24-10-12

Augustinus : over de hoogmoed

Augustinus : over de hoogmoed

Augustinus 555.jpg

 

Zusters en broeders,

Wanneer wij ontsnapt zijn aan alle strikken van dit sterfelijk leven, wanneer de tijd van beproeving voorbij is, wanneer de stroom van deze tijd heeft opgehouden te vloeien, wanneer wij omkleed zullen zijn  met ons eerste feestgewaad : de onsterfelijkheid die wij door de zonde verloren, wanneer dit bederfelijke omkleed zal zijn met onbederfelijkheid, dat wil zeggen ons vlees onbederfelijk zal zijn geworden en dit sterfelijke onsterfelijk, dan zal elk schepsel de volmaakte kinderen van God erkennen. Dan is het niet meer nodig beproefd of geslagen te worden. Alles zal ons onderworpen zijn als wij ons hier onderwerpen aan God

Een christen moet zich dus nooit verheven achten boven andere mensen. De gave van God bestaat hierin dat Hij u boven de dieren plaatst, dat wil zeggen dat gij meer zijt dan een dier. Dit hebt ge van nature en deze gave zult gij altijd bezitten. Wilt gij echter meer zijn dan een ander mens, dan zult ge noodzakelijk jaloers op hem worden wanneer ge ziet dat hij uw gelijke is.

Daarom moet ge ernaar streven dat alle mensen op dezelfde hoogte staan als gij. Overtreft gij een ander in verstandelijkheid, wens dan dat hij even verstandig wordt als gij. Zolang hij onwetend is, heeft hij u nodig. Gij hebt klaarblijkelijk de rol van leraar, hij van leerling. Als leraar zijt gij de meerdere, hij als leerling de mindere. Indien gij niet wilt dat hij uw gelijke wordt, komt dat hierop neer dat gij hem altijd leerling wilt laten. In dat geval echter zijt gij een afgunstige en jaloerse leraar. Of nog sterker, hoe kan een jaloerse leraar een echte leraar zijn ? In Gods naam, draag uw eigen jaloersheid toch niet op uw leraar over ! De liefde spreekt anders. Luister maar naar Paulus : “Ik zou willen dat alle mensen waren zoals ikzelf” (1 Kor. 7,7). Inzover hij wilde dat alle mensen zouden zijn zoals hij, overtrof hij de anderen in liefde, want de liefde streeft naar gelijkheid.

De mens houdt dus vaak geen maat. Hij die geplaatst is boven het dier, wil uit hebzucht meer zijn en ook boven de mens staan. Daarin bestaat juist de hoogmoed.

Ook de hoogmoed is ongetwijfeld in staat tot grote daden. Ga maar eens na hoe zij dingen doet, die niet alleen gelijken op de daden van de liefde, maar er nagenoeg gelijk aan zijn. De liefde geeft voedsel aan wie honger lijdt; de hoogmoed doet hetzelfde. De liefde doet dit opdat God geprezen zou worden, de hoogmoed omwille van eigen roem. De liefde geeft kleren aan wie er geen heeft, de hoogmoed doet hetzelfde. De liefde legt zich beperkingen op in spijs en drank, de hoogmoed doet hetzelfde. De liefde zorgt ervoor dat de doden begraven worden, de hoogmoed eveneens. Alle goede werken die de liefde wil doen en onderneemt, jaagt de hoogmoed op haar beurt na; zij legt als het ware de zweep op haar paarden. Maar de liefde is innerlijk. Zij laat geen plaats aan een uiterlijk drukdoende en opgezweepte hoogmoed. Ik zeg niet dat de hoogmoed slecht opzweept, maar dat ze zelf opgezweept is. Ongelukkig de mens die de hoogmoed tot menner heeft; hij gaat noodzakelijk over de kop.

Uit : Eenheid en liefde – Augustinus preken over de eerste brief van Johannes

Vertaling : TJ van Bavel

De commentaren zijn gesloten.