17-06-15

Over de twijfel in verband met het geloof

 

Over de twijfel in verband met het geloof

Metropoliet Anthony van Sourozh

 

anthonyofsourozh.jpg

Metropoliet Anthony van Sourorh

 

 

Een beschouwing die werd gehouden tijdens een bijeenkomst met jongeren in Londen, november 1989.

 

Het onderwerp waarover ik vandaag met u van gedachten wil wisselen is het volgende: alle gelovigen van deze tijd - zowel degenen die in de Orthodoxie of een ander geloof geboren zijn, als ook degenen die na een bepaalde periode van ongeloof, actieve of passieve godloosheid, tot het geloof gekomen zijn - allen worden geconfronteerd met vragen. Het kan daarbij gaan om vragen van henzelf zowel als vragen aan hen, om geloofsvragen en levensvragen, hoe het ook zij, het leven confronteert hen met vragen. En daarom is het eerste onderwerp waarover ik iets zou willen zeggen het thema van het vragen. Laten we samen nadenken over de legitimiteit van het vragenstellen, en ook daarover wat het gewetensvolle vragen vereist.

Ook het probleem van de twijfel wil ik bespreken, en tenslotte zullen we aanlanden bij het onderwerp van het geloof zelf, het wezen van het geloof en de vraag, hoe men naar het geloof kan leven.

In rustige periodes van de geschiedenis nemen geloofsvragen een relatief onbelangrijke plaats in - het merendeel van de gelovigen gelooft vanzelf, spontaan. Ze geloven eenvoudigweg zoals het hen op school is geleerd, of zoals hen thuis is bijgebracht, zoals de omstandigheden hen leren en in het geloof steunen, door voldoende grondslag voor het geloof te bieden. In onze tijd echter is dat niet voldoende. Diegenen onder ons die een krachtig en bewust geloof bezitten, komen voortdurend in aanraking met vragen van andere mensen. En, zoals de heilige apostel Paulus zegt, wij moeten in staat zijn een ieder antwoord te geven, te antwoorden met liefde, met eerbied en tot redding. Maar het moet een antwoord zijn dat overtuigt. En een antwoord is nooit overtuigend als het slechts is samengesteld uit citaten, of deze nu uit de Heilige Schrift komen, of uit andere bronnen, de heilige Vaders of de raadgevingen van geestelijke schrijvers. Overtuigend is een antwoord alleen dan, wanneer een mens het geeft vanuit zijn eigen innerlijke ervaring. Misschien is die ervaring nog in een beginstadium, misschien is zij nog niet voltooid, maar de ervaring moet persoonlijk zijn. Een vraag beantwoorden door te zeggen: "Anderen zeggen dit en dat", heeft geen zin. Ook zonder ons weten mensen best wel, waar en wat andere mensen gezegd hebben. Daarom, ook al is het niet in ons zelf aanwezig, het vragen bereikt ons. Bereikt ons schreeuwend of in de smeekbeden van andere mensen.

Aan de andere kant rijzen in iedere gelovige bij tijd en wijle vragen, soms plotseling en pijnlijk, soms geleidelijk. Het verschil nu tussen twijfel en vraag bestaat uit het volgende. Een vraag is open. Een mens, die iets niet wist, of over een bepaalde vraag niet had nagedacht, stelt zich die vraag. Het leven, de omstandigheden, stellen hem die vraag, of ook wel: de vraag komt vanuit het diepst van zijn ziel omhoog. De twijfel daarentegen bezit een andere eigenschap. De twijfel bestaat eruit, dat iets dat ons tot dan toe altijd waar had geschenen, absoluut duidelijk en eenvoudig, plotseling ophoudt eenvoudig en duidelijk te zijn. Er komt plotseling een vraagteken bij te staan.

In het eerste geval, als het om een eenvoudig vragen gaat, geldt het een vraag naar het onbekende, en daarom worden wij zelf niet door de vraag aangetast. Wanneer echter de twijfel in ons geboren wordt, dan tast deze de zekerheid van ons hele wezen aan. De twijfel brengt alles waarin wij geloofden aan het wankelen. En daarom moeten wij leren omgaan zowel met de vraag als met de twijfel. Het eerste waarbij ik wil stilstaan is het volgende: iedere keer wanneer in ons een vraag opkomt, welke vraag dan ook, verbonden met onze levensbeschouwing, verbonden met ons geloof, met onze voorstelling van God, van de mens en van onszelf, iedere keer dat wij met zulk een vraag geconfronteerd worden, moeten wij verheugd zijn en God hiervoor danken. Want dit betekent dat wij een bepaald ontwikkelingsstadium ontgroeid zijn, het stadium toen de vraag nog niet bestond, omdat wij er nog niet aan toe waren. Nu echter staat zij helder en duidelijk voor ons, en geeft ons de kans te groeien naar de volle mate van onze innerlijke ontwikkeling.

Met de twijfel is het, zoals ik al zei, anders gesteld. De twijfel is het moment waarop dat, waarin ik vroeger geloofde, in twijfel getrokken wordt. Datgene dat ons vroeger ontwijfelbaar en eenvoudig toescheen. En erg vaak zijn gelovigen bang voor de twijfel. Waarom? Omdat zij denken dat het twijfelen, het zetten van vraagtekens bij iets dat met God te maken heeft, met hun levensbeschouwing, met de mensen en met het leven, dat dan het leven zelf betwijfeld wordt, het geloof in de mens en het geloof in God. Onze overtuiging zelf komt aan het wankelen, de overtuiging dat wij op een vaste rots staan en dat de aarde niet wankelt. En daarom moeten wij leren ons verstandig, moedig en nederig ten opzichte van vragen op te stellen, de vragen die onze innerlijke twijfel zelf ons stelt. ë

In wezen komt de betekenis van het woord twijfel hierop neer, dat wij eerst een mening hadden, een voorstelling omtrent de dingen, en dat er nu een tweede mening is ontstaan, die concurreert met de eerste. (Het Russische woord voor twijfel 'somnenië' komt van 'mnenië' - mening en van 'so - samen, mee, bij en betekent letterlijk zoveel als bij-mening, dubbele mening, mee-mening. Opmerking van de vertaler) En op dat moment is het eenvoudige antwoord dat wij vroeger in onze ziel bezaten al niet meer eenvoudig: het splitst in tweeën. Ik wil hier ter vergelijking een simpele parallel trekken. Een geleerde, iemand die zich met natuur- of scheikunde bezighoudt, of met een andere wetenschap, heeft zoveel mogelijk uiteenlopende gegevens verzameld. (Dit kan ook van toepassing zijn op de geschiedwetenschap en de filosofie.) Wanneer hij een grote en voldoende hoeveelheid verschillende feiten heeft vergaard, zal hij proberen deze volgens een bepaalde methode te rangschikken tot een geheel, dat wil zeggen zodanig te rangschikken, dat de feiten niet meer versplinterd zijn, maar een eenheid vormen. Als de geleerde een consciëntieus mens is, dan zal hij zich na het opstellen van zijn model, als eerste de vraag stellen of hij niet een of andere logische fout heeft gemaakt. Komt mijn constructie werkelijk overeen met de feiten? De tweede vraag zal luiden: heb ik bepaalde gegevens weggelaten om de eenheid van de structuur niet aan te tasten? De derde handeling van een gewetensvolle geleerde zal dan zijn te zeggen: ja, alle door mij verzamelde feiten zijn harmonisch in het model, in de structuur samengebracht. Nu moet ik echter, omwille van de voortgang van de wetenschap, gegevens verzamelen, die niet in het door mij opgestelde beeld passen. Dat wil zeggen, ik moet op zoek naar zulke feiten, die als het ware mijn model verstoren, die de structuur kapot maken. Alleen dan kan het model zich openen, zich verbreden en kan mijn wereldbeeld, mijn voorstelling omtrent de dingen, mijn begrip daarvan, groeien en zich vervolmaken. Als de geleerde dit niet doet, zal zijn model altijd hetzelfde blijven en vroeg of laat verouderen.

Als wij voldoende moedig, eerlijk en nadenkend zouden zijn, zouden wij hetzelfde moeten zeggen over onze twijfels in verband met ons geloof. En als ik het heb over het geloof, dan bedoel ik alles wat met God te maken heeft, met de wereld die Hij geschapen heeft, de mens, de wederzijdse verhouding tussen innerlijk en uiterlijk leven, met alles. Omdat meestal, als een mens geboren is in het geloof - dat wil zeggen als hij eenvoudigweg in een christelijk gezin ter wereld is gekomen, waar hem geleerd is te geloven op een leeftijd waarop hij nog te jong was om zelf vragen te kunnen stellen of te begrijpen - hij gedurende lange tijd in een toestand van geestelijke kinderlijkheid blijft steken. Zijn voorstelling van God, van de mens, het leven en de schepping, overstijgen nooit die voorstellingen, die hem als kind waren opgedrongen of aangeboden. Maar in andere opzichten groeit hij wel. Hij gaat naar school, naar de universiteit. Hij ontmoet mensen die anders denken, die vragen hebben, die niet bepaald zijn door zijn herinneringen uit de kindertijd. En op dat moment begint een innerlijk conflict: de rijpende jonge man of vrouw, die in zichzelf alleen kinderlijke voorstellingen van God en Gods wegen meedraagt, komt in botsing met die voorstellingen en deze zijn niet langer voldoende voor hem. Erg veel mensen verliezen hun geloof, niet omdat het geloof niet steekhoudend is, maar omdat hun voorstellingen omtrent het geloof en de inhoud van het geloof de voorstellingen van een kind blijken te zijn, terwijl hun geest en hun verdere ontwikkeling dat stadium al lang zijn ontgroeid. En dit is erg belangrijk voor hen die in het geloof geboren zijn, voor die mensen, die als het ware vanaf het begin gelovig waren. Juist hier is de kwestie van het vragen zo belangrijk. Het is erg gemakkelijk om met gesloten ogen door het leven te gaan, de oren goed dicht voor de vragen die andere mensen stellen. Zij stellen die vragen niet enkel en alleen voor zichzelf, maar ook voor ons. En iedere keer, wanneer wij met een of andere vraag in aanraking komen, moeten wij stilstaan en ons afvragen: bezit ik een eigen, innerlijke ervaring, van waaruit ik op deze vraag zou kunnen antwoorden? Of omgekeerd: heb ik geen enkele inhoud, alleen maar antwoorden die ik van anderen heb ontvangen?

Nu een ander geval, als we met het geloof in aanraking komen, niet tijdens onze kindertijd, maar als wij al voldoende gerijpt zijn, waar ontmoeten wij het geloof in dat geval? We weten, bijvoorbeeld van de heilige apostel Paulus, dat het geloof uit het horen is. En het horen is door het Woord van Christus (zie: Rom. 10:17; vert.) Ja, inderdaad, in het apostolische tijdperk, toen hoorden de mensen, die het geloof in de heidense goden verloren hadden daadwerkelijk een nieuw woord, het levende woord, dat voor hen nieuwe diepten openbaarde en hun hart opende voor het eeuwige leven. Dat was het Woord van God, dat hen bereikte door de prediking van de apostelen. En dat was geen filosofische preek, niet gebaseerd op intellectuele hoogstandjes. Zij was de uiting en openbaring van een zeer bepaalde innerlijke geestelijke kracht. Er is een plaats in het Evangelie, waar Christus tot Zijn leerlingen en het verzamelde volk spreekt. Wat Hij zei, scheen de meesten te zwaar om te begrijpen en zij begonnen weg te lopen. De Verlosser wendde Zich tot Zijn leerlingen: "Willen jullie soms ook weggaan?", en Petrus antwoordde uit naam van de anderen: "Waarheen zouden wij kunnen gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven" (zie: Joh. 6:68; vert.). Wat betekent dit? Christus spreekt nergens in het Evangelie beschrijvend over het eeuwige leven. Hij spreekt over het eeuwige leven in de mens zelf. Hij spreekt over God. Maar Hij zegt niet, hoe het zal zijn na de dood of na de voleinding der wereld. Wat bedoelde de apostel Petrus? Ik denk dat wat hij wilde zeggen, het volgende is: "Wanneer Gij spreekt, dan raken Uw woorden in een ieder van ons een of andere diepte, en ontbrandt in ons de eeuwigheid." Van dien aard was, volgens mij, ook het preken der apostelen. Het was gericht tot mensen die hongerig waren, die hun geloof verloren hadden. En toen de apostelen in hun prediking over Christus begonnen te spreken, namelijk daarover, wie Hij is en wat Hij heeft gezegd, toen werd die prediking uitgesproken door mensen, die zelf als het ware binnenstebuiten waren gekeerd door Zijn preek, getransformeerd waren, veranderd. En deze verandering, transfiguratie, veranderde hun woorden in kracht en in leven.

Ik herinner mij, dat mijn geestelijk vader ooit tegen mij gezegd heeft: "Niemand kan afstand doen van het aardse en ingaan tot het eeuwige leven, indien hij niet in de ogen van ook maar één mens de glans van het eeuwige leven heeft gezien." Als wij niet één mens hebben ontmoet, in wie het licht van het eeuwige leven ook maar glorend aanwezig is, dan is ons geloof nog erg zwak. Misschien is dat lichtgelovigheid, misschien de wens om ergens aan vast te houden. Maar het is niet dat creatieve, transformerende geloof, dat wij zien in de apostelen en in de eerste generaties van de christenen. Daarom is de eerste gebeurtenis de ontmoeting met het levende geloof van een levend mens, dat in zich de kracht draagt in ons te laten geboren worden, of beter, in ons op te wekken, te doen ontwaken het eeuwige leven, dat door God in ons is gezaaid toen wij gemaakt werden. Wij kunnen een mens, wij kunnen Christus alleen dan geloven, wanneer wij kunnen zeggen: "Dat, wat Gij zegt, klinkt waarachtig en vervult mij met vreugde en ontvouwt zich voor mij en in mij als schoonheid." Reeds Plato heeft gezegd, dat de schoonheid de overtuigende kracht van de waarheid is. En wij kunnen het geloof, dat ons wordt doorgegeven door een ander mens, alleen in zoverre aannemen, als wij met een innerlijk antwoord erop reageren. Dat kan gebeuren via het Evangelie, door het lezen van het Evangelie. Het kan gebeuren door middel van een ontmoeting met een mens, die voor ons het eeuwige leven uitstraalt. Maar het moet een persoonlijke ervaring zijn en worden. Zolang de eeuwigheid niet in een of andere mate een persoonlijke ervaring is, is zij slechts een van de mogelijke levensbeschouwingen. Maar een reddende, voor het leven beslissende kracht heeft zij nog niet.

Denk, bijvoorbeeld, aan het verhaal hoe Christus een mens genas, die vanaf zijn geboorte blind was geweest. Wat gebeurde er? Christus opende hem de ogen. En wat zag de man? Het eerste wat hij zag, waren de ogen van God Die mens geworden was. Het waren de ogen van het goddelijke medelijden, de goddelijke liefde, de goddelijke zachtmoedigheid, in het gezicht van God, Die mens geworden was. Dat was voor hem de eerste en primaire openbaring. Daarna werd hij geconfronteerd met het zeer ingewikkelde leven van de eerste christengemeenschap. Maar daaraan kon hij nooit meer ontkomen. Hij had gezien, hij wist uit eigen ervaring. Wij allen nu, maken op een bepaald moment een cruciale ervaring mee, vangen een glimp op van iets. Daarna verdwijnt het weer.

Er is een andere plaats in het Evangelie, het Evangelie volgens MattheГјs, waar Christus na Zijn Verrijzenis tegen Zijn leerlingen zegt: "Ga naar Galilea, daar zullen jullie Mij zien." Waarom zouden ze naar Galilea moeten gaan om Christus te ontmoeten, als Hij toch hier met hen samen is, vraag je je af? Wat kan er nog voor ontmoeting zijn? Maar als je over deze woorden nadenkt, dan kunnen wij ons voorstellen - zo is het mij door een priester verteld - dat het om die plaats gaat, waar zij Christus voor het eerst hebben ontmoet. Als we op de landkaart kijken, zien we dat KafarnaГјm, Kana in Galilea, Bethsaïda, dat al deze plaatsen waarover gesproken wordt op enkele kilometers afstand van elkaar liggen. En zij kenden elkaar natuurlijk. Misschien toen ze kinderen waren, misschien als jongelingen of opgroeiende mannen. En stap voor stap ontdekten zij in Christus, in Jezus van Nazareth, iets, wat zij vroeger nooit en bij niemand hadden gezien. En geleidelijk openbaarde zich voor hen de persoonlijkheid van Christus, en deze ontdekking eindigde daarmee, dat zij tenslotte in Hem hun leraar herkenden, hun leermeester. En zij bleken bereid Hem te volgen, waarheen Hij ook ging. Dat was de tijd van de eerste ontmoeting, niet verduisterd door vervolgingen, noch door twijfel. Het was de lente van een nieuw leven. Lentewateren. Daarna kwamen de tragische jaren in Judea. Maar die jaren waren de jaren van bloei geweest. En Christus wilde zijn leerlingen daar ontmoeten, waar hun eerste ontmoeting had plaatsgevonden, nog niet verduisterd, nog niet tragisch, waar alles licht was, en waar zich voor hen stap voor stap de persoon van Christus openbaarde. Daar konden zij opnieuw al datgene ervaren wat zij vroeger over de Heiland te weten waren gekomen.

En in een ieder van ons bevindt zich een soort Galilea. Ieder van ons is in staat, als hij heel diep nadenkt, als hij langzaam, niet te haastig naar zijn verleden terugkeert, een of ander moment op te vangen, een ogenblik, toen hij plotseling zijn eigen lentefrisheid voelde, zijn oorspronkelijke schoonheid, toen de mens kon ervaren, dat God zo eenvoudig is, zo nabij, dat alles zin heeft, dat alles mogelijk is. Daarna wordt die ervaring dof. Daarna verliezen we haar. Maar, als we in staat zouden zijn, een aandachtige houding ten opzichte van ons eigen verleden aan te nemen, zouden wij dit alles opnieuw kunnen ontdekken. En als we dit ontdekt hebben, dan hebben wij iets gemeenschappelijks met de ons omringende mensen, met ieder mens, iets ..., maar niet alles. Want een ieder van ons is uniek en eenmalig. En daarom kunnen we niet alles gemeenschappelijk hebben, ieder van ons bezit zijn eigen unieke en niet te herhalen ervaring. Hierover wordt, bijvoorbeeld, gesproken in het tweede hoofdstuk van het boek der Openbaringen (vers 17; vert.), waar gezegd wordt, dat wanneer de tijd gekomen is, een ieder van ons een naam zal ontvangen, een naam die niemand kent behalve God Die deze naam schenkt en de mens die hem ontvangt. De betekenis van deze naam is die onherhaalbare band, die tussen de Schepper en Zijn schepsel bestaat, ieder afzonderlijk schepsel in zijn eenmaligheid en uniek zijn. Tegelijkertijd leven wij in een gemeenschap van mensen, waarvan een ieder God op zijn eigen manier kent. Maar God is Een, steeds Dezelfde. En daarom, als wij erover praten, hoe wij God leren kennen en hoe wij Hem kennen, dan kunnen we zeggen: "Ik kan jou iets over God vertellen, wat ik weet, en dan zeg jij mij wat jij weet, en gezamenlijk zullen wij hem dieper, breder, beter en met meer eerbied leren kennen." En hierin ligt misschien wel de bedoeling van het gemeenschappelijke leven van christenen, het feit, dat ieder God kent, en dat wij samen delen in hun ervaring, niet alleen in gesprek, maar in gezamenlijk gebed. In deze omgang van harten en zielen, delen wij samen en communiceren wij met elkaar. Maar er komt een moment waarop, werkelijk, alles wat wij zelf weten verbruikt is, uitgeput raakt, en ook datgene wat onze naaste en zelfs de Kerk ons kan zeggen ... En dan blijft ons maar één ding, dat wat in het Evangelie gezegd wordt, dat niemand ooit God heeft gezien. Alleen de eniggeboren Zoon, Die aan de boezem des Vaders is, Die heeft Hem doen kennen, (zie: Joh. 1:18; vert.).

En tenslotte is het Christus, Die we moeten volgen, naar Wie we moeten streven en aandachtig kijken met ons innerlijke oog. Naar Zijn woorden moeten we luisteren en in Zijn aanwezigheid moeten we zwijgen, zo dat ons op geheimzinnige wijze deelachtig kan worden gemaakt Wie Hij is, en wat Hij ons kan openbaren. Voorbij de grens van alle woorden over God en over ons zelf.

Maar eerder heb ik gezegd, en dat is het laatste wat ik u wil zeggen, dat op een bepaald moment ons levende gevoel, onze levende ervaring dof wordt. Waar ligt dan de scheidslijn tussen ervaring en geloof? Het geloof wordt, in het begin van het elfde hoofdstuk van de Brief aan de Hebreeën, gedefinieerd als het bewijs van de onzichtbare dingen. Dat wil zeggen, het innerlijke bewijs dat, wat wij met geen enkel van onze uiterlijke zintuigen kunnen waarnemen, de waarheid blijft. In dat opzicht heeft het woord 'geloof' niet alleen met goddelijke zaken en met God Zelf te maken. Als het bewijs van het onzichtbare betreft het geloof eveneens de schoonheid, de liefde, al datgene wat we ervaren en meemaken, wat we kunnen navertellen, maar wat we niet logisch kunnen beredeneren. Het is een geloof dat we ontvangen, als iets dat rechtstreeks doorleefd wordt, als ervaring en kennis. Er is een plaats bij de heilige Makarius de Grote, waar hij probeert een scheiding aan te brengen tussen de levende, onmiddellijke ervaring en het geloof dat daaruit voortvloeit. En hij geeft een voorbeeld: Stel u voor, u ligt in een bootje dat heen en weer deint op zee. Op dat moment ervaart u de zee, die u draagt, de golven, die u wiegen, de hemel, die zich wijd uitstrekt boven uw hoofd, de sterren, alles. Maar daarna gaat het ebben. En plotseling bevindt het bootje zich op het zand. We hebben niet langer de levende, onmiddellijke ervaring, van hetgeen wij daarvoor hebben meegemaakt. Maar niemand kan ons de zekerheid ontnemen, dat wil zeggen de kennis door ervaring, van wat er met ons is gebeurd. U weet, wat de zee is. U weet, wat het wiegen van de golven is, u weet wat de hoge, oneindige hemel is en de sterren. Dat alles weet u. Het is de overtuiging van iets dat niet langer voorwerp van uw zintuiglijke ervaring is. En hier moet u zich herinneren, dat het geloof er niet uit bestaat, blind in datgene te geloven, wat men ons vertelt, maar, al is het maar gedeeltelijk, een heel klein beetje iets mee te maken, dat te bewaren in onze ervaring, als overtuiging, en verder te groeien door te vragen en als het nodig is, door twijfel. En de verbreding van onze geloofservaring, die bestaat uit de overtuiging van het doorleefde, trouw aan datgene waarheen die ervaring ons leidt, trouw aan hetgeen de ervaring van ons verlangt, ook dat is de kennis van datgene, dat ons door die ervaring is geopenbaard.

 Vertaling uit het Russisch: K. Hansen-Löve

10:27 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.