03-01-15

Augustinus : over de barmhartigheid

Over de barmhartigheid

Augustinus

 

 

augustine_of_cantebury 27 mei.jpg

Elke liefde veronderstelt een zekere welwillendheid tegenover hen die we beminnen. Ook de lichamelijke liefde, die we eerder genegenheid noemen.(Het woord 'liefde' wordt in onze cultuur immers gewoonlijk voorbehouden om een verheven liefde aan te duiden. Hoewel voor mij alle woorden om liefde aan te duiden gelijkwaardig zijn, aangezien de Heilige Schrift ze door elkaar gebruikt)(Deze passage is door de vertaler een beetje ingekort weergegeven, omdat ze in het Nederlands onvertaalbaar is. Het latijn kent namelijk drie verschillende woorden voor 'liefde' : caritas, dilectio en amor. DSommige christelijke schrijvers vóór Augustinus hebben getracht een zeker onderscheid tussen deze verschillende termen aan te brengen. Augustinus verwerpt echter dit onderscheid en wel op grond van het gebruik ervan in de H.Schrift) .Want wij mogen en kunnen de mens niet beminnen zoals een gastronoom verklaart van gebraden lijsters te houden. Waarom niet ? Omdat de gastronoom er alleen maar op uit is te doden en op te eten. Als hij zegt dat hij van gebraden lijsters houdt, dan houdt hij niet van de lijsters zelf, want die laat hij niet in leven doch vernietigt hij. Van eten houden we slechts om het te verbruiken en zelf weer op kracht te komen. Maar van mensen mogen we nooit houden als van gebruiksgoederen. Neen, vriendschap is een zaak van welwillendheid; vriendschap is iets willen geven aan hen die we beminnen. En als men dan niets heeft om te geven ? Dat is niet erg, de welwillendheid alleen is genoeg voor iemand die bemint.

Het heeft geen zin te verlangen dat er ongelukkige mensen zouden zijn om zich barmhartig over hen te kunnen buigen. Gij geeft brood aan iemand die honger heeft, maar het zou veel beter zijn dat niemand honger leed en gij aan niemand iets hoefde te geven. Gij geeft kleren aan iemand die er geen heeft, maar het zou veel beter zijn dat iedereen kleren bezat en er geen armoede bestond. Gij begraaft doden, maar het zou veel beter zijn dat iedereen het leven bezat, en dat niemand meer hoefde te sterven. Gij tracht mensen die het oneens zijn met elkaar, te verzoenen; maar het zou veel beter zijn te leven in die eeuwige vrede van Jeruzalem waarin geen onenigheid meer bestaat. Al de hulp die we geven wordt opgeroepen door nood. Neem de ongelukkigen weg uit deze wereld en alle werken van barmhartigheid worden overbodig.

Maar als er in deze wereld geen barmhartigheid meer nodig is, betekent dit dan nhiet noodzakelijk het einde van de weldoende gloed van de liefde ? Helemaal niet, Uw liefde zal meer authentiek zijn, als ze uitgaat naar een gelukkig mens aan wie ge niets hoeft te geven; zij zal zuiverder en oprechter zijn. Want als gij geeft aan een ongelukkig mens, dreigt het gevaar dat gij over hem wilt heersen en hij, die de beweegreden was van uw weldaad, u onderdanig moet zijn. Hij verkeert in nood, gij geeft hem iets. Omdat gij de gevende partij zijt, lijkt gij beter en meer mens te zijn dan hij aan wie gij geeft. Wens dat ieder mens uw gelijke is, zodat wij allen op gelijke wijze afhankelijk zijn van die Ene, aan wie wij niets kunnen geven.

In dergelijke zaken kent de hoogmoedige mens geen maat en daardoor wordt hij ook op een bepaalde manier hebzuchtig, aangezien 'de geldzucht de oorsprong is van alle kwaad' ( 1 Tim. 6,10). Er is ook gezegd dat 'de hoogmoed het begin is van elke zonde' (Sir.10,15) SZoms vragen we ons, hoe deze twee uitspraken met elkaar te verenigen zijn : 'De geldzucht is de oorsprong van het kwaad' en ' De hoogmoed is het begin van elke zonde'. Als de hoogmoed het begin is van elke zonde, dan is zij ook de oorsprong van alle kwaad, want in de hoogmoed ligt hebzucht opgesloten. Dit blijkt hieruit dat de hoogmoed geen maat kent. En wat is hebzucht ? Ook hebzucht bestaat juist juist daarin : verder willen gaan dan nodig is. Door hoogmoed is Adam ten val gekomen, want 'de hoogmoed is nhet begin van elke zonde'. Daar was ook hebzucht mee gemoeid, want wie is meer hebzuchtig dan een mens voor wie God nog niet voldoende is.

We lezen dat de mens gemaakt is naar het beeld en de gelijkenis van God. Van deze mens zei God : 'Hij heerse over de vissen van de zee, de vogels in de lucht en alle dieren die zich over de aarde voortbewegen' ( Gen.1,26). Hij zei niet : heerse over de mens ! Hij gaf de mens wel macht over de natuur : over de vissen, de vogels en de dieren die over de aarde kruipen. Waarom heeft de mens van nature een zekere macht over deze dieren ? Die macht bezit hij door het feit dat hij geschapen is naar Gods beeld. De mens is beeld van God door zijn verstand, door zijn geest, door zijn innerlijkheid : doordat hij de waarheid begrijpt, onderscheid kan maken tussen recht en onrecht, weet door wie hij geschapen is, en zijn schepper ken verstaan en loven. Wie zich verstandig gedraagt, bezit dit inzicht.

Uit : Eenheid en liefde : Augustinus preken over de eerste brief van Johannes. Uitg. Augustijns historisch instituut Heverlee-Leuven. Vertaald door Prof.dr.T.J.van Bavel. pp. 133-135

De commentaren zijn gesloten.