02-01-12

DE SPIRITUELE WEG VAN DE HEILIGE SERAFIM VAN SAROV

Heiligenleven

 

DE SPIRITUELE WEG VAN DE HEILIGE SERAFIM VAN SAROV

 

 

serafimvan Sorovsk_ eind 19e eeuw-begin 20e eeuw.jpg

Serafim van Sarov

 

 

De monnik in gemeenschap.

 Het leven van de heilige Seraphim van Sarov is eenvoudig en één. Maar deze eenvoud, deze eenheid verbergt in zich een mysterie. Er zijn verschillende goed afgebakende periodes in te onderkennen, waarvan elke periode verschijnt als de spirituele vrucht van deze die er aan voorafgaat.

  Een eerste periode bestaat uit zijn jeugd vanaf zijn geboorte in 1759 tot aan zijn intrede in het monasterium van Sarov in 1779. Prokhor, de toekomstige Serafim was de zoon van vrome handelaars uit de stad Koursk, genaamd Mochnine. Niets was  er bijzonders aan deze  toegewijde blije jongen, die zich gaarne mengde onder de kinderen van zijn leeftijd. Hij was heel  scherzinnigheid van geest, het hiernamaals was voor hem een  heel nabije realiteit. Zo zag hij gedurende een ziekte de Moeder Gods die met hem sprak en hem genezing beloofde. Heel jong nog voelde hij zich tot het monastieke leven aangetrokken. Op de leeftijd van 18 jaar trok hij, samen met enkele andere vrienden, die dezelfde roep als hij hadden ontvangen, op bedevaart naar Kiev om er te bidden bij de relieken van de ‘Petcherskaïa Lavra’.  Hij ging ook om raad bij se startz Dosithéos die hem naar de ermitage van Sarov leidde.

 Hij was twintig jaar toen hij verzaakte aan de erfenis van zijn vader en deed gaven voor de armen. Hij verlaat definitief zijn geboortestad, alleen voorzien van een kleine zak, een stok en als enige schat droeg hij het zilveren kruis bij zich waarmee zijn moeder hem had gezegend en dat hij altijd bij zich droeg.

Een vorm van mystieke predestinatie lijkt zich te openbaren in het feit dat hij als novice binnentrad te Sarov , op de vooravond van het feest van de opdracht in de tempel van de Moeder Gods (de 20e novamber 1779).

 Van 1779 tot 1793 leidde hij het leven als novice, vervolgens van voorbeeldige monnik. In absolute gehoorzaamheid aan zijn staretz. Hij deed lichamelijke arbeid als bakker, als meubelmaker, vervolgens als koster. Hij vastte, las onafgebroken in de Bijbel en in de mystieke werken  van de Vaders, maar vooral wijdde hij zich aan het gebed. Dit waren de oefeningen waarop hij zich voorbereidde op de monastieke tonsuur. Vanaf het begin vermeed hij elke lichamelijke versterving, buiten het vasten en de onthouding. Naar buiten toe was hij een mooie en sterke jongen. Het vasten veranderde daar niets aan . Hij was bedreven in het uitoefenen van zowel de zwaarste als de meest delicate arbeid. Hij is de houthakker van de gemeenschap en beeldhouwt terzelfdertijd kruisen uit cypressenhout . Gans zijn arbeid was in éénheid met zijn gebed, waarin hij voortdurend de Naam van Jezus aanroept. Hij is zwijgzaam en gaat elk gesprek uit de weg. In zijn  vrije tijd, trekt hij zich terug in het bos om te bidden. Hij is nochtans niet somber, maar weet met een woord of een eenvoudige glimlach diegenen die verdrietig zijn te troosten. Deze opgeruimdheid is nochtans geen teken van een natuurlijk optimisme.

 De enige ernstige bekoring waar hij melding van maakt is deze van droefheid, van wanhoop. Hij overwint ze door te volharden in het gebed en bereikt op die manier de vrede. Deze vrede laat hem niet in de steek tijdens een ziekte waaraan hij drie jaar lijdt, zonder zich ook maar eens te beklagen, zonder een dokter erbij te willen roepen. Hij geeft zich volledig over “aan de ene ware geneesheer van de ziel, Onze Heer Jezus Christus en Zijn heilige Moeder”. Het is opnieuw na een mysterieuze verschijning van de Moeder Gods dat hij genezen is. Deze richtte tot hem dezelfde woorden die hij reeds had gehoord gedurende zijn ziekte in de kinderjaren : “ Deze hier is van ons geslacht….” Korte tijd na zijn genezing vertrekt de jonge monnik als pelgrim om gaven in te zamelen voor de bouw van een kerk binnen de omheining van het monasterie.

De 13e augustus 1786 ontvangt Prokhor de monastieke tonsuur alsook de naam Serafim – de “fakkel”, het “vlammend vuur”. Een weinig later werd hij diaken gewijd, vervolgens tot hiëromonnik  (titel gegeven in de orthodoxe Kerk, echter relatief weinig, aan hen die bekleed worden met de priesterlijke waardigheid). Het laatste deel van deze periode van zijn leven is gekenmerkt door een intense spirituele deelname aan het liturgisch mysterie. In de loop een liturgie van heilige vrijdag had hij een vidioen van Christus “ in de vorm van de lijdende mensenzoon”.

 

De eremiet van de “afgelegen kleine woestijn”

 Het jaar 1794 wordt gekenmerkt door het begin van een nieuwe fase in zijn leven. Serafim krijgt de toelating om zich terug te trekken, ver van het monasterie, in een kleine hut op het einde van het bos. Dit is de aanvang van zijn lange periode van afzondering, van zijn duizelingwekkende spirituele opgang in de sferen waar de meeste mensen zelfs het bestaan ervan niet vermoedden. Hij moet zijn weg gaan zonder enig menselijke hulp, geleid en gesterkt door Gods genade. Deze verre vlucht van de menselijke gemeenschap kan echter in verschillende etappes ingedeeld worden.

 De eerste is het leven van een eremiet in een isba (ermitage) op vijf-zes kilometer van het monasterie. Hij noemt het zijn “afgelegen kleine woestijn”. De heilige Serafim heeft nog niet alle aardse werkzaamheden opgegeven. Hij bebouwt een kleine moestuin en verzorgt een bijenkorf. Vervolgens zal hij ook deze eenvoudige werkzaamheden in de tuin opgeven om zijn voedsel uitsluitend te halen  uit kruiden en wilde bessen. Op zondag gaat hij naar het monasterie om deel te nemen aan de Liturgie en om te communiceren. Zijn leven in deze periode doet denken aan  dit van de heilige Sergius van Radonège. De traditie schildert hem af zoals deze laatste, zich voedend als een wilde beer. Maar wat nieuw is bij hem, en waar er een verwantschap te bespeuren valt met sommige  westerse heiligen, is zijn inspanning om spiritueel het aardse leven van Jezus te herbeleven. Gans het bosrijke domein die zijn ermitage omgeeft wordt omgevormd voor het eenzame gebed in het Heilig Land. Een hoek van het bos wordt Nazareth en hij bidt er de groet van de engel aan Maria. In een grot beschouwen zijn ogen de geboorte van Christus. Hij houdt ervan om de bergrede te herlezen op de top van een heuvel die de streek domineert. Hij heeft zijn Berg Tabor, zijn Gethsemanie en zijn Golgotha waar hij zich oefent om deelachtig te worden aan het lijden van Christus.

De vurige meditatie van het Evangelie, samen met het gebed, helpen hem om de angsten van de eenzaamheid te overwinnen gedurende de lange wintermaanden, wanneer de onweders losbarsten over zijn hut en de duivel over zijn ziel. Een tragisch incident sluit deze eerste eenzame periode af. Bandieten vallen de heilige aan en slaan hem met een stok neer. Van de  kwetsuren die hij hierbij opliep is hij nooit geheel hersteld geraakt. Vanaf deze periode liep hij geboden, zich steunend op een stok zoals een ouderling. Desondanks keerde hij, na een ander visioen van de Moeder Gods waarin deze hem opriep om een nieuwe spirituele strijd te voeren, naar zijn ermitage terug.

 Wanneer de rovers die hem hadden aangevallen werden gearresteerd  , vroeg hij aan de autoriteiten om hen genade te verlenen. Hij dreigde zelfs om het monasterie te verlaten zo hen een straf werd opgelegd. Hijzelf heeft hen vergiffenis geschonken. Nochtans had hij het gevoel de laatste der zondaars te zijn. Men kan alleen raden naar de innerlijke strijd met de machten van het kwaad die zich in zijn ziel verderzette. Het uiterlijke teken van deze strijd is de vernieuwing door de heilige van de heldendaden van de stylieten (pilaarheiligen). Rechtop staande op een rots in het bos, zijn handen naar de hemel opgeheven, bidt hij gedurende duizend nachten, zonder ophouden de woorden van de tollenaar herhalend : “Heer, heb medelijden met mij, zondaar” (Luc.18,13).

 Dit gebeurt tussen 1804 en 1807.  Tot dusver had hij zich gedurende de dag aan de bezoekers getoond en had hij gesproken met hen die hem raad kwamen vragen. Vanaf 1807, nam hij het kruis op zich van de absolute stilte. Tot zijn “geestelijke kinderen” die erover bedroefd waren antwoord hij : “Het is goed om voor God te spreken, maar het is nog beter om zich innerlijk voor Hem te zuiveren” Tot 1810 leeft hij in stilte. Hij spreekt met niemand. Wanneer hij een bezoeker ontmoette in het bos, dan knielde hij, het hoofd tegen de grond, tot wanneer hij terug weg was. Deze stilte is voor hem “het kruis waarop de mens zich moet kruisigen met al zijn zonden en al zijn passies” (spirituele instructies, 38).

 

Het teruggetrokken leven van Sarov

 n 1810, wordt hij door de abt van Sarov en te wijten aan intriges van monniken, verplicht om naar het monasterium terug te keren. Maar God stond hem nog niet toe om zijn gelofte van stilte te verbreken. Hij vroeg daarom aan zijn overste de zegen om het leven van een ‘zatvor’ te mogen leiden, dit wil zeggen de totale afzondering in een smalle cel, waar niemand binnen mag en waaruit hij ook nooit komt. Men weet over deze tijd van zijn leven bijna niets. Men weet alleen dat hij bidt en het Evangelie leest : hij leest elke week het Nieuwe Testament volledig uit. Zijn cel is arm en koud. In de voorhof bevindt zich zijn eigen kist waarbij hij lange meditaties houdt. Eén enkel klein lampje brandt in de ‘iconenhoek’, voor het beeld van de Moeder Gods van de Tederheid. Nochtans is hij in deze tijd vervuld van een mysterieuze vreugde, een sprirituele atmosfeer van een heilige, die veel later aan zijn leerling Johannes Tikhonovitch zal vertellen over de bijzondere visioenen die hem toen werden toevertrouwd. Hij beschouwd ‘de schoonheid van de verblijven in het paradijs. De heiligen, de profeten, de martelaren, de apostelen schitteren er van glorie en van een oneindige vreugde’. Vanaf dat moment begint  Serafim zelf te gelijken op ‘een aardse engel of een hemelse mens’, aldus zij die hem ontmoet hebben.

 Vanaf 1815 begint de strengheid van de afzondering wat te milderen. Hij staat toe dat men de deur van zijn cel opent. Maar hij spreekt nog niet tot hen die komen om hem te zien. In 1820 begint hij met raadgevingen te geven en de pelgrims te zegenen. Tenslotte, in 1820, na het bevel ertoe te hebben gekregen van de Moeder van God, verlaat hij zijn cel om de mensen te dienen.

 

De starets treedt naar buiten

  Dit luidt de laatste periode van zijn leven in. Het zijn de jaren van arbeid als ‘vader’ en geestelijke raadgever van duizenden monniken en leken. Geheimzinnig en verborgen in God zoals hij tot nog toe geweest was, verschijnt hij nu, althans gedeeltelijk, in de openbaarheid, in deze mate, dat zijn naasten nu in staat waren om hem te benaderen ‘voor het leven van het komend Rijk’. In alle nederigheid en vrolijk ontving hij alle bezoekers. Hij noemde iedereen ‘mijn vreugde’. Honderden kaarsen brandden nu in zijn cel voor de icoon van de Moeder Gods, symbool van alle zielen die hem werden toevertrouwd en hem om zijn voorspraak kwamen vragen.

  Aan allen die hem kwamen opzoeken gaf hij zich volledig, aan allen wist hij woorden te zeggen die bij hen en bij hen alleen pastte. Allen kon hij de realiteit van het Komend Rijk en het bovennatuurlijk leven doen aanvoelen.

 Er was een heel bijzondere, mystieke band tussen hem en de gemeenschap van de zusters van Divejevo Deze gemeenschap van zusters was aan Serafim toevertrouwd door zijn eigen starets op zijn sterfbed. Hij organiseerde het leven van de gemeenschap tot in de kleinste details. Hij had met hen lange en diepe spirituele gesprekken, en hij ging zelfs zo ver om zijn eigen ‘engelen-habijt’ te schenken aan een jonge religieuze. Het ‘groot schema’ van de monnik, teken van de meest verheven graad van monastieke inwijding

 

Bron : onbekend

De commentaren zijn gesloten.