03-08-13

Hemelse Koning,overpeinzingen over de reinheid van het hart - Jim Forest

Hemelse Koning

Overpeinzingen over de reinheid van hart

Lezing gehouden door Jim Forest op 4 oktober 2010

in het klooster New Skete te Cambridge, New York

 

 

 

jim-forest.jpg

Jim Forest

 

 

 

Graag zou ik een van onze meest gebruiktegebeden, “Hemelse Koning”, wat nader willen bespreken waarbij ik speciaal de woorden“reinig ons van alle smet” er uit zal lichten. Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid,die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult,Schatkamer van het goede, en Schenker van het leven, kom en verblijf in ons, reinig ons van alle smet, en red onze zielen, o Goede.Met niet veel woorden – minder dan veertig– is dit een van de oudste Christelijke gebeden. Het is een gebed dat met name met Pinksteren wordtgeassocieerd – de neerdaling van de Heilige Geest,de Geest der Waarheid, op de apostelen – als de volgelingen van Christus uiteindelijk begrijpen waar ze getuige van zijn geweest en welke taak Christus voor hen heeft voorbereid. Het is een gebed dat de meeste Christenen uit hun hoofd kennen en dat thuis gebeden wordt, zelfs in de kortste ochtend- en avondgebeden. Het wordt ook gebeden bij het begin van Proskomedie die vooraf gaat aan de Goddelijke Liturgie. We zeggen en zingen de woorden zo vaak dat ze zichzelf reciteren. Ik vermoed dat een ieder van ons bij dit gebed wel eens een moment heeft gehad dat een bepaalde zin ons als een pijl midden in ons hart raakte. En omdat dit gebed verbonden is met iedere liturgie en met ieder ochtend- en avondgebed, is het een gebed der gebeden, een gebed dat gemeenschap schept. Het gebed doet twee dingen.Ten eerste verwoordt het de focus van al onze gebeden. Het noemt namen. Door de Heilige Geest aan te roepen, worden we eraan herinnerd dat de Heilige Drieëenheid, de gemeenschap van drie Personen in Eén God, de focus en het centrum van ons leven is. Dit is waar ons Christelijk leven om draait. Dit is het gebed dat ons allemaal in hetzelfdeperspectief plaatst.Ten tweede is het een vurig appèl dat alles opsomt waar we naar op zoek zijn. We willen dat God komt en in ons verblijft, dat Hij ons reinigt van alle smet en dat Hij onze ziel redt. Het is een gebed om diepgaande genezing. We kunnen onszelf niet reinigen of onze eigen ziel redden, niet zonder Godshulp. Het eerste gedeelte kan in drie stukken worden verdeeld. Het eerste gedeelte, Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid, beantwoordt de vraag: “Tot wie bidden wij?”. Het tweede gedeelte, Die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult, geeft antwoord op de vraag: “Waar bent U?”. Het derde gedeelte, Schatkamer van het goede, en Schenker van het leven, beantwoordt de vraag: “Wat doet U?”.

Het begin van het gebed herinnert ons eraan dat we geen mensen zonder vorst zijn. We hebben een Vorst, namelijk een Hemelse Koning. Slechts aan deze vorst zijn wij verantwoording schuldig, en zijn geboden hebben voor ons absolute prioriteit. God heeft ons geen wetten in de gebruikelijke zin van het woord gegeven, maar een aantal geboden. Zo is er bijvoorbeeld de Bergrede. Die opent met de Zaligsprekingen, die in de Russische kerk de “geboden van de zaligheid” worden genoemd.

De Zaligsprekingen vormen eigenlijk een zeer korte samenvatting van het Evangelie. Elke Zaligspreking heeft betrekking op bepaalde aspecten van een leven in de Opstanding – dat wil zeggen een leven dat niet wordt vormgegeven door de dood. Een manier om de Zaligsprekingen te lezen is om de woorden “Opgestaan uit de doden” aan het begin van ieder vers te lezen – bijvoorbeeld: “Opgestaan uit de doden zijn de armen van geest”. Ook is er een gebod om te vergeven: en niet één keer, maar zeventig maal zeven keer. Eén keer is meestal al niet eenvoudig. Dan zijn er ook nog de tweeledige geboden– om God lief te hebben (niet zo eenvoudig als het klinkt) en onze naaste lief te hebben (veel moeilijker dan het klinkt). Het gebod om God lief te hebben is onlosmakelijk verbonden aan het gebod om onze naasten lief te hebben als ons zelf. Uit het Evangelie wordt duidelijk dat met die naaste niet alleen een vriendelijke buurman wordt bedoeld die naast ons woont en met wie we soms een aardig praatje maken hebben en die mogelijk zelfs naar dezelfde kerk gaat als wij. De naaste waar het gebod op doelt is om het even welke persoon die God op ons pad brengt. We hebben het niet over relaties met wederzijdse affectie, maar over nabijheid, hoe kort, tijdelijk en onbedoeld ook: de bedelaar op straat, de atheïst die het Christendom hartgrondig veracht, de mede- Christen voor wie we dekking willen zoeken, de man die net mijn portemonnee heeft gestolen, de gewonde vreemdeling die aan de kant van de weg ligt, degene die mijn leven of dat van mijn dierbaren bedreigt. We hebben een Koning en als we serieus zijn over het feit dat we onszelf Christenen noemen, dan zijn we een volk dat tracht onder zijn heerschappij te leven. Maar het is moeilijk. We zijn zeelieden die bijna altijd tegen alle winden in zeilen, tegen de winden van onze eigen onzekerheid, angsten en ons eigen egoïsme, de winden van niet geheelde verwondingen en bittere herinneringen, de winden van ongeloof, de winden van de politiek, van propaganda, van slogans en van nationale identiteit, de winden van wat we menen te moeten zeggen en denken om verder te kunnen met ons leven.

Onze Koning is een Hemelse Koning – dat wil zeggen, niet van deze wereld – maar wel een Koning die deze wereld liefheeft, die Zichzelf geeft voor het leven van de wereld, een Koning die de zieken van lichaam en geest geneest, een Koning die de hongerigen voedt, een Koning die zonden vergeeft en de levens van zondaars redt, een Koning die weent, een Koning die bidt om vergeving van hen die Hem kruisigen, een Koning die Zichzelf verschuilt in de hongerigen, de dorstigen, de naakten, de daklozen, de zieken en de gevangenen, een Koning die onze reactie op de minste persoon beschouwt als het ultieme criterium om gered te worden. Niet uw gebruikelijke koning. Onze Koning is iemand die we aanspreken als “Trooster”. In de oorspronkelijke Griekse tekst wordt het woord “parakleet” gebruikt, dat verschillende betekenissen kan hebben: krachtgever, advocaat, raadgever, trooster, bemoediger, steungever, helper, beschermer. Eigenlijk is geen enkel Nederlands woord helemaal passend. Hier in uw klooster is gekozen voor “trooster”. In het Engels wordt meestal het woord “comforter” gebruikt. Dat woord is afkomstig van het Latijnse woord “comfortare”, dat krachtgeven betekent. God geeft ons tegelijkertijd kracht voor de strijd en ook troost.

(…) Gods Heilige Geest is de “Geest der Waarheid”, een zinsnede die mij vaak doet denken aan het Engelse gezegde “Speak the truth and shame the devil”. Er bestaat ook een Russisch spreekwoord, “Eet brood en zout en spreek de waarheid”. Wat een uitdaging is het om de waarheid te kennen, de waarheid te spreken en een waarachtig leven te leiden. Waarachtig spreken is veel meer dan zeggen wat je oprecht denkt over een bepaald onderwerp,hoewel dat soms moeilijk genoeg kan zijn. Het is niet eenvoudig om gewoon de waarheid te weten over eenvoudige dingen. Hoeveel onschuldige mensen zitten er vandaag de dag niet vast in de gevangenis voor misdrijven die ze niet hebben begaan, die schuldig zijn bevonden en veroordeeld omdat een getuige hen per abuis heeft aangewezen als de schuldige. De getuige legde zijn of haar verklaring in alle oprechtheid af, maar heeft zich vergist en als resultaat zit de verkeerde persoon nu jarenlang in de gevangenis. Oprechtheid staat niet gelijk aan waarachtigheid. Men kan oprecht verkeerd zitten. (…) Als antwoord op de vraag “God waar bent U?

komt de volgende zinsnede Die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult. Soms zouden we, net als Jona, wel willen dat God overal is, maar niet hier. Maar God kan niet niet-aanwezig zijn. Licht kan zichzelf niet verschuilen in het duister. Zelfs in de hel is God niet afwezig – dat is onmogelijk. De hel is wat wij ervaren wanneer wij pogen om bij God weg te blijven, dat wil zeggen om niet lief te hebben. Zoals Bernanos het zegt: “De hel is niet meer liefhebben”. God is alom tegenwoordig. Een goed gebouwde kerk doet al het mogelijke om ons te helpen ons bewust te worden van die aanwezigheid en onze harten ervoor open te stellen, maar God is niet minder aanwezig in je keuken of in een bus of in de gevangenis, of op een plek waar mensen worden gefolterd. En God is niet alleen tegenwoordig maar de gehele schepping is vervuld met die tegenwoordigheid. We kunnen delfstoffen gebruiken om dodelijke wapens te maken, instrumenten die ons aan de hel doen denken, maar het materiaal waar die wapens van gemaakt zijn zou ons wel aan God moeten herinneren. “De gehele schepping zingt Uw glorie” zeggen we in een van de avondgebeden. Alles wat door God geschapen wordt vormt voor ons een mogelijkheid om te offeren. Alles wat wij moeten meebrengen voor de ontmoeting is een gevoel van verwondering. Als antwoord op de vragen “Wat doet U? Hoe kennen wij U?” noemen we God de schatkamer van het goede en Schenker van het leven.  (…) Het goede waar hier op gedoeld wordt is een leven in gemeenschap, in de eerste plaats met God, maar ook met elkaar. Verbinding. Wat een zegen is het om ontvankelijk te worden om het beeld van God in een ander mens te kunnen zien. Hoe vaker dat gebeurt, hoe gelukkiger we zijn. Door God in anderen te zien worden we geholpen God te zien. Het is een voorproefje van de hemel. Het betekent in staat te zijn om lief te hebben, om Gods liefde voor onze medemensen te ervaren en te delen. Het is het grootste goed om Gods aanwezigheid gewaar te worden – niet het idee dat God aanwezig is, maar bewust in die aanwezigheid te leven. Niet in staat zijn om de aanwezigheid van God in de ander te zien is een vorm van blindheid, die erger is dan gewoon niets kunnen zien. Dat doet mij denken aan wat Dorothy Day eens zei: “Zij die God niet kunnen zien in arme mensen zijn werkelijk atheïsten”. Nu komen we pas aan bij wat we eigenlijk vragen in dit korte gebed Kom en verblijf in ons, reinig ons van alle smet en red onze zielen, o Goede. Men kan een ellenlange lijst maken van de verschillende smetten waar de meesten van ons mee worstelen. Ik wil mij slechts op drie daarvan concentreren: tribalisme, angst en het leven in haast (ik beperk mij tot drie onderwerpen op advies van metropoliet Kallistos).

Ten eerste tribalisme. Eén aspect van onze beschadigde menselijke natuur is een sterke neiging tot stammencultuur, wat de illusie van afgescheidenheid met zich meebrengt. Het leven van een ieder in deze ruimte kan gered worden door een bloeddonatie van een Latijns-Amerikaanse Azteek, een Inuït-eskimo uit Alaska of een Afrikaanse Zulu. Toch geven wij er de voorkeur aan onszelf te zien als hoofdzakelijk verbonden met degenen met wie we onze nationaliteit delen, onze taal delen, onze voorgeschiedenis, of – in het geval de stamcultuur een religieus karakter heeft – met degenen die dezelfde rituelen naleven, die eenzelfde rituele vocabulaire hebben. Binnen de grenzen van die stammencultuur, of subcultuur daarvan, zijn we bereid aanzienlijke offers te brengen, zelfs ons leven te riskeren en te geven als er geen respectabel alternatief is. Maar de stam sluit veel meer uit dan er in wordt opgenomen. We zien onszelf als radicaal anders en ver verwijderd van de grote massa, terwijl zij in werkelijkheid – als we oprecht menen wat we zeggen als we het Onze Vader bidden – onze broeders en zusters zijn, die net als wij afstammen van die mysterieuze eerste mensen die we Adam en Eva noemen, en net als wij voorwerp zijn van Gods liefde en genade. Er bestaat een commentaar van een rabbijn dat zegt, dat God alleen Adam en Eva heeft geschapen zodat niemand kon denken dat hij of zij van een hogere of specialeafkomst was.

Ook in de Orthodoxe Kerk kennen we tribalisme. ik ben in Orthodoxe kerken geweest waar de onuitgesproken vraag was: “Waarom ben je hier? Jouw voorouders komen niet van dezelfde plek waar onze voorouders zijn geboren. Je bent niet welkom”. Op een kerkelijk concilie in de 19e eeuw, onder voorzitterschap van de Patriarch van Constantinopel, is nationalisering of tribalisering van het Christendom ‘etnophyletisme’ genoemd – letterlijk ‘liefde voor de stam’ – en is bepaald dat dit ketterij is. Maar tot op heden is het een ketterij die welig tiert. ‘De ander’ op een afstand houden is een van de smetten waarvan God ons het moeilijkst van kan reinigen, omdat we zo sterk hechten aan tribale identiteit. We zijn zelfs niet erg bereid om het probleem te onderkennen. “De essentie van zonde is de angst voor de Ander, wat een onderdeel vormt van de verwerping van God”, schreef metropoliet Johannes Zizioulas van Pergamon. Op het moment dat de bevestiging van de ‘ik’ is gerealiseerd door verwerping en het niet accepteren van de Ander – dat is wat Adam in zijn vrijheid verkoos te doen – op dat moment is het alleen maar natuurlijk en onvermijdelijk voor de ander om een vijand en een bedreiging te worden. Verzoening met God is een noodzakelijke voorwaarde voor verzoening met iedere ‘ander’”.

Wie is ‘de Ander’? Zizioulas schrijft het woord ‘Ander’ met een hoofdletter om de betekenis en het mysterie ervan te benadrukken. De ‘Ander’ is eenieder van wie ik geneigd ben te denken dat die beter dood dan levend kan zijn, beter veraf dan dichtbij. Meestal is het iemand van buiten mijn eigen stam, van buiten mijn etnische, religieuze of nationale groep. We zijn geneigd om vrij veel aandacht te besteden aan het opzettelijk doden binnen onze eigen stam – met een gepast rechtssysteem etc. – maar niet als het gaat om moorden buiten de stam. We tellen heel precies het aantal Amerikanen dat gedood is in de oorlog en we proberen niet de anderen te tellen die door ons zijn gedood, hoewel dat er mogelijk veel meer in aantal zijn. Als Christen kan ik in theorie geloven dat ieder mens – iedere ‘Ander’– een drager is van het beeld van God, maar in de praktijk? De waarheid is dat ik er nauwelijks over nadenk dat mensen buiten mijn eigen stam dragers van het beeld van God zijn. Meer nog, ik heb het er al moeilijk genoeg mee om dat beeld binnen mijn stam te onderscheiden, ja zelfs binnen mijn eigen familie.

Wat metropoliet Zizioulas zegt is eigenlijk dat als ik ‘de Ander’ verwerp, ik niet een bepaald persoon verwerp, maar de Goddelijke oorsprong van die persoon. Dat is de essentie van de zonde, het verdelen van de mensheid in de ‘onzen’ en de ‘niet de onzen’– ervan uitgaande dat ik mij heb ontwikkeld voorbij het punt van de nog meer elementaire verdeling tussen ‘ik’ en ‘niet-ik’. Degenen die ‘niet de onzen’ zijn kunnen worden ontmenselijkt en kunnen een doelwit van een oorlog worden, zonder dat dit als zonde wordt beschouwd. Verzoening begint met God, zegt Zizioulas, maar er kan geen verzoening met God zijn als we weigeren ons te verzoenen met ‘de Ander’. (…) Dan komt de angst, de elementaire kracht die ons weerhoudt van daden van liefde. Als we de boodschap van de engelen samenvatten in een paar woorden, dan luidt die boodschap: “Wees niet bevreesd”. Maar de meesten van ons zijn vergiftigd door angst. Misschien is dit nog niet eerder zo erg geweest als sinds het instorten van de beide torens van het World Trade Centre negen jaar geleden. Destijds, in 2001, deden veel mensen, waaronder – en dat strekt hem tot eer - president Bush, hun best om duidelijk te maken dat de moslims niet de vijand waren, maar dat het ging om fanatiekelingen die hun geloof gebruikten als excuus om te mogen moorden. Niemand had het in die dagen over het verbieden van islamitische culturele centra of moskeeën. Maar meer recentelijk, de afgelopen maanden, zijn dit brandende kwesties geworden. Het zijn niet langer zomaar islamitische fanatiekelingen die het probleem zijn. Voor veel mensen is het de Islam zelf. Voor hen is iedere moslim verdacht. Er zijn zelfs mensen die zeggen dat de Islam geen religie is, maar een ideologie. Sommigen zeggen dat de Koran veel gemeen heeft met Hitlers boek, Mein Kampf. Hoewel er een kleine groep mensen is die oprecht vindt dat de vrijheid van godsdienst sowieso moet worden afgeschaft als een grondrecht, zijn er veel mensen die van mening zijn dat dit een recht is dat plaatselijk niet moet worden toegestaan. Er zijn devote christenen die er bezwaar tegen hebben om moslims te zien als afstammelingen van Abrahamen van ‘het volk van het boek’; ze erkennen niet dat moslims monotheïstisch zijn en dat ze met joden en christenen gemeen hebben dat ze één God belijden, want, zo wordt gesteld, doordat ze Jezus niet erkennen, erkennen en belijden de moslims niet de ware God. (…) Een voorbeeld van een geheel andere houding ten opzichte van moslims is te vinden in het Katharina-klooster in de Sinaï-woestijn. Dit is een van de oudste kloosters ter wereld, een plaats van ononderbroken gebed en devotie sinds de stichting in de zesde eeuw. Als je nauwkeurig kijkt naar de foto’s van het klooster, zie je dichtbij de kloosterkerk een helder witte toren. Het is een minaret van de enige moskee binnen een kloostermuur. De Fatimid Moskee wordt nog steeds gebruikt door bedoeïenen die voor de monniken het land beheren en hun buren zijn. De moskee was oorspronkelijk bedoeld als een gasthuis voor pelgrims, maar in 1106, meer dan negenhonderd jaar geleden, kreeg het zijn huidige bestemming. Het moet haast wel een van de oudste moskees van de wereld zijn. Ongetwijfeld verklaart de gastvrijheid van de monniken tegenover de moslims voor een deel hoe het klooster al die eeuwen heeft kunnen overleven in een gebied dat geheel islamitisch werd. Het verklaart waarschijnlijk ook hoe het klooster een veilige haven werd voor een aantal van de oudste ikonen en Bijbelse manuscripten om zo te overleven sinds het eerste millenium van het christendom. Het is een treffende voorbeeld van een waarachtig Christelijk antwoord op een conflict zonder dat het door angst is ingegeven. (…) Christus vertrad de dood door Zijn dood. Op dezelfde manier wordt vrees weggenomen door vrees – niet vrees voor anderen maar vrees voor God. Ik wil niet beweren dat die twee soorten vrees hetzelfde zijn. De vrees voor God is niet dezelfde als de angst die iemand zou kunnen voelen die voor de tafel van Hitler of Stalin komt te staan. De vrees voor God is iets geheel anders – een staat van absoluut ontzag, verbazing en bewondering, die eenieder overweldigt, die zich ervan bewust is dat hij zich in de aanwezigheid van God bevindt. De vrees voor God is een krachtgevende vrees. Het geeft kracht om tegen de stroom van haat in te zwemmen, tegen de stroom van vijandigheid, propaganda en sociaalgeorganiseerde moord, waar wij medeschuldig aan zijn, ook al wordt daadwerkelijke moord door een ander gepleegd. De vrees voor een tiran kan de poort van de liefde niet openzetten – dat kan alleen de vrees voor God. De liefde voor een ander – dat betekent bereid te zijn je eigen leven op te geven voor een ander – is nooit iemands eigen prestatie, maar louter een geschenk van God, een gift van de Heilige Geest die het hart reinigt. Zelfs de liefde voor je echtgenoot of voor je echtgenote, voor je kinderen of voor je ouders, is een geschenk van God. Het is onmogelijk om te leven zonder de genade van God, maar alleen die liefde is perfect waarbij het beeld van God wordt gezien en beantwoord in een ander met wie we geen familie zijn en die we ook niet lief hoeven te hebben uit sociale verplichting. “De ziel die de Heilige Geest niet heeft gekend”, zo heeft de heilige Silouan van de Heilige Berg ons geleerd, “kan niet begrijpen hoe men zijn vijanden lief kan hebben en kan dat niet accepteren.” Als jongeman werd deze Russische monnik ooit bijna gedood door zijn buurman. Later in zijn leven, toen hij al monnik was geworden, heeft hij steeds volgehouden: “Hij die zijn vijanden niet liefheeft, heeft niet de genade van God.”

Mijn derde en laatste punt heeft te maken met het probleem van het leven in haast. In onze maatschappij, tenminste voor hen die niet in een kloostergemeenschap wonen, is dat het grootste obstakel voor de reiniging van het hart. We hebben het veel te druk. We voelen ons vaak als gevangenen van het spitsuur. (…) In werkelijkheid heeft iedereen tijd, want niets is aan iedereen zo gelijkelijk toebedeeld als tijd. Maar mensen die naast elkaar in dezelfde straat lopen kunnen een geheel verschillend gevoel van tijd hebben. Zo kan het zijn dat de één zo bezig gehouden wordt door zijn veeleisende agenda, of door zijn zorgen of door zijn plannen voor de toekomst dat hij nauwelijks merkt wat er om hem heen gebeurt, terwijl de ander, hoewel die een leven vol verplichtingen heeft, zeer aandachtig is. Ieder persoon heeft de vrijheid om te pauzeren, om te luisteren, om te bidden, om te laat te zijn voor een afspraak, om een andere richting in te slaan. De reiniging van ons hart maakt ons vrijer, meer in staat om te luisteren, om de mensen om ons heen te zien en te reageren op hun behoeftes.

Het kan hard werken zijn om te leren hoe je weg moet komen van de snelweg in je hoofd. Wijlen metropoliet Anthony (Bloom), die jaren aan het hoofd stond van de Russisch-Orthodoxe Kerk in Groot-Brittannië suggereerde, als basisoefening voor een spiritueel leven, om te gaan zitten en tegen jezelf te zeggen: “Ik zit, ik doe niets en de komende vijf minuten zal ik ook niets doen”, en dan te ontspannen. In het begin zal je dit maar één of twee minuten kunnen volhouden. Realiseer je gedurende die hele tijd: “Ik ben alleen maar stil, ik ga nergens heen, ik ben hier in de aanwezigheid van God, in mijn eigen aanwezigheid en in aanwezigheid van alle meubels die om mij heen staan”. Daarbij moet je natuurlijk nog wel één ding doen: je moet besluiten, dat je in die twee of vijf minuten die je hebt bestemd om te leren dat de tegenwoordigheid - het nu - bestaat, dat je niet wordt afgeleid door de telefoon, door een klop op de deur, of door een plotselinge opwelling van energie die je er toe aanzet om nu direct datgene te gaan doen wat je de afgelopen tien jaar hebt laten liggen. Je gaat goed zitten en je zegt: “Hier ben ik” en dat ben je. Als je leert om dit te doen op verloren momenten in je leven, en je geleerd hebt om in je gedachten niet steeds onrustig te zijn, maar volledig kalm en gelukkig, stabiel en helder, probeer dan die paar minuten uit te breiden en die dan nog een beetje langer te maken. Het is een eenvoudige maar niet gemakkelijke oefening, een soort gebed dat zowel fysiek als spiritueel is, waarbij we God vragen ons te helpen ons hart te reinigen. (…) Maar wat is een rein hart? Een hart vrij van bezitterigheid, een hart dat in staat is om te treuren, een hart dat dorst naar gerechtigheid, een barmhartig hart, een liefhebbend hart, een hart dat niet door hartstochten wordt beheerst, een onverdeeld hart, een hart dat zich bewust is van het beeld van God in de ander, een hart dat zich bewust is van Gods aanwezigheid in de schepping. In de woorden van de heilige Isaak de Syriër: “Iemand heeft werkelijk een rein hart als hij alle mensen als goed beschouwt en geen enkel schepsel hem als onrein of geschonden voorkomt”. (…) Hoe reiner het hart, heeft de heilige Isaak gezegd, hoe meer iemand zich bewust wordt van de Schepper in de schepping. De heilige Isaak legde veel nadruk op ascese – gebed, vasten, vrijwillige armoede, vrijgevigheid aan de armen – als een manier om het hart te reinigen. Als strijder tegen de hartstochten van de wereld, was deze zevendeeeuwse bisschop hartstochtelijk in zijn liefde voor de schepping, niet alleen voor de mens als schepping naar Gods beeld, maar voor alles dat God leven heeft ingeblazen. “Wat is reinheid?”, vroeg de heilige Isaak. “Het een hart vol compassie met de hele geschapen natuur (…) En wat is een hart vol compassie? (…) Dat is een hart dat brandt voor de hele schepping, voor de vogels, voor de beesten, voor de duivels, voor ieder schepsel. Als die mens aan hen denkt, naar hen kijkt, vullen zijn ogen zich met tranen. Zo sterk, zo heftig is zijn compassie (…) dat zijn hart breekt wanneer hij de pijn ziet en het lijden van het meest eenvoudige schepsel. Daarom bidt hij steeds met tranen in zijn ogen (…) voor alle vijanden van de waarheid en voor iedereen die hem kwaad doet, opdat zij mogen worden beschermd en vergeven. In zijn eindeloze compassie, die opwelt in zijn hart naar Gods gelijkenis, bidt hij zelfs voor slangen”.

Laten we eindigen waar we begonnen zijn en,staande, samen het gebed bidden:

Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid,

Die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult,Schatkamer van het goede, en Schenker van het leven, kom en verblijf in ons, reinig ons van alle smet, en red onze zielen, o Goede.

 

Vertaling: Annet Crouwel

Uit : nummer 1 · 2011 · Nikolaas in de Jordaan

10:46 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.