04-01-13

Olivier Clément : De orthodoxe Kerk

DE ORTHODOXE KERK

 

Olivier Clément

 Inleiding

 

Met het Rooms Katholicime en de Kerken voortgekomen uit de Hervorming, is de orthodoxe Kerk één van de  drie grootste uitderukkingsvormen van het historisch christendom. Zij telt ongeveer 200 miljoen gedoopten. In oost Europa moest zij lange tijd gebukt gaan onder de barbaarse omstandigheden van een totalitair regime. Sedert de grote politieke of economische emigraties van onze tijd is zij ook in het Westen aanwezig. Zij is er nochtans minder goed bekend.

Daarom hebben wij getracht, zonder het vuur en de zwakheden uit de geschiedenis te vergeten, om te gaan naar het essentiële. Dit doen we door te vertrekken vanuit het binnenste zelf. Om de levendige éénheid van de Orthodoxie naar waarde te schatten, zijn we kort gebleven in wat betreft de theologische fundering die haar eigen is, om vervolgens aan te tonen hoe deze zelfde realiteit de kerk structureert en haar plaats bepaalt in de heiligheid. Wat zou, op het spiritueel domein, een kennis voor ons betekenen die ons niet het gevoel zou geven van een innerlike vooruitgang ? Dit is ten minste het doel van de korte bijdrage die wij hier willen geven.

 

Eerste hoofdstuk

 

CHRONOLOGIE

 

1. – De orthodoxe Kerk in de lijn van de primitieve Kerk

 

‘Apostolisch’, de orthodoxe Kerk situeert zich in de ononderbroken continuïteit

Van de primitieve Kerk.

In feit, onder de kenmerken die eigen zijn aan het Oosten, zijn er verschillende  die de historicus treffen: de paasvreugde van de Verrijzenis, van de overwinning op de dood en de hel, gemeenschappelijk voor alle christenen, is nooit verduisterd geweest in de Orthodoxie door een overdreven aandacht voor goede vrijdag. De Handelingen der Apostelen verheerlijken de werkdadigheid van de Naam van Jezus : de aanroeping van deze Naam vormt de kern van de orthodoxe spiritualiteit. Voor de heilige Johannes welt het licht en het leven op uit de sacramenten : een Cabasilas in de 16e eeuw, een Johannes van Kronstadt          onderlijnen dat het ‘leven in Christus’ ons het bewustzijn geeft en de ervaring van deze sacramentele genade… De locale eucharistische gemeenschap manifesteert ons de gansheid van de Kerk (‘de Kerk van God te Rome…te Korintië’ schrijft Paulus):  zo is ook vandaag nog het fundament van de orthodoxe ecclesiologie. Alle locale kerken  drukken in het concilie hun gemeenschappelijk getuigenis uit : de Orthodoxie ziet in het ‘concilie’ van Jeruzalem (Hand.15,5-29) het prototype van haar denkbeeld van getuigenis en dienst in de Kerk… De ‘charisma’s’ van de Geest zijn overvloedig aanwezig in de apostolische tijden : de Orthodoxie heeft altijd een waarachtige profetische ambt gekend, luisterrijk of verborgen.         

 

2. – De zeven Oecumenische concilies

 

Met de bekering van het romeinse Keizerrijk (4e eeuw), en de veralgemeende christianisering van de wereld rond de middellandse , de ontmoeting met de griekse filosofen verplicht de Kerk om de ‘intellectuele inhoud’ van het mysterie waarvan zij leeft te verduidelijken. De griekse Vaders hebben niet geprobeerd om een synthese samen te stellen tussen de openbaring en de filosofie : met een onafhankelijke souvereiniteit hebben zij de techniek en de filosofische woordenschat gebruikt uit hun tijd, zonder zich op te sluiten in één bepaald systeem (alles evenzeer, en alles ook even weinig stoïcijns en aristotelisch als platonisch…) In een altijd concreet perspectief, soteriologisch, hebben zij deze christelijke gedaanteverandering ondernomen van de denkbeelden welke Byzantium ons zal nalaten. Het Semitisch aards  genie van Antiochië matigt het meer symbolische genie dat Alexandrië is. De grote ascese van de woestijn schrijft de theologie voor aan de contemplatie en, met Macarius de Grote ( of de onbekende die onder die naam schuilgaat) hervindt de bijbelse eenheid van de mens zich in het ‘hart’ – dit tegen het griekse dualisme.

Het is in deze tijd, in het kader van het christelijk Keizerrijk en op initiatief van de keizers zelf die bezorg waren om de eenheid van het geloof van hun onderdanen te bewaren, dat in het mediteraan Oosten de zogenaamde 7 Oecumenische ( komt van oecuméné . de bewoonde wereld gelijk met het Keizerrijk) concilies zijn tot stand gekomen. De orthodoxe Kerk heeft vóór en na nog andere concilies gekend, waarvan hun beslissingen de Kerk hebben verrijkt. Nochtans kent aan de 7 oecumenische concilies een bijzondere betekenis toe, omdat ze de christologische boodschap van de Kerk hebben verduidelijkt, het mysterie van Christus waarlijk God en waarlijk mens, de spil van gans het christelijk geloof.

 Het concilie van Chalcedonië (451), hoogtepunt van de christologie, belijdt Christus ‘waarlijk God en waarlijk mens’ ‘die zich doet kennen in twee naturen zonder vermenging, zonder verandreing, ondeelbeer, onscheidbaar, opdeze wijze dat…de eigenschappen van elke natuur slechts de intenste zijn wanneer ze verenigt blijven in één enkele persoon of hypostase…’.

De oecumenische concilies hebben ook de lokale kerken gegroepeerd rond enkele ervan, die een rol spelen als centra van overeenstemming : zo bevestigt de bisschop metropoliet de bisschopswijding van zijn provincie, en de patriarch de wijding van metropolieten. Er kwamen vijf patriarchaten tot

stand : Rome, Constantinopel, Alexandrië, Antiochië, Jeruzalem ( de ‘Pentarchie’). Rome had de rol van ereprimaat en van een grote morele autoriteit, maarhaar juridische macht herleidde zich in het Oosten tot een beperkt juridisch appel

 

3. – Het schisma tussen de Westerse en de Oosterse christenheid.

 

Tussen de 11e ende 13e eeuw, scheidden de wegen van het Westen en het Oosten zich geleidelijk.

De diepste reden, die alleen de duur van de scheiding verklaren, zijn theologisch. Er is vooreerst het probleem van de voortkomst van de Heilige Geest.         

Het Credo van Nicea-Constantinopel, hernam de woorden van Christus (Johannes 16,26),  dat de heilige Geest ‘voortkomt uit de Vader’. In een conceptuele context dat verschilt van dit uit het Oosten, en die we zullen vermelden ter gelegenheid van onze uiteenzetting van de trinitaire theologie, zal het Westen vanaf de 3e-4e eeuw verklaren dat de Heilige Geest voortkomt : ‘…van de Vader en de Zoon’ a Patre Filioque .  Laat gekend in Byzantium, werd deze formule streng verworpen in de 9e eeuw door patriarch Photius die bevestigt : ‘De Geest komt uit de Vader alleen voort’.

Een andere essentiële oorzaak van het schisma is de wil van de pausen om een morele primauteit, een aanwezigheid in liefde’ (heilige Ignatius van Antiochië)in de schoot van de locale kerken om te vormen tot een rechtstreekse juridische macht  over deze kerken, tot misprijzen van de traditionele rechten van de bisschoppen, de metropolieten, de patriarchen. In de 11e eeuw zal de gregoriaanse hervorming, die het pausdom wilde bevrijden van de duitse keizers en de kerk van de feodaliteit, een poging ondernemen om de bisschoppen rechtstreeks onder het gezag van de paus te onderwerpen (en de koningen : theorie van de ‘twee zwaarden’), en de onfeilbaarheid van het hoogste kerkelijk gezag van Rome opeisen (onfeilbaarheid die nochtans maar zal worden gedogmatiseerd in 1870).

De hervormers omringden reeds paus Leo IXe wanneer hij in 1054 een missie naar Constantinopel zond. De voornaamste legaat, kardinaal Humbert,  was een vurig hervormer die overal de wil van Rome wilde opleggen. Tegenover de terughoudendheid van de patriarch van Constantinopel, Michaël Caerularius, legde Humbert op 15 juli 1054 een excommunicatiebulle neer op het altaar van de kerk van de Heilige-Sophia. Daarin veroordeelde hij onder andere de Grieken om het Filioque uit het Credo te hebben weggelaten en het huwelijk van priesters te hebben toegestaan !

In 1204 heeft het onherstelbare zich voltrokken : de 4e kruistocht week af naar Constantinopel, de stad werd ingenomen, de kerken geprofaneerd, de iconen stukgeslagen, de relieken werden geworpen in verachtelijke plaatsen, een prostituee  zong obscene liederen op de patriarchale troon.

Paus Innocent II keurde de gewelddaden van de kruisvaarders af, maar bevestide de benoeming van een venetiaans patriarch te Constantinopel. De Byzantijnen ontdekten op een brutale wijze de latijnse ecclesiologie : Rome had dezelfde criteria niet meer van de waarheid als het Oosten.

 

4. – Grootheid van Byzantium

 

Zoals in de 7e eeuw had de Islam de oude patriarchaten van het Nabije Oosten overstroomd, zonder ze echter te verwoesten. Constantinopel werd voor eeuwen het centrum van het orthodoxe leven : een smeltkroes van een opmerkelijke christelijke cultuur, die voor de mensen de ‘ hemel op aarde’ wilde openen door de iconen en de liturgie. Terwijl de gewijde kunst zich had bevrijd van het naturalisme, bloeide er een immense liturgische  poezie op, die van de ‘byzantijnse ritus’  - in feite niet rechtstreeks- de enige ritus van de Orthodoxie zal maken : een ontmoeting van het semietische genie en het griekse genie waarvan de meesters twee Syriërs waren, Romanos le Melode (6e eeuw) en de heilige Johannes van Damascus (8e eeuw)die de synthese van de grote patristieke eeuwen opstelde en ze hervormde tot een lofprijzing door bewonderenswaardige ‘Canons’ samen te stellen (gedichten tussen de bijbelse gezangen van de metten).

De grote byzantijnse theologie slaagde erin om de van de woordenschat van het hellenisme om te vormen in het licht van de Openbaring. Tegen de periodieke ‘renaissances’ van het antieke rationalisme en van de neo-platonische gnose, onderlijnde de Kerk altijd duidelijker de eenheid van de mens en een opvatting van de kennis als een persoonlijk ontmoeting en deelneming. In de Heilige Geest, aan de getransfigureerde mensheid van Christus en waaraan wij deelhebben in de sacramenten : op de christologische periode van de oecumenische Concilies volgde als het ware een pneumatologische periode.

De leer van de Heilige-Geest werd verduidelijkt – met betrekking tot de Drie-eenheid en de mens – als was zij deze van Christus in de voorgaande periode : de Geest komt voort ‘uit de Vader alleen’ (heilige Photius, 9e eeuw), maar zijn eeuwige ‘manifestatie’ voltrekt zich door de Zoon waarin hij rust (Gregorius van Chyprus en het concilie van 1285).

Tenslotte de Concilies van Constantinopel van 1341 en 1351, gewijd aan het onderricht van Gregorius Palamas, verduidelijken het ‘onderscheid-gelijkheid’ van de verborgen God, radicaal, onkenbaar, en zijn ‘energieën’ in dewelke hij zich volledig participeerbaar stelt voor de gehele mens, zowel het lichaam als de ziel. Byzantium anderzijds, heeft onderlijnd, dat het christelijk leven onlosmakelijk profetische vrijheid (heilige Symeon de Nieuwe Theoloog, 11e eeuw) en gemeenschappelijke  en sacramentele deelname is aan de tegenwoordigheid van de Verrezene (‘La vie en Christ’ van Nicolas Cabasilas, 14e eeuw)

 

5. – Problemen van de ‘symfonie’

 

Alleen de iconoclastische keizers van de 8e eeuw hebben formeel  aanspraak willen maken ven de cumul van de twee machten (‘Ik ben keizer en priester’, heeft Leo II gezegd). Welnu, de weerstand van de Kerk hiertegen werd actief, belijdend – niet door een revolte, maar door het martelaarschap. Niet door klerikalen, noch door geleerden, maar door waarachtige profeten van de komende wereld. De monniken wekten het getuigenis van het volk op en riepen : ‘Het komt niet aan het keizerrijk toe om beslissingen te nemen op het gebied van geloof’

Het bloed van de martelaren zegevierde. Het keizerrijk kwam gans getransformeerd uit het drama tevoorschijn, bevrijd van het caesaropapisme. Dan bloeide het ideaal van de ‘symfonie’ open : de twee machten (vertegenwoordigd door de Keizer en de Patriarch) moeten elkaar in evenwicht houden, zich harmoniseren, elk in zijn domein, komende van God; De Staat is de verblijfplaats, het ‘hotel’ van de Kerk. Feitelijk haalde de keizer het op de Patriarch, maar de uiteindelijke onafhankelijkheid van de Kerk werd gewaarborgd door de monniken, vooral deze van de Athos :’een bi-polaire structuur’, zei H.-I. Marrou.

Dit heimwee van de ‘symfonie’ van de Kerk en de Staat maakt het de bischoppen van vandaag moeilijk om over hun relatie met de Staat na te denken in een post-christelijke context. Het is alleen in de hedendaagse Diaspora en op de synode van Moscou in augustus 2000 dat de noodzakelijke onafhankelijkheid van de Kerk werd geproclameerd.

 

6.- De byzantijnse missie en het nieuwe orthodoxe universum

 

Byzantium ten sotte heeft een immens missionair werk vervuld. Het heeft oost Europa bekeerd (en geciviliseerd), van de Kaukasus tot de Karpaten en de poolcirkel. De beslissende toename deed zich in de 9e en de 10e eeuw voor : terwijl Georgië (bekeerd in de 5e eeuw door de heilige Nina) een nieuw leven kende door haar contact met Constantinopel, de landen van de Kaukasus werden geëvangeliseerd, de heiligen Cyrillus en Methodius vertaalden de Bijbel en de liturgie voor de Bulgaren. Zo gaven zij aan de Slaven een gescghreven taal, het slavisch, die tot op de dag van vandaag hun liturgische taal is .Bulgaren en Serven werden gedoopt in de 9e eeuw, de Roemenen hadden het christendom leren kennen vanaf de eerste eeuwen, terwijl de Rus van Kiev en van Novgorod (van waaruit Rusland, Ukraïne en Wit-Rusland) begonnen zich te evangeliseren (of veeleer ‘geliturgiseerd’zoals men heeft gezegd) in 988. Byzantium organiseerde de nieuwe kerken en metropolitatendie geleidelijkaan gedecentraliseerd werden, maar waarvan de metropoliet werd geconsacreerd door de patriarch van Constantinopel. Echter, Bulgaren en Serven hebben elke keer dat zij voldoende machtig waren om zich te verzetten tegen het Keizerrijk (lees : de keizerlijke waardigheid te eisen) bereikten de kerkelijke onafhankelijkheid of ‘autocéphalie’ (met een ‘eerste locale  bisschop’, verkozen door zijn gelijken).

Rusland, in tegenstelling met west Europa en Byzantium, bewaarders van diverse titels van het oude humanisme, is voor bijna alles schatplichtig aan het christendom. Het is vooral met de vernieriging van de Rus van Kiev door de Mongolen en het in zichzelf gekeerd zijn in de wouden van het Noord-Oosten (de metropoliet verloor zijn zetel in Moscou) dat de Kerk de bewaakster van de nationale ziel werd. In de 14e eeuw herstelt Sergius van Radonesj het monnikendom in een geest van evangelische dienstbaarheid. Hij verzoende de feodalen, zegende de grote prins van Moscou Dimitri op de vooravond van de bevrijdingsstrijd van Koulikovo (1380). De monasteria vermenigvuldigden zich (beweging van de poustiniki : zij die in de woestijn gaan wonen), ontgonnen de bossen, trokken mensen aan die zij evangeliseerden. Elk monasterie werd een centrum van christelijke cultuur : de orthodoxe iconografie kende toen het toppunt met hun abstracte grootheid – de verborgen structuren van hun getransfigureerd gezicht – van een theofaan de Griek, en het vreugdevolle licht,vloeiend , van een heilige Anderj Roeblov. De Russische Kerk van haar kant, werd missionair, bekeerde vele Mongolen en Finse stammen van het Noorden. In de 14e eeuw, de heilige Stefanos van Perm vertaalde de Schrift en de liturgie in het ziriaans en werd de eerste bisschop van Perm, hoofdstad van het land van Zyziane.

De Byzantijnse theologie en spiritualiteit hielde niet op dit nieuwe orthodoxe universum te voeden. De renaissance van het hesychastische spiritualiteit, waarvan de heilige Gregorius Palamas de woordvoerder was, veroverde ganshet orthodoxe universum. Het bracht een brede liturgische hervorming met zich mee en een ontwaken  van het persoonlijk gebed; grote monastieke en culturele centra ontstonden aldus in Moldavië, en het ‘zuivere gebed’      straalde op, ‘boven Volga’, in de ermitages van de noordelijkke bossen rond een heilige Nil Sorsky….

Zo heeft Byzantium, voordat ze zou bezwijken aan de aanvallen van de Turken, het licht van de orthodoxe wereld uitgezaaid. Het laatste Byzantium, dit van de Paleologen, losgerukt aan de zekerheid en ten prooi aan de hoogmoed van een ongelukkige geschiedenis, mediteert met een ‘gelukzalige droefheid’ over de vernedering van de Pantocrator, welke Nicolas Cabasilas noemt een ‘bedelaar van de liefde’. Vandaag blijft er niets meer over van de byzantijnse beschaving in haar profane vormen : steden en paleizen zijn verdwenen… Alleen bestaan nog de kerken en, op hun muren, de Christus elkoméno,‘uitgejouwd’,vernederd, nochtans vrijwillig gaande naar de foltering en heimelijk triomferend, heimelijk getransfigureerd.

7. – Na de val van Constantinopel :

       De eeuwen van het in zichzelf gekeerd zijn

        (16e – 18e eeuw)   

 

De val van Constantinopel (1453) en de verovering van de Balkan door de Turken maken van Rusland – die zopas het Mongoolse juk heeft afgelegd – het ‘missionaire’ centrum van de Orthodoxie en men vertrouwd haar, wat wij zouden kunnen noemen de diakonale taak van de Kerk, toe (waarvan het spirituele brandpunt de ‘monastieke republiek van de Athos’ is).

Met het weer opnemen door de Russische Kerk van haar missionaire rol , komt de missionering in volle bloei bij de bevolking van het Russische gele ras van van Noord-Aziê. De orthodoxe missionarissen bereiken Kamtchatka in 1705, Peking in 1714, de Aleoeten Eilanden en Alaska op het einde van de 18e eeuw. Zij stichtten de japanse orthodoxe Kerk bij het begin van de 20e eeuw.

In vergelijking met het Westen kende de Orthodoxie een lange tijd van teruggetrokkenheid, van defensieve houding.

De theologische gedacht wordt polemisch en laat zich aantasten door de problematiek zelf van haar tegenstanders (zo de metropoliet van Kiev, Pierre Moghila (1632-1647), dit, om meer te weerstaan aan de Contra-Reformatie, men latiniseert het theologisch onderwijs (die zo zal blijven in Rusland gedurende gans  de 18e eeuw). Het impact van de westerse controverses (een patriarch van Constantinopel, Cyrillus Loukaris, publiceert in 1629 een calvinistische geloofsbelijdenis) verplicht de Orthodoxie om haar ecclesiologische posities te verduidelijken : ondanks haar verzwakte positie, slaagt zij erin dank zij een groot bisschop: de patriarch van Jeruzalem Dositheos, die veroorzaakt een zekere patristieke herbronning ( in Roemenië, waar men christelijke boeken mag drukken). De concilies van de 17e eeuw (Iassy,1642 – Jeruzalem, 1672 : de belijdenis van Dositheas) onderlijnen de sacramentele structuur van de kerkelijke institutie.

De bekoring van deze tijd blijft, een erfenis van Byzantium, deze van de sacrale gemeenschap en het nationaal messianisme. Deze bekoring is vooral sterk in Rusland waar zich tezelfdertijd de thema’s ontwikkelden van het ‘Derde Rome’ en van het ‘Derde Keizerrijk’, en waar zich in 1589, met de instelling van het patriarchaat van Moscou ( toegelaten en gezegend door de moederkerk, Constantinopel) de ‘symfonie’ van de Basileus en de Patriarch herstelde. Ondanks het evangelisch verzet van de ‘dwazen in Christus’ en de eremieten van over de Wolga, verstarde het ‘heilis Rusand’ in het ritualisme, met een gevoeligheid van het Oude Testament die de nadruk legt op de letter, op de wet, en die het Russische Rijk bijna vereenzelfdigde met het messiaanse Rijk.

De onhandige en brutale actie van patriarch Nikon in de 17e, eeuw betekende voor de Russische Kerk zowel veel goed als kwaad voor de orthodoxe universaliteit ( de liturgische teksten werden herzien vanuit de griekse boeken), en overwint, zij het niet altijd, in de psychologie van de gelovigen, dan toch minstens in het bewustzijn van de Kerk, de bekoring van een magisch christianisme en een sacrale samenleving. De concilies van Moscou van 1666-1667, waaraan de patriarchen van Antiochië en Alexandrië deelnamen, veroordeelden de oud-gelovigen , aanhangers van het messiaanse Rijk van de ‘Witte Tsar’, van een ritualistische ecclésiologiedie geen enkele plaats laat voor de scheppende vrijheid van de mens…

Verschrikkelijk verzwakt door dit drama, kon de Russische Kerk zich niet verdedigen tegen de secularisatie die werd uitgevoerd door Peter de Grote. In 1721, hief hij het patriarchaat van Moscou op, en zette aan het hoofd van de Russische Kerk een Synode, waar de echte machthebbers aan deelnam door  de vertegenwoordiger van de staat (leek), de ‘procureur generaal van de Heilige Synode’ : de Kerk voelde zich onderworpen zoals ze nog nooit geweest was in Byzantium of het oude Rusland.

De 18e eeuw is dus een tragische periode voor de orthodoxe Kerk. Te Constantinopel eijn de patriarchen, in de greep van instabiliteit en de corruptie van de ottomaanse politiek, niet meer dan marionetten (48 volgden elkaar op in drie en zeventig jaar). In Rusland, waar de icoon en de sacrale muziek ‘ver-ilaliaansten’, de invloed van de ‘verlichting’ brengt Catharina II ertoe om het aantal aanwervingen voor de monasteria nauwlettend te beperken en om hun goederen te seculariseren (1764).

De renaissance komt op een keerpunt in de 18e en 19e eeuw : door het ‘hesychastisch’ gebed en door de universele orthodoxie. Een monnik van de Athos, de heilige Nicodemus de Hagioriet, en de bisschop van Korintië Macarios. Zij stellen een monumentaal wer samen de Philocalie, gepubliceerd in 1782 te Venetië ( men noemt de Philocalie ‘liefde voor de schoonheid’, een bloemlezing van spirituele teksten).  Op het moment dat de geest van de Encyclopedie triomfeert binnen de europese elites is dit een waarachtige encyclopedie van de aanbidding, een existentiële  terugkeer naar de Vaders en de woestijn. Vertaald door een inwoner van Ukraïne in Moldavië, Païssios Velitchkovsky, gaat de Slavische en vervolgens de Russische Philocalia, de spirituele renaissance van de Kerk in de 19e eeuw structureren.

Zij vond in Rusland een voorbereid terrein², voorbereid door de Kerk. Geplaagd centreerde ze zich op het ‘enig noodzakelijke’ ( met in het bijzonder een intense beweging van vrouwelijke godsvrucht: bijeenkomst van leken, vervolgens van gemeenschappen). Op het kruispunt van deze locale herbronning en van de ‘philocalische’ beweging wtaat een groot ‘getransfigureerde’ op van de moderne Orthodoxie, de heilige Seraphim van sarov, profeet voor allen, monniken en leken, van de ‘verwerving van de Heilige Geest’. De monasteria hervormen zich en laten  openlijk pruimte voor het profetisch ministerie van de startsi (‘ouderen’) die met de leken een schat van het hysechasme delen. Zij beginnen de afgrond te vullen die de hervormingen van Peter de Grote had gegraven tussen de Kerk en de intellectuelen.

8.- Het probleem van de uniaten

 

In 1596, op het concilie van Brest (Litovsk), hebben bijna alle Ukraïnse bisschoppen zich terug bij Rome aangesloten. Zij mochten hun riten en gebruiken behouden, maar aanvaardden, met de formules van florence, de Katholieke opvatting over het primaatschap en de voortkomst van de Heilige Geest. Het prestige van de cultuur der Jezuïeten, het verlangen om zich van Constantinopel, dat té dicht bij was en wiens controle men hinderlijk vond, los te maken, en om zich van Rusland, toen een vijand te verwijderen. Het was vooral de droom om een politiek statuut te kunnen bekomen dat analoog was met dat van het latijnse episcopaat. Alles verklaart deze gang van zaken. Eert verrast, moedigden de Poolse koning en het pausdom de geunieerde Kerk aan . Zij hebben op een moment de orthodoxen hard vervolgd. Deze laatsten,  hebben zich gegroepeerd in  confrérieën van leken. Bij het begin van de 17e eeuw zijn  de Polen, profiterend van de ‘Tijd van Verwarring’ die heerste in Rusland na het verdwijnen van de dynastie, Rusland binnengevallen en probeerden het land gans te doen overgaan naar het uniatisme. De weerstand van het volk, opgehitst door de Russische Kerk, dwong hen om dit op te geven. Desondanks cohabiteren twee Kerken van de Byzantijnse ritus in UkraÏne : de orthodoxe Kerk en de Kerk van de ‘uniaten’ of ‘grieks katholieken’. Deze laatste Kerk breidde zich in de 19e eeuw tot in 1918 uit in west Ukraïne dat onder de Oostenrijkse overheersing stond. Ze werd opgeheven in 1946 op bevel van Stalin, zij werd in ere hersteld met de Perestroïka.

Een gelijkaardige evolutie heeft zich in Transylvaniê voltrokken, dat bevolkt was met een meerderheid van Roemenen maar geïntegreerd in Hongarije tot 1918. In 1700 heeft het orthodox episcopaat de Unie aanvaard, om het Roemeense volk van Transylvanië te beschermen steunende op Wenen en Rome….

In de 19e eeuw heeft deze grieks-katholieke Kerk een belangrijke rol gespeeld om de Roemeense cultuur haar latijnse wortels te helpen terugvinden (School van Ardeal). Opgeheven in 1948 heropgericht sedert 1989.

In het Midden-Oosten tenslotte, bij het begin van de 18e eeuw : een rivaliteit voor de troon van Antiochië, de actie van Katholieke machten, voornamelijk Frankrijk, de culturele en economische kracht van het katholicisme hebben de weg geopend voor de vorming van een grieks-katolieke Kerk. Deze Kerk heeft gedurende het 2e Vaticaans Concilie gepoogd om de rol te spelen van ‘brug-Kerk’ en haar theologen hebben op de meest authentische wijze de stem van het Oosten vertolkt.

Algemeen gezien echter werd het fenomeen van de uniaten door de orthodoxen aangevoeld als een agressie, een misleiding en een loochening van hun kerk-zijn. De renaissance van de grieks-katholieke Kerk in Ukraïne na de val van het communisme heeft intense spanningen veroorzaakt tussen orthodoxen en katholieken. In West Ukraïne en in Sowakije hebben de grieks katholieken hetzij met geweld – in Ukraïne – hetzij door een beslissing van de Staat – in Slowakije – bijna alle alle cultusplaatsen hernomen, de orthodoxen bleven ontwapend achter. In Transylvanië daarentegen waar de gelovigen tamelijk passief zijn deed de Kerk en de Roemeense staat geen recht aan de eisen van de uniaten, die ze hielden voor een zeer kleine minderheid en agressief. Het conflict duur nog altijd voort en breid zich nog steeds uit. Een relatief akkoord  werd echter bereikt in october 1998.

Sedert een twaalftal jaren, heeft er een dialoog plaats tussen de orthodoxie en het Katholicisme over dit probleem. In juni 1993 is de grote gemengde commissie katholiek-orthodox, die samengekomen was aan de universiteit van Balamand, in het noorden van Libanon, tot een akkoord gekomen : het uniatisme en het proselytisme werden er verworpen door katholieken en de orthodoxen hadden er zich er toe geëngageerd om tijdelijk de reeds bestaande grieks-katholieke Kerken te respecteren. Maar het lijkt er op dat de toepassing van dit akkoord zowel van de ene als van de andere kant grote moeilijkheden ontmoet.

 

9.- De 19e eeuw (tot 1917).

 

In de Balkan, die geleidelijkaan bevrijd werden van de Turken vormden (of hervormden) zich autocephale Kerken. De patriarch van Constantinopel gaf ertoe de toestemming of erkende, deze omvorming van dochter-Kerketen tot zuster-Kerken, niet altijd zonder moeilijkheden noch ze te veronachtzamen,

Echter, wanneer de Bulgaren, vanuit een nationalistische houding, een kerk eisen, niet vanuit territoriaal, maar vanuit nationaal standpunt en waarvan de Bulgaren uit Constantinopel zouden deel van uitmaken, heeft het concilie van 1872, voorgezeten in deze stad door patriarch Anthimos VI streng deze vorm van ‘phyletisme’ dit wil zeggen ‘nationale rivaliteiten, twisten onder volkeren binnen de Kerk van Christus’ veroordeeld. Een gouden regel die de orthodoxe visie van de diversiteit zou moeten tot evenwicht brengen, maar ze is zelden in de realiteit toegepast.

De kritische westerse geest, ontvangen zonder voorbereiding noch gezond verstand, zou het orthodoxe geloof hebben kunnen ruïneren indien men er niet vanuit de ‘philocalische’ renaissance op voorbereid was. In Rusland trekken de startsi van Optina vele intellectuelen aan, en Griekenland kent een analoge uitstraling van de gerontes (= ouderen) tot in de literaire middens van de hoofdstad ( beweging genaamd de colyvades : de spirituelen hadden geprotesteerd tegen de celebratie de zondag, dag van de verrijzenis, van een rouwdienst, deze van de colyves, het eten bij een rouwdienst). De Russische hierarchie, die grote mystiekers kende (Theofaan de Kluizenaar, Ignatius Briantchanunoff) werd sterker, en de metropoliet van Moscou Philaret (1821-1867), een diepe theoloog die in zijn prediking de bijbelse en patristieke fundamenten van de Orthodoxie terugvindt komt naar voor als een de facto patriarch. De bijeenroeping van een concilie om het patriarchaat van Moscou in ere te herstellen werd vanaf 1904 beslist door de Synode : alleen de twijfels van Nicolaas II vertraagde dit tot aan de liberale revolutie van maart 1917.

De missie vergrootte haar krachtdadigheid, zowel op het wetenschappelijk als op het spirituele plan. Te Kazan werden de bijbelse en liturgische teksten vertaald in tientallen dialecten die in centraal en het verre -Azië gesproken worden. Groot werk is geleverd in China, Korea en Japan.

Samengevat, de ontmoeting met het Westen, geducht voor het folkloristisch geloof, veroorzaakt een krachtig reveil van de griekse gedachte, een bewustwording van de boodschap en de dienst van de Orthodoxie. In 1848, als antwoord op een appel van Pius XI, publiceren de oosterse patriarchen een plechtige encycliek om de paus te smeken om het dogma van de onfeilbaarheid niet in te voeren, dit om te verduidelijken dat de Waarheid wordt bewaard door het ganse lichaam van de Kerk. Deze encycliek vond een grote weerklank in Rusland.

Indien verschillende ‘slavofielen’ het volk van God verwarren met de cultuur van het Russische volk, indien zij willen democratiseren door té veel ecclesiologie, twee grote leke-theologen, Khomiakov en Kirievski ontwikkelen de orthodoxe notie van katholiciteit (sobernost) als vrije communio.

Een Gogol, een Dostojevsky onderzoeken de diepte van het moderne Atheïsme en tonen ons – dikwijls in het licht van de startsi – een vernieuwd christendom in de smeltkroes van angst en twijfel.

Vervolgens, bij het begin van de 20e eeuw, was er het grote avontuur, verward maar profetisch, van de Russische religieuse filosofie. Haar aanhangers zijn vrijwillig gehecht aan Christus na de tragische ervaring met het atheïsme. Velen komen uit het marxisme. Hun gedachten zijn dikwijls gekenmerkt door een zwaarwegende duitse gnosis en is waardevol door haar ‘afbakeningen’, haar eisen : de ganse moderne realiteit verkennen door een vernieuwde Orthodoxie,  een christelijke cosmologie uitwerken of beter een cosmische ecclesiologie rond de notie van Sophia, de Wijsheid van God, alomtegenwoordig (Soloviev, Florensky, Boulgakov),  een kennis ondersteunen in het perspectief van een existentialisme en een christelijk personalisme (de Troubetskoï, Berdiaev). Een dikwijls tevergeefse inspanning, altijd stimulerend, en die de Russische gedachte, eenmaal bevrijd, begin te hernemen, maar dan in de marge van de kerkelijke institutie.

 

10.- De grote beproeving (van 1917 tot 1988).

 

In de 20e eeuw is het geweld van het atheïsme eerst op de Russische Kerk zijn nefaste uitwerking gehad. Van 1918 tot 1941 heeft ze één van de ergste vervolgingen doorgemaakt welke de christelijke wereld heeft gekend, met tientallen miljoenen martelaren (processen en executies van 1922-1923, verwoesting van het landelijk christendom , van priesters van de dorpen in 1928-1934, de grote stalinistische zuiveringen van 1937-1938) De radicale scheiding van Kerk en Staat en van de school werd ondernomen in het perspectief van de ‘ondergang van de religie’. Het werd gezien als iets onvermijdelijk  voor de officiële ideologie. Monasteria en seminaries werden dus gesloten, elke vorm van catechese verboden. Het dekreet van 2 april 1929 weigerde aan ‘religieuze verenigingen’ elke vorm van intellectuele, culturele, sociale en caritatieve activiteit. Men stond enkel, tegenover de ‘antireligieuze propaganda’ deze van de religieuze ‘cultus’ toe. Deze stellingname werd hernomen door de opeenvolgende Constituties van 1936 en 1977. Na de dood van patriarch Tikhon (1925), kon geen enkele patriarch meer gekozen worden. Het regime bevoordeelde echter een progressief schisma : de ‘levende Kerk’ genaamd, die aan het regime toegewijd was, en deze realiseerde de voorziene hervormingen gedaan in de voorbereidende preconciliaire werkzaamheden. Daardoor zette zij deze hervormingen blijvend in gevaar. (het gebruik van het russisch, bijvoorbeeld).

Alles veranderde met de tweede wereldoorlog. De trouw, het patriottisme, het prestige bij de bevolking van de traditionele Kerk, de noodzaak om alle krachten van het land bijeen te brengen, ook deze om te beantwoorden aan de heropening van vele kerken in bepaalde bezette zones, leidden tot de ‘normalisatie’ van 4 september 1943. Het patriarchaat werd opnieuw ingesteld, vele bisschoppen en priesters kwamen uit de deportatie terug, een beperkte vorm van kerkelijk onderwijs om priesters te vormen werd opnieuw toegestaan , het schisma van links werd ongedaan gemaakt. Na de dood van Stalin, van 1953 tot 1959 kende de Russische Kerk een korte lente. Men telde in 1959, 22.000 parochies (54.000 in 1917) bediend door 30.000 priesters, ongeveer 80 monasteria, 8 seminaries en 3 theologische academiën.

Van 1960 tot 1964, komt gedurende de laatste periode van de regering van Kroutchtchev een nieuwe golf van niet-bloedige maar ‘verstikkende’ vervolgingen tot stand om deze vernieuwingen te breken. In 1961 verliest een priester de leiding van zijn parochie, omdat ze zogezegd toekomt aan een ‘executief lekeorgaan’, waarvan sommige zijn ingesteld door de burgerlijke autoriteiten. De ‘ raad voor religieuze zaken bij  de Raad van ministers van de ussr’ controleert de patriarch en zijn synode. De lokale gevolmachtigden controleerden de priesters. Het aantal open Kerken wordt zo gereduceerd tot ongeveer 7000.

Sedert 1945 hebben alle Kerken van Zuid-Oost Europa (buiten die van Griekenland) dezelfde vervolgingen gekend.

 

11.- Sedert de val van het communisme

 

Met de val van het communisme kent de orthodoxe Kerk in gans Oost-Europa voor het eerst opnieuw de vrijheid.

Sedert juni 1988, met het ‘Millenium’ van het Russische christendom, dat waardig gevierd werd. Het Russische episcopaat heeft een concilie gehouden die de canonische orde heeft hersteld, eerst en vooral in de parochies. De wet van oktober 1990 heeft de vrijheid van geweten ingevoerd, en de volle mogelijkheid voor de Kerk om zich te organiseren en uit te drukken, dit in een context van een leke-staat. Het aantal parochies is gestegen tot ongeveer 17.000 en men merkt ook een krachtige stijging van het monastieke leven : men telt vandaag de dag ongeveer 450 monasteria, vele monniken en monialen zijn jong en komen dikwijls uit het hoger onderwijs.

 

De reactie tegen het sluiten van compromissen met het oude regime door het episcopaat, heeft kleine schisma’s veroorzaakt ( de ‘Russische vrije Kerk’, filiaal van een zeer reactionaire  jurisdictie uit de emigratie, telt slechts een vijftigtal parochies), dikwijls zijn deze scheidingen nog niet helemaal opgelost, zoals in Bulgarije. In Roemenië is er in 1990 onrust ontstaan over een soort van restauratie binnen de kerk zoals binnen de Staat, maar jonge bisschoppen die gevormd zijn in West Europa zullen wellicht een nieuwe adem brengen. De talrijke en open christelijke intellectuelen stichten organisaties, tijdschriften worden uitgegeven in nieuwe uitgeverijen. In Rusland werden een dertigtal seminaries en ‘theologische colleges’ om priesters op te leiden geopend door de Kerk. De vrije filosofische en theologische instituten, waar ook leken, voornamelijk vrouwen kunnen studeren,  vermenigvuldigden zich (vijf in Moscou, vier in St.Petersburg).

Parochies en ‘fraterniteiten’ ontwikkelen een intense caritatieve en sociale activiteit, dit is welkom in een vervallen maatschappij.

 

Een zwak punt is echter dat slechts 55 % van de Russen gedoopt zijn, en het praktiseren gaat niet boven de 1,5%. De Russische Kerk ( en het is ongeveer hetzelfde in Roemenië en de Balkan) kiest eerder voor de moderniteit, maakt zich ook zorgen over het proselytisme van westerse religies en stelt zich het probleem van het nationalisme. De moderniteit « a l’americaine » brengt drugs, geweld cultus van het geld en sexuele permissiviteit mee. Amerikaanse en Japanse sekten, rijk en actief, organiseren « opwekkings bijeenkomsten », en verkondigen via de televisie. Katholieken, vooral Polen zijn niet altijd even discreet geweest. In de Baltische staten en in Ukraïne trachten de nationalisten, ondanks de autonomie hen toegekend door Moscou, om autocephale kerken op te richten.

Tegenover zovele bedreigingen, twijfelen de Russen tussen een gesacraliseerd traditionalisme, een bijna magisch ritualisme en een reactie van het zich terugplooien op zichzelf  volgend op deze van het soviet tijdperk, en de eis  van evangelisatie en vernieuwing. Het conflict concretiseert  zich op twee fundamentele punten : de liturgische taal, want bijna niemand verstaat het slavisch nog, en de oecumenische relaties. Ongeveer tot in 1996 probeerde de patriarch het evenwicht te bewaren tussen deze twee tendensen , sedertdien worden de vernieuwers eenzijdig getroffen met maatregelen, excommunicaties bij de vleet ( bv. Kotchetkov, die het russisch gebruikte in de liturgie en een uitgebreid catechumenaat organiseerde voor volwassenen, samen met twaalf medewerkers of de iconograaf Zenon, die gecommuniceerd had met katholieke vrienden…) Boeken van grite theologen uit de diaspora werden verbrand, alsook die van Vader Alexander Men, van joodse afkomst en een groot getuige van het Evangelie in de intellectuele middens van het soviet tijdperk. Hij werd vermoord in september 1990 en men heeft nooit geweten door wie. De verbranding van de boeken van Men, Schmemann en Meyendorff in mei 1998 te Ekatarininbourg, op bevel van de bisschop van de plaats heeft een immens schandaal teweeggebracht en het intellectuele leven van de Kerk neigt ertoe zich in de zijlijn op te stellen.

 

De politieke achtergrond van deze evolutie is complex maar onbetwistbaar. Enerzijds zoekt de patriarch meer en meer de steun van de staat op, en hij heeft heel sterk de eindstemming van de herfst 1997 beïnvloedt van  een wet in verband met religieuze verenigingen, die de Orthodoxie begunstigde ten nadele van de andere christelijke belijdenissen. Anderzijds probeert het nationalistische uiterst rechts, anti-westers en antisemitisch om het patriarchaat in hun kamp te krijgen, om zichzelf zo een populaire grondslag te kunnen geven. In werkelijkheid schijnen deze milieus minoritair en de Kerk verliest zelf zo in de maatschappij het prestige die het had gedurende de perestroika.

 

De wegen van de vernieuwing zijn ook zeer klein in Zui-Ooste Europa, waar de privileges van het oude regime er in geslaagd zijn zich staande te houden doorheen het Marxisme of het nationalisme. De nostalgie, een erfenis van Byzantium, een soort messianisme; de lange dominatie door multinationale Staten, islamitische en vervolgens communistische, hebben de opkomst van moderne staten vertraagd en zelfs verergerd.

De Orthodoxie die de taal en de cultuur van haar volkeren heeft bewaard, wordt door hen gevoeld als een als het ware etnisch toebehoren en niet als een persoonlijk geloof. In het uiterste geval is zij, door een bijzondere vorm van secularisatie, het instrument geworden van het nationalisme. Eén geval is hiervan bijzonder kenmerkend : dit van Servië.

 

De Serven hebben met geweld een oorlog gevoerd voor nationale eenheid. De buitensporigheden van de « ethnische zuiveringen » ( die zij ook hebben moeten ondergaan) getuigen van een dubbele wraaklust : tegen de Katholieke Kroaten, die tijdens de tweede wereldoorlog ongeveer 700.000 orthodoxe Serven hebben afgeslacht; en tegen de Moslims die de Serven gedurende tien eeuwen hebben gedomineerd en uitgebuit. In het begin van 1992 echter, heeft het regime gebroken met het regime die duidelijk bestond uit crypto-communisten. Vervolgens heeft de Servische Kerk, echter de eenheid van het Servische volk van Belgrado te Pale bevestigend, toch voortdurend een oproep gedaan voor vrede en zij heeft een gematigde positie ingenomen in de crisis rond Kosovo. Patriarch Paul heeft zelfs bevestigt, dat hij geen groot noch klein Servië wil, indien dit ten koste is van misdaad.

 

De orthodoxe gedachte heeft nochtans vrucht gedragen in dit Europa van het Zuid-Oosten : gisteren, met de grote dogmatische synthese van de Serv Justin Popovic en vooral met de roemeen Dumitru Staniloaë, realisator van grote werken, van een monumentale Philokalia. Vandaag met de Griekse vernieuwing van de grote patristieke traditie, herdacht in een existentieel perspectief : zo ontwikkelde metropoliet Johannes van Pergamo (Jean Zizioulas) een personalisme en een christelijke écologie, gegrondvest op het thema van de communio. De berg Athos, waar de intellectuelen in aantal toenamen, waaronder enkele Westerlingen, telt vandaag meer dan 1500 monniken en, door een waarachtige innerlijke hervorming, ontwikkelden ze een strict communautair leven tegen het individualisme en dikwijls tegen de apathie van de « idiorytmie » (volgens dewelke elke monnik leeft volgens zijn eigen rythme).

 

In het Midden-Oosten, is het Patriarchaat van Antiochië vernieuwd door de MJO (Orthodoxe jongerenbeweging), waarvan de actie vandaag vooral apostolisch en sociaal is. Deze beweging bracht veel bisschoppen voort waaronder de meest markante van de hedendaagse orthodoxie : zoals patriarch Iggnatios IV (Hazim) en metropoliet Georges Khodr’ en zijn antiochische orthodoxen die zich ingezet hebben voor een dialoog met de Islam.

 

De twee dromen van een « ontwaken (Nadha) » van het arabisch zijn van de leken, vervolgens van een  socialistische revolutie die niet minder laïc is rondom de Palestijnen, zijn ingestort. Er blijft alleen nog de weg van de « zachtheid » en van de evangelische « vrede », ten koste van het martelaarschap indien dit nodig is. Tijdens de oorlog in Libanon hebben de orthodoxen geen militie gehad, zij hebben onophoudelijk opgeroepen tot verzoening.

 

De orthodoxe Kerken en de « oude » Oosterse kerken, de «monofysieten » (Armeniërs, Jacobieten, Kopten, Ethiopiërsn zij uit Zuid Indië) hebben hun eenheid van geloof geproclameerd in 1989 en 1990. Maar de uitwerking van deze unie wordt vandaag afgeremd door heel wat behoudsgezinden en het wantrouwen aan weerszijden.

 

De patriarch van Constantinopel, Bartholomeüs 1e, verkozen in 1992, een man van groot geloof en van een grote cultuur, probeert de orthodoxe Kerken bijeen te brengen voor een duidelijk en open getuigenis. Hij verzamelt van tijd tot tijd de primaten van de autocephale Kerken voor een consultatieve « synaxe ». Er groeit echter een geweldige spanning tussen Constantinopel en Moscou ( naar aanleiding van het statuut van de orthodoxe Kerk van Estland en in Ukraïne). De laatste tijd echter kwam er weer meer toenadering tussen de twee patriarchaten, oa. Dank zij de onlangs overleden patriarch Alexis II van Moscou die veel welwillendheid aan de dag heeft gelegd.

 

Eén van de grote spirituele gebeurtenissen van de XXe eeuw is zonder twijfel de ontmoeting van de Orthodoxie met het Westen, dank zij de orthodoxe diaspora, rusland en grieken vooral, maar ook roemenen, serven en mensen uit Antiochië. Het is te Parijs dat de Russische religieuze filosofie haar laatste vruchten heeft gedragen. Het is voor een groot deel te Parijs dat ion de jaren 40 tot 60 de grote neo-patristieke en neo- palamitische synthese werd gerealiseerd (Georges Florofsky, Vladimir Lossky, Myrrha Lot-Borodine, Basil Krivochéine, aangevuld voor de theologie van de iconen door Léonide Ouspensky).

 

Verder heeft men de westerse orthodoxiën, nu eens door « naturalisatie » de nakomelingen van de emigranten en van westerlingen die zich spontaan tot de Orthodoxie bekeerden. In Noord-Amerika heeft het patriarchaat van Moscou (zonder akkoord met Constantinopel ) in 1970 de « autokephalie » toegekend aan een belangrijke fractie, russisch en Ukraïens van de orthodoxe diaspora.

Dank zij het preconciliaire proces, zijn de verschillende autokephale Kerken in 1993 overeengekomen om de nog verdeelde Diaspora op een betere manier te organiseren in een veelheid van origineel ethnische« jurisdicties », maar die meer en meer multinationaal zijn door hun inworteling in het Westen.  In elk land zal een bisschoppenvergadering opgericht worden die voorgezeten zal worden ex officio  door de vertegenwoordiger van Constantinopel. In Frankrijk, bestaat sedert 1967 een « interepiscopale commissie », een waarachtige « vergadering van bisschoppen ». In 1997 is deze verrijkt met meerdere commissies waar priesters en leken deel van uitmaken. Franstalige parochies van de byzantijnse ritus beginnen zich overal te vestigen, vooral in de Parijse regio en in de streek van Marseille. De orthodoxe fraterniteit probeert de vriendschap te stimuleren  tussen jongeren van diverse origine en ook een betere kennis van hun geloof. Ook min of meer geïsoleerde groepen beginnen zich te vormen, dikwijls marginaal en ietwat sektair. Hierover valt dikwijls moeilijk een oordeel te vellen. De zending, in de enge zin van het woord, onderbroken door de Russische revolutie, is voor een groot deel hernomen in Korea en vooral in zwart Afrika.

 

12. – Waar zijn de orthodoxen ?

 

Vandaag kan de geografische situatie van de Orthodoxie op de wereldbol aangeduid worden met een soort van kruis. De verticale arm is geworteld in de plaatsen van de bijbelse openbaring en van het originele christendom, met de Arabische orthodoxen van de « apostolische » patriarchaten van Antiochië en Jeruzalem  (ongeveer 3 miljoen). Vervolgens hebben wij de  ongeveer 10 miljoen Kopten, « pre-chaldonische » orthodoxen uit Egypte. Meer in het noorden, op de plaatsen zelf waar Paulus heeft gepredikt, is er de sterke Griekse Orthodoxie (ongeveer 11 miljoen gedoopten van de autocephale Kerken van Griekenland en Cyprus, van de autonome Kerk van Kreta en het « oecumenisch » patriarchaat van Constantinopel, primus inter pares). De vertikale arm van het kruis gaat vervolgens langs de « latijnse » Orthodoxie van Roemenië ( ongeveer 20 miljoen gedoopten)  en de Orthodoxie in de Caucasus van Georgië (3 miljoen), om zich verder uit te spreiden over de Slavische Kerken : Servië en Bosnië (10 miljoen), Macedonië (1 miljoen), Bulgarije (9 miljoen), Slovakije (100.000), Polen (1 miljoen), Wit-Rusland (6 miljoen), en vooral Ukraïne (30 miljoen) en Rusland (100.miljoen). De baltische Orthodoxie (Finland, Estkand) tely ongeveer 100.000 gedoopten.

 

In het zuiden omvat de verticale arm de griekse diaspora en de zeer levendige missies in zwart Afrika en Madagascar ( ongeveer 500.000 gedoopten), plus de «prechaldoniërs »  van Egypte (10 miljoen) en van Ethiopië (30 miljoen).

 

De oosterse arm van het kruis geeft de historische weg aan van de Russische missionering : doorheen hoog Azië, tot aan de uitgezaaide Kerken in China, Japan, de Aloueten-eilanden en Alaska. Voor de achtergebleven gemeenschappen en door de griekse Kerk voorzichtig weer tot leven geroepen, en deze van Noord Amerika zijn moeilijk cijfers te geven.

 

De westerse tak, trouwens een krachtdadige groep, komt overeen met de grote migraties van de  twintigste eeuw, hetzij omwille van economische motieven ( de exodus van Slaven en van mensen uit de streek rond de middellandse zee naar het westerse halfrond), hetzij om politieke redenen ( communistische revoluties, de ineenstorting van  grieks Azië, de Italiaanse veroveringen, de oorlog in Libanon). Men vind ongeveer 2 miljoen orthodoxen in west Europa, waarvan ongeveer 300.000 in Frankrijk ( plus 300.000 Armeniërs (prechadoniërs), 7 miljoen in Noord Amerika, 2 miljoen in Centraal en Zuid Amerika, waaraan we er nog eens één miljoen moeten bijtellen in Australië.

 Deze tekst bevat de tekst van het eerste hoofdsstuk van het boek van Olivier Clément : « l’Orthodoxie » uit de reeks Que sais-je.

 Vertaling : Kris Biesbroeck

11:27 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.