18-03-16

heilige Radboud

Sint Radboud

bisschop van Utrecht, pastor, geleerde, historicus, dichter en componist

Door prof.dr. A.G. Weiler

IRadboud van Utrecht1.jpg

Inleiding

 

Bronnen

Het leven en de werken van St. Radboud kennen we uit verschillende bronnen. Voor zijn historische levensbeschrijving is de belangrijkste bron de Vita sancti Radbodi, geschreven door een onbekende Utrechtse kanunnik, niet lang na 919 (volgens Stracke en Bruch), of tussen 962 en 975 (volgens Holder-Egger en Ahlers), d.w.z. tussen de datum van de keizerkroning van Otto I en die van de dood van Radbouds opvolger, bisschop Balderik van Utrecht. K. van Vliet pleit voor een datering na 964. In dat jaar liet bisschop Balderik relieken van St. Agnes vanuit Frankrijk naar Utrecht overbrengen; in de Vita wordt vermeld dat Radboud een visioen had van o.a. deze heilige. Een verband met de translatie van de relieken lijkt hier voor de hand te liggen.

Deze Vita Radbodi, die stoelt op de mondelinge traditie en op kennis van door Radboud zelfgeschreven teksten, is overgeleverd in drie versies: de lange, de korte en de verkorte. Lange tijd bestond er strijd over de vraag of de lange versie het dichtst bij de oorspronkelijke tekst stond, of de kortere versie. Deze kwestie is ten gunste van de lange versie beslist, stelt M. Carasso-Kok. Eerder waren Bruch en Stracke ook al die mening toegedaan. Ahlers neemt aan dat tussen de oorspronkelijke tekst en de bewaarde lange versie nog een Vorstufe bestaan heeft, die niet bewaard is gebleven. Ook de korte versie zou rechtstreeks op die Vorstufe teruggaan. Zij wijst voorts op een directe samenhang van de Vita Radbodi met de Vita Wironis, geschreven in St.-Odiliënberg, en de Vita Odulphi presbyteri, welk laatste geschrift eveneens tijdens het episcopaat van Balderik (918-975) tot stand kwam, en dat thuishoort in de zogenaamde Utrechtse school. De drie genoemde Vitae zijn alle onder andere overgeleverd in een Passionale, ofwel afkomstig uit het St.-Catharinaklooster te Muiden (Vita Odulfi, Vita Radbodi) ofwel uit het klooster St.-Maartensdal te Leuven c.q. het klooster der reguliere kanunniken te Keulen (Vita Wironis).

Hieronder wordt Radbouds levensverhaal weergegeven aan de hand van de 'langere versie' van zijn Vita. De overige bronnen komen terloops ter sprake. Ten slotte wordt aandacht geschonken aan zijn literaire nalatenschap. Het artikel bedoelt de historische gegevens aangaande St. Radboud bondig bijeen te plaatsen, en de lezer een handvat te bieden voor verdere studie.


Leven

Radboud (Radbodus/Ratbodus/Rabodus) werd mogelijk geboren in de Lotharingse Lommegouw bij Namen (patriam rustice Lomochanum nuncupatum), in een adellijke, Frankische, christelijke familie. Door bloedverwantschap was hij verbonden met de Hilduinen. (Zo wordt een zekere Hilduin vermeld als aartskanselier van keizer Lotharius I (817/840-855). Zijn moeder, de zuster van de Keulse aartsbisschop Gunthar, stamde - volgens de 'korte Vita' - af van de Friese hertog/ koning Radboud (gest. 719), die haar betovergrootvader was, indien althans met het woord atavus in het Middellatijn de voorvader in de vierde generatie wordt aangeduid. Zij gaf diens naam aan haar zoon. De betekenis van de naam Radboud wordt door de schrijver van de Vita geïnterpreteerd als 'boodschapper van raad' en volgens hem was die naam terecht gegeven, omdat de jongen door Christus als boodschapper van goede raad naar de Friezen zou worden gezonden. Ahlers beschouwt pogingen van Jaekel en Stracke tot een sluitende genealogische reconstructie van de afstamming als speculatief.

Radbouds ouders stuurden hem na zijn kindertijd naar de reeds genoemde oom Gunthar. In diens school, verbonden aan de kathedraal van Keulen, legde hij zich toe op grammatica en retorica, onderdelen van de artes liberales. In oktober 863 werd Gunthar door paus Nicolaas I (820/858-867)afgezet, vanwege zijn steun aan koning Lotharius die zich van zijn wettige vrouw Theutberga wilde scheiden ten gunste van Waldrada, zijn 'Friedelfrau', met wie hij voor het huwelijk met Theutberga volgens Germaans recht verbonden was geweest. Radboud ging vervolgens op aanraden van de zijnen naar de 'hofschool' van de Frankische koning Karel de Kale in Compiègne. Karel had besloten aldaar een koninklijke kapel te bouwen, die kon wedijveren met Aken. De laatkarolingische hofcultuur" werd daar verder ontwikkeld door geleerden (later veelal bisschop) als Hincmar van Reims (gest. 879), Prudentius van Troyes (gest. 861), Aeneas van Parijs (823-856 secretaris aan het hof, gest. 870) en met name Johannes Scottus Eriugena (gest. 877), aan wie Karel de Kale in het begin de leiding van de 'hofschool' had toevertrouwd. Beroemd zijn voorts een twaalftal verluchte handschriften, waarvan de productie wordt gelokaliseerd in de 'Rezidenzlandschaft' rond Aisne en Oise (Compiègne en Soissons).

Het begrip 'paleisschool'/schola palatina heeft aanleiding gegeven tot veel discussie. Pierre Riche heeft erop gewezen, dat Hincmaer van Reims het hele koninklijke 'huis' een scola noemt, dat wil volgens hem zeggen een disciplina, omdat niet alleen de scolastici er onderwezen en op hun fouten gewezen worden, maar ook de overigen worden er gecorrigeerd voor wat betreft hun gedrag, hun wijze van lopen, hun woorden en daden, en hun goede zelfbeheersing. Heric van Auxerre zingt de lof van Karel de Kale in de inleiding van zijn Vita Germani, geschreven tegen 870, waar hij zegt: het paleis wordt terecht scola palatinus genoemd, waar men dagelijks getraind wordt in de schoolvakken en in het militaire bedrijf. Maar die teksten geven niet het recht te zeggen (zoals Emile Lesne doet, met instemming geciteerd door Riche): 'er is geen school aan het paleis', hoezeer het ook juist is dat het paleis, dankzij de geletterde mannen die er verblijven, op een school 'lijkt'. Er is meer dan een gelijkenis alleen. De schrijver van de Vita Radbodi geeft aan dat destijds in het paleis een belangrijke oefenschool (gymnasium) voor de 'zevenvormige' filosofie was gevestigd (trivium: grammatica, rhetorica, dialecticajlogica; quadrivium: arithmetica, geometria, musica, astronomia). De zeven vrije kunsten (artes liberales) werden beschouwd als een hulpmiddel voor de studie en de verklaring van de Bijbel en de kerkelijke literatuur, maar werden ook gewaardeerd om hun betekenis voor de studie van de klassieke poëzie en literatuur. Radboud moet hier zijn kwaliteiten als dichter en redenaar hebben ontwikkeld; in zijn nagelaten werken komt zijn literaire vorming sprekend tot uiting. De 'paleisschool' stond in Radbouds dagen onder leiding van de filosoof Manno (Nanno), proost van het klooster St. Claude/Eugendi in de Jura (gest. 880), die eerder de leiding gehad had van de kathedraalschool van Laon. Twee van Radbouds medeleerlingen zijn bekend: Stephanus, later bisschop van Luik (na 9 jan. 901, gest. 920) en Mancio/Mansion, bisschop van Chalons (893-908). Het hof van Karel de Kale was een kweekplaats voor toekomstige bisschoppen. Het trok geletterde mannen aan en tevens jonge clerici die bij die 'meesters' hun vorming kregen. Een officiële schoolorganisatie zal er niet of nauwelijks geweest zijn. Het ging veeleer om privé-onderwijs, volgens de mogelijkheden van het ogenblik.

Radboud legde zich volgens de schrijver van de Vita aldus vooral toe op de triformis philosophia. Deze term doet denken aan Alcuins indeling van de wijsbegeerte in physica, ethica en logica. De philosopbia physica omvat het quadrivium, waaronder ook de muziekleer; de philosophia ethica is verdeeld overeenkomstig de vier kardinale deugden, en de logica behandelt de dialectiek en de retorica. Maar tevens - voegt de schrijver toe - oefende hij zich in deugd. Radboud werd na zijn opleiding kapelaan van koning Karel, hetgeen een functie binnen de kanselarij impliceert.

Toen Karel gestorven was, ging Radboud, na veertien jaar verblijf aan het koninklijk hof, naar zijn 'vaderland' Namen terug om de zijnen te bezoeken. Vervolgens sloot hij zich aan bij proost Hugo van de gemeenschap van kanunniken St. Martinus te Tours. Hugo (gest. 887) was een broer van de bovengenoemde keizerin Judith. In Tours bekwaamde Radboud zich gedurende tien jaar verder in de filosofie, met name in de dialectiek en de retorica.

We moeten weI aannemen dat Radboud zich in zijn studiejaren ook met theologie (studie van de Bijbel, van de werken van kerkvaders als St. Augustinus en Gregorius de Grote) heeft beziggehouden, maar daarvan maakt de schrijver van de Vita geen melding.

De klassieke vorming die Radboud achtereenvolgens in Keulen, aan Karels hofschool en in Tours heeft opgedaan, is de grondslag geweest van zijn latere literaire arbeid, ondernomen in de tijd dat hij reeds bisschop van Utrecht was. Volgens Wattenbach is Radboud 'een persoonlijkheid, die nog de volheid van de Karolingische vorming vertegenwoordigt.' Maar de treurige omstandigheden in zijn bisdom, veroorzaakt door de Noormanneninvallen, hebben hem niet de mogelijkheid gegeven zelf in Utrecht een school te stichten. Dat zal veeleer het werk zijn van zijn opvolgers: bisschop Balderik, en met name bisschop Adelbold II (1010-1026).

Op 25 september 899 stierf bisschop Odilbold/Adelbold I van Utrecht. De geestelijkheid van de kerk aldaar kwam bijeen voor de keuze van een nieuwe bisschop. In unanieme overeenstemming van geestelijkheid en volk (de belangrijkste adellijke lieden) werd Radboud gekozen. Koning Arnulf (ca. 850-8 december 899; koning sinds 887) en de rijksvorsten stemden met die keuze in. Radboud plaatst zijn opname onder de Utrechtse geestelijkheid in een eigenhandige notitie over de gebeurtenissen in het jaar 900 in de context van kwade voortekenen: sterrenregen, strenge koude, windstoten, overstromingen, en - wat het ergste was - opstand van de mensen tegen God; kort na zijn wijding volgden de dood van Fulco, de metropoliet van Reims (gest. 17juni 900), en van koning Zwentibold (gest. 13 aug. 900). Aan die notitie wordt de date ring van zijn wijding ontleend: voor 17 juni 900. Radboud voegde o.a. twee zesregelige epitapha (grafschriften) toe, die hemzelf betroffen: De viatico Christi, en Deposcendapeccatorum remissione. Ook een Oratio ad sanctum Martinum. Uit alle drie deze teksten spreekt een sterk verlangen om aan de zwerftocht van dit leven te ontkomen, en bij Christus verlossing te vinden. 'Imminet umbra necis': de schaduw van de dood is dreigend nabij, herhaalt hij twee keer in het gebed tot Martinus. Hij moet erg tegen het aanvaarden van het bisschopsambt hebben opgezien. De omstandigheden in het Utrechtse gebied waren verre van gunstig.

Na het ontvangen van de bisschopswijding werd hij (Benedictijner) monnik; voordien was hij kanunnik (canonicus) geweest. Volgens de schrijver van de Vita groeide hij in de deugden die bij die monachale status hoorden. Zo dronk hij uitsluitend water, maar dat mocht niemand weten. Een van zijn dienaren, Gummar, vroeg hem of hij mocht drinken uit zijn beker; Radboud stemde onwillig toe. De man proefde heerlijke wijn! Voorts beoefende Radboud de werken van barmhartigheid, waste eigenhandig de voeten van de armen en gaf hun te eten, etc. We moeten bedenken, dat de schrijver niet in de eerste plaats bedoelde Radbouds daden weer te geven, maar dat hij op de wijze van de hagiografen zijn deugden in het licht wilde stellen, daarom ook enige wonderen wilde vermelden en zijn profetische gaven naar voren halen. Ook over Radbouds missioneringsactiviteiten worden geen historisch controleerbare bijzonderheden gegeven. Desondanks staan in de Vita enige feiten, die wat houvast bieden wat betreft zijn leven en werken als bisschop van Utrecht/Deventer.

Door de invallen van de Noormannen (Denen en Noren) was Utrecht al sinds 857 meestentijds verlaten. De St-Maartenskerk was verwoest, de kanunniken deels verspreid, deels vermoord. Bisschop Hunger vluchtte ca. 857 naar een klooster gelegen in het Maasgebied aan de Roer bij Roermond. Het Berg- of St.-Pieterklooster aldaar (later St.-Odiliënberg geheten), werd op 2 januari 858 door koning Lotharius II vanwege de dreiging van de Noormanneninvasies aan de Utrechtse zetel als toevluchtsoord voor bisschop en kanunniken toegewezen. Hunger stierf daar in 866. Aangenomen kan worden dat hij de originele oorkonden die in het bezit van de Utrechtse kerk waren, met zich mee heeft genomen. Zijn opvolger bisschop Odilbold (867/869-13 december 898) bracht op 6 mei 895 de zetel over naar Deventer. Ook dat gebeurde waarschijnlijk onder druk van de Noormannen, die hevig huishielden in Nijmegen (bezet in 880), de omgeving van Roermond, en in Asselt (Ascloa) hun winterkwartieren hadden. De Utrechtse archivalia verhuisden mee. Zij vormden de kern en grondslag van het latere cartularium.

Aan het kerkje in Deventer, gebouwd door Lebuinus (gest. ca. 774) en herbouwd door Liudger (gest. 809), was een gemeenschap van kanunniken verbonden. Zo was dat immers in Utrecht sinds de herbouw van de St.-Maartenskerk door Willibrord, en de stichting van de St.-Salvatorkerk aldaar ook het geval: hij had daar een munster (monasterium) ingericht. Deventer was in de tweede helft van de negende eeuw een belangrijke handelsnederzetting, die aanleunde tegen de daar gevestigde burcht. Ook Radboud koos Deventer als verblijfplaats, en van daaruit bezocht hij van tijd tot tijd Utrecht als er tijdelijk vrede was en bad er bij de graven van zijn voorgangers. Utrecht bleef tenslotte de officiële residentieplaats. Pas in 925, onder zijn opvolger bisschop Balderik (917/918-975) werd de bisschopszetel in Utrecht hersteld.

Willibrord en Bonifatius waren Radbouds voorbeelden bij de verspreiding van het geloof. Bijzonderheden over zijn prediking en kersteningsactiviteiten geeft de schrijver van de Vita niet, maar er zijn aanwijzingen dat hij werkzaam is geweest in Twente, Drenthe en de Vechtstreek. Hij stichtte een kapelletje in Ootmarsum, en de kerken van Heemse, Nijenstede en Hardenberg worden met hem in verband gebracht. Hij zou de weerspannige Denen in Friesland met de ban hebben getroffen, waarop de pest onder hen uitbrak. Ook in Utrecht kwamen zij er niet straffeloos af.

Van de Oostfrankische koning Koenraad I, verkreeg Radboud op 9 juli 914 bevestiging van aIle voorrechten, die de Utrechtse kerk ooit had ontvangen. Hij verscheen niet persoonlijk bij de koning, maar stuurde als gezanten een zekere Udo, die als een bloedverwant van Koenraad wordt aangeduid, en Waldger, die graaf was in de gouwen Nifterlake, Lake, Isla (Lek en IJssel) en Teisterbant. Utrecht lag in zijn district. Zij presenteerden als bewijsstuk een door Radboud met dit doel gecomponeerd cartularium, een boek met afschriften van eerder door de Utrechtse kerk sinds 723 ontvangen koninklijke privileges en schenkingen. (Henderikx meent dat al tijdens het episcopaat van bisschop Odilbold, uiterlijk in 896, begonnen is met het aanleggen van een cartularium. Hij geeft daarvoor echter geen doorslaggevende reden.

Koenraad bevestigde inderdaad de St.-Maartenskerk in het oude Trecht in het bezit van de immuniteit. Die erkenning van Koenraad als de vorst die hierin kon beslissen is opmerkelijk, omdat de Westfrankische koning Karel de Eenvoudige al in 911 Lotharingen had verworven, waartoe ook Utrecht behoorde. Graaf Dirk I van Holland, wiens gebied tot het Utrechtse diocees behoorde, was reeds tot de Westfrankische partij overgegaan. Men mag aannemen dat Radboud later, samen met de wereldlijke groten van zijn landstreek, ook is overgegaan naar de Westfrankische Karel.

In dit verband is interessant dat de zoveel later geschreven Vita Radbodi afsluit met de vermelding van Radbouds profetische gave: hij zou voorspeld hebben dat het bestuur van het rijk zou overgaan van de Franken op de Duitsers, hetgeen inderdaad na 923 plaatsvond, bij de erkenning van Hendrik I als Duits koning.

In 914/915 reisde Radboud naar Rome, waar hij zich wendde tot paus Johannes X (april 914-juni 928) vanwege zijn twist met graaf Meginhard/Megunthard in Hamaland. De paus hoorde zijn klachten aan en had medelijden met hem. In aanwezigheid van de gezanten van graaf Meginhard werd de ruzie bijgelegd.

Radboud werd ziek op een missiereis in Drenthe, en stierf op 29 november 917 te Ootmarsum. Zijn dood was hem door Maria, Agnes en Tecla in een visioen voorspeld. Zijn lichaam werd naar Deventer overgebracht, waar hij ook werd begraven. Hij had zelf eerder enige malen Balderik, de zoon van graaf Ricfried/Dodo van de Betuwe, aangewezen als degene die de Utrechtse zetel zou herstellen. Voor zijn heiligverklaring was het destijds voldoende dat zijn beenderen tijdens Balderiks bewind verheven werden (elevatio) uit het graf naar het altaar in de St.-Lebuinuskerk. Zijn elevatiefeest valt op 25 juni. St. Radboud heeft overigens alleen een eigen Mis in Deventer en in de kerk van Oudmunster in Utrecht. De feestdag van Sint Radboud is op 29 november, zijn sterfdag.

Met Balderik (gest. 27 dec. 975) begint een nieuwe periode in de geschiedenis van de Utrechtse kerk, die vanaf 918 ingeschakeld werd in het Ottoonse rijkskerkensysteem. De bisschoppen werden tevens wereldlijk vorst, en als zodanig steunpilaren van het rijk. Radboud zou zich volgens de schrijver van de Vita van die betrokkenheid van bisschoppen in het wereldlijk bestuur afkerig hebben betoond, Hij laat hem zeggen: 'een bisschop heeft niet het recht zich met wereldse zaken in te laten (2 Tim. 2,4); strijders van Christus moeten met geestelijke wapenen bekleed voor het heil van koning en volk en stabiele vrede bij God tussenbeide komen, gewin voor zielen zoeken, geen aards gewin najagen.' Zo ondersteunde het heilig voorbeeld van zijn voorganger de afkeer in kringen rond Balderik van de politisering van het bisschopsambt.

Werken

Ten slotte zij gewezen op Radbouds literaire productie, voornamelijk preken, gedichten over en biografieën van heiligen die in Utrecht vereerd werden, en een liturgisch officie ter ere van St. Maarten (in translatione sancti Martini episcopi qfficium), gecomponeerd tussen 903 en 917. De tekst is bedoeld voor de vespers, de eerste, tweede en derde nocturn, de lauden en de tweede vespers. De lof van Martinus slaat terug op de stad die zijn relieken bevat. De derde nocturn verhaalt hoe de Galliërs zeer tot zonde geneigd waren en Gods toorn verdienden, daarom vielen de Denen met gewapende troepen de stad Tours aan. De inwoners riepen bij zijn graf hun verdediger St. Martinus aan, en deze verbrijzelde de Denen en hun gezellen. De verzen van de metten en de tweede vespers herhalen tekstgedeelten van de derde nocturn, zodat de gebeurtenissen nog sterker worden opgeroepen. De antifoon bij het Magnificat verwijst naar het wonder van Martinus die drie doden ten leven wekte, en eindigt met het gebed 'dat wij door zijn tussenkomst verdienen van de dood van de ziel te worden opgewekt.' Deze herhaalde referentie aan de gebeurtenissen te Tours moet de clerici en kanunniken in Deventer, die wisten hoe hun Utrecht door de Noormannen werd bedreigd, eveneens zeer hebben aangesproken. Actualiteit en gebed zijn op bijzondere wijze met elkaar vervlochten in dit officie van St. Maarten.

In de persoon van Radboud waren St. Maarten, Tours en Utrecht verenigd. Radboud had gehoord (fama id disseminante didiceram) wat er in 903 in Tours was gebeurd, en hij had er een bericht over geschreven: Libellus de quodam miraculo S. Martini. Het werkje was duidelijk bedoeld voor voorlezing aan de medebroeders, zijn kanunniken en clerici, bij wijze van prediking. Het verraadt kennis van de klassieke auteurs Cicero en Plautus, van Ovidius en Vergilius, van Terentius en Sulpicius Severus (Vita Sti. Martini), en van de geschiedenis van de klassieke oudheid (Orosius). Maar zijn toehoorders konden naar zijn mening meer nut hebben van het verhaal over Martinus van Tours dan van de lectuur van Cicero of Plautus. Radboud hield daarbij wel rekening met zijn toehoorders, die immers liever feiten hoorden dan stijlfiguren. Hij was zich er ook van bewust dat Tours en Utrecht, de kerk die hij diende (ecclesia Traiectensis, cui ego Deo auctore deservio), ver van elkaar vandaan lagen, en dat het praktisch onmogelijk was een ooggetuige te vinden van de verhaalde gebeurtenissen. In wat onzeker was, bijvoorbeeld over de eerste aankomst en het aantal Noormannen dat gedood werd, gaf hij liever de mening van anderen weer dan zelf iets te beweren of te ontkennen. Hij toont zich hier een goed historicus. Maar aan het wonder van St. Maarten, op wiens voorspraak de stad Tours de woedende aanval van de Noormannen doorstond, twijfelde hij niet. Het 'wonder' van Martinus is de dood van bijna 900 Noormannen als in 903 de belegerde inwoners van Tours aan de vijanden de relieken van Martinus tonen en met succes uit de stad uitbreken. Over dat wonder schreef Radboud ook een gedicht: Metrum anapaesticum ypercatalectum de eodem miraculo. Het volk van Tours wordt er klagend en biddend tot Martinus in opgevoerd.

Dit verhaal verwerkte hij vervolgens in zijn Martinus-officie, in de meeste van de responsoria bij de nocturnen en aan aantal antifonen. Ook de muziek van dit officie is door Radboud gecomponeerd. Nog bij zijn begrafenis herinnerden de omstanders zich hoe hij de eerste antifoon bij het Magnificat 'Ecce laeti laude' placht te zingen. De muziek van dit officie heeft Lochner teruggevonden in een zeer oud Utrechts handschrift (Universiteitsbibliotheek ms. 406, ca. 1150), en in een moderne transcriptie toegankelijk gemaakt. Ook componeerde Radboud een sequentia in translatione sancti Martini, op de melodie van Beatus vir qui timet.

In Radbouds preken treedt het biografische element niet sterk op de voorgrond. Maar zijn klassieke, humanistische vorming schijnt wel steeds door, overigens zonder ijdel vertoon van geleerdheid, oordeelt Brunhölzl. Als preken kunnen genoemd worden: Tomellus seu Sermo de Vita et meritis paradoxe virginis Amelberge. Kennelijk werd de feestdag van dit ascetische meisje, dat de trouwplannen van Karel Martel (c. 688/689-741) weerstond, in Utrecht/Deventer gevierd. Vervolgens de Sermo de sancto Servatio (over Sint Servatius), waarvoor Radboud gegevens ontleend heeft aan de Vita antiquissima (gedateerd eind 7e - eind 8e eeuw), de Sermo (Laudatio) de sancto Switberto en Sermo de sancto Lebuino presbytero (Homilia). De preek over Switbert (gest. 713) berust volgens zijn eigen zeggen op Beda's Historia ecclesiastica gentis Anglorum, en roept de tijd van de prediking van St. Willibrord in herinnering. De door Switbert gestichte kerk te Kaiserswerth (in litore) was nog steeds bij zijn erfgenamen in gebruik, zegt Radboud. De preek over St. Lebuinus (gest. ca. 780), de stichter van de kerk te Deventer, schetst de christelijk-ascetisch-aristocratische leefstijl van de heilige temidden van wilde en halfbarbaarse gewoonten van mensen (inter feros et semibarbaros hominum mores constitutus). Zijn voorbeelden in deze philosophia waren de bisschoppen Willibrord (ca. 657/658-739) en Bonifatius (ca. 672/675-754). De levensschets van de heilige is, ondanks de nadruk op diens ascese, doorspekt van retorische sjablonen en hoogstandjes. Radboud zegt dat iemand die zich zou verstouten alle goeds dat over Lebuinus gezegd kan worden uiteen te zetten, de bloemen van de welsprekendheid van Cicero en Plautus nodig zou hebben. Zo schijnt Radbouds eigen literaire vorming door in zijn preken.

Van Radbouds gedichten/gezangen kan als eerste worden genoemd zijn Carmen allegoricum de sancto Switberto. Dit werk, voorzien van glossen van waarschijnlijk Radboud zelve, maakt gebruik van de pythagoreïsche getallentheorie, de harmonie van de sferen en de muziek van de engelen als poëtische allegorieën. De ars musica was hem immers niet onbekend, en hij wist die op poëtische en mystieke wijze te gebruiken. Ook zijn kennis van het Grieks en vooral van de rhetorica schemert hier doorheen. Vervolgens de Egloga ecclesiastica Ratbodi sanctae Traiectensis ecclesiae famuli de virtutibus beati Lebuini. Diens Angelsaksische naam Liafwin wordt door Radboud verklaard als 'lieve vriend', te weten van Christus. Hij bezingt de lof van de apostel van de Friezen. De beide al genoemde epitaphia zijn in het voorgaande besproken. Ten slotte moet genoemd worden zijn Versus de hirundine. De zwaluw wordt sprekend opgevoerd. Hij toont de mens hoe hij, de zwaluw, aan de wetten van de natuur is onderworpen. De mens, die de verborgen oorzaken van het gedrag van de zwaluw bewondert, moet de gaven van zijn eigen schoonheid niet verachten: 'Jij beschikt over de rede ik ben daarvan gespeend; jij blijft ondanks het noodlot overeind - ik volg het lot geheel en al.' En dan volgt de moraal: 'Zozeer als je mij in die gaven overtreft, zozeer moet je mij ook overtreffen door te gehoorzamen aan het bevel van de Schepper.'

De toeschrijving aan Radboud van hymnen op Willibrord en Bonifatius, alsook van een bewerking van de Annales sanctae Mariae, wordt thans niet meer aanvaard.

Als voor de geschiedschrijving van belang noemt Bruch de al besproken Annotatio ad annum 900 en het verhaal Quoddam miraculum beati Martinis. Voorts de omwerking en uitbreiding van de Vita sancti Bonitatii (vita altera). Deze vita is meer een preek dan een heiligenleven. De inleiding schildert de grote missioneringsbeweging van de Angelsaksen niet zozeer als historische gebeurtenis maar als een primair door religieuze aandrift bepaalde gebeurtenis. Wellicht had Radboud relieken van Bonifatius uit het klooster te Fulda ontvangen, in ruil voor relieken van Eoban en Athalarius, diens metgezellen, die zich in Deventer bevonden. Was dat de aanleiding voor de bewerking van de oudere Vita?

Besluit

De lyrische levensbeschrijving van St. Radboud die P. Albers s.j. publiceerde in 1894 en die van Kronenburg in 1899 kunnen voor de in 1905 bijeengekomen groep mannen die stichting van een katholieke universiteit in Nederland nastreefde, reden geweest zijn om Radboud als patroon te kiezen. De universiteit was toen gedacht - in de goedkope variant - als een universiteit met de faculteiten van Godgeleerdheid, Wijsbegeerte/Letteren en Rechten. Daar past de naam van Radboud goed bij, zoals deze levensbeschrijving heeft laten zien. De verbinding van die naam aan een volledig uitgegroeide universiteit met faculteiten in de bèta-wereld ligt minder voor de hand. Toch draagt het Universitair Medisch Centrum de naam van de veertiende bisschop van Utrecht niet ten onrechte: als wij de schrijver van de Vita geloven, legde Radboud zich zeer toe op de werken van barmhartigheid: 'Eigenhandig waste hij de voeten van de armen en verschafte hij hun zelf voedsel, hij kleedde de naakten, bezocht de zieken en besteedde zorg aan de zwakken en de wezen. Zo legde hij zich erop toe Christus' geboden in acht te nemen.' Maar hij was in elk geval ook, naar het reeds geciteerde oordeel van Wattenbach, 'een persoonlijkheid, die de volheid van de Karolingische vorming vertegenwoordigt.' Pierre Riché noemt hem 'évêque-poète', Fabian Lochner 'évêque musicien', en Reinier Post zegt van hem: 'Hij is misschien de beste en zeker ook een van de laatste vertegenwoordigers van de Karolingische cultuur in Nederland.' Radboud was geen theoloog. Maar hij kwam waar nodig op tegen de overdreven wonderzucht van zijn tijdgenoten. Hij had een diepe opvatting van het heilige, voortkomend uit zijn studie van de Bijbel, met name de boeken van het Nieuwe Testament, waaruit hij graag en vaak citeerde. Voor hem lag het wezen van het heilige in het handelen overeenkomstig het geloof.

Radboud heeft in zijn eigen tijd gebruik gemaakt van het volledige aanbod aan vorming en hoger onderwijs dat toen beschikbaar was. De vruchten daarvan heeft hij geïntegreerd in zijn verdere leven, dat uitmondde in zijn ambt als pastor in de Utrechtse kerk. St. Radboud is derhalve - alles welbeschouwd - een waardige naamgever voor de in 1923 opgerichte Katholieke Universiteit van Nijmegen.

Deze tekst is een bewerking van het artikel 'Sint Radboud, bisschop van Utrecht (Deventer) van 899/900 tot 917. Pastor, geleerde, historicus, dichter en componist' van A.G. Weiler dat verscheen in Trajecta 12 (2003), 97-115

De commentaren zijn gesloten.