26-09-15

17e zondag na Pinksteren : de wonderbare visvangst

17e zondag na Pinksteren

'De wonderbare visvangst'

 

Wonderbare-visvangst.jpg

 

2 Kor 6,16-7,1

[16] Is er enig verband tussen de tempel van God en de afgoden? Wij* zijn de tempel van de levende God. God heeft zelf gezegd: Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. [17] Daarom, ga weg uit hun midden en houd u ver van hen, zegt de Heer, en raak niets aan wat onrein is. Dan zal Ik u genadig aannemen. [18] Ik zal voor u een vader zijn en u zult voor mij zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Albeheerser.
Hoofdstuk 7
[1] Zulke beloften zijn ons gedaan, geliefden; laten wij ons dus zuiveren van elke smet naar lichaam en geest, en vol ontzag voor God onze heiliging voltooien.

 

Evangelie : Lucas : 5,1-11

Simon Petrus, Jakobus en Johannes geroepen

1 Toen hij eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, 2 zag hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen. 3 Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot. 4 Toen hij was opgehouden met spreken, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ 5 Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’ 6 En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. 7 Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken. 8 Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’ 9 Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; 10 zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’ 11 En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden hem.

 

De wonderbaarlijke visvangst, verhaal uit de kinderbijbel van Nita Abbestee

Korte tijd na de opstanding van Jezus bevonden enkele discipelen zich bij het meer van Tiberias. Petrus, die Jezus verloochend had, was er ook bij. Zijn gedachten hielden zich voortdurend bezig met de mogelijkheid te herstellen, wat hij tegenover zijn meester verkeerd had gedaan.

Petrus was de leider van deze groep mannen. Hij keek eens naar de lucht, toen naar het water om te zien of de omstandigheden gunstig waren om uit ter varen. Toen zei hij: ‘Vrienden, ik ga vissen!’ De anderen wachtten reeds lang op dit woord en zeiden dan ook spontaan: ‘Goed, Petrus! Wij gaan met je mee!’

IJverig en vol enthousiasme maakten zij het schip gereed en tegen de avond voeren zij uit. Die lange nacht wierpen zij vele malen hun netten uit en haalden ze weer in, maar …. niet één vis konden zij vangen.

En in de vroege morgen keerden zij ontmoedigd en teleurgesteld naar het strand terug. Daar stond Jezus naar hen uit te kijken. Zij schonken echter nauwelijks aandacht aan hem, want zij herkenden hem op zo’n grote afstand niet.

14 Jezus aan het meer van Tiberias Wiliam HoleJe moet namelijk weten dat de oosterse stranden niet zo vlak zijn als bij ons. Meestal zijn zij volklippen en rotsen. Daardoor kan een schip niet op het strand komen en moeten de mensen nog een heel eind door het water waden om de wal te bereiken. Dat was ook hier het geval en daardoor hadden de discipelen geen erg in de man op het strand.

Jezus wist van hun moeizame arbeid in de lange nacht. Hij wilde hen helpen, zoals hij dit al zo dikwijls had gedaan. Daarom riep hij hen over het water toe: ‘Mannen, hebben jullie  spijzen voor mij?’

Nu moet je niet denken dat Jezus om een vis vroeg om te eten. Het teken vissen uit de dierenriem is symbool van de goddelijke liefdekracht die uit het koninkrijk van God neerdaalt en uitredt. Eigenlijk vroeg Jezus dus aan de mannen: ‘Hebben jullie voldoende liefdekracht?’

Maar de mannen herkenden hem niet en verstonden daardoor ook zijn woorden niet. Teleurgesteld riepen ze terug: ‘Nee, niets! Wij hebben niets gevangen!’

Maar Jezus deed afsof hij de teleurstelling niet merkte. Enthousiast en vol overtuiging riep hij hen toe: ‘Werp jullie netten uit aan de rechterzijde van het schip! Dan zullern jullie  vinden!’ Want alles wat naar de wil van God gebeurt wordt in de heilige taal ‘rechts’ genoemd; en wat naar de wetten van deze wereld wordt gedaan heet ‘links’.

De manier nu waarop Jezus zijjn discipelen toeriep, wekte zoveel nieuwe moed in hun harten, dat zij hun schip keerden en opnieuw het meer op gingen. Midden in de golven wierpen zij hun netten aan de rechterzijde uit. Maar toen de mannen ze weer wilden ophalen, waren ze zó zwaar van vissen, dat zij ze niet aan boord konden hijsen.

Toen fluisterde één van de discipelen die Jezus zeer liefhad Petrus in het oor: ‘Het is onze heer Jezus die daar op het strand staat en ons heeft toegeroepen!‘ Een schok voer door Petrus heen. Snel keek hij of de meester er nog stond.

Ja! Daar stond hij – op dezelfde plaats! Vlug sloeg Petrus zijn opperkleed om, en stapte overboord, om door het water naar het strand en naar zijn meester te gaan. Hij kon geen ogenblik meer wachten, zo verlangde zijn hart ernaar om zijn heer weer te dienen.

De overige discipelen brachten het schip zo dicht mogelijk bij het strand, terwijl zij voorzichtig de zware netten meesleepten. Eindelijk lag het schip vast genoeg en toen konden ook de andere mannen de wal bereiken. Vlakbij Jezus zagen zij een groot houtvuur branden, waarop brood en vis lagen.

Jezus keek naar het schip en sprak: ‘Breng mij nu eerst de vissen die jullie gevangen hebben!’ Dadelijk sprong Petrus op; hij wilde met de daad bewijzen hoe zielsgraag hij Jezus weer wilde dienen.

Met inspanning van al zijn krachten sleepte hij het loodzware net naar het strand, om het aan Jezus te tonen. En hoe zwaar het ook was, het net scheurde niet! Honderddrieënvijftig vissen waren er in!

Toen Jezus dat gezien had, zei hij tot allen: ‘Komt nu en houdt de maaltijd!’ Blij schaarden de discipelen zich om hem heen. Jezus deelde het brood en de vis die op het vuur lagen aan hen uit. Het waren de heilige spijzen en de liefdekracht die hij hun reikte. En alle discipelen herkenden hem nu en voelden zich gelukkig en volkomen veilig.

Na de maaltijd richtte Jezus het woord tot Petrus. Hij vroeg hem: ‘Petrus, heb je mij waarlijk lief, meer dan uw vrienden?’ Hij had natuurlijk wel in Petrus’ hart gelezen, hoe groot het verlangen was om te herstellen wat verkeerd gegaan was! En Petrus antwoordde dan ook vol overtuiging: ‘Ja heer! U weet dat ik u liefheb!’ Ernstig keek Jezus hem aan en zei: ‘Weid mijn lammeren!’

Na enige ogenblikken vroeg hij opnieuw: ‘Petrus, hebt je mij waarlijk lief?’ En nogmaals antwoordde Petrus: ‘Ja heer! U weet dat ik u liefheb!’ ‘Hoed dan mijn schapen!’ luidde de tweede opdracht.

Daarna vroeg Jezus voor de derde maal: ‘Petrus, hebt je mij lief?‘ Petrus werd er een beetje bedroefd van. Hij dacht dat Jezus maar niet geloven kon dat hij hem liefhad. En nog eens, met al zijn overtuigingskracht antwoordde hij: ‘Heer, u weet alles! U wéét dat ik u liefheb!’ Toen sprak Jezus tor hem: ‘Weid dan ook mijn schapen!’

En met deze derde opdracht schonk Jezus zijn volle vertrouwen aan Petrus en gaf hij hem de leiding over het nieuwe werk, dat spoedig moest beginnen. Want met de ‘lammeren’ en de schapen’ bedoelde hij al de dolende en dwalende mensenkinderen in de wereld, die alleen de weg naar Huis niet konden vinden en dus beschermd en geholpen moesten worden.

Zo laat dit verhaal ons duidelijk zien dat, vóór de Broederschap het ene werkstuk onder de mensheid voltooid heeft, er al weer een nieuwe basis wordt gelegd voor het volgende werk. Want in de loop van de tijden werd telkens weer ‘een Schip’ gereedgemaakt om ‘ter visvangst‘ uit te varen.

Ook werd telkens weer ‘een visser‘ bereid gevonden om het schip te besturen! Er boden zich altijd weer ‘mede-vissers‘ aan, die de Broederschap van harte wilden dienen, om te helpen, ‘verlangende zielen te vissen uit de levenszee’.

Dat werk wordt zo goed mogelijk begonnen, vol liefde en hulpvaardigheid. Maar vaak nog, zonder dat men van binnen bewust weet hoe het werk eigenlijk gedaan moet worden. Alle krachten worden ingespannen, alle tijd wordt aan de arbeid gegeven en toch …. de netten blijven leeg.

Maar, de Broederschap waakt! En na de ervaring van de teleurstelling komt zij te hulp en leert de werkers met volhardend geduld, hoe zij moeten vissen. En eindelijk weten zij het!

‘Het net moet aan de rechterzijde worden uitgeworpen!‘ Naar de wil van God moet gevist worden en niet naar de eigen wil! En zie, dán komen de ‘vissen’ binnen! Honderd-driënvijftig tegelijk. Als we de cijfers bij elkaar optellen, krijgen we: 1 + 5 + 3 = 9.

Het getal 9 betekent in de heilige taal altijd: de gehele mensheid! Wanneer het reddingswerk ten dienste van de mensheid dus op de juiste wijze gedaan wordt, onder de hoede en de leiding van de goddelijke liefdekracht, zal de gehele mensheid gered worden.

Afbeelding: William Hole

Tekst: Jeugdbijbel van Nita Abbestee

- See more at: http://spiritueleteksten.be/geen-categorie/de-wonderbaarlijke-visvangst-verhaal-uit-de-kinderbijbel-van-nita-abbestee/#sthash.EY8yIAmi.dpuf

De commentaren zijn gesloten.