11-01-13

31e zondag na Pinksteren : heilige Hilarion van Poitiers

32e zondag na Pinksteren

Heilige Hilarion van Poitiers

Hilarion van Poitiers (150 x 170).jpg

 

LEZINGEN

Ef.4.7-13 /Hbr.7.26-8.2

Maar aan ieder van ons afzonderlijk is de genade* verleend naar de maat van Christus’ gave. [8] Daarom staat er: Door naar den hoge op te stijgen heeft Hij gevangenen meegevoerd en gaven uitgedeeld aan de mensen. [9] Hij is opgestegen: wat betekent dit anders dan dat Hij eerst in de diepte is afgedaald tot op de aarde? [10] Hij* die is neergedaald, is dezelfde die ook is opgestegen, hoog boven alle hemelen, om alles te vervullen.
[11] Hij ook heeft gaven uitgedeeld. Sommigen maakte Hij apostel, anderen profeet, anderen evangelist, weer anderen herder en leraar, [12] om de heiligen toe te rusten voor het werk van de bediening, tot opbouw van het lichaam van Christus, [13] totdat wij allen tezamen komen tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon, tot de volmaakte* man, tot de gehele* omvang van de volkomenheid van Christus. [

Hebr.7.26-82

[26] Zo’n hogepriester hadden wij ook nodig: een die heilig is, schuldeloos, onbesmet, afgescheiden* van de zondaars, en hoog verheven boven de hemelen; [27] Hij hoeft ook niet, zoals de hogepriesters, elke dag opnieuw eerst voor zijn eigen zonden offers op te dragen en daarna voor die van het volk, want dit heeft Hij eens en voorgoed gedaan, toen Hij zichzelf offerde. [28] De wet stelt als hogepriester mensen aan, die met zwakheid behept zijn; maar de eed, die uitgesproken is na de wetgeving, wijst de Zoon aan, die volmaakt is in eeuwigheid.
Hoofdstuk 8

De eredienst van het eerste verbond
[1] De* kern van ons betoog is dat wij zo’n hogepriester hebben. Gezeten aan de rechterkant van de troon van de majesteit in de hemel, [2] bedient Hij het heiligdom, de waarachtige tent, die de Heer zelf heeft opgericht, en niet een mens.

Evangelie : Matth.12-17/Joh.10,9-16 :


Begin van Jezus’ verkondiging in Galilea
[12] Toen Hij hoorde dat Johannes overgeleverd was, nam Hij de wijk naar Galilea. [13] Met voorbijgaan van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm* bij het meer, in het gebied van Zebulon en Naftali, [14] opdat vervuld zou worden wat bij monde van de profeet Jesaja gezegd is: [15] Land van Zebulon en land van Naftali,
aan de weg naar zee,
aan de overkant van de Jordaan,
Galilea van de heidenen!
[16] Het volk dat in duisternis zit
heeft een groot licht gezien,
en over hen die in het land
en in de schaduw van de dood zitten,
over hen is een licht opgegaan.

[17] Vanaf toen begon Jezus te verkondigen. Hij zei: ‘Bekeer u, want het koninkrijk der hemelen* is ophanden.’

[9] Ik ben de deur; wie door Mij binnenkomt zal gered* worden: die kan vrij in* en uit gaan en zal weidegrond vinden. [10] Een dief komt alleen maar om te roven en te slachten, en om verloren te laten gaan; Ik ben gekomen opdat ze leven mogen bezitten, en wel in overvloed.
[11] Ik ben de goede* herder. Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. [12] Maar een huurling, geen echte herder dus, als die een wolf ziet komen, laat hij de schapen in de steek en gaat ervandoor – het zijn zijn eigen schapen niet! – en de wolf overvalt ze en drijft ze uiteen. [13] Hij is immers een huurling en bekommert zich niet om de schapen. [14] Ik ben de goede herder: Ik ken* mijn schapen en mijn schapen kennen Mij, [15] zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; Ik geef dan ook mijn leven voor mijn schapen. [16] Ik heb nog* andere schapen dan die uit deze hof. Ook voor hen moet Ik een herder zijn: ze zullen luisteren naar mijn stem. Zo wordt het: één kudde met één herder.

De commentaren zijn gesloten.