15-03-14

Wat het bdetekent een christen te zijn volgens de heilige Paulus

Wat het betekent een christen te zijn volgens de heilige Paulus

Een toespraak van Metropoliet Anthony van Sourozh bij de ontvangst van de graad van Doctor in de Theologie 'Honoris Causa' aan de Theologische Academie van Moskou op 3 februari 1983

 

Nadat ik het Evangelie las op jeugdige leeftijd - ik was een jongen van 14 jaar - voelde ik dat er voor mij geen andere taak in het leven kon zijn dan met anderen de vreugde te delen die het leven vernieuwt en die mij geopend was in de kennis van God en Christus. Het was toen, in mijn opgroeiende jaren, dat ik, op gunstige en niet gunstige momenten - op school, in de metro, in jeugdkampen - over Christus begon te spreken, hoe ik Hem ervaarde: als leven, als vreugde, als zin, als iets dat zo nieuw was dat het alles vernieuwde. Als het passend zou zijn mijzelf te beschrijven in de woorden van de Heilige Schrift, zou ik met de heilige Paulus willen zeggen: "Want wee mij, als ik niet het Evangelie predik! (l Kor. 9:16)." 'Wee', omdat het niet delen van dit wonder een misdaad zou zijn tegen God, Die dit wonder bewerkte, en voor de mensen, die ook vandaag overal ter wereld dorsten naar het levende woord van God.

Maar wie van ons, priesters en degenen die studeren voor priester, kan de woorden van Christus vergeten: "Want door uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en door uw woorden zult gij veroordeeld worden (Mat. 12:37)." Toen ik begon te preken - voor het eerst als leek met de zegen van Metropoliet Eleutherius van Vilna en Litouwen, vroeg ik mijzelf af: "Hoe kan ik over dingen spreken die ik niet volbracht heb, over heiligheid waar ik nog ver van af sta, waarnaar ik alleen kan zien met eerbied, ontzag en vrees? Hoe kan ik over dingen preken die ik in mijn leven niet verricht?" Maar daar ik zo'n grote geestelijke honger rondom mij waarnam, bracht ik mij de woorden in herinnering: van de heilige Johannes Climacus, die zei dat er mensen zijn die het Woord van God preken, hoewel zij onwaardig zijn dat te doen. Bij het Laatste Oordeel, echter, zullen zij gerechtvaardigd worden door het getuigenis van diegenen die, door hun woorden, vernieuwd werden, nieuwe schepselen werden. "Heer", zullen zij zeggen, "als hij niet gepreekt had, zou ik nooit gehoord hebben van Uw levenschenkende Waarheid..."

Wanneer men preekt, staat men vóór het eigen geweten, dat veroordeelt, dat nuchter, streng, en ontoegeeflijk is, en vóór het aangezicht van Christus, de barmhartige Verlosser, Die ons Zijn goddelijk Woord toevertrouwt, maar dat wij, helaas, dragen in aarden vaten. En men is gedwongen zich af te vragen: "Wat betekent het een christen te zijn?" Het antwoord is, aan de ene kant, erg eenvoudig: het gehele Evangelie maakt duidelijk hoe men moet leven, hoe men moet denken en voelen teneinde een christen te zijn. Aan de andere kant, hetzelfde Evangelie openbaart ons, en de Vaders van de Kerk onderwijzen het ons, dat het niet genoeg is alleen maar de geboden te vervullen. Men moet een nieuw mens worden, een mens voor wie Gods gebod niet meer slechts een bevel is, maar een persoonlijke drijfveer in het leven: we moeten worden dat wat het Evangelie ons openbaart.

Dit is echter niet waar ik vandaag over wil uitweiden. Ieder van ons moet zich in het Evangelie inleven, daarin die geboden vinden, die roep van God, de smeking van God, aan ons allen persoonlijk gericht, waaraan men met zijn hele leven - geest, hart, en ziel, met alle krachten en zwakheden - kan beantwoorden. Woorden moeten gevonden worden die niet aan iedereen in het algemeen gericht zijn, maar aan ieder van ons persoonlijk; woorden die het hart doen ontbranden, de geest verlichten, de wil versterken, en Gods kracht in ons uitstorten. Wij moeten bovendien die nieuwe diepte ontdekken die in God is, in de mens, in de kosmos, en in gehele wereld die door het Woord geschapen is, en in onze gemeenschap met Christus, Zijn liefde voor ons en onze beantwoordende liefde voor Hem. Dit betekent dat wij het leven moeten ontdekken en dit ervaren zoals God liet leven ziet.

Ik zou graag de heilige Paulus als voorbeeld nemen.

U zult zich allen zijn vermetele woorden herinneren: "Daarom verzoek ik u, wees navolgers van mij, zoals ook ik van Christus ben (l Kor. 4:16)." Lange tijd was ik verbijsterd: hoe kon Paulus tot ons zeggen: "Volg mij na, wees zoals ik, want ik ben, blijkbaar, aan Christus gelijk." Maar plotseling drong het tot mij door dat hij dat in het geheel niet had bedoeld, maar ons eraan herinnerde wat met hem gebeurd was.

U kent allen zijn leven onder de Joden, hoe hij Christus en Zijn discipelen vervolgde, hoe hij alle pogingen deed, al zijn krachten aanwendde, vanuit een brandende begeerte, om het werk van Degene Die hij beschouwde als een valse profeet, te vernietigen. Op weg naar Damaskus kwam hij echter van aangezicht tot aangezicht tegenover Christus te staan, Die hij slechts gekend had als een gekruisigde misdadiger, maar Die Zich aan hem openbaarde als zijn verrezen Verlosser en God, Die in het vlees was verschenen om de wereld te redden. Toen werd zijn hele leven door elkaar geschud, maar Paulus wendde zich niet, zoals hij zelf zegt, tot Zijn voornaamste apostelen. Datgene dat aan hem werd geopenbaard kwam rechtstreeks van God. Het nieuwe leven dat hem geschonken werd, drong hem het te delen met anderen, het te delen ondanks de grote prijs die hij ervoor moest betalen. U zult zich herinneren hoe de heilige Paulus zijn strijd beschrijft in zijn brieven. Hij kon waarachtig zeggen: "Ik draag in mijn lichaam de kentekenen van de Heer Jezus (Gal. 6:17)"; "en vul in mijn lichaam aan wat ontbreekt aan het lijden van Christus... (Kol. 1:24)."

Hier vervulde hij iets waarin wij hem moeten navolgen, aan hem gelijk moeten zijn bij het keerpunt van berouw, dat hem veranderde van een vervolger in een discipel, en dat hem in staat stelde, niet alleen met woorden maar met zijn hele leven, de oproep te volgen van Christus aan Jakobus en Johannes: "Kunt gij de beker drinken die Ik drink, en met de doop gedoopt worden waarmee Ik gedoopt word? Mat. 20:22)", dat wil zeggen, de verschrikking doorstaan die Mij wacht: de verschrikking van Gethsemane, van het lijden, van de kruisiging, van het verlaten zijn door God, de afdaling in de hel...? Als Paulus tot ons zegt: "... wees navolgers van mij, zoals ook ik van Christus ben", dan bedoelt hij: Leer van mij en bekeer u op dezelfde wijze, zodat gij nieuwe mensen zult worden, inwoners van de hemel en de gezonden getuigen van Christus in deze wereld.

Christus roept een ieder van ons en zegt: "Volg Mij!" Toen Christus op aarde was, was deze roep eenvoudig, maar toch hoe moeilijk, hoe verschrikkelijk moeilijk (denk aan het verhaal van de rijke jongeling), maar ook hoe duidelijk: "Laat al uw zorgen achter u; verlaat wat gij bezig zijt te doen, en volg Mij op de wegen van het Heilige Land ..."

Wat betekent dit in ons leven van vandaag? Hetzelfde als tijdens het leven van Christus op aarde: "Ruk uzelf los, keer af van alles dat u een slaaf van het verderf maakt, een gevangene van de aarde, van alles dat u bindt, en volg Mij."

Om te beginnen, ga tot in het diepste van uw leven, uw geest, uw ziel en uw hart: de enige plaats waar u Christus de Verlosser en de levende God kunt vinden, het Koninkrijk der hemelen. En als u dit Koninkrijk hebt gevonden en deel hebt gekregen aan het nieuwe leven, vervolg moedig uw weg van het apostelschap. En tenslotte, "het sterven van de Heer Jezus in uw lichaam dragende (2 Kor. 4:l0)", Zijn volmaakte vervreemding van alles dat ten diepste de oorzaak is van zonde, van dood, van vervreemding van God, en van afkeer van uw medemens, groei tot de maat dat u een ikoon zult zijn, het beeld, het woord en de aanwezigheid van Christus de Verlosser.

In zijn brief aan de Filippenzen schrijft de heilige apostel Paulus: "Want voor mij is leven Christus (l:2l)." Wij vragen ons vaak af wat dit zou kunnen betekenen. Wanneer wij van iemand houden, of iets heel sterk begeren, of iets wordt ons zeer dierbaar, zodat wij bereid zijn alles op te geven terwille daarvan, dan geloven wij dat de persoon of zaak waar het om gaat ons eigen leven is. Wat ons geboeid houdt kan bijvoorbeeld de wetenschap zijn, de theologie, ons gezin, onze trots. Met een dergelijke onweerstaanbare kracht moeten wij geboeid zijn door Christus. Hij zou voor ons moeten worden, voor ons moeten zijn, ons hele leven en op elk moment, met al onze gedachten, geloof en kracht, met onze gehele persoon, wat de beminde is voor de minnaar: de betekenis en inhoud van ons leven. Alles dat van Christus is, zou van ons moeten zijn, en alles dat lijkt te getuigen dat Hij tevergeefs leefde en tevergeefs stierf, zou ons niet alleen vreemd moeten zijn, maar ook afschrikwekkend, dan zal Christus waarlijk ons leven zijn.

Maar hoe bereiken wij dit? Is dit werkelijk mogelijk? Welk een geweldige kracht is nodig om dit te verwezenlijken. Hier moeten wij opnieuw aan de heilige Paulus herinneren, hoe hij Christus om kracht verzocht, en Christus hem antwoordde: "Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Kor. 12:9)." De menselijke kracht is niet toereikend om de christelijke roeping te volbrengen. Wie kan enkel uit eigen kracht een lid, een deel worden van Christus' Lichaam, de voortzetting van Zijn geïncarneerde aanwezigheid op aarde? Wie kan enkel uit eigen kracht een ongerepte tempel van de Heilige Geest worden? Wie kan uit eigen kracht een deelnemer aan de goddelijke Natuur worden? Wie kan uit eigen kracht een zoon van God worden zoals Christus de Zoon van God is? Tezelfdertijd deelt de heilige IrenaeГјs van Lyon ons mee dat de mens Gods heerlijkheid wordt, Gods schittering, wanneer hij de volheid en volmaaktheid heeft bereikt; en wanneer wij met Christus verenigd zijn door de kracht van de Heilige Geest, dan zullen wij in Christus en de Heilige Geest zonen van God zijn in de Zoon van God. Niets dat de mens verricht, geen enkele handeling van de mens, kan dit tot stand brengen, maar de goddelijke genade kan alle dingen tot stand brengen.

Gods kracht wordt inderdaad in zwakheid volbracht, maar niet de zwakheid die ons voortdurend verhindert één met Christus te worden - vrees, luiheid, traagheid, zondigheid, gehechtheid aan aardse zaken, afkeer van alles dat hemels is, maar een ander soort zwakheid - buigzaamheid, doorzichtigheid - een zwakheid waarin de Heer Zijn kracht kan schenken. Wij moeten de zwakheid leren die volmaakt plooibaar is in Gods handen, volmaakt buigzaam, dan zal Gods kracht waarlijk vervuld worden, ondanks onze zwakheid, ondanks het feit dat wij in ander opzicht zondaars zijn en redding behoeven evenzeer als, zo niet meer dan, degenen aan wie wij het leven en de redding prediken.

Maar in de aanhaling waarmee ik begon staat meer: "Voor mij is leven Christus en sterven gewin (Fil. 1:2l)." Hier is het tweede, nuchtere criterium voor ons allen: hoe bezien wij de dood, niet de dood in het algemeen (want dat is een theologisch begrip), maar onze eigen dood? Toen ik een jongen was, zei mijn vader tot mij: "Leer te leven op een wijze dat je altijd de dood zult verwachten, zoals een jongeling de komst van zijn geliefde, zijn bruid verwacht." Op deze wijze verwachtte de heilige Paulus zijn dood, omdat, zoals hij zegt, wij zolang wij in het vlees zijn gescheiden zijn van Christus. Hoe groot ook onze ervaring is van het gebed, hoe groot ook onze ervaring van de sacramenten die ons transfigureren, wij zijn nog steeds gescheiden; er is een sluier tussen Hem en ons: wij zien de dingen als door een beslagen spiegel. Hoe begeren wij niet door deze spiegel heen te breken, de sluier weg te rukken, en door te dringen tot wat zich daarachter bevindt, God te kennen zoals wij door Hem gekend worden!

Als wij ons afvragen: "Zijn wij het eigendom van Christus?", wordt de vraag gesteld met betrekking tot ons leven. "Terwille waarvan ben ik bereid te leven, te leven van dag tot dag, van uur tot uur; waarvoor ben ik bereid mijn leven neer te leggen?" Het neer te leggen van dag tot dag, van uur tot uur, mijzelf te verloochenen, mijn kruis op te nemen en Christus te volgen op Zijn weg, niet alleen in Zijn heerlijkheid, maar ook op Zijn weg van het kruis. Hoe beschouwen wij die dood, onze eigen dood? Zien wij er naar uit de dood te ontmoeten, zien wij hem als het einde van ons leven, of als de deur die zal opengaan naar de volheid van het leven? Paulus zegt dat sterven voor Hem niet betekent ontdaan te worden van het aardse leven, maar bekleed te worden met de eeuwigheid (vgl. 2 Kor. 5:4). Is dit ons geloof, het geloof waarmede wij de eeuwigheid verkondigen?

Paulus voegt hier echter iets anders aan toe, wat ik in mijn eigen woorden zal weergeven. Na zijn laatste woorden over de dood zegt hij: "Voor u is het beter dat ik leef..." En hij blijft leven. Overweeg goed wat dit betekent, het betekent dat het leven voor hem is de Weg van het Kruis op de aarde, dat de dood voor hem het moment inhoudt dat hij de heerlijkheid zal verwerven van het leven van de verrezen Christus, maar hij is bereid zich dit zelfs te ontzeggen teneinde anderen in aanraking te brengen met het levenschenkende, transformerende en reddende Woord van God.

En hier is het derde criterium dat ik aan u wil meedelen, een criterium, waarvan ik mij altijd bewust ben en dat mij doet zeggen: "Heer, vergeef mij, want ik ben zelfs nog niet begonnen een christen te zijn. Help mij te groeien in het geloof, niet naar de mate van Paulus, maar te groeien opdat Gij mijn liefde zijt, dat mijn verlangen is U te ontmoeten en met U verenigd te worden, dat ik bereid moge zijn alles te doen om U te dienen, in de harten, zielen, de bestemmingen en levens van anderen."

 

(Vertaling uit het Engels door Andreas Wilts)

08:25 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.