht” vervullen ? Is  het dan wel mogelijk om tot de kern van de zaak door te dringen terwijl de biecht het tweeslachtige heeft van een biecht die geen biecht meer is en zich toch ook niet helemaal tot een geestelijk gesprek ontwikkelt ? En dan nog een vraag : is iedere priester, vooral een jonge, voldoende ervaren en “toegerust” voor zi jn taak om alle problemen op te lossen en zelfs om ze helemaal te begrijpen ? Hoeveel tragische fouten, hoeveel geestelijk schadelijke adviezen, hoeveel vergissingen hadden vermeden kunnen  worden  als we  ons  aan  de  werkelijke  Traditie  van  de  Kerk  hadden gehouden en als we de sacramentele biecht uitsluitend hadden voorbehouden aan de biechteling die zijn zonden wil belijden en daarnaast een gelegenheid in ander  verband  had  kunnen  vinden  voor  de  zo  noodzakelijke  pastorale  en geestelijke begeleiding.  Hierdoor zou de priester zich onder andere ook hebben kunnen realiseren, hoe hij in sommige gevallen zelf in gebreke blijft, wat een reden voor hem zou zijn om voor zichzelf hulp en leiding te zoeken – bij zijn bisschop of bij een andere priester of bij de geestelijke ervaring van de Kerk.

 De  derde  en  helaas  beslissende  factor  was  wederom  het  Westerse  en scholastieke en juridische begrip van Boete.  Er is heel veel geschreven over de “Westerse gevangenschap” van de Orthodoxie, maar sl echts weinigen beseffen hoe verstrekkend en diepgaand de misvorming is, die de Westerse invloeden in het leven van de Kerk hebben teweeggebracht. Op de eerste plaats wat het begrip over de sacramenten betreft. Die invloed van het Westen heeft geleid tot de bovengenoemde verschuiving van berouw en verzoening met de Kerk, als de essentie van het Sacrament van Boete, naar de absolutie, die vrijwel uitsluitend werd  gezien  in  termen  van  juridische  macht.  Terwijl  in  de  orrspronkelijke Orthodoxe opvatting bij de absolutie gedacht wordt aan de priester als getuige van de waarachtigheid en ongeveinsdheid van het berouw en hij daarom  gezag heeft om de goddelijke vergiffenis en de “verzoening van de penitent met de Heilige  Kerk  in  Jezus  Christus”  te  verkondigen  en  te  bezegelen,  wordt  de absolutie binnen het Westerse juridische raamwek een “macht in zich zelf” – zodanig  dat  hier  en  daar  de  waarlijk  vreemde  praktijk  is  ontstaan,  dat  de absolutie gevraagd en gegeven wordt, zonder dat er gebiecht is. Het verschil, dat  in  beginsel  bestond  –  genoemd  door  Cabasilas  –  tussen  zonden  die excommunicatie tot gevolg hebben en zonden die een mens niet afscheiden van de  Kerk,  werd  volgens  de  rationalistische  redenering  van  het  Westen  een verschil enerzijds tussen “doodzonden” – die de mens de “staat van genade” ontnamen  en  daarom  sacramentele  absolutie  noodzakelijk  maakten  –  en anderzijds de “dagelijkse zonden”, die de staat van  genade niet aantasten en waarvoor een akte van berouw voldoende is.  In het Orthodoxe Oosten, en met name  in  Rusland  (onder  invloed  van  de  latiniserende  theologie  van  Peter Moghila en zijn volgelingen, was het gevolg van deze leer dat er een dwingend verband ontstond tussen de biecht en iedere communie. De ironie van het geval wil  dat  deze  meest  duidelijke  van  alle  latijnse  “in filtraties”  door  vele Orthodoxen  als  de  norm  bij  uitstek  van  de  Orthodoxie  wordt  beschouwd, terwijl wat niet meer dan een poging is om de norm te herwaarderen in het licht van  de  werkelijke  orthodoxe  traditie,  vaak  voor  een  Rooms-Katholieke afdwaling wordt uitgemaakt !

 

------------------------------------------------------------------------------------------------

 

'De Eucharistie is een maaltijd, een Agape : je kan er enkel aan 'deelnemen', niet toekijken hoe anderen eten, wat trouwens onwelvoeglijk zou zijn ! Waarom denk je, moesten de catechumenen buiten gaan net voor de communie ? Precies omdat alle aanwezigen deelnemen aan de offerande wat ook deelnemen aan de Eucharistie betekent; welnu, de catechumenen, dit zijn nl. de niet-gedoopten, mochten noch aan de offerande, noch aan de Eucharistie deelnemen. Ik herhaal het : men kan bij de liturgie niet spreken van 'aanwezigheid', enkel van 'deelneming'(....) Een zogenaamde 'geestelijke communie is volkomen ondenkbaar. De Kerk kent enkel de reële communie.De eucharistie is heilig, maar ze is ook voedsel. Men kan ze niet reduceren tot een symbool en metafysische gevoelens koesteren' - ‘Een eigen kijk op icoon en de Kerk’ Archimandriet Zenon – monnik, p.53-54.

------------------------------------------------------------------------------------------------

15:21 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.