03-02-15

citaat van André Louf

citaat van André Louf

André Louf (1929-2010) was jarenlang abt van de trappistenabdij van de Catsberg, in Noord-Frankrijk. In 1998 trok hij zich als kluizenaar terug in Zuid-Frankrijk. Hij wijdde er zich niet alleen aan het gebed en de beschouwing, maar vertaalde ook talloze werken van grote geestelijke schrijvers naar het Frans. In 2008 schreef hij een klein boekje "Initiation à la vie spirituelle" [Initiatie in het geestelijk leven], waarin hij op een toegankelijke manier enkele constanten in de ontwikkeling van het geestelijk leven beschrijft. Het geestelijk leven heeft zich doorheen twintig eeuwen christendom op vele verschillende manieren ontwikkeld, telkens afgestemd op de cultuur en het levensgevoel van een bepaalde tijd. Zo hebben er zich binnen de christelijke spiritualiteit verschillende tradities afgetekend. Bovendien, aldus dom Louf, past de heilige Geest zich wonderlijk aan aan de eigenheid van elke mens. Zo beschouwd zijn er dus evenveel spirituele parcours als er mensen zijn. En toch kan men achter deze grote verscheidenheid qua vorm en beleving van de christelijke spiritualiteit een aantal constanten onderscheiden. Over die constanten gaat het boekje "Initiation à la vie spirituelle". André Louf ziet als eerste constante in het geestelijk leven het contact met het Woord van God. Leven als christen is een levenswijze die niet alleen geboren wordt uit het Woord van God, maar er ook constant moet door gevoed worden. Wie bidt met het Woord van God in de Schrift, die leert afdalen in zijn innerlijkheid. Over dit afdalen in de innerlijke mens schrijft André Louf het volgende:

Dit afdalen in de innerlijke mens is de eerste ervaring van iedereen die waarachtig probeert te bidden. Het is de meest fundamentele ervaring, de oerervaring, waaraan men altijd met ontroering en dankbaarheid terugdenkt. Maar tegelijk is deze ervaring nog maar een begin. Want naarmate het leven van de Geest zich ontplooit in het hart van wie bidt met de Schrift, zal deze zonder ophouden nieuwe betekenissen vinden in het Woord, dat immers "een oceaan van zin en betekenis" is (Origenes). Deze betekenis kan je echter niet op verstandelijke wijze formuleren; ze kan alleen gesmaakt worden met wat de Vaders "het verhemelte van het hart" noemen. De betekenis die de Schrift krijgt, vermenigvuldigt en ontwikkelt zich altijd gelijk opgaand met het geestelijk leven van de lezer, en dat tot op het punt waarop de Schrift zelfs het draagvlak wordt van de meest verheven mystieke ervaringen. Dit thema werd wondermooi uitgewerkt door Johannes Cassianus, en later opgenomen door Gregorius de Grote. Eeuwenlang hebben alle christelijke Kerken de Schrift zo gelezen, namelijk als een methode en een parcours van de spirituele ervaring, de mystieke ervaring incluis, ook al werd deze manier van lezen niet altijd even duidelijk geformuleerd. Laten we er een getuigenis uit de Oosterse Kerk bijhalen, zelfs een van de meest Oosterse die er zijn: Isaac van Ninive (8e eeuw), die niet in het Latijn of Grieks, maar in het Syrisch schrijft. Bij alle Schriftteksten die je onder ogen krijgt, dien je na te gaan wat de diepere betekenis ervan is, om je er diep in onder te dompelen en de intuïties te peilen in de geschriften van die verlichte mensen. Zij die door Gods genade ertoe gebracht worden zelf verlicht te worden, bemerken in de Schrift altijd iets als een geestelijke lichtstraal die doorheen de neergeschreven woorden schijnt. Die lichtstraal stelt hen in staat een onderscheid te maken tussen woorden die op een gewone manier gezegd zijn en andere die belangrijk zijn voor de verlichting van de ziel. Als iemand de Schriftwoorden, die een bijzondere betekenis bevatten, op een gewone, doordeweekse manier leest, dan maakt hij van zijn hart ook iets gewoons. Hij ontneemt zijn hart dan die heilige kracht die hem een zoete smaak kan bezorgen, door middel van intuïties uit de Schrift die de ziel in verbijstering halt doen houden. De ziel die deel krijgt aan de heilige Geest en die het Schriftwoord beluistert waarin een geestelijke kracht schuilgaat, die zal deze krachtbron vurig voor zichzelf willen vasthouden. Niet iedereen is echter voldoende wakker en waakzaam om zich te verwonderen over wat de Schrift op een geestelijke manier zegt en over de grote kracht die daarin schuilt. Deze auteur onderscheidt in de Schrift enerzijds "woorden die op een gewone manier gezegd zijn", die niet tot het hart of de geest spreken, en anderzijds datgene "wat de Schrift op een geestelijke manier zegt", en dat rechtstreeks tot de ziel van de lezer is gericht. We mogen dit onderscheid niet begrijpen alsof de Schrift zowel betekenisvolle als minder betekenisvolle woorden zou bevatten. Het gaat er eerder om dat niet elk woord uit de Schrift evenveel betekenis heeft voor elke individuele lezer. Isaac van Ninive legt hier het accent op de subjectieve houding van de lezer: er zijn woorden en verzen uit de Bijbel die de lezer koud en onverschillig laten, en andere die hem in vuur en vlam zetten door de vurigheid van Gods liefde. Het is van groot belang niet zomaar voorbij te gaan aan deze verzen uit de Schrift die "vol van betekenis" zijn, en de geestelijke intuïties die ze bevatten niet te laten ontsnappen. Wanneer iemand in de Schrift leest en de verborgen betekenis ervan probeert te vatten, dan groeit zijn begrip naargelang zijn Schriftlezing vordert. Stap voor stap wordt de lezer naar een staat van geestelijke verwondering gebracht. Wanneer hij deze staat eenmaal bereikt heeft, weet hij zich helemaal ondergedompeld in God: Zo komt hij ertoe zichzelf en zijn menselijke natuur te vergeten, want hij wordt als een dolblije mens die geen enkele gedachte aan het heden meer heeft. Over alles wat Gods grootheid aangaat, denkt hij met een bijzondere toeleg na, terwijl hij zegt "Eer aan zijn goddelijkheid!" of "Eer aan zijn wondere werken!". Wie zo in beslag genomen is door Gods wonderwerken en onophoudelijk met verstomming geslagen wordt, leeft in een soort geestelijke dronkenschap, als leefde hij nu reeds het leven van na de verrijzenis. Het is duidelijk dat voor Isaac van Ninive de Schriftlezing niet alleen de bron van het gebed is, maar dat de ziel van daaruit ook opgetild wordt tot de hoogten van de mystieke ervaring.

ANDRÉ LOUF, Initiation à la vie spirituelle, Parole et Silence, 2008, p. 43-46

 

 

 

De commentaren zijn gesloten.