24-09-13

over de kerkvaders

Over de Kerkvaders

 

 

1 Literatuur.

  • Berthold Altaner - Alfred Stuiber, Patrologie. Leben und Lehre der Kirchenväter, Freiburg - Basel - Wien, Herder, 1978.

2 Wat zijn kerkvaders?

Wij noemen kerkvaders (in strikte zin): die kerkelijke schrijvers die duidelijk

  1. orthodox zijn,
  2. een heilige levenswandel leiden,
  3. door de Kerk erkend zijn en
  4. uit de oudheid stammen.

Het patristisch tijdvak (het tijdperk waarbinnen men spreekt van kerkvaders) eindigt in het Westen met paus Gregorius de Grote (590-604) en Isidorus van Sevilla (±560-633), ook wel met Beda (672-735) en in het Oosten met Johannes Damascenus (±650-±750).

2.1 De apostolische vaders.

Tot de apostolische vaders rekenen wij de auteurs uit het oer-Christendom waarvan we kunnen vaststellen dat zij leerlingen of toehoorders zijn van de apostelen of dat zij zeer kort na de apostolische tijd geschreven hebben en waarvan we weten dat zij in hun leer in hoge mate drager zijn van de apostolische overlevering. Chronologisch staan zijn zeer dicht bij het N.T, waarbij ze ook heel dicht aansluiten w.b. inhoud en vorm van hun werken.[1]Strikt genomen horen er enkel Clemens, Ignatius, Polycarpus, Barnabas en Papias onder. De overige schriften kan men in een andere categorie, als vroeg-Christelijke geschriften plaatsen. Tot hen horen (min of meer) in chronologische volgorde:

  • De Barnabasbrief (vóór 140)
  • De eerste Clemensbrief (Brief van de bisschop van Rome aan de kerk van Korinte) (ca 95)
  • De zeven brieven van Ignatius van Antiochië (+ ca 110)
  • De brief van Polycarpus aan de kerk van Filippi (+156)
  • De Marteldood van Polycarpus (ca 156)
  • De Pastor Hermas (voor 150)
  • De Didachè (100-150) of de leer van de Twaalf apostelen
  • De Diognetusbrief (120-210)
  • Ook Quadratus wordt soms hiertoe gerekend.
  • Papias van Hiërapolis, een leerling van de apostel Johannes, schreef rond 130 vijf boeken, waarvan slechts kleine fragmenten bewaard zijn.

De archaïsche theologie van de apostolische vaders sluit zeer nauw aan bij de Schrift en bij de Joodse “theologie”. In tegenstelling tot latere schrijvers hebben zij nog geen systematisch gebruik gemaakt van de hellenistische gedachtewereld om hun geloof te verklaren. Kenmerkend voor hun werk is de sterke ethische nuancering en een sterke eschatologische gerichtheid.

Deze theologische geschriften zijn allemaal gericht tot Christenen. De geloofsverantwoording die we erin aantreffen is een immanente kerkelijke die zich uitput in het aantonen van de conformiteit van de aangereikte leer zowel met de reeds vastliggende overlevering van de leer als ook van de overeenkomst met de geboden (ἐντολαι) die voortvloeien uit de relatie met de persoon van Jezus Christus.

Er zijn al aanzetten aanwezig die op een uitbreiding van de geloofsverantwoording in de richting van de filosofische rede. Dit vinden we met name wanneer ze hellenistische voorstellingen over het heersen van God over de natuur overnemen en in het aantonen van de aannemelijkheid van de Christelijke wonderen, m.n. de verrijzenis. Om de transcendentie van God te verklaren nemen ze begrippen over uit de hellenistische kosmotheologie, vooral van het neo-platonisme en de Stoa. Ze doen ook een beroep op de Griekse Logos om de redelijke mogelijkheid van de verrijzenis (van het lichaam?) aan te tonen. Vaak gebruiken ze de argumenten die de Stoa gebruikt om de voortdurende kosmische vernieuwing door het vuur te bewijzen. Deze argumenten komen uit een cyclische geschiedenisopvatting en moeten daarom een nieuwe betekenis krijgen voor gebruik binnen de lineaire geschiedenisopvatting van het Christendom.

Bij de apostolische vaders blijft de nadruk liggen op de schriftargumentatie. Deze moet in ruime zin gezien worden. Men put zich niet uit in letterlijke citaten maar in citaten in de zin van de Schrift. Slechts zeer sporadisch maken zij gebruik van de Griekse categorieën om Gods ingrijpen in de natuur te verduidelijken. Hun geschriften zijn gelegenheidswerkjes. Een systematische en algemene theologie ontbreekt.

2.2 De apologeten.

Na de apostolische vaders breekt de tijd aan van de apologeten. Zij zijn Christenen uit de tweede eeuw die hun werken wijden aan een verdediging (apologie) van het Christendom in de hellenistische wereld. Tot hen behoren een twaalftal namen:

  • Marcianus Aristides (Apologie aan K. Antonius Pius (138-161)) of Hadranus (117-38) uit Athene.
  • Justinus (+165 Rome), twee apologieën en twee dialogen.
  • Tatianus, leerling van Justinus in Rome, diverse geschriften. Bekend (deels) is zijn Diatessaron. Rond 172 breuk met kerk van Rome, werd enkratiet: verwierpen huwelijk, wijn- en vleesgebruik.
  • Athenagoras, filosoof uit Athene, een verdediging van de Christenen aan Marcus Aurelius (ca 177) en “Over de opstanding van de doden”.
  • Theophilus van Antiochië, bekeerling en dan bisschop van Antiochië, 3 boeken aan Autolycus (kort na 180), diverse geschriften verloren.
  • Quadratus (Kodratus), apologie in 123/4 of 129 aan keizer Hadrianus (Eus. H.E. IV,23,3), enkel fragment bij Eusebius (IV,3,1-2)
  • Hermias, onbekende auteur, (spotschrift Διασυρμος των ἔξω φιλοσοφων), in tien eerder grove dan leuke hoofdstukken worden heidense aanvallen op het wezen van God, de ziel... weerlegd. (2de helft 2de eeuw of being 3de eeuw)
  • De spreuken van Sextus (180-210) Dit zijn 451 spreuken die onder de naam van Sextus verzameld werden, vermoedelijk in Alexandrië. M.n. ethische uitspraken van filosofen (neo-pythagoreeërs, stoa, platonisme) die apologetisch voor het Christendom werken.
  • Aristo(n) van Pella, verloren dialoog tussen Jason en Papiskus over Christus (ca 140). Dit is kennelijk de oudste apologie tegen Joden.
  • Miltiades, redenaar uit Kl.-Azië, drie verloren Apologiën (Eus. H.E. V,17,5) onder keizer Marcus Aurelius (161-180) en mederegent Verus (161-169).
  • Apollinaris van Hiërapolis, 4 apologieën onder Marcus Aurelius. Allemaal verloren.
  • Melito van Sardes, Apologie rond 172. Enkel fragmenten bekend. In 1940 is een preek van hem teruggevonden.
  • Ireneüs van Lyon (+ ca 202)
  • de schrijver van het Kerugma van Petrus
  • Clemens van Alexandrië, Proteptikos
  • Arnobius (Adv. nationes)
  • Ps.-Justinus, Oratio ad Graecos
  • Tertullianus, (+ ca 220) [N.- Afrika] Apologeticus, Ad Nationes, Adv. Judaeos (andere werken van hem zijn montanistisch)
  • Minucius Felix, Octavius.

Zij zijn allen bekeerde heidenen. Zij gebruiken voor het eerst elementen uit de Griekse filosofie om hun geloof te verdedigen. Centraal staat bij hen het probleem van Gods transcendentie. Zij moeten optreden tegen twee fronten: het judaïserend hellenisme (Jodendom), het hellenisme met het gnosticisme. De aanleiding om te schrijven is meestal hun zorg om de Christelijke leer zuiver te houden. Zij beginnen voor het eerst een systematische theologie op te zetten. De confrontatie met Jodendom en heidendom werkt een negatieve theologie in de hand: God is ongeboren, onbegrijpbaar, onuitspreekbaar, God is geest (niet-lichamelijk).

In hun godsleer brengen zij de nodige correcties aan aan het Grieks-filosofische denken: zij leren het monotheïsme, de schepping, Gods voorzienigheid, en een doelgerichtheid en zinvolheid van wereld en geschiedenis.

Hun grote verdienste is dat zij in Griekse denkcategorieën hebben nagedacht over de handelende God uit de Bijbelse geschiedenis.

2.2.1 Hun geloofsverantwoording.

Hun geloofsverantwoording richt zich m.n. op drie terreinen: verrijzenis van het lichaam, de profetie en de logos-theologie.

2.2.1.1 De verrijzenis

De apologeten nemen de analogieën van 1 Clem. 24-25 als argumenten voor de verrijzenis van het lichaam (De Feniks) over en verrijken ze. Justinus neemt bv. het ontstaan van een mens als uitgangspunt (Apol. I,19,2-3), via de parallel tussen de schepping en de verrijzenis (Apol.. I, 19,5) voert hij alles op Gods almacht terug (Apol. I,19,6; I,18,6).

Alle apologeten legen het christelijk geloof uit als een ethisch monotheïsme, waarbij ze vasthouden aan eschatologische voorstellingen. Helaas bood de Griekse filosofie nauwelijks een helpende had om de verrijzenis van het lichaam te helpen verantwoorden. Algemeen werd de eschatologie moraliserend behandeld: de verrijzenis wordt beschouwd in het kader van beloning en straf, overeenkomstig de daden van dit aardse leven.

2.2.1.2 De profetie

De argumentatie die gebouwd werd op de voorspelling van de profeten is meer een verantwoording voor de reeds gelovenden. De profetie moet geloofd worden omdat de voorspellingen vervuld zijn (vgl. Justinus, Apol. I, 52). Meestal beschouwen de apologeten de profeten als verwijzingen en argumenten uit het O.T., die getuigen voor de waarheid van het Christendom.

Justinus levert eigenlijk de mooiste en verst doorgevoerde argumentatie. Voor hem zijn de profetieën die naar Jezus verwijzen niet alleen een verwijzing naar een bovennatuurlijke waarheid, maar ook naar een historische waarheid, die voor alle volkeren geldt. De Openbaring krijgt zo een uitleg vanuit de hele wereldgeschiedenis. Daarmee heeft Justinus een enorm belangrijk idee gelanceerd dat door Ireneüs tot volledige ontplooiing gebracht zal worden. Het gebruik van de profetie is een theologische prestatie van de apologeten. Er kleeft echter één nadeel aan, In latere tijden kom het Christelijk tijdgevoel door een mystieke uitleg van de profetie te eenzijdig op het nu gericht zijn.

2.2.1.3 De logos-theologie

Twee zaken hebben een bijzondere betekenis in de geloofsverantwoording van de apologeten: a. het theologoumenon van Justinus die de deelname van de mensheid aan de Logos-Christus leert en b. de verrijking van de Christologie met het Logos-predikaat.

Justinus legt een verbinding tussen het menselijk verstand (λογος) en de persoonlijke openbaringslogos van het N.T. (=Jezus Christus). Zo wordt de Openbaring van het N.T. gelded voor alle mensen. iedere mens draagt in zich een kiem (σπερμα) van de Logos.

De apologeten onderlijnen m.n. het belang voor het Christendom voor de hele wereld. De tijd van de apologeten is ook de tijd van de eerste martelaarsacten.

2.3 Geschriften uit het leven van de jonge gemeenten uit de 2de en 3de eeuw.

2.3.1 Diverse geschriften.

Onder deze hoort de Traditio Apostolica (ca 215) van Hippolytus. Die hierin m.n. het leven, liturgie en gebruiken in de jonge Kerk beschrijft.

De Didaskalia geschreven door een onbekende bisschop uit de eerste helft van de derde eeuw, waarschijnlijk voor een heiden-Christelijke gemeente uit Syrië. Grieks origineel verloren.

2.3.2 De oudste doopsymbola.

Reeds in het N.T. vinden we min of meer formele geloofsbelijdenissen of symbola, in Jezus als de Christus (Hand. 8,37) of de Heer (1 Kor. 12,13; Rom. 10,9; Fil. 2,11) en zijn heilswerk (1 Ko. 15,3v).[2] Ook belijdenissen die de Vader en Jezus tezamen noemen (1 Kor. 8,6), soms ook met de H. Geest (2 Kor. 13,14; 1 Kor. 12,4). Deze teksten zijn nog geen bewijs voor het bestaan van apostolische geloofsbelijdenissen. De eerste vaste tekst dateert uit het midden van de 2de eeuw. Doopbelijdenissen in vraagvorm (met drie vragen) zijn het oudst, we vinden ze bij Justinus, Ap. 61; Ireneüs, Epideixis 3; Tertullianus, de spec. 4; de bapt. 2; cor. 3; adv. Prax. 26; Hippolytus, Trad. ap. 21; Cyprianus, Ep. 69,7; Dionysius van Alexandrië (in Eusebius, H.E. 7,9); later ook bij Ambrosius, de Sacr. 2,7,20 en in het Sacr. Gelasianum n. 449.

Het oudste aanduiding voor het bestaan van het zogenaamde Symbolum apostolorum, (men dacht dat het van de apostelen zelf kwam) vinden we op het eind van de 4de eeuw (Ambrosius, ep. 42,5; Rufinus, comm. in symb. apost.).

We vinden de tekst al eerder bij Hippolytus (trad. ap. 21), maar dan in zijn persoonlijke versie ervan. Toch bestond de officiële tekst reeds in het begin van de derde eeuw. We vinden de Griekse tekst bij Marcellus van Ancyra in een brief aan paus Julius (ca 340; bij Epifanius, Haer. 72,3). In het midden van de 3de eeuw bestond er ook een Latijnse versie. In het westen wordt deze versie standaard, in het oosten blijven meerdere versies circuleren.

2.3.3 Oude preken.

Hieronder valt bv. 2 Clemens (Eusebius, H.E. 3,38,4). Het is de oudste preek van de jonge kerk die bekend is. Hij stamt vermoedelijk van vóór 150.

De paaspreek van Melito van Sardes (+160-190). Door papyrusvondsten hebben we weer de volledige tekst. De rest van zijn werken die opgesomd worden door Eusebius zijn verloren gegaan.

2.3.4 Martelaarsacten.

De martelaarsacten van tijdgenoten die historisch betrouwbaar zijn, in tegenstelling tot latere martelaarslegenden vanaf de 4de eeuw kan men in twee groepen verdelen: martyrium of passio: bericht over het lijden of de acta, het protocol van hun proces. (hierover verder meer)

2.3.5 Minucius Felix.

De eerste Latijnse auteur is Municius Felix, een Romeinse advocaat, van wie de dialoog Octavius (ca 200) overgeleverd is, een filosofische behandeling van het Christendom gericht aan heidenen. Het werk is afhankelijk van Tertullianus, Ad Nationes.

2.3.6 Tertullianus.

Tertullianus (160-na 220). Hij keerde rond 195 als bekeerde Christen uit Rome terug naar Carthago, waar zijn rijke auteurswerk voor de Kerk begon. Hiëronymus (Vir. ill. 53) bericht dat hij priester was, hetgeen waarschijnlijk niet waar is. Ten laatste in 207 trad hij uit de Kerk. Hij is de origineelste en na Augustinus ook de meest individueel denkende kerkelijke scrhijver uit het Westen. De datering van zijn werken is moeilijk. Meestal moet men zich tevreden stellen met te bepalen of ze uit zijn katholieke dan wel zijn montanistische tijd zijn.

2.3.7 Hippolytus.

Hippolytus (+ Rome ca 235). Hij werd vóór 160 in het Griekse Oosten geboren. Hij zou zolens Photius een leerling van Ireneüs zijn en priester in Roem onder paus Victor (189-198). Hij leerde een subordinationisme als bestrijding van het modalisme. In 235 werd hij “tegenpaus” van paus Pontianus, onder de vervolging van Maximus Thrax. Pontianus deed tijdens zijn leven afstand. Men koos Antherus. Het kan zijn dat hierdoor het schisma beëindigd werd. Ze werden beiden naar Sardinië verbannen, waar zij zich waarschijnlijk verzoend hebben. Zij zijn beiden de marteldood gestorven. Zijn werken zijn m.n. verzamelingen van theologische meningen enz. Hij is niet zo een zelfstandig denker.

2.3.8 Pausbrieven uit de 3de eeuw.

We bezitten brieven van de pausen Callixtus (217-222), Pontianus (230-235), Cornelius (251-3), Lucius I (253-4); Stefanus I (254-7); Xystus (=Sixtus) II (257-8); Dionysius (259-68).

2.4 De eigenlijke kerkvaders.

Het zich uitdrukkelijk beroepen op het getuigenis van het verleden, d.w.z. de voorgangers (m.n. vroegere bisschoppen) vinden we pas vanaf de vierde eeuw wat regelmatiger. Vanaf die tijd werd het begrip “vader” steeds meer gebruikt. Nl. de vader is verwijst naar de vorige generatie, de opvoeder, de traditie, het gezag ... . De meeste kerkvaders zijn bisschoppen. Er zijn echter ook enkele priesters (Hiëronymus) bij, een diaken (Efrem de Syriër) en één leek bij (Prosper van Aquitanië). Een opsomming (vet gedrukt zijn de belangrijksten):

  • Westen:
  • Cyprianus (+258)
  • Ambrosius (339-397)
  • Augustinus (354-430)
  • Hiëronymus (347-420)
  • paus Leo de Grote (440-461)
  • paus Gregorius de Grote (590-604)
  • Oosten:
  • Clemens van Alexandrië (140/150-216/7)
  • Origines (185-254)
  • Athanasius (ca 295-373)
  • drie Cappadociërs:
  • Basilius de Grote (329-379)
  • Gregorius van Nyssa (334-394)
  • Gregorius van Nazianze (330-390)
  • Johannes Chrysostomus (344/354-407)

De tijd van de kerkvaders (patristische tijd) eindigde omdat er geen grote theologen meer waren.

3 Voetnoten

  1. Diverse auteurs maken andere indelingen, vgl. Althaner, 43-44.
  2. Altaner, 85-87.

Bron : Apowiki

09:22 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.