08-10-12

de heilige Martinianos

 

 

Heiligenleven

De heilige Martinianos

De heilige Martinianos van Palestina was geboren in Caesarea. Reeds vroeg was hij geraakt door verlangen naar het volmaakte leven, en toen hij achttien jaar was trok hij naar de woestijnachtige omgeving en leidde daar een leven van gebed en ascese. Langzamerhand kwamen steeds meer mensen naar hem toe om zijn gebed te vragen, want God had hem de gave van wonderen verleend. Martinianos bleef zich bewust van de gevaren die deze bezoeken konden meebrengen en ontving daarom nooit een vrouw alleen.

Zulk een bijzonder mens was natuurlijk een onderwerp van gesprek in de stad, en een van de lichte vrouwen kreeg in de zin om te onderzoeken wat er nu werkelijk van waar was. Zij maakte zich op als een arme vrouw en bij slecht weer kwam zij ’s avonds martinianos.jpgaan zijn deur, smekend dat zij verdwaald was en de weg naar de stad niet kon vinden in het donker.

Martinianos kreeg medelijden, liet haar binnen, gaf haar te eten en ging zelf naar buiten om de nacht door te brengen in gebed. De volgende morgen ging hij de hut binnen en kwam met een schok tot ontdekking dat daar een schone jonge vrouw stond, die zich inspande om hem te verleiden. Die plotselinge aanval bracht hem van zinnen, en in gedachten trof hij reeds voorbereidselen om aan haar toe te geven. Slechts enige schaamte weerhield hem nog en hij ging naar buiten om langs de berghelling omlaag te kijken of er soms bezoek op komst was.

Door Gods genade kwam hij echter in de koele buitenlucht weer tot zichzelf en hij begreep dat het een list van de duivel was. Hij stapte met blote voeten in het vuur dat hij had aangelegd, tot ontzettende pijn hem dwong er weer uit te komen, terwijl hij uitriep : Als je dit tijdelijk vuur niet eens kunt verdragen, hoe zul je dan het eeuwige vuur van de hel kunnen doorstaan?

Toen de vrouw zag met welk een geweld hij zichzelf straffte voor een zonde die hij nog alleen maar in gedachten had begaan, kwam ze tot inkeer en zij begon hem vergeving te vragen en wat ze nu verder met haar leven moest doen. Martinianos bad voor haar en zond haar tot de heilige Paula in haar klooster bij Bethlehem. Daar leefde Zoë nog twaalf jaar vol berouw in zware ascese, tot zij stierf als een heilige.

Martinianos wilde niet nog eens zulk een risico lopen, en nadat zijn zware brandwonden genezen waren en hij weer kon lopen, vertrok hij naar een afgelegen onbewoond eilandje. Met een schipper maakte hij een afspraak dat hij steeds voor hem zou bidden, en dat deze hem in ruil daarvoor driemaal per jaar van brood en water zou voorzien. En hij hervatte met nog grotere ijver zijn leven van boete en gebed.

De duivel, die de zwakke plaats van zijn kaakter had gezien, wist hem ook hier nog in verleiding te brengen. Een schip verging met man en muis in de nabijheid van zijn verblijfplaats, alleen een jonge vrouw had zich aan een wrakstuk kunnen vastklampen en spoelde aan op de rots. Geheel uitgeput was ze niet in staat de steile kust te beklimmen, maar op haar hulpgeroep kwam Martinianos aan. Toen zij in veiligheid was, wist hij eerst niet wat te doen, want hij begreep dat ook deze gebeurtenis een aanslag betekende op zijn innerlijk leven, immers, stro en vuur kunnen niet naast elkaar bestaan.

Na tot God gebeden te hebben kwam hij tot een besluit. Tegen het jonge meisje, Fotina, zei hij : Wees maar niet bang, hier is brood en water, daar kun je mee in leven blijven totdat over enkele maanden de schipper komt; die kan je dan meenemen naar de bewoonde wereld. Daarna bekruiste hij zichzelf en sprong in zee om zwemmend ergens anders aan land te komen, want hij was ervan overtuigd dat het risico om te verdrinken minder ernstig was dan het risico dat hij liep wanneer hij met een schone vrouw zo nauw moest samenleven.

Zoals echter wel meer gebeurd is, er kwamen twee dolfijnen die hem hielpen zich drijvend te houden en zo kwam hij veilig aan land. Nu het gebleken was dat hij zelfs op de afgelegenste plaatsen niet ongehinderd kon blijven, nam Martinianos de ascese van het zwervend bestaan op zich. Biddend en bedelend trok hij rond tot hij aangeland was in Athene. Nu was hij aan het einde van zijn krachten; doodziek trok hij nog door de straten totdat hij stervend neerlag in een van de kerken, met een gelaat dat straalde van hemels geluk. Zo stierf hij in 422.

Intussen had hij steeds gebeden voor de achtergelaten Fotina. Deze was diep onder de indruk gekomen, en vol vreugde bleef zij wonen in de verblijfplaats van zulk een heilig man. Zij wilde niet meer vertrekken maar ging met de schipper dezelfde overeenkomst aan. Zo leefde zij nog zes jaar op water en brood in volstrekte eenzaamheid. De laatste keer vond de schipper haar overleden, slechts 31 jaar oud. Vol eerbied nam hij haar lichaam mee naar Caesarea van Palestina, de geboorteplaats van Martinianos. Daar werd zij door de bisschop met al zijn priesters plechtig begraven en om haar heilig leven geëerd.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth Klooster Den Haag

De commentaren zijn gesloten.