03-09-12

De icoon

DE ICOON

Christus Koning.jpg

 

Het ontbreken van beelden in de kerkelijke kunst

Het ontbreken van beelden vindt zijn oorsprong in een verbod van het gebruik ervan in de kerkelijke kunst, dat samenhangt met de opvatting omtrent het wezen van de icoon. De hemelse archetypen weerspiegelen zich alleen in het tweedimensionale vlak van de icoon. Onder invloed van de anti-plastische geest van de Byzantijnse kerkelijke schilderkunst en door de nawerking van de beeldenstrijd is er in de Byzantijnse cultuur ook geen profane beelhouwkunst tot ontwikkeling gekomen. Alleen op het gebied van de kunstnijverheid heeft de plastiek zich kunnen ontwikkelen, maar ook hier meer als een reliëfkunst, die zich nog beperkte tot een zuiver vlakke, vaak perspectiefloze uitbeelding, en dus dicht bij het tweedimensionale van de iconen bleef.

Veel meer aandacht werd besteed aan de reeds in de vroegkerkelijke kunst beoefende ivoorsnijkunst, die in de tijd van Justinianus en onmiddellijk daarna enkelvoudige of ook wel inklapbare twee- en drievleugelige ivoren panelen (diptieken en triptieken) en ivoren cibories van een klassieke schoonheid voortbracht en ook in de middeleeuwen iconen op losse panelen, diptieken of triptieken met de afbeelding van een heilige of van bijbelse motieven te zien gaf, maar ook liturgische en profane doosjes, kistjes en schalen met kerkelijke motieven in grote verscheidenheid opleverde. Deze tak van kunst heeft zich daarna in de hele orthodoxe Kerk in velerlei vormen verder ontwikkeld, niet alleen in Klein – Azië maar ook in de Oost – en Zuidslavische gebieden. Als gevolg van een liturgische behoefte heeft de orthodoxie eveneens een goudsmeedkunst van een unieke schoonheid ontwikkeld, die – om een kleurig effect te bereiken – al vroeg de uit Perzië afkomstige emailleertechniek gebruikte en later vooral in Rusland het geëmalleerde smeedwerk zeer populair heeft gemaakt.

Het vreemde karakter van de icoon

….In het Westen is het is het nogal gebruikelijk om onze westerse opvatting van religieuze kunst met een zekere vanzelfsprekendheid ook als norm te stellen bijde beoordeling van de iconenschilderkunst. Meestal volgen daaruit zeer negatieve oordelen, die de oosters-orthodoxe kerkelijke kunst iedere vorm van scheppende originaliteit betwisten en die haar gebondenheid aan traditie betitelen als artistiek onvermogen. Inderdaad speelt de individuele kunstenaar in de geschiedenis van de orthodoxe religieuze schilderkunst nauwelijks een rol. De meeste orthodoxe schilders van kerkelijke kunst zijn anoniem gebleven. Ook is de iconenschildering in het geheel niet afhankelijk van het werk van een ‘kunstenaar’ in de westerse zin van het woord, eerder is zij een heilig handwerk, dat in kloosters wordt beoefend, die bepaalde schilderscholen habben ontwikkeld. Deze schilderscholen berusten niet op de aanwezigheid van een uitmuntend kunstenaar, een meester-schilder, die zijn leerlingen nieuwe creatieve impulsen geeft, integendeel, het traditionele en ambachtelijk element overweegt zozeer, dat vaak zelfs verscheidene schildermonniken bij de vervaardiging van één enkele icoon de verschillende bewerkingen onder elkaar verdelen : de een schildert de ogen, de andere de haren, een derde de handen, een vierde het gewaad, zodat bij de iegenlijke vervaardiging het scheppende, artistieke, individuele element wegvalt.

Men maakt nu echter’ een kapitale fout, wanneer men bij voorbaat de verschillen tussen de westerse en oosterse kerkelijke schilderkunst eenzijdig ten gunste van het westen interpreteert, en zo het aan traditie gebonden zijn van de oosterse iconenkunst gaat zien als een gemis aanproductiviteit en artistiek vermogen van de orthodoxe schilders. De enige weg, die voor de westerse waarnemer openstaat om de schilderkunst van de oosterse kerk te leren begrijpen is, dat hij zich eerst met een zekere wilsinspanning losmaakt van de westerse opvatting en het eigen karakter van de oosterse iconenschilderkunst probeert te begrijpen vfanuit haar eigen theoretische grondslag. Hiervoor is het noodzakelijk, zich enkele principiële zaken duidelijk voor ogen te stellen

Het kerkelijk en dogmatische karakter van de icoon

Het schilderen van orthodoxe iconen is als kerkelijke kunst niet van zijn kerkelijke en liturgische functie te scheiden. Vele orthodoxen zien een iconententoonstelling in een muzeum als een heiligschennis en ieder gebruik van de iconen buiten kerkelijk verband als een ontwijding daarvan. De icoon is een heilige beeltenis, die primair een kerkelijke functie heeft. Deze komt tot uitdrukking in de vervaardiging van iconen. Voor ieder icoon is het essentieel, dat zij gewijd is, en men zal een blik moeten werpen in de liturgie van de iconenwijding zelf, om het wezen van de icoon te begrijpen. De wijding heeft niet eerst plaats, nadat de afbeelding voltooid is, maar ook het schilderen zelf is een liturgische handeling. Het schilderen van iconen vereist een bepaalde vorm van heiligheid en wijding van de kunstenaar. Door vasten en boetedoening bereiden de schildermonniken zich voor op het schilderwerk. Penselen, hout, verf en alle andere voor het schilderen benodigde materiaal worden eveneens voor het gebruik gewijd. Uit hetgeen tot nu toie gezegd is krijgt men reeds de indruk, dat de heilige afbeelding in de oosters-orthodoxe Kerk blijkbaar een zeer bepaalde religieuze functie heeft, en dat ook de gebondenheid aan traditie van de heilige afbeelding niet voortkomt uit een artistiek onvermogen, maar dat zeer bepaalde theologische en religieuze voorstellingen een belemmering vormen voor het veranderen van de afbeelding.

Uit :Ernst Benz : de Oosters-orthodoxe Kerk

11:12 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.