29-04-16

goede vrijdag

Goede vrijdag

 

Goede Vrijdag

Zet mij even stil bij Goede Vrijdag

Zet mij even stil op Golgotha

Eerlijk gezegd vind ik het moeilijk

Iemand die moest sterven in mijn plaats

Maar toch, toch wil ik me Uw lijden beseffen

Toch, toch dank ik U dat U mij kwam redden! U liep de extra mijl

En stierf aan het kruis U ging door de hel

En ik mag naar huis U streed de zwaarste strijd En toch hield U stand

Mijn leven ligt bevrijd

In Uw doorboorde hand Kom me tegemoet Heer in mijn denken

Kom me tegemoet in al mijn trots

Ik red het liefst mezelf

En daarom denk ik dat Uw dood vaak met mijn leven botst

Maar toch, toch wil ik me Uw lijden beseffen

Toch, toch dank ik U dat U mij kwam redden!

Het is Goede Vrijdag en ik mag naar huis

Het is Goede Vrijdag en nu ben ik thuis

Matthijn Buwalda

 

 

De Ed’le Jozef

De ed’le Jozef heeft u van het kruis genomen

U o Heer

In smetteloos welriekend linnen heeft hij U gehuld.

Toen Gij in ’t dodenrijk zijt afgedaald

O onsterfelijk leven

Hebt Gij hades vernietigd door uw God’lijk licht

De Myrondraagsters kwamen aan Uw graf

O Heer en God

Maar de engel aan het graf sprak hun toe

Zie deze myronbalsem is passend

voor wie gestorven zijn

Maar Christus is de onvergankelijke Heer

 

Verraden door een vriend, onteerd, bespot, veroordeeld om eerloos te sterven. Gij antwoordt niet en wacht omdat gij weet dat waarheid overwinnen zal op duisternis en haat. Gij neemt op U het kruis van smaad en schande. Uw handen dragen hout dat weegt onder de last van liefdeloosheid, kwade wil. Verloochend door een vriend, terwijl de haan driemaal zal kraaien gaat gij, gebukt, de stad uit naar de berg, gehoorzaam als een lam. Uw liefde wint het op de haat Gij gaat de weg van kruis en zelfverloochening. Verminkt, vertrapt, draagt Gij de lasten van ontelbaar velen. Gij valt en weet wat het betekent ont-kracht, ont-luisterd en ont-eerd te zijn. Toch staat Gij op, gesteund, gedragen door het woord van Hem, de Ene die in U gelooft. Eén ogenblik een zee van pijn een druppel eeuwigheid van mateloze liefde. De woorden blijven steken in een onmachtig handgebaar. Wat kan haar nog bewegen dit dodenpad mét U te gaan? Gij kijkt haar aan en zij heeft het begrepen. Haar ogen zeggen ‘ja’ zij laat U verder gaan Gij hebt aanvaard dat iemand hulp aanbood. De vreemdeling wordt vriend en deelgenoot in dit onmenselijk lijden. Ontmoeting wordt vertroosting wederzijds en Simon is sindsdien een ander mens. Zij durft het aan, baant zich een weg doorheen het kluwen van een wilde menigte, trotserend onbegrip en hoon. Ofschoon zij nauwelijks U kennen kan reikt zij haar hart en handen aan bewogen door de macht die mede-lijden heet. En Gij blijft staan heel even genoeg om haar erbarmen dankbaar te ondergaan. Zij zal dit nooit vergeten want uw gelaat, de afdruk, donker op het witte lijnwaad, draagt zij voor altijd met zich mee. Kostbaar geschenk, tastbaar nalatenschap voor eeuwen Gij valt een tweede maal. Wat weegt het zwaarst? Doodsangst of onverschilligheid van hen die U omringen? De pijn die in het lichaam snijdt of alles wat uw ziel, uw hart bezwaart? Geweld heeft veel gezichten. Maar Gij staat recht, gaat verder op de weg en draagt met liefde onze smart. Gij wordt geraakt, staat stil bij het verdriet van anderen. Nog vindt Gij woorden en gebaren die zegen en vertroosting zijn. Ween niet, althans niet over Mij, zegt Gij, maar heb verdriet om alles wat niet liefde is, om wat haar kwetst, verminkt en ondermijnt. En midden uw oneindig leiden zegt Gij: vrees niet en blijf in Mij. De wijnstok zal weer bloeien en vruchten dragen, honderdvoud. Gij valt een derde maal en voelt weerom de harde grond, de hardheid van uw mensen. Maar sterker dan de zwakheid van uw gefolterd lichaam spreekt uw wil, uw liefdedrang om één te zijn met wat uw Vader wil. Gij staat weer recht vóór ons, om onzentwil gehoorzaam tot de dood. Gij strompelt voort, gebroken, tot aan het altaar op de heuvel. Weerloos en beroofd van alles wat U toebehoorde, zelfs het kleed wordt weggenomen en niets geeft nog beschutting. En om uw naadloos kleed wordt grimmig hard gedobbeld. Toch blijft Gij voor God zelf de welbeminde Zoon. Gij zegt: bekleed u met gerechtigheid en tooi u met barmhartigheid want alles wat gij doet aan wie de minsten zijn, dat hebt gij ook aan Mij gedaan. Het is het derde uur als zij U kruisigen. Onzinnig is dit hout waarmee Gij één wordt nu en hoe uit-zinnig moet de liefde zijn die God zijn mensen toedraagt. Nog steeds wordt Gij gekruisigd in wie verdrukt, vervolgd, gepijnigd wordt. Nog steeds spreidt Gij uw handen uit in dit gebaar van geven en vergeven, van liefdevol ontvangen. Dit is het negende, het zwaarste uur, het uur van duisternis en eenzaamheid ten dode toe, verlatenheid en angst gekruid met bitterheid. Maar ook het uur dat Gij de geest, uw eigen leven hebt gegeven aan wie het dierbaarst bleven: de Moeder krijgt een Zoon, de Zoon ziet plots zijn Moeder! Uur van de dood maar meer nog: uur van leven!

 

 

 

 

 

De commentaren zijn gesloten.