28-03-15

Vijfde zondag van de vasten : de Heilige Maria van Egypte

vijfde zondag van de Grote Vasten

De heilige Maria van Egypte

 

 

Maria van egypte149.gif

Heilige Maria van Egypte

 

Lezingen :

Hebr.9,11-14,4

De eredienst van het nieuwe verbond      [11] Maar* nu is Christus gekomen, de hogepriester van de komende goede dingen. Hij is door een verhevener en volmaakter tent, die niet gemaakt is door mensenhand - dat wil zeggen: ze behoort niet tot onze geschapen wereld - [12] eens en voorgoed het heiligdom binnengegaan, en niet met het bloed van bokken en kalveren maar met zijn eigen bloed heeft Hij een eeuwige verlossing verworven. [13] Want als het bloed van bokken en stieren en het bestrooien met de as van een vaars de verontreinigden kan heiligen zodat zij uiterlijk rein worden, [14] hoeveel te meer dan het bloed* van Christus. Door de eeuwige Geest heeft Hij zichzelf aan God geofferd als een smetteloos offer, dat ons geweten zuivert van dode werken, om de levende God te dienen.

Marcus : 10,32-45

Onderricht aan de twaalf apart      [32] Ze trokken verder op hun weg naar Jeruzalem; Jezus ging voor hen uit. Ze waren ontdaan. Ook de mensen die volgden waren bang. Weer nam Hij de twaalf apart en begon hun te vertellen wat Hem zou overkomen: [33] 'Kijk*, we gaan op naar Jeruzalem en de Mensenzoon zal overgeleverd worden aan de hogepriesters en de schriftgeleerden, en ze zullen Hem ter dood veroordelen en overleveren aan de heidenen, [34] en zij zullen Hem bespotten, op Hem spugen, Hem geselen en ter dood brengen, en na drie dagen zal Hij opstaan.'      [35] Toen kwamen Jakobus* en Johannes, de zonen van Zebedeüs, bij Hem: 'Meester, we willen U vragen iets voor ons te doen.' [36] Hij vroeg hun: 'Wat wil je dan dat Ik voor jullie doe?' [37] Ze zeiden Hem: 'Dat een van ons rechts en de ander links van U mag zitten, als U in uw heerlijkheid gekomen bent.' [38] Maar Jezus zei hun: 'Je weet niet wat je vraagt*. Kunnen jullie de beker* drinken die Ik drink, of gedoopt worden met de doop waarmee Ik gedoopt word?' [39] Ze zeiden Hem: 'Ja, dat kunnen wij.' Jezus zei hun: 'De beker die Ik drink, die zullen jullie drinken, en met de doop waarmee Ik gedoopt word, daarmee zullen jullie gedoopt worden, [40] maar rechts of links van Mij zitten - het is niet aan Mij om dat te vergeven. Dat wordt gegeven aan hen voor wie dat is weggelegd.'      [41] Toen de tien dat hoorden, ergerden ze zich aan Jakobus en Johannes. [42] Daarop riep Jezus hen bij zich en zei: 'Jullie weten dat de erkende leiders van de volken heerschappij voeren over hen, en dat hun grote mannen hun gezag laten gelden. [43] Maar zo is het onder jullie zeker niet. Wie daarentegen groot wil worden onder jullie, moet jullie dienaar zijn; [44] wie onder jullie eerste wil zijn, moet slaaf van allen zijn. [45] Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.'

 

De heilige Maria van Egypte

 

 

 

De heilige Maria van Egypte. Van haar wordt een uitvoerige levensbeschrijving gelezen in de Avonddienst van de 5e donderdag van de Grote Vasten (Triodion 3b, 283-305), geschreven door de heilige Sofronios, bisschop van Jeruzalem in de 7e eeuw. Het oudste bericht wordt aangetroffen in het leven van de heilige Kyriakos ( rond 500), die als eerste kluizenaar leefde in de overjordaanse woestijn. Twee van zijn leerlingen drongen eens diep in de woestijn door, en zagen de schim van een mens wegvluchten. Zij kwamen toen bij een grot waar een stem hen toeriep niet dichterbij te komen daar zij een vrouw was en geen kleren meer had. Op hun vragen noemde zij zich Maria, de grote zondares en publieke vrouw, die boete deed voor haar zonden.

De leerlingen vertelden het aan Kyriakos, keerden enige tijd later terug naar die grot en vonden haar gestorven. Zij haalden spaden om haar te begraven. Dit is een terloopse beschrijving binnen het leven van een andere heilige, maar het helpt ons om de tijd waarin zij leefde vast te stellen.

Haar eigen levensverhaal, dat we lezen in de Avonddienst van de 5e donderdag in de Grote Vasten, brengt natuurlijk veel meer bijzonderheden zoals zij die verteld had aan de monnik Zozima , nadat deze haar zijn kleed had afgestaan.

Maria was geboren op het platteland van Egypte, maar haar verhitte natuur dreef haar al op twaalfjarige leeftijd naar de grote stad, waar zij een onverzadigbaar wellustig leven leidde. Zij was niet berekenend en daardoor bleef zij arm, zodat zij in haar levensonderhoud moest voorzien door vlas te spinnen, de minst betaalde bezigheid. Na 17 jaar wilde ze daarom haar geluk elders beproeven en zij zag de kans naar Jeruzalem te komen. Ze kwam daar in september, de grote feesttijd van de Verheffing van het heilige Kruis, die daar natuurlijk met grote luister werd gevierd en uit nieuwsgierigheid wilde ze dat feest meemaken. Het was haar onmogelijk tussen de opdringende menigte de kerk binnen te komen, al liet zij zich heus niet zo gemakkelijk opzij duwen. Terwijl zij zich zo vergeefs uitputte, kwamen oude herinneringen in haar op, haar geweten ontwaakte en in een flits drong het tot haar door dat zij niet waard was het heilig Kruis te aanschouwen. Haar felle natuur kwam tegelijk tot een volledige ommekeer. Bij de icoon, die daar hing, smeekte zij de heilige Moeder Gods haar borg te zijn dat zij zich zou bekeren, als zij nu maar het kostbare levenschenkende Hout zou mogen aanschouwen. En toen dit inderdaad gebeurde, trok zij vandaar rechtstreeks naar de woestijn over de Jordaan om haar boeteleven aan te vangen.

Daar leefde zij 47 jaar onder de blote hemel, eerst van het weinige brood dat zij had kunnen meenemen, later van de planten die daar in het voorjaar groeien. Van haar kleren bleef langzamerhand niets over, zij ontmoette nooit enig dier, laat staan een mens. Zij had een harde strijd te voeren tegen haar ingeroeste gewoontes, zij snakte naar vlees, zij had een brandende behoefte aan wijn, maar had zelfs geen water te drinken. Ook de dubbelzinnige liedjes die zij gewoon was te zingen wilden maar niet uit haar gedachten. Maar dan weende zij van schaamte, sloeg zich op de borst en wendde zich uit alle macht tot de Moeder Gods die immers haar borg was geweest; en dan kwam zij langzaam tot kalmte en een mystiek licht omscheen haar van alle kanten.

Zo deed zij haar verhaal, ze baden samen en Zosima zag haar daarbij in de lucht zweven, zonder enige steun en los van de grond. Toen zond zij Zosima naar het klooster terug met de opdracht het volgend jaar, op de dag van het Laatste Avondmaal voor haar de heilige Communie gereed te houden. Terwijl hij die avond vol onrust op haar wachtte aan de oever van de Jordaan, zag hij haar over het water naar zich toelopen. Zij ontving de heilige Mysterieën en vroeg hem, haar het volgend jaar weer te komen opzoeken, diep in de woestijn. Zosima vond haar daar, gestorven, en hij begroef haar met behulp van een leeuw die plotseling was komen opdagen. Op de grond stond geschreven dat zij Maria heette en dat ze gestorven was op Goede Vrijdag, de 1e april, hetgeen wijst op het jaar 522 als het meest waarschijnlijke sterfjaar.

 

 

 TROPARION

 

In u, o Moeder, werd duidelijk gered Gods evenbeeld, want nadat hijn het Kruis aanvaard hebt om Christus na te volgen, leerde gij door uw voorbeeld om het vergankelijk vlees te verachten, maar te zorgen voor de ziel die onsterfelijk is. Daarom o heilige moeder Maria, verheugt zich uw geest met de Engelen

 

KONDAKION

 

Gij die eens van ontucht vervuld waart, zijt nu foor het berouw de bruid van Christus. Vol verlangen naar de levenswandel der Engelen, hebt gij de demonen overwonnen door het wapen des Kuizes. Daarom zijt gij, heerlijke Maria, nu verschenen als de Bruid des Konings.

 

De commentaren zijn gesloten.