04-11-13

Kallistos Ware : De Moeder Gods in de Orthodoxe heologie en geestelijk leven

De Moeder Gods in de orthodoxe Theologie en geestelijk leven.

 Kallistos Ware

(Uit : Maria’s place in Christian dialogue (1982)

Moeder Gods van Korsum.jpg

I. Zowat veertig jaar geleden, in 1927, tijdens de conferentie over Geloof en orde te Lausanne, heeft een Russisch-orthodoxe afgevaardigde, Aartspriester Serge Boulgakof, een grote opschudding veroorzaakt door het podium te bestijgen en met een toespraak over de gezegende Maagd Maria te beginnen. Dit was een onderwerp dat niet op de agenda stond, en dus heeft de voorzitter de spreker onderbroken en hem gevraagd te gaan neerzitten.

Vader Sergius heeft toen botweg geweigerd. Hij is doorgegaan met het toespreken van die vergadering over de plek van de Moeder Gods in de christelijke theologie en geestelijk leven; en hij heeft beklemtoond dat dit een thema was dat een interkerkelijke bijeenkomst als deze van lausanne geenszins kon veronachtzamen. De houding van de voorzitter van de conferentie is te begrijpen. Tijdens een oecumenische bijeenkomst veertig jaar geleden zou een onderwerp over de gezegende Maagd Maria theologisch als dynamiet geweest zijn. Het was een onderwerp dat zo netelig was dat dit niet veilig was om dit zomaar tijdens een openbare vergadering naar voor te brengen. Vandaag de dag is die situatie gelukkig heel wat anders. Het louter bestaan van onze oecumenische vereniging van de Gezegende Maagd, alsook het soort conferentie dat ons hier in Glastonbury samenbracht betekent voldoende hoe ver wij sedert 1927 gevorderd zijn. Een vriendelijke en openhartige bespreking van de Heilige Maagd was tussen de verdeelde Christenen te Lausanne praktisch onmogelijk. Nu is het niet alleen een mogelijkheid, maar een werkelijkheid geworden.

 II Maria haar plek in de Christelijke dogmatiek : de twee aspekten

 In haar beschouwing over de gezegende Maagd, probeert de orthodoxe traditie haar altijd in verhouding te zien met haar zoon, en nooit op haar eigen. Daarom vermijdt zij gewoonlijk een woord als ‘Mariologie’ – een woord dat uiterlijk Grieks is, maar dat nooit door de griekse Vaders is gebruikt, en dat ook niet voorkomt in het ‘Oxford Patristic Lexicon’. Dit is een woord wat té gemakkelijk zou kunnen verstaan worden als een soort vertakking, een afzonderlijk en ingesloten compartiment van de dogmatische theologie dat uiterlijk alleen over de Maagd Maria zou gaan. Orthodoxe christenen voelen zich nogal ongemakkelijk voor zo een ‘departementalisme’. Wanneer wij over de Maagd Maria praten moeten wij over haar verhouding met Jezus praten : Wij moeten haar rol bij Zijn vleeswording en haar plek als lid van Zijn Mystiek Lichaam in gedachten houden. Er kan geen ‘Mariologie’ als zodanig zijn. ‘Mariologie is geen facet van de Christologie of ecclesiologie.

Dit zijn dan de twee voornaamste wijzen waarop het leven en werk van de gezegende Maagd benaderd moeten worden : Als deel van het mysterie van de Menswording en als deel van het mysterie van de Kerk.

 Vanuit het eerste oogpunt beschouwd word zij op de eerste plaats gezien als Moeder, of om meer precies te zijn, als Moeder en Maagd. Zij is de Moeder van de Verlosser in wie God Zijn menselijkheid heeft aangenomen. Maar omdat haar Zoon anders was dan alle andere zonen – Hij was niet slechts mens, maar ook God – heeft de heilige Drie-eenheid erover beschikt dat de manier waarop Hij geboren zou worden, anders zou zijn dan bij alle andere geboortes. En zo is haar maagdelijkheid als gevolg van haar goddelijk Moederschap ongeschonden bewaard gebleven. Vanuit het tweede oogpunt beschouwd wordt zij vooral gezien als toonbeeld en voorbeeld van alles wat elke Christen hoopt te zijn. In haar wordt het volle lidmaatschap van de kerk belichaamd, niets als een abstract ideaal, maar als een bepaalde werkelijkheid. In haar wordt een menselijke persoon gezien die totaal door de goddelijke genade 'vergoddelijkt' is, die in volkomen eenheid met God leeft. Het eerste van de twee aspecten toont ons duidelijk het unieke karakter van Maria, het verschil tussen haar en ons : Bij haar kon de menswording gebeuren en dus kon zij daarom de moeder van God zijn.

Het tweede aspect beklemtoond datgene wat Maria gemeenschappelijk heeft met de andere leden van het lichaam van Christus : zij is het meest volmaakte lid van de verloste gemeenschap waardoor wij allen geroepen worden in diezelfde volmaaktheid te delen.

 III. Maria en het Mysterie van de Menswording.

 Het eerste of Christologisch aspect wordt samengevat in de titel Theotokos, wat gewoonlijk vertaald wordt als de 'God-Baarder' (wat mooier klinkt, maar niet zo'n letterlijke vertaling is) 'Moeder van God'. Deze enkele woorden bevatten de sleutel tot het hele orthodoxe begrip van Maria. Het toont ons duidelijk de nauwe verwantschap tussen de verering van Maria en de leer over de menswording. Wanneer wij de Maagd vereren vereren wij haar niet op zichzelf, zonder haar zoon, maar juist omdat zij de moeder van Emmanuel is. De eer die aan Maria betoond wordt zoals dit in de Orthodoxe en Katholieke kerk gedaan wordt is noodzakelijk eer die aan haar Zoon betoond wordt. Een zodanig eerbetoon kan helemaal geen afbreuk doen aan de aanbidding die aan Christus toekomt, want het is juist vanwege de Zoon dat wij de Moeder vereren. Toen de Vaders van het Concilie van Efese (431) erop aandrongen om Maria Theotokos te noemen, was dat niet omwille van het verlangen om haar op haar eigen te vereren, maar wel omdat zij slechts op deze manier de leer van de Menswording kon veilig stellen. Het ging er hen niet om haar één of andere eretitel te geven, maar over de leer van wat de kern uitmaakt van het Christelijk geloof, de wezenlijke eenheid van Christus in persoon. Zoals Cyrillus van Alexandrië het heeft gezegd, moeten wij, indien wij willen belijden dat 'Emmanuel waarlijk God is' ,wij ook moeten belijden dat de Heilige Maagd Theotokos is, want zij heeft het vleesgeworden Woord van God naar het vlees gebaard' (Derde brief aan Nestorius, anathema 1). Wat Maria gebaard heeft was niet zomaar een mens die in meerdere of mindere mate met God verbonden is, maar een enkele en onverdeelbare persoon die tegelijk God en mens is. 'Het Woord is vlees geworden' (Joh.1.14) : Dat is de reden waarom Maria 'Theotokos' genoemd moet worden en dit is waarom zij in de Orthodoxe theologie en geestelijk leven zo uiterst belangrijk is. Het is opvallend dat niet slechts de benaming Theotokos, maar de meeste van de andere titels en symbolische beschrijvingen die in de Orthodoxe gebeden die op Maria van toepassing zijn rechtstreeks of onrechtstreeks naar de Menswording verwijzen. het brandend braambos (Exodus 3.2),de Berg die door het woud overschaduwd wordt, de Oostelijke poort waardoor alleen de vorst mag binnengaan (Ezechiël 44,1-3), de Dauw van Gideon (Rechters 6,36-38; Wagen van vuur, 'Bruidskamer van het licht', 'Boek van het Woord van Leven',, 'Levende hemel', 'Heilige troon', mystiek Paradijs - dit alles en ook talloze soortgelijke betitelingen zijn uitdrukkelijk Christologisch en beklemtonen Maria in haar rol van Moeder van God en haar plaats in de Menswording. Hierin is de grondslag van de ware 'Mariologie' gelegen - in het feit dat het woord is Vlees geworden. Maar er is verder nog een levensbelangrijk punt wat betreft Maria en de Menswording : Maria is niet Gods Moeder geworden tegen haar wil in. Toen God de mens geschapen heeft naar Zijn eigen beeld en gelijkenis, heeft hij zijn schepsel een vrije wil geschonken, maar ondanks de zondeval heeft de mens die vrije wil nooit verloren. De verhouding tussen de mens en God is een liefdesverhouding en is dus wezenlijk een vrije verhouding, want waar er geen vrijheid is kan er ook geen liefde zijn. Wij zijn , naar het woord van Sint Paulus, 'medewerkers (synergoi' van God' (1 Kortntiers 3,9). Of zoals Sint Augustinus het heeft gezegd : zonder God kunnen wij niets doen, maar zonder ons zal ook God niets doen. Om de preken van de heilige Macarius, een boek dat zeer geliefd was door John Wesley , aan te halen : ' De wil van de mens is wezenlijk een voorafgaande vereiste, want zonder dat doet God niets' (xxxvi,10). Dit kardinale vrijheidsbeginsel geldt voor de vleeswording zoals ook ten alle tijde. in de beschrijving van Sint Lucas over de Aankondiging wordt Maria geopenbaard als het meest verhevene voorbeeld van de synergeia of vrijwillige samenwerking.

Zou God mens geworden zijn zonder de instemming van Zijn Moeder, dan zou dit een schending geweest zijn van de vrije wil, een ontkenning van het goddelijk beeld dat zij in haar draagt. Daarom heeft de aartsengel eerst gewacht op haar antwoord, 'Laat dit met mij gebeuren naar uw woord' (Lc.1,38).

Maria kon geweigerd hebben, alhoewel God, met Zijn voorkennis geweten heeft dat zij dit niet zou doen - net zoals Hij vooraf geweten heeft dat Judas Hem zou verraden, hoewel Judas met volkomen vrijheid gehandeld heeft. Hoewel Maria dus 'van oudsher voorbestemd was om Moeder en Maagd en Ontvangster van God te zijn (gezang tijdens de Grote Vespers voor de geboorte van de Theotokos), betekent deze voorbestemming geenszins dat haar persoonlijke autonomie werd ontnomen. Wij vereren Maria dus niet omdat God haar als Zijn Moeder gekozen heeft,niet omdat de aartsengel haar als 'begenadigde' heeft aangesproken, maar omdat zij geantwoord heeft : 'Zie de dienstmaagd des Heren' Zij was niet gewoonweg een extern 'instrument', maar wel de positieve en onontbeerlijke 'voorwaarde' voor de Menswording, zoals Nicolaas Cabasilas, een leketheoloog van het veertiende eeuwse Byzantium het heeft gezegd :(Over de Aankondiging, 4-5 - Patrologia orientalis , XIX, p. 488); en zoals aangehaald door Vladimir Lossky, 'Panagia', in The Mother of God : A symposium by Members of the Fellowship of St. Alban an St. Sergius, red. EL Mascal, London, 1949, p. 30).

 De menswording was niet alleen het werk van de Vader, van Zijn Kracht en Zijn Geest, maar was ook het werk van haar wil en geloof. Zonder de instemming van de Allerzuiverste Maagd en de medewerking van haar geloof, zou de verwezenlijking van het plan net zo onmogelijk geweest zijn als wat dit zonder de tussenkomst van de drie Goddelijke Personen zelf zou geweest zijn. Slechts nadat Hij haar overtuigd had, nam God haar als Zijn Moeder aan en ontvangt Hij van haar het vlees dat zij Hem wou aanbieden. Net zoals Hij vrijwillig het vlees had aangenomen, was het ook Zijn wil dat Zijn Moeder Hem vrij en met haar volle toestemming zou baren. Hieruit krijgt de gedachte van Maria als de tweede Eva haar volle betekenis : Eva heeft uit vrije wil gekozen toen zij gevallen was, en op dezelfde wijze heeft Maria uit vrije wil gekozen toen zij gehoorzaamde. De klemtoon op de vrijheid van antwoord bij Maria blijkt duidelijk uit de keuze van de Evangelielezing welke op haar feest voorgeschreven wordt (8 September, 1 en 22 Oktober, 21 November, 8 Juli, 15 Augustus, en op de zaterdag van de Akathist). Het verhaal van de vrouw in de menigte wordt voorgelezen : 'En terwijl Hij tot hen sprak heeft een vrouw uit de menigte haar stem verheven en gezegd : Zalig is de schoot, die U heeft gedragen, en de borsten, die U hebben gezogen, en Jezus zeide : Ja, maar zalig is hij die Gods Woord hoort en dit bewaart '(Lucas 11, 27-28). Op het eerste gezicht zijn die woorden hier eigenaardig gekozen voor een feest ter ere van de Gezegende Maagd, want dit houdt ogenschijnlijk in dat haar geen bijzondere verering als de Moeder van Christus wordt gegeven. Maar Christus, in plaats van haar door zijn antwoord te geringschatten, wijst er in werkelijkheid op waarin de uiteindelijke heerlijkheid van haar Moederschap gelegen is. De vrouw uit de menigte verwijst naar het lichamelijk feit : Christus heeft die aandacht verplaatst naar een geestelijke houding die ten grondslag ligt van het lichamelijke feit en waardoor zonder dit lichamelijk feit er geen geestelijk feit mogelijk zou zijn geweest. 'Zalig die het Woord van God hoort en het bewaart' : Maria is zalig omdat zij het Woord van God gehoord en dit bewaard heeft toen de aartsengel tijdens de Aankondiging met haar gesproken heeft, want als zij niet eerst het woord gehoord en gehoorzaamd had, zou zij nooit de Verlosser in haar schoot gedragen hebben en aan haar borst gevoed. Maar als haar antwoord aan Gabriël : 'Laat dit geschieden naar Uw Woord' het belangrijkste voorbeeld van Maria haar gehoorzaamheid was, was dit niet de enige gelegenheid waar zij het woord van God gehoord en bewaard heeft. Zij heeft haar leven lang dezelfde aanvaarding van Gods Woord geopenbaard. Tegen het einde van het Kerstverhaal schrijft Lucas : 'Maria bewaarde al deze overwegende woorden in haar hart' (2,19); en weer, na de beschrijving van Jezus als twaalfjarige in de tempel, 'En Zijn Moeder bewaarde al deze dingen in haar hart'(2,51). Maria openbaart dezelfde gehoorzaamheid aan Gods Woord, dezelfde nederige aanvaarding van wat zij nog niet tenvolle heeft begrepen te Kana in Galilea wanneer zij voor de dienaars zei, 'Wat Hij u ook zegt, doe dat'(Johannes 2,5). Dit is het laatste woord wat in de Evangelies opgetekend staat, en dit is is duidelijk een uitdrukking van onderwerping aan Gods Woord.

 IV. Maria en het mysterie van de Kerk.

Maria is dus haar hele ,leven lang het meest verheven voorbeeld voor hen 'die het woord van God horen en het bewaren', wat de goddelijke wil hen eigen maakt, en daarom waarlijk 'zalig' is. Dit brengt ons bij het tweede of ecclesiologisch aspect van het leven van de heilige Maagd. Voor een lid van de Kerk kan niets verhevender en heerlijker zijn als dit : Dat hij of zij vrijwillig en met vreugde Gods plan aanvaart en Hem antwoord zoals Maria het gedaan heeft, 'Laat dit met mij gebeuren volgens uw Woord'. Als toonbeeld van gehoorzame vereenzelviging met de wil van God toont de moeder van God ons wat een mens kan en behoort te zijn.' Zij heeft, zoals Wordsword het stelt, ook deel aan onze besmette natuur, dat is haar enige roem'. Zij is de gave die een gevallen - en trouwens verlost - mensdom als de meest gepaste offerande kan brengen . Met de woorden van een orthodox gezang tijdens de vespers van Kerstmis.:

Wat zullen wij U bieden, O Christus

Die ter wille van ons als mens op aarde verschenen zijt ?

Alle schepselen, door U gemaakt, brengen u dank :

De engelen brengen U een gezang;

De hemel, een ster;

De wijze mannen geschenken;

De herders, hun verwondering;

De aarde, een grot;

De woestijn , een kribbe;

En wij bieden U een maagdelijke Moeder'

 Als leden van het lichaam van Christus is het onze roeping 'deelgenoot van de goddelijke natuur' te worden (2 Petrus1,4), en om te delen in de heerlijkheid die de Vader aan de Zoon geschonken heeft (Johannes 17,22). In de taal van de Griekse Vaders moeten wij 'vergoddelijkt' worden : niet dat wij God volgens Zijn natuur zouden worden - dit is alleen eigen aan de heilige Drie-eenheid. Het is door genade en status 'god' kunnen worden. Het meest volmaakte voorbeeld van die 'vergoddelijking' (theosis) door genade is de Moeder van God; en in die zin wordt zij terecht door de heilige Gregorius Palamas 'de grens tussen het geschapene en het ongeschapene' genoemd (Preek 37 : Migne, Patrologia graeca 151, 472B).

 In dit stadium is het belangrijk om kennis te nemen van twee dingen. Wanneer wij op de eerste plaats zo over Maria spreken, willen wij Orthodoxen haar niet op een voetstuk plaatsen die haar zou afsnijden van enige betrokkenheid bij de gewone zorgen en bekommernissen van het leven. Integendeel, wij beseffen volkomen dat zij als Moeder van de vleesgeworden God, terzelfdertijd moeder van een aards gezin was. Door een thuis voor haar zoon en Zijn peetvader de heilige Jozef te bieden, heeft Maria dezelfde moeilijkheden en problemen tegengekomen als alle andere moeders.Het is juist op grond van die nabijheid dat zij voor ons zo kostbaar is, want zij heeft al onze spanningen en smarten ervaren en is er toch in geslaagd om dit met goddelijke genade en heerlijkheid te omvormen. De weg van 'vergoddelijking' betekent niet noodzakelijk een levenswijze die uiterlijk merkwaardig is : de innerlijke grootheid van God is dikwijls alleen maar zichtbaar voor hen die er oog voor hebben, en dit was ongetwijfeld het geval met het gezin uit Nazareth. Wanneer wij op de tweede plaats, samen met Gregorius Palamas zeggen dat zij 'de grens tussen het geschapene en het ongeschapene' is, is de bedoeling geenszins om de eer die alleen God toekomt, aan Maria toe te schrijven. In het Grieks wordt het onderscheid tussen God en de mens vele malen duidelijk aangeduid door het gebruik van twee woorden :' latreia', wat betrekking heeft op de aanbidding welke slechts aan God toekomt en 'douleia', wat duidt op de gekwalificeerde verering welke aan de Moeder van God en de heiligen betoond wordt. In het latijn - zoals de heilige Augustinus heeft aangetoond (Teen Faustus , xx, 21 : Migne, Patrologia latina, 42, 385) - en in andere westerse talen bestaat ongelukkig geen woord waarmee dit onderscheid gegeven kan worden : de woorden 'aanbidding' (Eng.worship) en verering (eng. adoration) is op die manier dubbelzinnig op een wijze dat de griekse termen latreia en douleia het niet zijn

V.Waarom vragen wij aan Maria om voor ons te bidden ?

Wat gezegd is over het ecclesiologisch aspect van het leven van Maria, over Maria als het meest volmaakte lid van Christus'mystiek' lichaam, zal ons helpen om duidelijk te maken waarom zij zo dikwijls door Orthodoxen in gebed aanroepen wordt. De Theotokos is een waar toonbeeld en levende icoon van wat het betekent om tot de Kerk te behoren. En hoe moet die Kerk varstaan worden ? De Kerk is één enkel gezin welke de levenden en de doden insluit. Het is een alomvattende eenheid in Christus, een eenheid welke vooral door het gebed uitgedrukt en verwezenlijkt wordt. Hier op aarde moeten wij voor mekaar bidden en voor mekaar haar voorspraak vragen : Die onderlinge voorbeden zijn een wezenlijk kenmerk van ons lid zijn van de Kerk. Voor de Christen gelovige is de dood geenszins de laatste hindernis, en zo strekt die band van onderlinge voorbede zich uit tot de andere kant van het graf. Wij bidden dus voor de afgestorvenen zowel als voor de levenden, en wij vragen aan de afgestorvenen om op hun beurt voor ons te bidden - zonder dat wij weten op welke manier zo een gebed doelmatig is - maar vol vertrouwen dat een gebed dat met geloof gebeden wordt in de ogen van God zijn genade nooit tevergeefs is. En tot wie onder al de afgestorven gelovigen behoren wij ons meer en met meer ijver te wenden dan tot de heilige Maagd. Als zij een toonbeeld is van wat het betekent om aan de Kerk toe te behoren, moet zij onder andere een toonbeeld van aanroeping zijn. Ons zo in gebed tot haar te wenden is voor een Orthodox Christen iets heel natuurlijks en noodwendig. Voor hem of haar heeft bidden om voorspraak niets vreemds of polemisch in zich, maar maakt het volledig en ontegensprekelijk deel uit van zijn of haar leven in Christus. Hij of zij denkt niet op een wettische manier aan dat soort gebed in een poging om de goddelijke genade te meten en gebruikt ook niet het begrip 'verdienste'. Ook denkt hij of zij niet op een sentimentele wijze daarover, alsof Maria meer 'toegeefelijk' en 'inschikkelijk' zou zijn als haar Zoon. Voor de orthodoxie ontstaat dat gebed eenvoudig uit het besef van 'aan mekaar toe te behoren', uit het gevoel dat zij en wij leden zijn van dezelfde gemeenschap, dat zij Moeder is binnen het grote Christelijk gezin waartoe ook wij behoren. Zij en wij behoren toe aan een Kerk, en de eenheid van die Kerk is de eenheid in gebed - en dit is, kortom, waarom wij haar vragen om voor ons te bidden. In dit verband is het misleidend om te praten van bidden 'tot' Maria. Wij bidden slechts tot God, terwijl wij Zijn Moeder 'aanroepen'. Wij bidden niet tot haar, maar vragen haar om voor ons te bidden - een belangrijk onderscheid. En wij zijn er vast van overtuigd dat ons verzoek om voorspraak, onze toewijding aan Christus allesbehalve minder maakt, maar eerder dient om dit te verrijken. Als wij haar vragen om voor ons te bidden, bidden wij namens haar, omdat wij geloven dat zij reeds volkomen in de heerlijkheid is ingegaan. Voor een Orthodox Christen wordt de betekenis van Maria's voorbede voor de behoeften van het mensdom prachtig weergegeven door de titel 'vreugde der treurenden' zoals zij in de Oosterse gebeden genoemd wordt.

Gij zijt de vreugde van de treurenden

De pleitbezorgster voor allen die onrecht lijden,

Voedsel voor de hongerigen,

Troost voor de vreemdelingen,

Een staf voor de blinden,

Bezoekster van de zieken,

Bescherming en hulp voor ieder die het moeilijk heeft,

Helpster der wezen.

Volgens de woorden van een ander Orthodox gezang is de Moeder van God 'altijd waakzaam in haar gebeden en in haar voorbede de onfeilbare hoop'.

VI Maria en de heiligheid van het Oud Testament

Als de gezegende Maagd Maria voor de Orthodoxe traditie het meest volkomen voorbeeld is van de vergoddelijking van de mens en een toonbeeld van eenheid met de wil van God, wat gelooft de Orthodoxe Kerk dan in verband met haar zondeloosheid en haar uiteindelijke verheerlijking ? Meer in het bijzonder, wat is de houding van de orthodoxie tegenover de Rooms-Katholieke dogma's van de onbevlekte Ontvangenis (1854) en de Tenhemelopneming (1950) ?

In de Orthodoxe gebeden wordt Maria voortdurend genoemd 'Panagia', 'Alheilige', 'panamomitos', 'onbesmet' en 'archantos','vlekkeloos', en in de liturgische teksten van haar feesten is het eenvoudig volgende tekst te vinden : 'Omwille van uw ontvangenis, O reine Maagd, zijt gij aan God gewijd (ingang van de Moeder Gods in de Tempel, kathisma tijdens de metten). Betekent dit taalgebruik dan dat de Orthodoxie de leer van de Onbevlekte Ontvangenis, zoals door Paus Pius IX in 1854 geformuleerd, aanvaardt ? Er waren inderdaad al een aantal Orthodoxe theologen die deze latijnse leer of iets wat eigenlijk niet daarvan kan onderscheiden worden, in zijn geheel hebben aangenomen : Dit is vooral in de zeventiende en achtiende eeuw gebeurd, toen de Latijnse invloed op de Orthodoxe theologie op zijn hoogtepunt was. Onder de Grieken is het meest algemeen bekende voorbeeld van hen die die leer aanvaard hebben waarschijnlijk Elias Miniati (1669-1714), Bisschop van Kernitse en Kalavryta; bij de Russen, Sint Dimitri van Rostof (1651-1709). Die leer werd verkondigd in de Scepter van Regering door Simeon van Polotsk, een werk dat in 1666-7 door het groot Concilie van Moskou geprezen en aanbevolen werd.

Maar Elias Miniati, Sint Dimitri, en Simeon zijn hier niet de vertegenwoordigers van de Orthodoxe traditie in zijn geheel. Vandaag de dag is de Algemene orthodoxe beschouwing dat ook Maria onderhevig was aan de gevolgen van de erfzonde, alhoewel zij zonder daadwerkelijke zonde was. Ik weet van geen enkele Orthodoxe schrijver dat sedert de aankondiging van 1854 men de latijnse leer uitdrukkelijk aanhing. Het staat de Orthodoxe gelovige steeds vrij om de latijnse leer als een private mening erop na te houden, en hij of zij kan niet terecht als een ketter daarvoor gebrandmerkt worden; maar dit zou tegen de duidelijke eenstemmigheid van de hedendaagse theologen indruisen.Waarom is de Orthodoxe Kerk zo terughoudend tegenover de leer van de Onbevlekte Ontvangenis ? Twee hoofredenen kunnen hiervoor gegeven worden : ten eerste, Maria's rol als schakel tussen het Oude en het Nieuwe Verbond; en ten tweede, de leer over de erfzonde. Orthodoxen zijn van mening dat de latijnse leer over de Onbevlekte Ontvangenis van Maria gescheiden is van de rest van Adam's nageslacht en dat dit haar in een aparte positie plaatst zoals al de rechtvaardige mannen en vrouwen van het Oude Testament, en zo de doorlopende gang van de heilsgeschiedens teniet maakt. Voor de komst van de Messias was er een lange en zorgvuldige voorbereiding over talrijke geslachten heen. God heeft niet plotseling als een deus ex machina ingegrepen, maar heeft door een reeks 'uitverkiezingen' de wereld voor Zijn komst gereedgemaakt. Maria is het hoogtepunt van dit hele proces, de kroon en samenvatting van al al de heiligheid die onder het Oude Verbond bestaan heeft; en toen zij gezegd heeft 'Zie de dienstmaagd des Heren', heeft zij niet namens haarzelf gepraat, maar namens al die Oud Testamentische heiligen die haar zijn voorafgegaan. Dit gevoel voor de doorlopende heilsgeschiedenis wordt duidelijk weergegeven in de liturgische teksten voor de twee zondagen voor Kerstmis. De eerste wordt opgedragen aan de 'Voorvaders' van Christus, aan Zijn voorouders in het vlees, en de tweede aan al de rechtvaardige mannen en vrouwen van Adam tot Jozef, de verloofde van Maria. Voor de viering van de Menswording, voor de Kerk, de gedachtenis van ieder die volgens de Voorzienigheid de weg van de langverwachte Messias hebben voorbereid. Voor Orthodoxen lijkt het alsof de latijnse theorie van de Onbevlekte Ontvangenis de kostbare schakel tussen de Maagd en de rest van het mensdom vóór Christus verzwakt. Maria deelt niet meer in het lot van het gevallen mensdom : Zij is weggenomen uit de Oude Ondersteuning, van haar ontvangenis af, zij is bij voorbaat en bij wijze van een buitengewone vrijwaring, in het Nieuwe geplaatst. Dit maakt haar uiteindelijke plaats in het heilsplan onduidelijk en leidt ertoe dat de ware betekenis van haar antwoord aan de aartsengel verkeerd verstaan wordt. Op de tweede plaats zijn Orthodoxen van mening dat de verklaring van 1854 een begrip van erfzonde veronderstelt, wat zij niet delen. Sedert de tijd van de heilige Augustinus heeft het Westen de neiging vertoond om de erfzonde als een fout te beschouwen, als een fout die door het hele mensdom 'in Adam' is begaan en dat elk kind in de erfzonde betrekt, zodat hij of zij in zekere mate Gods toorn en straf verdient.

Het Christelijk Oosten heeft gedurende de Patristieke of nieuwere tijd veel minder de klemtoon gelegd op de gedachte van overgeërfde schuld. De zondeval wordt hoofdzakelijk beschouwd als een verslaving aan de duivel, wat tot gevolg heeft dat de mens onderhevig is aan ziekte en lichamelijke pijn, alsook aan de dood van het lichaam en bovendien misschien in zekere mate aan morele verzwakking van de wil, (hoewel niet in zo'n mate dat dit de basisvrijheid van de mens opheft om het goede, eerder als het kwade te kiezen). Het is gemakkelijk om te begrijpen waarom de leer van de Onbevlekte Ontvangenis, naar aanleiding van Augustinus' begrip van erfzonde,vele Westerse theologen ze gepast vinden en dat hij (Augustinus) zelfs gelijk heeft. Hoe, is daar gevraagd, kon Maria tegelijkertijd Gods'uitverkorene zijn en een schuldig persoon op wie Hij zijn rechtvaardige toorn richt ?. Maar volgens de minder sombere en schuldbevangene Oosterse beschouwing van de zondeval, ontstaat daar niet zo'n dergelijk probleem; die de leer over de Onbevlekte Ontvangenis overbodig maakt. De gezegende Maagd, hoewel zonder zonde, was steeds onderhevig aan lichamelijke pijn en lichamelijke dood, en dus was zij, volgens Oosters begrip van erfzonde, hoewel vanaf haar moederschoot heilig en rein, toch niet vrijgesteld van de gevolgen van de zondeval. Zij maakt organisch deel uit van de afstamming van Adam, maar door de genade van God en door haar eigen voortdurende strijd tegen de zonde is zij van alle persoonlijke onzuiverheid bewaard gebleven. Die zuiverheid en heiligheid van de Moeder van God, zegt Vader Serge Boulgakof,'behoort niet toe aan haar natuur, maar aan haar staat - aan haar houding tegenover de zonde en haar persoonlijke overwinning daarover' (aangehaald in A.S.Merslukine, Le dogme romain de la conception de la Vierge Marie et le point de vue orthodoxe, Paris, 1961,p.35) Zoals Vladimir Lossky dit stelt : 'Voor de Maagd, zoals voor Johannes de Doper, bestaat de heiligheid niet in een abstract voorrecht van kwijtschelding van schuld, maar in een werkelijke omvorming van de menselijke natuur, die gedurende voorafgaande geslachten in toenemende mate door genade gezuiverd en opgeheven is' (Le dogme de l'Immacule Concetion, Paris, 1953,p6). Wat hier tersprake komt is dus niet een verschil tussen Rooms-Katholieke en Orthodoxe standpunten over Maria, maar onze onderscheiden leerstelingen met betrekking tot de erfzonde. Iets kan misschien, terloops, over de Orthodoxe houding tegenover Lourdes bijgevoegd worden. Er zijn Russen en Grieken die het als een voorrecht beschouwen om daarheen op pelgrimage te gaan. Zij zijn blij om tot de Moeder van God te bidden waar zij (zo geloven ze vast) aan haar dienstmaagd Bernadette is verschenen, en waar zo vele wonderwerken door goddelijke genade zijn gebeurd. Maar zij vertolken het gebeuren van Lourdes is een ietwat andere zin als wat ambtelijk door de Rooms-Katholieke Kerk aanvaard wordt. Waarom vragen zij, heeft de heilige Maagd gezegd 'In ben de Onbevlekte Ontvangenis', en niet 'Ik ben de vrucht van de Onbevlekte Ontvangenis' of 'Ik ben zij die onbevlekt ontvangen is' ? Dit is alsof de Heer zou zeggen 'Ik ben de onbevlekte Geboorte'. Dit is toch veelzeggend dat de Moeder van God die woorden tegenover Bernadette gebruikt heeft, niet op 8 December, het feest van haar ontvangenis door haar Moeder, de heilige Anna, maar op 25 Maart, het feest van de aankondiging door de engel Gabriël. Kan het zijn dat zij daarnaar heeft verwezen,de maagdelijke en onbevlekte ontvangenis van Jezus Christus binnen haar eigen schoot, en niet naar haar ontvangenis door de heilige Anna.

 VII. 'Ik verwacht de opstanding van de doden' : Maria als eschatologische figuur.

 Als de Orthodoxe traditie duidelijk voorbehoud heeft wat de leer van de Onbevllekte ontvangenis betreft, is de situatie met betrekking tot de lichamelijke Tenhemelopneming van de Moeder Gods helemaal anders. In de Orthodoxe liturgische teksten van 15 augustus wordt uitdrukkelijk verklaard dat Maria na haar dood met haar lichaam en ziel in de hemel ontvangen is. Zij heeft, zoals haar Zoon, ervaren om lichamelijk dood te gaan : Maar net zoals Hij uit de dood is opgestaan en ten hemel is opgevaren, is ook zij door Zijn goddelijke kracht opgewekt en is zij met haar stoffelijkheid Zijn heerlijkheid ingegaan, en is haar graf leeg aangetroffen. De overtuiging van de tenhemelopneming van de Moeder van God kan het best eschatologisch verstaan worden. Wanneer verklaard wordt dat Maria met haar Lichaam in de hemel is opgenomen, is dit niets anders als een manier om te bevestigen dat zij aan de overzijde van de dood en het oordeel gekomen is, en dat zij reeds in het leven van de toekomstige eeuw leeft. De mens is volgens de Bijbel niet een ziel dat in het lichaam gevangen zit, maar een eenheid van lichaam en ziel. Het lichaam wordt samen met de ziel verlost en wordt een 'geestelijk' in plaats van een 'vleselijk' lichaam gemaakt (de hemel is geen geografisch gebied, dus de stelling ,dat Maria haar lichaam 'in de hemel is, is een andere manier om te zeggen dat haar lichaam in de volste zin van het woord een 'geestelijk lichaam' is geworden) Als Christenen geloven wij in de onsterfelijkheid van de ziel, maar ook in de opstanding van het lichaam : de 'vergoddelijking' waartoe de mens geroepen is, is iets wat zijn of haar hele wezen zal omvatten, lichaam én ziel. Maar de volledige 'vergoddelijking' van het lichaam gebeurt in het geval van andere mensen eerst op de laatste dag. Wat in het geval van Maria is gebeurd, is eenvoudig dat de opwekking van het lichaam vervroegd en een voldongen feit is. De tenhemelopneming van de Moeder Gods stelt dus geen onmogelijke kloof tussen haar en de rest van het mensdom. Ook onze hoop om uiteindelijk aan diezelfde lichamelijke heerlijkheid deel te hebben is nu al ondervonden. Zij is, samen met haar Verrezen Zoon de eerste van de eschatologische oogst; maar de grote oogst zal uiteindelijk al de gelovigen insluiten die in Christus geleefd en gestorven zijn. Door Gods genade zullen wij allen zijn wat zij nu is : helemaal 'geestelijk', helemaal omvormd in lichaam en ziel; volkomen doorzichtig in de ongeschapen energieën van God. Maar de Orthodoxen, hoewel ze van de lichamelijke Tenhemelopneming van de Moeder Gods overtuigd zijn, hebben geen behoefte om dit als dogma vast te leggen. Het is iets wat behoort tot de innerlijke traditie van de Kerk, aan het leven van gebed en aanbidding, en niet aan een openbare vastlegging waar een formele omschrijving gepast en nodig is. Er zijn vele Christelijke waarheden die niet openbaar vastgelegd worden,maar die de gelovige kent door hun deelname aan het gemeenschappelijk leven van de verloste gemeenschap, in de liturgische en sacramentele beleving daarvan. Wanneer de Moeder van God in de openbare prediking van de Kerk naar voor komt, is dit hoofdzakelijk in verband met de Menswording : 'en heeft het vlees aangenomen door de heilige Geest en de Maagd Maria'. Overigens is haar rol binnen het lichaam van Christus geen onderwerp van openbare prediking, maar maakt dit deel uit van de innerlijke traditie, wat door aanbidding bewaard wordt. Dit punt is prachtig gesteld door Vladimir Lossky ('Panagia,p.35).

Het is moeilijk om over de mysteries welke de Kerk in haar diepste bewustzijn bewaart, te spreken en nog minder om erover na te denken. De Moeder van God was nooit een thema in de prediking van de Apostelen, terwijl Christus in een inleidende lering aan de wereld gericht, van de daken verkondigde, en dat iedereen moest weten, is, dat het mysterie van zijn Moeder alleen bekend gemaakt werd aan hen die in de Kerk waren. Dit is niet zozeer een kwestie van geloof, maar een fundament voor onze hoop, een vrucht van geloof, dat in de traditie rijp geworden is. Laat ons dan zwijgen en laat ons geen dogma's met betrekking tot de opperste heerlijkheid van de Moeder van God proberen te formuleren.

Het mysterie van de uiteindelijke verheerlijking van de gezegende Maagd moet niet beschouwd worden als een bijkomende waarheid, gevoegd bij de waarheden die reeds in de Schrift aangetroffen worden. Het is veelmeer de vrucht van de verwerking van de waarheden uit de Schrift onder de inspiratie van de Heilige Geest; en zo is dit toegankelijk juist voor 'hen die binnen zijn'.

 VIII. De liturgische benadering van de Orthodoxie.

De verwijzing naar een 'innerlijke traditie' welke liturgisch beleefd wordt, brengt ons bij een laatste punt dat van doorslaggevend belang is voor een juiste beoordeling van Maria's plek in de Orthodoxe traditie. Ons geloof als Orthodoxen met betrekking tot de Moeder van God komt in de eerste plaats tot uitdrukking door middel van gebed en aanbidding. Lex orandi lex credendi : ons geloof wordt openbaar gemaakt en bepaald door de wijze waarop wij bidden. Met de woorden van Aartspriester George Florovsky : 'Het Christendom is in de eerste plaats een aanbiddende gemeenschap. Aanbidding komt eerst, leer en tucht tweede' Als dit waar is voor de orthodoxe theologie in het algemeen, dan is dit op een bijzondere wijze waar met betrekking tot de Orthodoxe benadering van de Theotokos. Het mysterie van de Moeder gods is bij uitstek een liturgisch mysterie. In 1950, toen Paus Pius XII op punt stond om het dogma van de Tenhemelopneming te proclameren, hebben leden van de Rooms-Katholieke hiërarchie in Frankrijk, Matropoliet Vladimir, hoofd van het Russisch Aartsbisdom benaderd om te vernemen wat de Orthodoxe Kerk met betrekking tot die kwestie geloven. In zijn antwoord heeft de Metropoliet hen aangeraden dat zij voor 15 Augustus in de Orthodoxe Liturgische boeken zouden lezen wat daar geschreven is, en hij verklaarde dat hij daar niets aan toe te voegen had. Dit is de juiste Orthodoxe benadering. Hij of zij die wil weten wat de Orthodoxie met betrekking tot de Moeder van Jezus gelooft, moet niet naar de formele dogmatische uitspraken kijken,(er is er in elk geval, en dit is de definitie van Efese : en dit is op de eerste plaats een definitie over de menswording en niet over de Maagd). Hij of zij moet ook kijken naar de gebeden van de Oosterse Kerk, naar wat het gebruik van de heilige schrift in de lezingen voor de Mariafeesten voorgeschreven wordt en naar de liturgische teksten in de ambtelijk voorgeschreven gebedenboeken.

 IX Twee Iconen.

 Daarnaast moet hij of zij kijken naar de Heilige Iconen, welke deel uitmaken van de traditie van de Kerk en wat het geloof, niet door woorden, maar door lijnen en kleur weergegeven wordt. En hij of zij moeten vooral kijken naar twee iconen welke de twee aspecten van de Gezegende Maagd, de Christologische en de ecclesiologische, duidelijk samenvat. Deze twee iconen zullen hem of haar meer dan enig woordelijke verduidelijking welke de plek is van de Moeder Gods in het heilsplan helpen verstaan. De eerste is de grote icoon welke op de iconenwand van alle Orthodoxe Kerken is afgebeeld, net links van de koninklijke deuren, en welke Christus als kind in de armen van Zijn Moeder afbeeld. Hier, zoals op de meeste iconen, verschijnt de Maagd niet alleen, maar met haar Zoon : dit is een icoon, niet van Maria, maar van de Menswording. Dit is het Christologisch aspect - Maria als Theotokos. Het tweede of ecclesiologische aspect wordt symbolisch weergegeven door de icoon van de Deësis, welke dikwijls, maar niet altijd, op het bovenste deel van de iconenwand weergegeven wordt : ze toont ons Christus, zittend op Zijn troon, en Maria en Johannes de Doper, met gebogen hoofd en opgeheven handen in aanbidding, rechts en links van Hem. Hier wordt de Moeder van God gezien als lid van de Kerk, samen met een ander lid, de Voorloper en Vriend van de Bruidegom.'Eerbiedwaardiger dan de Cherubijnen en onvergelijkelijk glorierijker dan de Serafijnen' staan zij aan de koning zijn rechterhand, waar zij met vertrouwen de wereld binnentreden. Maar zij staan met gebogen hoofd voor Hem die niet alleen haar Zoon is, maar hun Schepper en hun God.

Vertaling : Kris Biesbroeck

13:25 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.