05-11-14

Kierkegaard

SÖREN  KIERKEGAARD

 

Kierkegaard.png

door Kris Biesbroeck

 

Inleiding

 

Tussen de jaren 1842-1846 heeft Kierkegaard een ongelooflijk grote geestelijke prestatie geleverd. Hij is erin geslaagd een nieuwe wijze te vinden om het leven van de mens tot verwoording te brengen. Hij beschouwde het als zijn roeping, om de mens zichzelf te doen uitspreken, om het individu te brengen tot een bewustwording van zichzelf. Op deze wijze heeft hij een grote stoot gegeven aan het hedendaags denken. In de volgende hoofdstukken zullen wij trachten een kort overzicht te geven van zijn leven zelf en zijn gedachte. Na een beschrijving van zijn leven, in het eerste hoofdstuk, zullen we de twee grondgedachten die men kan onderscheiden bij Kierkegaard behandelen in het tweede en derde hoofdstuk als : zijn strijd tegen de systematische filosofie en theologie, en zijn strijd voor een heroïscher opvatting van het Christendom.

 

 

HOOFDSTUK   1

 

Zijn leven en werken

 

Soren Kierkegaard werd te Kopenhagen geboren op 5 mei 1813. Hij wordt de vader genoemd van het existentialisme.(De pedagoog Husserl vond de methode uit, de fenomenologie). Kierkegaards vader was een melancholiek, een pijnlijk angstvallige. Plicht en zonde domineren in zijn leven. ‘Het ontzettend lot, schreef Sören, van een man, die eens als kleine jongen op de Jutlandse heide de schapen hoedde, veel moest doorstaan, hongerde en het koud had en een heuvel beklom en er God vervloekte. En deze man kon dit niet vergeten hoewel hij 82 jaar oud werd’(Huebscher,A.,Twaalf filosofen, van Hegel tot Heidegger, Antw.,1966,pp41-42). Zijn leven lang droeg Sörens vader het besef van een niet te delgen schuld in zich. Hij nam het met zich mee in al die jaren, waarin hij zich in zijn beroep tot rijke handelaar in laken stoffen opklom en verder door de jaren van een vroeg gekozen, in angst en zwaarmoedigheid doorgebrachte tijd van stil leven. Dit besef lag als een schaduw van het noodlot ook aan het leven deze zijnen : Wanneer zou Gods oordeel hen treffen ? En wat betekende zijn dralen ?. Dit alles heeft voor Sören zelf in grote mate zijn verder denken bepaald. Reeds jong spreekt zijn vader met hem over godsdienstige problemen. Soms bleef hij voor zijn zoon staan en zei :’ Sören, je bent op weg naar een stille vertwijfeling’ (Lowrie,W. Het leven  van Kierkegaard, Antw.,1959, p.42). Sören zelf was eenzaam op school, hij deed nooit mee in het spel met de anderen. Het was een stokoud kind, altijd naar binnen gekeerd. In zijn dagboek schrijft hij daar zelf over :’Ik was al een oud man als ik geboren werd’. En elders :’Teergevoelig, mager en zwak, beroofd van bijna iedere voorwaarde om mij bij andere jongens aan te sluiten, of zelfs om in vergelijking met anderen voor een volledig menselijk wezen door te gaan. Zwaarmoedig, ziek van ziel, in veel opzichten  ongelukkig, had ik één ding : een buitengewoon spitse geest, mij vermoedelijk gegeven opdat ik niet weerloos zou zijn. Als jongen reeds wist ik mij bewust van mijn geestigheid en ik wist dat het mijn kracht was bij onenigheid met veel sterkere kameraden’ (Lowrie,W, Op.cit.,p34). Sören was een ziekelijke jongen, mismaakt, een hoge rug, een schreeuwerige piepstem, zwaarmoedig van karakter. Soms werd hij geplaagd omwille van zijn lichaamsgebrek, en dit vooral tijdens de ontspanning, maar hij beet altijd scherp van zich af. Zijn ironie is zeer bekend. Ook zijn opvoeding was zeer somber. Zijn vader is oud en reeds in de vijftig als Sören ter wereld komt, het is een autoritair, die zich altijd verdoemd waant om zijn zonden.Sörens omgang met zijn medemensen gaat dan ook zeer slecht. Dit verbetert echter als hij in 1830 naar de universiteit gaat. Hij moet van zijn vader theologie studeren om later predikant te worden. Hij neemt zijn studies echter licht op, gaat naar theater, op cafés en maakt veel schulden. Nochtans zijn zijn studies briljant, maar ze duren zeer lang. Er is niemand die er achter zit. Maar temidden van dat studentenleven overvallen hem problemen, hij gevoelt dat het dat niet is. Enkele gebeurtenissen zullen hem dan ook ernstiger maken : zijn moeder sterft in 1834 als hij 21 jaar oud is; ook sterven er nog twee zusters en een broer. Tevens is er nog het geheim en de dood van zijn vader (dat geheim is zeer mysterieus, men heeft het nooit kunnen ontmaskeren. Het moet echter zeer indrukwekkend geweest zijn). Nog datzelfde jaar schrijft hij in zijn dagboek : “Waar  het mij aan hapert is, dat ik niet in het reine kan komen waar het om gaat” . Het afsterven van zijn vrouw en drie kinderen deden de zwaarmoedigheid van Sörens vader  ook nog toenemen. Hij dacht dat hij omwille van zijn zonden gestraft was door God om al zijn kinderen te overleven. Zo dacht hij ook dat Sören  en zijn andere zoon Peter niet lang meer zouden leven; dit is echter niet waar geweest. In het document met vergulde snede verhaalt Sören de verpletterende ervaring die jij in zijn 22e jaar meemaakte, en die een einde maakte aan zijn kinderjaren; of liever aan de periode die onmiddellijk aansloot op zijn kinderjaren, in zoverre dat hij toen nog zijn vader van harte onderdanig was en er nog niet aan dacht met de onafhankelijkheid van de jeugd nieuwe paden in te slaan of zijn eigen plannen te maken overeenkomstig zijn eigen genegenheid en talent.

“Toen geschiedde het dat de grote aardbeving begon, de vreselijke omwenteling, die mij plots een nieuw, onfeilbaar verklaringsprincipe van alle verschijnselen samen opdrong. Toen besefte ik dat de grote ouderdom van zijn vader geen goddelijke zegen was, maar eerder een vloek. Dat de uitzonderlijke geestesgaven van onze familie slechts dienden om elkaar te treffen. Toen voelde ik de stilte des doods rondom mij groeien, wanneer ik mijn vader zag als een ongelukkige, die ons allen moest overleven, als een grafkruis op de tombe van al zijn eigen verwachtingen. Een schuld moest op de hele familie rusten, een straf Gods haar drukken. Zij moest verdwijnen, uitgeveegd worden door Gods machtige hand, uitgewist als een mislukte poging, en slechts bij tussenposen vond ik enige leniging bij de gedachte dat mijn vader de zware plicht was opgelegd ons door de troost van het geloof tot rust te brengen, ons allen te verkondigen dat er toch een betere wereld voor ons zou openstaan ook al verloren wij alles in déze, ook al moest de straf ons treffen die de joden altijd hun vijanden toewensten : dat onze gedachtenis geheel en al zou worden uitgewist, dat men ons niet zou terugvinden”(DUPRé, L.Kierkegaards theologie,Antwerpen, 1957,pp21-22). Wat heeft hij in deze periode ontdekt ? Alleen dit is ons duidelijk, de zuil waartegen heel zijn leven steunde ging aan het wankelen. Hij zag in zijn vader niet meer de uitverkorene voor wie hij hem hield, er rustte een ondelgbare schuld op hem en heel zijn nageslacht. Wat heeft Sören tot deze ontdekking geleid ? Sommigen, zoals de bekende Kierkegaard-kenner W.Lowrie menen dat de oude Michaël zijn zoon bij gelegenheid van diens 22e verjaardag het geheim van zijn leven zou verteld hebben. Anderen menen dat Sören zelf achter de zonden van zijn vader zou gekomen zijn. Dit laatste lijkt het meest waarschijnlijke, o.a. omwille van de mythe van David en Salomon (Kierkegaard, S, Brevier, heruitgegeven door Schäfer P en Bense M, Wiesbaden, 1951,pp 15-16)in Quidams dagboek, die zeker in verband staat met wat zich hier heeft voorgedaan. In elk geval zag Sören plotseling heel het leven  van zijn vader die hij als een heilige had vereerd, in wanverhouding met God. De gevolgen waren vreselijk. Er volgde een tijd van totale ontreddering. Alles wat hem heilige was stortte ineen. Van nu af aan kwam hij veel dronken naar huis en leefde voortdurend op de rand van krankzinnigheid. Op zekere dag begaat hij een grote morele misstap, hij wordt door enkele vrienden naar een ontuchthuis meegetroond. Pas enkele maanden nadien besefte hij dat hij mogelijk een kind kon hebben verwekt. De toestand verergerde zienderogen en ten slotte is het vader en zoon onmogelijk geworden nog langer samen te blijven wonen. Sören huurt een kamer in de stad. Deze morele inzinking, juist op dit ogenblik, laat zich het best verklaren vanuit een sterke angst, gewekt door het bewustzijn van zijn vaders schuld. Drie jaar lang heeft hij met zijn vader in onenigheid geleefd. In zijn 25e levensjaar heeft hij zich terug met zijn vader verzoend. Waarschijnlijk heeft zijn 82 jarige vader bij deze gelegenheid alles opgebiecht, waarschijnlijk heeft hij zelfs zijn zoon vergiffenis gevraagd, want Sören vermeldt in zijn dagboek King Lears woorden tot zijn dochter :

         

                              “When thou dost ask me blessing, I’ll

                                                 kneel down,

                                       and ask of thee forgiveness”.

Rond deze tijd greep ook Sörens bekering plaats.

 

In 1840 vraagt Soren de hand aan Regine Olsen, de dochter van een hoge functionaris. Reeds de volgende dag beseft hij dat het een verkeerde keuze is. Hij droomt van een echte gemeenschap van denken met zijn verloofde. Hij tracht ze op te voeden met het diepe geloof van hemzelf. Hij tracht haar zijn gefolterd hart te doen begrijpen, maar ze is nog te jong en te oppervlakkig. Dit beseft hij reeds de volgende dag. Na een tijdje besluit hij dan ook van haar te scheiden. Dit was voor hem een zwaar offer, want hij zag haar heel graag. Om haar het scheiden gemakkelijker te maken, trachtte hij  de liefde bij haar uit te doven door enkele maanden nors te zijn tegen haar. Kierkegaard heeft echter een zeer ideaal beeld van het huwelijk. Zijn afstand van Regina kost hem dan ook zijn goede naam. “Pas getrouwd en reeds een breuk” zei men. Deze gebeurtenissen behandelt hij in zijn boekje “Vrees en beven”, onder de pseudoniem : “Johannes de Silentio”. Daar behandelt hij de grond van deze gebeurtenis, maar zo, dat zijn tijdgenoten het niet begrepen, Regina echter wel. Het gaat over de offerande van Abraham. Abraham kreeg van God het bevel zijn eniggeboren zoon te offeren. Zoals Abraham bevolen werd zijn inniggeliefde zoon te offeren, zo werd aan Kierkegaard bevolen Regina prijs te geven, die hij boven alles beminde. Hij moest dus iets doen dat hij aan niemand kon uitleggen, en dat voor de wereld immoreel was. Daarom noemt hij zich hier ook “Johannes de Silentio”, alles wordt op een stille, verborgen wijze gezegd, zodat weinigen het begrijpen. Regina begreep het, en dat was voor hem voldoende.  Als motto voor dat boek geeft hij :”Wat Tarquinius Superbus in de tuin met zijn papavers besprak, werd wel door de zoon begrepen, maar niet door zijn boodschappers”. Ondanks de pijn die de scheiding hem veroorzaakte, was het besluit onherroepelijk. De scheiding was voor Kierkegaard een plicht, een plicht die slechts voor hem alleen aanvaardbaar was. Herhaalde malen had Regina’s vader getracht de scheiding terug goed te maken. Een daarvan beschrijft hij in zijn dagboek : Hij zei (Regina’s vader) : “Het is haar dood, ze is volkomen vertwijfeld”. Ik zei : “Ik zal haar wel gerust stellen; maar de zaak is beslist”.. Hij zei : “Ik ben een trots man, het valt mij zwaar, maar ik smeek u haar niet op te geven”. Rond die tijd beschrijft hij dan ook verder de scheiding zelf : “Zal je dan nooit trouwen”, vroeg ze. Ik zei : “Jawel, over tien jaar als ik uitgeraasd zal zijn. Dan heb ik weer een jeugdig meisje nodig om mij te verjongen”. Toen zei ze : ‘Vergeef mij wat ik tegen je misdaan heb’. Ik antwoordde : ‘Ik ben het die dat moet vragen’. Ze zei :’Beloof dat je aan mij zult denken’. Dat deed ik. Ze zei : ‘Kus mij’. Dat deed ik, maar zonder hartstocht. Barmhartige God ! Kierkegaard – een keuze uit zijn dagboeken p.92-93).

 

In 1840 begint voor Kierkegaard een periode van intense activiteit, die eindigt bij zijn dood. Van 1840 tot 1850 leidt hij een dubbel leven : overdag beweegt hij zich in de wereld met veel succes trouwens. ’s Nachts geeft hij zich over aan zijn inspiratie en schrijft hij. De markante gebeurtenissen uit die tijd zijn niet alleen zijn wereken, zijn boeken, maar twee opzienbarende polemieken, waartoe hijzelf het initiatief neemt. De eerste poleniek is gricht tegen het satirisch weekblad van de Kopenhaagse ‘beau-monde’, de Korsaar. Hij zegt van dat blad dat het demoraliserend is. Wij hebben vroeger reeds gezien dat hij reeds als kleine jongen niet bang was van grotere. Daarom durft hij het nu ook aan. Hij brengt het zo ver dat het blad verdwijnt. Maar vooraleer het zo ver is publiceert de Korsaar een reeks artikelen die hem in een slecht daglicht stellen.Hij wordt er ronduit in uitgelachen, maar daardoor ook meteen beroemd, maar niet in de gunstige zin (Tondriau J., Kierkegaard : de moeilijkheid een mens te zijn ,1965,p21). Hijzelf meent dat een religieus schrijver vervolging moet lijden (cf. Lowrie,W.,Het leven van Kierkegaard, pp 131-145). De tweede polemiek is naar aanleiding van het overlijden van bisschop Mynster van Kopenhagen. Zoals het gebruik was bij alle grote mannen, wordt ook hier een lijkrede gehouden, ditmaal door één van zijn vermoedelijke opvolgers, de theoloog Martensen. Martensen verklaarde dat Mynster getuige is geweest van de waarheid. Volgens Kierkegaard is dat niet waar. In zijn dagboek schreef hij reeds eerder over Mynster : ‘De middeleeuwen meenden dat het christelijke is : verzaken, ascese. Mynster meent ongeveer – en dat is trouwens het moderne standpunt-, dat het christelijke bestaat in ‘beschaving’. Maar dat begrip beschaving is – zonder meer – uiterst vaag en kan vaak het tegendeel van het christendom inhouden, namelijk, als men er genot, verfijning, louter menselijke beschaving onder verstaat. Hij, zegt Kierkegaard, die staande wil blijven in de wereld, die wil getuigen voor de waarheid, krijgt voldoende ascese in zijn leven (Kierkegaard : een keuze uit zijn dagboeken, pp.123-124).

 Kierkegaard had een zeer ideaal beeld van het Christendom. Hij zag echter dat er in de praktijk van de geestelijkheid veel schijnheiligheid en komedie mee gemoeid was. Zo ook bij bisschop Mynster. Het evangelie beleven ten koste van zijn leven, had hij moeten doen, of ten minste, dat het christendom dat de zondag wordt gepredikt niet dat van de maandag is, dat had hij ten minste nog moeten bekennen – zegt Kierkegaard, men kan er de maandag niets meer mee doen. Het komt dan ook tot een breuk met de gevestigde kerk. Een breuk die nooit meer hersteld is geworden. Hij komt hiertoe vanuit een overtuigend idealisme.

 Kierkegaard verlangt niet oud te worden, en hij verwondert er zich over dat hij de dertig overleeft. In 1855 krijgt hij op straat een flauwte en sterft een paar dagen later zonder het avondmaal te gebruiken. Hij wilde het niet ontvangen uit de handen van een predikant.

 Peter – zijn enige broer nog in leven, en op dat ogenblik bisschop – houdt een indrukwekkende toespraak aan het graf. Zij ontaardt echter niet in rouw. Men wil de tekst voorlezen van de heilige Paulus aan de verflauwde kerk van Laodicea.

 Vooraleer met zijn eigenlijke leer te beginnen is het nuttig nog even een kort overzicht te geven van zijn werken. Schrijven is voor Kierkegaard een must, hij moet kunnen schrijven. Hij schrijft dan ook veel dat niet voor publicatie bestemd bv. Zijn dagboeken. Een deel is echter wel voor publicatie bestemd en daarin wil hij een zuivere uiteenzetting geven van het christendom, niet zoals de catechismus het altijd heeft gedaan, maar zoals Christus het heeft gedaan, in vertellingen, die de mens rechtstreeks aanspreken. Hij wil geen traditionele dogmatiek geven, geen rationele apologetiek. Hij wil de lezers rechtstreeks treffen in hun gemoed en hun verstand.  Daarom voert hij in zijn boeken bepaalde personen ten tonele – zoals Sartre en anderen het ook hebben gedaan. De lezer wordt aldus meegevoerd in een innerlijke strijd voor waarheid en geloof, maar krijgt nooit een pasklare oplossing. Hij stelt problemen, de mens wordt voor een keuze gesteld, die hijzelf zal moeten oplossen.

 Enkele werken :

 - Het begrip Ironie(1841).Proefschrift voor zijn doctoraat in de Theologie      

- Het één of het ander (1843)

- Vrees en beven (1843)

- Het begrip angst (1844).

- Stadia op de levensweg (1845).

- Liefdesdaden (1847).

- Ziekte tot de dood (1848)


HOOFDSTUK 2

 

§ 1 – Strijd tegen de systematische filosofie

 

Kierkegaard reageert vooral op de filosofie van Hegel. Heel zijn werk is een reactie tegen de rede. De grondgedachte van Hegels filosofie is de identiteit van denken en zijn. De geest vindt zich terug in het menselijk bewustzijn – monisme – pantheïsme. De geest is God, al denkend ontstaan de dingen. God is in Evolutie, bij Hegel is er geen schepping. De geest brengt door het denken de werkelijkheid voort. Het individuele bestaat niet voor Hegel, alls wordt opgeslorpt door het bewustzijn, de geest.

We zijn in het jaar 1830, de grote dagen zijn voorbij voor Hegel in Duitsland, maar in Denemarken leven ze voort. Kierkegaards haat is groot : hij verwijt Hegel drie dingen : ten eerste, dat de mens herleid wordt tot een gedachte van het grote Bewustzijn, tot een abstract wezen, terwijl hij een existerend wezen is in deze wereld. Alles is abstractie geworden zegt Kierkegaard, alles is IK geworden. Er is geen menselijke persoon meer bij Hegel, alles is geest geworden. Nee, zegt Kierkegaard, het is niet hét denken, maar een denken dat monoloog is met zichzelf. Hij haat Hegels monisdme en pantheïsme, omdat daardoor de zelfstandigheid en de zelfbeslissing van de mens wordt opgegeven. Men zou hierbij kunnen opmerken dat Kierkegaard hier niet gans gelijk heeft. In bv. Één van zijn leerstellingen zegt Hegel dat de mens geheel onderworpen is aan de staat, zijn vrijheid bestaat in deelachtigheid aan de vrijheid van de staat. Ter verduideling kan men stellen dat bv. De mens het niet kan verhinderen dat de atoombom gebruikt wordt. De mens is inderdaad in zijn vrijheid veelal beperkt door de staat. Het tweede punt dat hij afwijst bij Hegel is zijn dialectiek : these – antithese – synthese. Namelijk, dat er een noodzakelijke overgang is van de aan elkaar tegengestelde these, over de antithese naar de synthese. Hegel wil alles verzoenen zegt Kierkegaard, de schijnbare tegenstellingen overwinnen door een hogere synthese. Of….of moet het zijn, maar niet en….en zoals Hegel beweert (Kierkegaard, een keuze uit zijn dagboeken, pp 33-95,p157). Als tegenstrijdige ideeën met elkaar worden verzoend, doet men ze verdampen, zegt Kierkegaard, ten slotte denkt men niets meer. Als alles waar is in zeker opzicht, is alles waar, het is waar of vals, in tegenstelling met Hegel die zegt : en…en. Verzoenen zegt Kierkegaard, de overgang van these over synthese naar antithese is fictief, ze is niet mogelijk in het domein van de existentie. Die overgang vereist een vrij scheppende wilsdaad van de mens, en deze ontsnapt aan de logica. Wilsdaad is juist het tegenovergestelde van wat noodzakelijk is. Ook aangaande dit punt moeten we Kierkegaard vooral kritisch lezen. Is het niet zo dat we deze Hegeliaanse dialectiek ook in onze geschiedenis kunnen waarnemen ? de Rooms-Katholike Kerk heeft eeuwen  verstard gezeten in verouderde wetten en gebruiken. Niemand kon daar buiten, tot het ogenblik dat de reactie daarop kwam en men nu geneigd is het andere uiterste te nemen. Zouden we ook hier onze verwachting niet mogen richten op een synthese, waar het goede van beide voorgaande tot een eenheid gebracht wordt ?. Als derde punt verwijt Kierkegaard aan Hegel zijn verregaande systematisatie (De Waelens A. Kierkegaard en de existentialisten, Tijdschrift voor filosofie, 1938 I, pp.829-830). Als Hegel erin slaagt een logisch systeem op te bouwen, stelt zich de vraag naar de reële waarde van zo een systeem. Zo een systeem is niets zegt hij, een systeem maakt beloften, maar houdt het niet vol. Het doet zich voort als integraal rationeel, een genot voor het verstand. Het wil feiten overal vervangen door absolute noodzakelijkheid. Daar de hypothese wordt vervangen door noodzakelijkheid, moet het één uit het ander komen, maar ik feite doet men beroep op postulaten. Het ontwikkelt zich tot een fictie. Men begint bij de constructie bij het dak, het averechtse. Men moet integendeel eerst de maat nemen van het hoofd en dan pas van de hoed, zegt hij. Hegel doet juist het tegenovergestelde. Het streven naar een logische perfectie vernietigt de zin voor de werkelijkheid. De werkelijkheid is zeer complex. De werkelijkheid is juist datgene wat scheidt, zegt Kierkegaard. Hier wordt alles aan elkaar gebonden, men moet voortdurend nagaan of men nog in de werkelijkheid is. Daarom is té veel systematiseren gevaarlijk. De werkelijkheid bestaat uit existerende individuen, los van de gedachte. Als men tracht met de logica de werkelijkheid te begrijpen, begrijpt men juist niets, het doet ons voortdurend de zo noodzakelijke formule begrijpen. De dialectiek schakelt alle mysterie uit.

 

BESLUIT : Kierkegaard : ‘Er kan geen systeem van de existentie bestaan, elk logisch systeem is een mystificatie, het heeft niets met de werkelijkheid te maken. Als Hegel beweert dat er eenheid is van denken en zijn, dan is dit het echte zijn niet meer, zijn is aaneengeschakeld met denken ‘.

 

 § 2 – Strijd van Kierkegaard  tegen de filosofie in het algemeen, in zoverre dat ze iets anders is dan de uitdrukking van de existentie. Kierkegaard veroordeelt een filosofie  die toegeeft aan de neiging om het universum te rationaliseren.

 Deze filosofie is eigen aan elke filosoof die toegeeft aan deze neiging om het universum te rationaliseren, omdat het een genot is voor de geest, en dit om verschillende redenen. De rationele filosofie denkt en verklaart namelijk de wereld door middel van abstracte gedachten. Maar wat is de waarde van abstracte gedachten ? Ze maken abstractie van de individualiteit der dingen, ze laten de existentie buiten beschouwing. Ze hebben tot object de essentie, de ‘possibilia’. De existentiefilosofie daarentegen is de eigen bestaanswijze van de mens, een dier existeert niet.Een mens kan existeren, kan plannen hebben en streven naar iets anders. De essentie is niet het werkelijke, niet het existerende. Dit wil zeggen dat de filosofie, telkens als ze de existentie ontmoet, krachtens haar wezen genoodzaakt is deze te denken als niet existerend, als ‘mogelijkheid’ en dus ze te vernietigen. De mens in ’t algemeen bestaat niet voor Kierkegaard, aan de mens in het algemeen heb ik niets, zegt hij.

Verder wil de filosofie de werkelijkheid verklaren, en moet opgevat worden in de regels van de logica. Dat kan zo niet zijn, zegt Kierkegaard : de logica poneert haar mogelijkheden ‘sub specie aeternitatis’, haar regels zijn eeuwig, algemeen geldend. De werkelijkheid echter is tijdelijk, vloeiend en beweeglijk. De existentie is vloeiend en beweeglijk. De logica is noodzakelijk ‘agere sequitur esse’. De werkelijkheid is radicaal contingent. De regels van de logica zijn noodzakelijk, dat zijn de enige goede. Bij existerende individuen is er geen sprake van afwijzen, maar constateren, beschrijven. Contingente wezens wil zeggen, dat wij er evengoed niet zouden hebben kunnen geweest zijn. Noodzakelijk : God is noodzakelijk. De filosofie zoekt de waarheid op een objectieve, gedesinteresseerde, zelfloze wijze. Ze maakt abstractie van het bestaan van de denker zelf. Met andere woorden filosofie verstrooit, ze maakt zich belachelijk met zichzelf, ze vergeet te existeren.

Kierkegaard loochent niet de gegrondheid van de objectieve wetenschap, maar volgens hem betreffen haar uitspraken slechts het oppervlakkige IK,

 

§3. Strijd tegen de systematische theologie

 Hier is de strijd nog heviger dan inhet voorgaande, vooral omdat hier de zin van ’s mensen bestaan wordt in betrokken. De apologetica en de theologie hebben tot doel het geloof te rationaliseren. Voor Kierkegaard komt zo een onderneming noodzakelijk uit op een negatie van het geloof. En inderdaad heeft het geloof niets te maken met rationele, abstracte speculaties, waar onze katechismus altijd vol heeft van gestaan. Het geloof is juist het tegendeel, immers, het geloof is van de existentiële orde. Het geloof is geen ‘actus intellectus, geen gedachte en geen kennis, maar het geloof is een concrete relatie en communicatie tussen twee existerende wezens, ‘qui sistunt extra se’. God is voor de gelovige geen object, geen wezen zonder meer, hij is zelfs geen opperwezen, maar een ander IK. De gelovige mens zegt tot God :’Gij’. DeDe god van de filosofie is geen gij, maar een ‘actus purus’. Het geloof beschouwd in de gelovige is ook geen daad van het verstand, maar het is een hartstochtelijke beweging en spanning van het gehele wezen. Het geloof bedoelt immers de eeuwige zaligheid, en daar streeft ik met gans mijn wezen naar. Kierkegaard zegt zelfs dat het van minder belang wat men gelooft dan hoe men gelooft. Verder is de geloofsinhoud paradoxaal en zelfs absurd. Wat ik ,kan begrijpen geloof ik niet.Geloven is zich godsvruchtig en onvoorwaardelijk onderworpen willen verweren tegen de ijdele gedachte van te willen begrijpen en tegen de ijdele inbeelding van te kunnen begrijpen. Het geloof biedt dus geen enkele objectieve zekerheid. Het impliceert altijd een totaal offer van het verstand. Hij herneemt de woorden van Tertullianus : ‘Credo quia absurdum’ (ik geloof omdat het in strijd is met het verstand).Men moet zijn v’erstand verliezen om God te winnen, dat is een act zelf van het geloof. Nochtans zegt hij ook dat de gelovige evenzeer zijn verstand nodig heeft : ‘De gelovige Christen heeft evenzeer zijn verstand nodig, juist om te zien dat hij tegen zijn verstand in gelooft. Daarom kan hij geen onzin tegen zijn verstand in geloven, zoals men zou kunnen vrezen, want het verstand zal doorzien dat het nonsens is en hem verhinderen er in te geloven. Maar hij heeft zijn verstand nodig om het onverstaanbare op te merken en daartoe verhoudt hij zich dan gelovend, tegen het verstand in’. Het is duidelijk voor Kierkegaard dat het gespeculeer van de theologie absurdheid is. Er is een radicale oppositie tussen geloof en rede. Het officiële christendom is in zijn ogen onredelijk geworden. Wat schiet er over van het christendom als men het heeft beroofd van zijn dramatisch element, van zijn passie om christen te worden, van zijn existentiële pathos – Paulus zou zeggen : van de dwaasheid van het Kruis. Er schiet niets anders over dan de gevestigde kerk : pastoors, beelden , reliquien enz.., maar ze heeft niets meer te maken met het geloof, zodat het officiële christendom haar gelovigen bedriegt. Kierkegaard breekt met de gevestigde kerk. Wat we tot hiertoe zagen was een negatieve beschouwing. Die reactie is één met het primaat van de subjectiviteit, d.w.z. het is niet zo dat hij alleen maar afbreekt, maar hij zet er ook iets voor in de plaats.

 Wat hij daarvoor in de plaats stelt : De weg van de objectieve gedachte die los staat van de denker is gesloten, maar een andere weg blijft open nl. die van de zelfreflectie waardoor wij onze eigen subjectiviteit bekijken, ons eigen zelf bekijken, waardoor ik de natuur van mijn eigen leven naga. De innerlijkheid is juist de bron waaraan het eeuwige leven ontspringt. Wat ik ervaar, ervaar ik, we zijn niet meer in de abstractie.

 Het existentialisme is niets anders dan de vorm van mijn eigen wezen, de verduidelijking van mijn eigen existentie. Men ziet zichzelf leven. En indien dit iets universeels bevat, bv. De boeken die erover geschreven worden, is dat enkel een oproep om christen te worden, om te existeren. Het gaat om een existentiële analyse, welke tot doel heeft met menselijk wezen te beschrijven en er de fundamentele trekken van vast te leggen.

 Kierkegaard noemt deze trekken ‘Categorieën’, maar het zijn andere dan die van Aristoteles en van Emmanuel Kant. Bij Aristoteles en Kant zijn de categorieën intellectuele, objectieve, abstracte, universele elementen. Bij Aristoteles zijn het de hoogste, algemeenste, verder niet meer herleidbare begrippen waarbij men alle dingen kan thuis brengen. Bij Kant zijn het de wetten van de geest, die ons toelaten de feiten van de ervaring te verbinden en te begrijpen, bijzonder de causaliteit. Bij Kierkegaard zijn de categorieën concrete trekken, die de individualiteit uitmaken van elke mens.

 

Enige van Kierkegaards categorieën

 

De categorie van het unieke, van het individuele.

.

De mens is enig, zoals elke mens afzonderlijk is, zo is er geen ander. De mens is geïsoleerd, hij is een ‘segregatus’, doordat hij anders is dan de anderen. De mens is geen nummer in een serie, maar een wezen dat zijn vrijheid verovert, en vrijheid is persoonlijk. Iedereen bezit een persoonlijk leven dat men niet op de schouders van anderen kan leggen.

 

De categorie van het geheim.

 

Elk bewustzijn vormt een gesloten wereld. De mens zit in zichzelf opgesloten, hij kan zich wel in zekere mate uitdrukken en doen kennen, maar al wat hij tot uitdrukking zal brengen zal zeer oppervlakkig zijn. Daarom geeft Kierkegaard zijn werken uit onder synoniemen (bv.Johannes de Silentio), en dit opdat hij niet gekend zou worden, want wat zich in het diepste van de mens afspeelt is een geheim. Men kan zich altijd wel één of ander gedacht of idee vormen van de anderen, maar het belangrijkste, de individualiteit zal ontbreken, dat is een geheim. Vervolgens bestaat ook de mogelijkheid een boodschap door te geven, het is een indirecte maar concrete existentiële communicatie. Dit kan gebeuren door het woord, maar ook door de stilte, op voorwaarde dat deze geschraagd wordt door het leven zelf of door de dood – het martelaarschap -  Het martelaarschap is een getuigenis van de waarheid. Het komt er hier dus niet op aan te getuigen door woorden, maar door de stilte en de dood. De hoogst mogelijke vorm van een existentiële is deze welke de toeschouwer toestaat te kiezen, terwijl men zijn vrijheid respecteert.

 

De categorie van het worden.

 

De mens is voortdurend in wording, de mens IS niet, maar is in wording. De mens doet een voortdurende poging om zichzelf te overschrijden, om zichzelf te verwezenlijken. Dit pogen maakt juist het wezen uit van de existentie. Dit plaatst de mens tegenover God, de mens IS geen christen, maar hij WORDT christen, elke beslissing moet steeds opnieuw genomen worden. Deze gedachte vinden we voortdurend bij Kierkegaard terug.

 

De categorie van het ogenblik.

 

Het ogenblik komt tot stand uit een synthese van tijd en eeuwigheid. Het ogenblik is de eeuwigheid die neerdaalt in de tijd. Ondanks onze tijdelijkheid is er toch een eeuwigheid, er is een kern die zichzelf blijft.

In de tijd onderscheidt Kierkegaard drie niveau’s waarop de mens kan leven :

  • De esthetische levenshouding

  • De ethische levenshouding

  • De religieuze levenshouding.

    (We komen hier later op terug)

    In deze categorie is het van belang even stil te staan bij de esthetische levenshouding. De mens die thuis is in dit stadium leeft nog in een opeenvolging van gelijkwaardige momenten, los van elkaar. Hij leeft in een voortdurend verzwinden, hij leeft niet in het NU. Het eeuwige is een tegenwoordigheid die nimmer voorbijgaat. Welnu, God is eeuwig, Zijn houding is altijd dezelfde. De eeuwigheid treedt de tijd binnen in het ogenblik bij ‘ de volheid der tijden ‘, als Christus in de wereld komt en een tweede maal door de geloofsdaad in Christus. Daardoor wordt de eeuwigheid in het ogenblik binnengebracht en wordt de eeuwigheid vertijdelijkt. De mens die op een ander tijdstip leeft kan participeren aan de eeuwigheid door de geloofsdaad van Christus. Door ons christen-zijn treedt het eeuwige in ons leven binnen. Zo wordt de christen door Christus van zijn tijdelijkheid verlost, van zijn verbrokkeling. Alleen in verhouding tot God neemt de ,mens deel aan de eeuwigheid.

     

    De categorie van de keuze

     

    De vrijheid is het grondigste kenmerk van de existentie, de mens is niet gedetermineerd, maar hij determineert zichzelf. Wat is nu een vrije daad ? Het is een absoluut begin, dus is het een irrationele daad, die noch kan voorzien, noch kan verklaard worden door de rede. Het is een keuze, men kiest het ene en men verwerpt het andere. Men moet ja of  neen zeggen en niet ja en neen, zegt Kierkegaard. In dit kiezen affirmeer ik uiteindelijk mezelf door de keuze. Door het feit dat ik kies, kies ik uiteindelijk mezelf. Elke keuze is functie van een inwendige keuze. De keuze is een fundamentele optie, waardoor ik mijzelf realiseer. Vrijheid is zichzelf kiezen, enerzijds instemmen met wat men is, en anderzijds willen worden wat men niet is. Maar deze twee aspecten overdekken eigenlijk elkaar, omdat het wezen van de mens bestaat in het worden.

     

    De categorie van het vóór God.

     

    De subjectiviteit van Kierkegaard is niet subjectivistisch, dit wil zeggen : hij is niet gesloten in zichzelf, maar hij staat open voor de anderen. Hier is op de eerste plaats openheid voor God bedoeld. De mens is een eenzame tussen andere mensen, als men diep genoeg verzinkt, neerdaalt, komt men tot het transcendente, tot het Andere. ‘Deus interior intimo meo et superior summo meo. Redi in te, ibi habitat Veritas’ (Augustinus)

    De mens kan met God, en met Hem alleen in een rechtstreeks onmiddellijk contact treden, en dit door het geloof. Het christelijk leven is niets anders dan eenzaamheid voor God.

     

    De categorie van de zonde

     

    Deze categorie vloeit voort uit de vorige. Als de mens voor God gaat staan, voelt hij zich zondig ofschoon God zich openbaart in onze diepste existentie, is God daar toch aanwezig als Diegene tegenover wie ik schuldig ben, de totaal Andere, voor wie ik als zondaar moet verdwijnen. Tussen God en mij gaapt er een kloof die steeds breder wordt. In deze verhouding betekent elke stap vooruit, een stap achteruit. Kierkegaard noemt dit innerlijk achteruittreden voor God ‘achterwaards existeren’. Elke betrekking met Hem kan het onderscheid slechts verder accentueren. ‘De God van Kierkegaard is geen nabije God, het is een verre, de oneindig verre God. In de mate waarin de enkeling zich ontwikkelt, wordt God voor Hem steeds meer oneindig’ (J.Wahl. Etudes Kierkegaardiennes, p.341) Wanneer de mens de onoverbrugbare afstand tussen hem en God niet voortdurend voor ogen houdt, komt hij terecht in de valse vertrouwelijkheid van de mystiek. Men bespeurt in deze aanval duidelijk een verwerping van het middeleeuwse kloosterleven (Malantschuk – In het voetspoor van Kierkegaard- p 49). Het gaat hier bij Kierkegaard niet alleen over morele fouten, de zonde heeft een metafysische dimensie – het is de grondeloze afstand tussen de mens en God. Ze heeft natuurlijk daarbuiten ook nog een moreel karakter, omdat de ethiek de zonde aanwijst als het ontoelaatbare. Bovendien ontdekt men ook nog de tekenen van de erfzonde.

     

    De categorie van de angst.

     

    Het gaat hier om bestaansangst. De angst is daarom niet hetzelfde als vrees, die zich steeds betrekt op iets bepaalds en eindigs : angst is de expressie van het eeuwige moment in de mens, zonder dit eeuwige is de angst in de mens zelfs niet mogelijk. In zijn oorspronkelijke staat beschikte de mens, zoals Kierkegaard het noemt, over ‘de beangstigende mogelijkheid om iets te kunnen ‘; om zichzelf bijvoorbeeld af te keren van de aspiratie naar het eeuwige. In een zeer moeilijk werk ‘Het begrip Angst’ waaraan het juist geciteerde werd ontleend, tekent hij hoe de mens zich losmaakt van het eeuwige en de geschiedenis met de gevolgen van de erfzonde is begonnen. De mens doet een greep naar het tijdelijke, maar zal zich anderzijds nooit aan het andere moment in de synthese, het ‘eeuwige’ kunnen ontrukken Zou hij dit kunnen, dan was hij daarmee aan het dier gelijk. De angst vormt samen met vrijheid en zonde een drie-eenheid Wanneer de vrijheid niet uit zichzelf verwerkelijkt en bepaald wordt, maar verloren gaat en de mens in onvrijheid leeft, dan wordt de angst de meerdere en wordt zij tot ‘vertwijfeling’. De mens wordt dan niet één met zichzelf, maar leeft in een toestand van zelfvervreemding.Verstandelijk gezien betekent het dan dat de mens zichzelf niet kent; hij leeft buiten de waarheid. Vrijheid is het inzicht dat alles mogelijk is, en dan nog door mij. Dergelijk inzicht is onafscheidbaar van de bekoringen en het idee tot zonde, want als ik mijzelf ontdek in mijn oneindige mogelijkheden, ontdek ik mijzelf ook in mijn volstrekte autonomie. Welnu, voor de mens is volstrekte autonomie zonde, omdat ze opstand tegen God is. Vandaar dan ook een fundamentele paradox. De mens is slechts werkelijk zichzelf als hij zichzelf kiest tegen God, in een daad van oppositie tegen God, een daad die hem bestempelt tot niets. De mens affirmeert zichzelf in het niets van de zonde. Dat voert vanzelf tot angst, die niets anders is dan een openbaring in een mens van het niets van het zijn.

     

  • HOOFDSTUK  3

     Strijd voor een heroïscher opvatting van het Christendom

 

De filossof doet niets anders dan zijn eigen leven verwoorden. Dit geldt speciaal voor Kierkegaard, de hierboven beschrven kategorieën zijn Kierkegaardiaans, hij heeft ze zelf eerst voorgeleefd. Kierkegaard is zeer subjectief, hij beoordeelt alles vanuit zijn eigen standpunt. Zijn leer over de drie existentiële stadia, welke we reeds hebben vernoemd in de kategorie van het ogenblik is dan ook een verwoording, een vertaling van zijn persoonlijke ontwikkeling. In één van zijn werken, ‘Stadia op de levensweg’, beschrijft hij deze verschillende etappen die hijzelf heeft doorgemaakt. Ze beantwoorden aan de drie stadia. In zijn jeugd had hij een leven van genot en versnipperingen. Daarna heeft hij een eervolle poging gedaan om de weg van het huwelijk te bewandelen en tenslotte heeft Kierkegaard al zijn krachten ingespannen om vooruit te komen in het geestelijk leven, hij kwam bijna tot de mystiek. Het woordje ‘stadia’ is eigenlijk misleidend, het woordje ‘sfeer’ zou hier beter passen, omdat de mens ze niet noodzakelijk achtereenvolgens doorloopt, en het betekent ook niet dat de overgang van het eerste stadium naar het andere automatisch zou gaan. In werkelijkheid is de stadia een existentieel type, waarin men zich kan opsluiten heel zijn leven lang, en dit slechts kan verlaten door de vrijheid. Het onderscheid tussen de verschillende typen vertoont een zekere gelijkenis met de ‘ordres’ van Pascal. Pascal heeft drie ordres : l’ordre des corps, l’ordre des esprits – dit zijn de intellectuele waarden, en l’ordre de la charité – welke de bovennatuurlijke waarden zijn. De christen van Pascal leeft noodzakelijk op de drie vlakken tegelijk. Bij Kierkegaard sluit de eerste sfeer de andere uit, door de wijze van existeren bevind ik mij in de ene OF het andere. Nu zullen wij de drie stadia van Kierkegaard achtereenvolgens in het kort behandelen. Deze drie stadia zijn : het esthetische, het ethische en het religieuze.

 Het esthetische.

 De mens die leeft in het eerste stadium, leidt een leven van genot. Het is een zoeken naar plezier in alle gevarieerde vormen. En wanneer hij zich verheft boven de lagere vleselijke genietingen, dan is het maar voor het genot van de kunst of van het denken. De estheticus bij Kierkegaard is een dilettant, ook hijzelf is dat geweest, daarom bleef hij ongehuwd. Hij leefde aan de oppervlakte van zichzelf. Het is een positivist, hij houdt zich aan  tastbare, waarneembare feiten, hij gelooft nietb in schone theorieën, maar houdt zich aan wat hij ziet. Een estheticus kan denken over alles, maar hij blijft er buiten. Hij denkt alse en rationalist in de abvstracte mogelijkheid. De estheticus erkent echter vlug de ijdelheid van het genot, omdat een genotsmoment vluchtig is, het heeft niet suit te staan met het eeuwige dat in de mens is, tenzij dan door het ‘toedium vitae’, de afkeer van het leven. Deze standvastigheid in de onstandvastigheid is een teken van diepe wanhoop die zich openbaart in melancholie. Indien de estheticus aan die wanhoop wil ontsnappen, moet hij er zich bewust van worden. Dan dringt zich aan hem de noodzaak op te denken aan zijn actuele toestand en aan iets anders. Een mens ,die tot wanhoop gekomen is staat voor een keuze : ofwel redding, ofwel ondergang. Door de existentiële sprong kan de mens alsnog tot een hoger stadium komen.

 Het ethische.

 De ethicus leidt een ernstig leven, een leven geheel gewijd aan de vervulling van de plicht.Hij is de verpersoonlijking van de Kantiaanse moraal. Bij Kant valt het zedelijk goede samen met het zedelijk verplichte. De ethische mens is gewoonlijk getrouwd, in elk geval rechtschapen en handelt goed. Voor zijn rechtschapen trouw ontvangt hij dan ook zjjn loon, nl. Innerlijke vreugde ‘cum pietate felicitas’. Maar de ethisch levende mens is eigenlijk ook nog niets, alleen de mens levend in de religieuze sfeer treedt in de tijd in contact met de eeuwigheid.

 Het religieuze.

 Hier worden de banden met hetb algemene verbroken. De mens die leeft met wetten, normen, verplichtingen enz.. leeft in het algemene. De religieuze mens treedt als individueel subject met de concrete historische persoon van Christus in contact, met de levende persoon Christus. De religieuze mens zoekt zijn hoogste interesse niet bij zichzelf, maar bij Christus. Hierdoor treedt hij in de tijd in contact met de eeuwigheid. Het religieuze leven is essentieel een leven van : Liefde, Gebed en Strijd.

 Liefde :

Go dis Liefde, en deze liefde die Go dis achtervolgt de mens tot in de diepte van de zonde. De zonde van de mens is de geschiedenis van Gods liefde. Go is de mens komen opzoeken in zijn zondige natuur, zodat Hij zelf Mens is geworden. Liefde betekent dat Hij alles wil doen om je te helpen Hem te beminnen dwz veranderd te worden om op Hem te gelijken. Het komt er nu op aan dat ik existentieel realiseer dat God voor mij op de wereld is gekomen. In Christus ontmoet God de mens persoonlijk. Zo raakt de mens slechts als afzonderlijk persoon, want genade woont niet in gemeenschap, maar komt slechts voor in de ontmoeting van de mens met God. Wel gelooft Kierkegaard in sacramenten die slechts door de Kerk kunnen worden toegediend bv. Het doopsel. Hij verzet zich echter tegen elke ban die de gelovige samenbindt met het mystieke lichaam van Christus, want als men dit aanneemt geeft men de subjectiviteit prijs. Daarmee zou ook de verantwoordelijkheid voor God verminderen, en zouden de poorten opengaan voor aflaten en andere automatische verdiensten ‘Op het ogenblik dat men zich met vier shillings op de kosten der geestelijke gemeenschap van zijn zonden kan vrijkopen, komt het religieuze in de kategorie van het komische terecht’ zegt hij. Gods tegemoetkoming vraagt van de mens als tegenprestatie een zelfloze overgave van geloof en liefde. Deze liefde participeert echter aan het constitutieve element van elke Godsverhouding : namelijk, het oneindig schuldgevoel. Tegenover God blijft de mens altijd onder de maat Het gebod van naastenliefde draagt onze eeuwige schuld tegenover God op onze verhouding tot de anderen over, zij delen in Gods onaflosbare schuldvordering op ons. ‘Onderhoud tegenover niemand enige schuld, tenzij de onderlinge liefde (Rom.13,8).Betaal al uw schulden af, maar liefdesschuld wordt nooit afbetaald, we zijn altijd schuldenaren tegenover elkaar. Het idee van afbetaling breekt de liefde, liefde moet altijd zichzelf transcenderen. In de essentiële onvolmaaktheid ligt de volmaaktheid van de liefde.

Gebed.

 Het religieus christelijk leven is verder een leven van gebed. Mijn geloof in, en mijn overgave aan God wordt noodzakelijk tot een gebed. Alleen in het gebed kan ik uitdrukken dat Hij alles voor mij is geworden, en ook oneindig is geworden. Niet alles waarom de mens bid wordt uitgevoerd door God, de tegenstelling tussen ons en Go dis daarom té groot. Maar aangezien deze tegenstellin voortkomt uit de zondigheid van de mens en zijn ware belangen aan Gods kant liggen, kan de mens slechts zegevieren door een totale overgave aan God. In de strijd met God betekent alleen de nederlaag een zegepraal, de hoofdzaak is dan ook niet zoiets zoals de onmiddellijke mens meent, of ik de gevraagde gunsten bekom. Het echte gebed begint pas daar, waar de zorg om de bijkomstigheden ophoudt. God kan niet anders worden. De mens echter is veranderlijk. Go dis anders geworden om te tonen dat Hij onveranderlijk is, voor mij is Hij veranderd, niet voor Hem zelf. Het is door zijn liefde en zorg voor ons dat Hij heeft getoond dat hij onveranderlijk is. Wij echter moeten bidden om anders te worden, want als men goed heeft gebeden, eindigt het gebed altijd op een amen, dwz. Dat we in alles Gods wil zullen zien, want tijdens het gebed is God Hem hoofdzaak geworden. Datgene waarom men bad is teruggebracht op de ware plaats in het heilsplan van God. Het komt er inderdaad niet op aan te bidden totdat God hoort wat men Hem vraagt, maar totdat wijzelf horen wat Hij ons vraagt. Zo zal de ware functie  van het gebed niet bestaan in een omvorming van de wereld, maar van mijzelf. Ikzelf wordt vernieuwd, ik doe nieuwe ademhaling op. De grote moeilijkheid bij hetb gebed echter is dit eeuwig ‘amen’ uitte spreken, zo ‘amen’ te zeggen dat er geen woord, geen enkel meer bij moet, maar dat het enige dat mij voldoening geeft en mij vervult, juist dit ‘amen’ zelf is, dat ik in alles Gods wil wil doen.

 Strijd.

 Dit is het derde aspect van het religieuze christelijk leven. De mens wordt in staat gesteld door zijn persoonlijke verhouding met God, om in zijn eigen leven de grondregels van elke religieuze ethiek, namelijk : het absolute, absoluut te nemen, en het relatieve, relatief. Practisch betekent dat dat het er voor de gelovige slechts op aan komt één Heer te dienen. Go dis in zijn leven niet de hoofdzaak, maar Hij is er de Enige. In de ethische sfeer bestaat Godo ok, maar Hij is er niet de enige. Heel het bestaan van de strijdende mens wordt gericht op het schriftwoord : ‘M’en kan geen twee heren dienen’(Mt.6,24). Die houding verwerpt echter het aardse niet onvoorwaardelijk, want daardoor zou men weer iets relatief absoluut stellen, zij het op negatieve wijze. De middeleeuwse ascese heeft dat gedaan, zegt Kierkegaard, ze heeft zich té veel door boetepractijken en zo meer. De absolute tegenstelling tussen God en de eindige wereld heeft zich uitgedrukt in het kloosterleven, aldus Kierkegaard. De ,juiste houding onderstelt dat de gelovige op elk ogenblik zijn relatieve doeleinden ziet in het licht van het absolute, en daarin zijn doel stelt : dat hij God bemint op dezelfde wijze als God ons in de wereld heeft gesteld. Wie zonder meer aan het aardse voorbij wil om onmiddellijk met God in contact te treden, miskent de oneindige afstand die er is tussen hem en God, aldus Kierkegaard. De nieuwe ethiek wordt op de eerste plaats een inwendige houding, het specifiek christelijke blijft verborgen voor buitenstaanders. Later ziet Kierkegaard echter meer en meer in dat het christelijk leven ook uiterlijk moet beleefd worden. Er bestaat maar één weg om tot de innerlijke zelfverloochening te komen, nl.ook uiterlijk iets te verzaken, zoals we op aarde zijn moet de geest belichaamd worden.

De ethiek van de verborgen innerlijkheid gaat hij zien alse en compromis met de wereld. Hij oefent een felle strijd en kritiek op dit verborgen christendom dat geen strijd meer kent., en wel op de verkapte huichelarij van de kerk, en wel op de verkapte huichelarij van de kerk. Zo komt Kierkegaard tot de slotsom dat slechts in de uiterlijke navolging van Christus de ethiek van het geloof werkelijkheid wordt. Hiermede sluit hij zich aan bij een eeuwenoude christelijke traditie, nl. De navolging van Christus. Maar hoe is Christus mijn voorbeeld ? Niet in de eerste plaats als Mens, maar als God. Slechts doordat hij Go dis kan zijn leven de idea-liteit van het mijne uitdrukken. Over een ideaal mens kan men slechts spreken, als die mens ook tegelijk Go dis. Zo alleen kan Hij ons de goddelijke wijze om mens te zijn concreet openbaren. Christus eist niet van ieder christen heldhaftigheid, maar van allen nederigheid genoeg om oprecht te zijn. Alleen wie onoprecht is, en zich voorspiegelt dat er van hem niet meer vereist wordt dan hij in feite presteert, snijdt de genade de weg af en hoort nergens thuis in het christendom. Bij de meesten bestaat de rol der navolging erin,zich tot deemoed te brengen. Iedereen moet zichzelf meten aan het ideaal van Christus’voorbeeld. Juist door tekort te schieten bereikt de christen het beoogde resultaat, de deemoed. Het christendombetekent inderdaad essentieel christen worden, het is niet een christen-zijn. Zo begrijpt men dat voor Kierkegaard het bestaande da trust en vrede kent, een onchristelijk begrip is, het bestaande is wordend, alles is in wording. Zijn christendom kent rust noch vrede. Onvermoeid moet het christendom ten aanval trekken tegen elke vorm van genoegen nemen met het bestaande. De ware Kerki s altijd strijdend, zij is in voortdurend verzet met de wereld die tegen God werkt. Kierkegaard verwijt de kerk echter dat ze een pakt heeft gesloten met de wereld die niet strijdt tegen al de misbruiken. De weerstand heeft plaats gemaakt voor numerieke veroveringen. In haar zuivere vor mis deze kerk slechts te vinden bij Christus en de Apostelen, en eigenlijk is de fout reeds bij de Apostelen begonnen : ‘Christus won in drie jaar en een half slechts elf leerlingen, terwijl één apostel in één dag, in één uur er drie duizend won’.

 Elk van de drie hierboven beschreven existentiële stadia laat zich definiëren door een fundamentele pathos, nl. Genieten, handelen en beminnen, en door een grote etappe van de menselijke geschiedenis :

                    Esthetische – heidendom – genieten

                    Ethische – jodendom – wet

                    Religieuze – Christendom – liefde

 

Hoe kan men nu van het ene stadium naar het andere overgaan ?

Dit gebeurt niet door een geleidelijke, progressief voortschrijden. Er is slechts één middel : de existentiële sprong. Met sprongen gaat de mens vooruit als hij een keerpunt ziet. Deze sprong wordt gedaan in vrijheid. Bekering is geen voortzetting van een vroegere beweging, er is geen continuïteit ; zij gooit de vroegere beweging om, ze negeert het verleden. Bekering iso ok een absoluut initiatief, men begint nu pasz te leven. Door zijn vrijheid is de mens bekwaam zichzelf te transcenderen.  Na een tweede bekering is het leven helemaal anders. Niemand kan dat in zijn plaats doen, geen enkele logica, het is een risico, een sprong, en men weet niet waar men uitkomt daarmee. Ofschoon er geen bru gis tussen die existentiële typen, toch bestaat de mogelijkheid om zich op de sprong voor te bereiden. Deze voorbereiding voltrekt zich volledig in de lagere sfeer en bestaat hierin dat men tot het besef komt van de ontoereikbaarheid en de ijdelheid van deze existentiële vormen. In de esthetische levensvorm is deze dialectiek de ironie. In de ethische levensvorm is het de humor.

 De ironie.

 In zijn dagboek beschrijft Kierkegaard de ironische levenshouding alse en samentreffen van een ethische passie die inwendig het eigen IK oneindig accentueert, met de kunst om in de uiterlijke omgang van datzelfde IK oneindig te absraheren. De ironie ontstaat door de tegenstelling tussen de oneindige eis van het ethisch bestaan, en de vele kleinigheden van het sociale leven die er altijd op gericht zijn mij van dit ‘unum necessarium’ af te brengen. De ironie brengt de estheet tot inzicht dat het genot waaraan hij zich heeft gewijd, hem niet bevredigen kan, dat het hem niets anders dan walging bezorgt. Het iso ok met opzet dat de ironicus zich uitdrukt in een verschijningsvorm die zo ver mogelijk van zijn innerlijk afwijkt, om aldus de tegenstelling op de spits te drijven en zich tevens in een bewuste aanvaarding ervan te distantiëren. Alleen de aanvaarde contradictie van de ironie kan een brug slaan tussen de oneindige inwendigheid en de overal falende uiterlijke verwezenlijkingen. Dank zij zijn ironie verduikt hij voor de buitenstaanders de oneindige hartstoschtelijkheid van zijn eigen IK. De massa van de mensen leeft echter omgekeerd, het zijn estheten, geen ironen. De massa leeft in de onmiddellijkheid, ze spannen zich in om iets te zijn, zodra ze gezien worden. Zij zijn in hun eigen iets als anderen hen bezien, doch binnenin waarin de Absolute Eis hen ziet, hebben ze geen lust om het eigen IK te beklemtonen. De ethische mens gebruikt zijn icognito, omdat hij de tegenstelling begrijpt tussen de wijze waarom hij in zijn binnenste bestaat en de onmogelijkheid om deze bestaanswijze te veruiterlijken.

 Humor.

 Ook hier hult de religieuze existentiële vorm zich in een incognito. Wat de ironie is voor de zedelijke mens, is de humor voor de godsdienstige. De humor onttrekt de verborgen innerlijkheid der godsdienstigheid aan de opmerkzaamheid. Hij gaat uit van de onmogelijkheid het innerlijk godsdienstige een uiterlijke gestalte te geven. De humor heeft uiteraard geheel het menselijke als abject, hij weet dat in alle menselijke dingen grootheid en kleinheid samengaan. Essentieel is dat het humoristisch subject hierbij ook zichzelf niet uitsluit. De humorist ziet dus geheel zichzelf, niet alleen zijn uiterlijke verschijning voor de anderen, maar ook zijn innerlijk, als essentieel onvolmaakt en contrasterend met de Oneindige Volmaaktheid. Als zodanig betekent de humor een voorstadium van het religieuze, en een bevrijding uit de inwendige gespletenheid, umijn eigen kleinheid, uit mijn zondigheid. De gewone uitdrukkingsvorm is een zachte ironie waarin de bitterheid plaats heeft gemmaakt voor een sympathisering met het menselijk kleine. De humor geeft zin voor het relatieve van alles, hij zet aan tot welwillendheid en overgave, en bereid aldus de sprong voor naar het religieuze. De religieuze sfeer heeft haar inwendige dialectiek, die de mysticus altijd verder, hoger drijft, zonder dat het hem ooit mogelijk is stil te staan en te rusten. Deze dialectiek is de liefde die de essentie is van het Christelijk leven.

                                  

 SLOTBESCHOUWINGEN

 

Kierkegaards filosofie is wezenlijk een christelijke filosofie, vermits zij zich gans concentreert op het christelijk Existeren. En indien het waar is dat alleen de religieuze, meer bepaald de christelijke houding met al wat zij aan verscheiurdheid en angst impliceert, samenvalt met het eigenlijke leven van de mens, dan volgt hieruit date en coherent existentialisme, dwz. Een existentialisme dat trouw is aan al de eisen van een authentisch existeren noodzakelijk een christelijk existeren is, of laten we zeggen , om de abstractie te vermijden, een existentialisme dat zich gans toespitst op het christen WORDEN. In deze zin is Sartre beslist geen volgeling van Kierkegaard. Hij heeft een copernicaanse zwenking gemaakt en zijn centrum van God naar het niets verlegd, het neant. Sartre is echter wél een existentialist, hierin komen nSartre, Jaspers, Marcel en Kierkegaard overeen, dat ze strijden voor het recht van de enkeling dat door geen systeem man vermoord worden.

 

We kunnen en hoeven niet met alles wat Kierkegaard gezegd heeft accoord te gaan. Toch heeft hij ons een weg getoond hoe wij in het leven moeten staan. Zijn houding tegenover de officiële Kerki s ook vandaag voor ons om over na te denken. Hoe ver staan de Rooms Katholieke Kerk , de Orthodoxe Kerk, de protestantse kerken ook vandaag nog niet verwijderd van de oorspronkelijke boodschap van Christus ? Wat is de ware kerk ? Voor Kiergegaard is dit duidelijk : de ware kerk is deze die doet wat Christus gedaan heeft. Maar alle luxe en schandalen in vele kerken, de gebondenheid van vele kerken aan de wereldlijke macht. De mens moet leren zelf te existeren, zelf zijn bestaan in handen te nemen, en zich niet laten beinvloeden door allerhande regeltjes en wetten, die niets te maken hebben met de oorspronkelijke boodschap van het Evangelie. Hoevelen, binnen de orthodoxe kerk worden er niet , via hun geestelijke leider, beïnvloed ? Men hoeft zelf niet te denken : iemand anders zal het wel in mijn plaats doen, of het goed is of niet maakt niet terzake. Op een bepaalde vraag zegt iemand : ‘ik weet het niet, ik moet het eerst aan mijn geestelijke leider vragen’ , alsof die man ALLES weet. Er lopen zovele mis-leiders rond. Hun boodschappen staan soms zeer ver van de evangelische boodschap van Christus. Dit alles en nog veel meer drukt Kierkegaard ons op de geest : Leef volgens het evangelie van Christus. Moge dit artikel hiertoe een bijdrage zijn

 

Kris Biesbroeck 2014

Niets mag uit dit artikel overgenomen worden zonder schriftelijke toestemming van de auteur !

 

                                                 23

 

Aangehaalde boeken en tijdschriften :

 

 

  1. LOWRIE,W Het leven van Kierkegaard

  2. HUeBSCHER,A : Twaalf filosofen, Van Hegel ,tot Heidegger

  3. DUPRé ,L : Kierkegaards theologie

  4. KIERKEGAARD,S : Brevier

  5. KIERKEGAARD,S : Een keuze uit zijn dagboeken

  6. STÖRIG,H : Geschiedenis van de filosofie

  7. TONDRIAU,J : Kiergegaard : de moeilijkheid een mens te zijn

  8. JOLIVET,R : Introduction a Kierkegaard

  9. DE WAELENS,A : Kierkegaard en de existentialisten – tijdschrift voor filosofie

  10. WAHL,J : Etudes Kierkegaardiennes

  11. Pascal, B : Pensées

  12. HOHLENBERG,J : L’Oevre de S.Kierkegaard

  13. Van Munster, H : SÖren Kiergegaard

  14. KIERKEGAARD S, Furcht und Zittern

  1. VAN NIEUWENHUIZEN :Dialectiek van de vrijheid : zonde en zondevergeving bij Kierke

10:58 Gepost in filosofie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.