07-07-16

de heilige Hubertus

Heiligenleven

De heilige Hubertus

Hubertus StahlstTonpl.jpg

 

Sint Hubertus werd in een paar honderd jaar tijd van bisschop een heilige. Want met elk nieuwe heiligenleven of hagiografie - het werden er zeven - kwamen er nieuwe elementen in het verhaal die samen resulteerden in de huidige legende. Lees hoe dat verliep.

Eerste levensbeschrijving
In het eerste heiligenleven uit 743 - rond de tijd dat zijn gebeente werd verheven - is hij nog een bisschop en zoon van een Voerense adellijke heer. De schrijver is iemand die waarschijnlijk de laatste levensjaren in de buurt van Hubertus heeft gewerkt. Hij meldt de deugden en verdiensten van Hubertus, maar over de 'wonderen' is niet duidelijk of die van Hubertus zijn. Er lijken gelijkenissen met de heiligenbeschrijving van Sint Arnulf uit Metz en die van Sint Lambertus en Sint Hyronimus.

Arnulf van Metz (582 - 640) was een Frankische edelman, die diende aan het Austrasische hof onder Theudebert II (595 - 612). In 613 was hij mede-aanvoerder van de aristocratische opstand tegen koningin Brunhilde van Austrasië, wat leidde tot haar onttroning en de hereniging van het Frankische Rijk onder Clothar II. In dat jaar werd Arnulf ook bisschop van Metz.

Van 623 was hij samen met Pepijn, toen hofmeier aan het Austrasische hof, adviseur van koning Dagobert I. Hij trad uit het openbare leven in 623 en trok zich terug in de Vogezen.

Voor hij bisschop werd, had hij drie kinderen met zijn vrouw Doda en hun oudste zoon Ansegisel trouwde met Pepijns dochter, Begga. Hun zoon, Pepijn van Herstal, was de grootvader van Karel de Grote. Arnulf wordt daarom ook gezien als de stichter van de Karolingen. Arnulf is de patroon van de bierbrouwers.
Begga stichtte rond 692 een nonnenklooster in Andenne werd patrones van de begijnen.
Bron: Wikipedia

 

In deze eerste beschrijving komen we ook Floribertus tegen. Of hij een echt kind, adoptief zoon of volgeling van Hubertus was, blijft onduidelijk.

Tweede levensbeschrijving
De tweede heiligenbeschrijving uit 825 volgt de eerste en is van de hand van bisschop Jonas van Orleans. Aanleiding was de overbrenging van Hubertus zijn stoffelijke resten naar Andage, het latere Saint Hubert. Hij fatsoeneerde het boerse Latijn van de eerste heiligenbeschrijving
en vulde hem aan met de overbrenging naar Andage.
In de periode tussen 1052 - 1256, tussen de tweede en derde levensbeschrijving, schrijft Anselmus, domheer en deken van de Sint Lambertuskerk in Luik, een kroniek waarin ook Hubertus voorkomt. Maar hij noemt geen nieuwe feiten of wonderbare zaken.

Jonas kwam uit Acquitanië en volgde in 821 Theodulph op als aartsbisschop van Orleans. Lodewijk de Vrome vroeg Jonas vaker om raad in zijn staatszaken. Hij schreef naast de heiligenbeschrijving van Hubertus - onder meer - ook een boek over de mogelijkheden van een godsvruchtig leven voor getrouwde mensen.

Wonderenverzamelingen
Er bestaan twee verzamelingen met wonderen die aan Hubertus toegeschreven worden. Ze geven ook een kijk op de historische ontwikkeling van de cultus rondom Hubertus en de
bedevaart op Andage / Saint Hubert en hoe dat daar tot welvaart leidde.
In de eerste - van rond 850 - beschrijft een monnik uit het klooster in 8 hoofdstukken de genezingen die aan Hubertus zijn toegeschreven. Van de genezing van hondsdolheid nog geen enkel spoor. Ook zijn patronaat van de jacht en de jagers is er nog niet.

Men had Hubertus beter als visser kunnen afbeelden in plaats van het het hert. Want Hubertus ging eens in een bootje mee de Maas op om palen in de rivierbodem te slaan. Daarbij sloeg één van zijn dienaren per ongeluk met de hamer op de hand van Hubertus en brak zo zijn vingers.

De volgende dag ging men gewoon vissen. Maar toen alle dienaren in de boot waren, begon het te stormen. Een hoge golf pakte het bootje midden op de rivier op brak en het in tweeën. Iedereen viel in het water. Toen Hubertus dit zag, sloeg hij zijn ogen ten hemel en bad: ‘Gij, Heer Jezus Christus, aan wie de zee en de wind gehoorzamen, wiens voeten gewichtloos over het water liepen, wiens Geest in den beginne, nog vóór de schepping van het licht, over de wateren zweefde, ik smeek U, strek Uw rechterhand naar ons uit.’

Een van de dienaren ging kopje onder, en bleef met zijn kleren aan een paal vastzitten. Tot drie maal toe trok hij eraan, maar het kwam niet los en bleef vasthaken. In doodsangst, onder water, zei hij een gebed: ‘Heer, help mij omwille van de verdiensten van Hem die de zee en het droge geschapen heeft.’ Onmiddellijk kwam hij los, en bereikte al zwemmend de oever. Allen brachten ze het er levend van af.

In de tweede verzameling uit het einde van de 11de eeuw beschrijft een andere monnik, Lambert de Jongere, 29 wonderen die aan Hubertus worden toegeschreven en zich in en om het klooster afspeelden. Naast de genezing van lammen en blinden, komt de eerste keer de genezing van de hondsdolheid aan de orde. Daarvoor wordt een stola gebruikt.

Van de 29 wonderen worden de eerste 19 in de 9de en 10de eeuw gedateerd. De andere 10 in de 11de eeuw. Bij de hondsdolheidgenezing is voor het eerst sprake van de insnijding, die bij 4 personen is toegepast. Maar het gebruik van de stola is dan al vaker het middel om van hondsdolheid te genezen. Waarschijnlijk heeft de stola al vlak na 850 zijn intrede gedaan als wonderbaarlijk hulpmiddel bij de genezing van de hondsdolheid.

Met een mesje maakt een priester een horizontaal sneetje van ongeveer 2 centimeter op het voorhoofd. Met een pincet werd de huid opgetild en een klein stukje van de stola onder de huid geduwd. Daarna werd de wond bedekt met een zwart stuk verband dat dan 9 dagen gedragen moest worden. In die periode moest de patiënt ook regelmatig bidden; de noveen.

In de tweede verzameling wonderen komt Hubertus niet alleen naar voren als heilige in samenhang met de hondsdolheidbestrijding maar ook als patroon van de jacht. Het opdragen van wild aan Hubertus komt in zwang, omdat Hubertus dat ook gedaan zou hebben….

De monnik die de tweede verzameling wonderen beschreef, schreef ook een kroniek van de abdij Saint Hubert, het zogenaamde 'Cantatorium' die waarschijnlijk in 1106 werd afgerond en jonger ís dan de 2de verzameling Hubertuswonderen. Ze beschrijft het leven in het klooster, de toenemende verering voor Hubertus door de wereldse heren en de bescherming die Hubertus bij hondsdolheid biedt.
Zo kwam graaf Adalbert van Namen vaker samen met zijn vrouw Ida naar Saint Hubert om Hubertus te aanbidden. Ook andere jagers (alleen de adel mocht toen jagen) knoopten aan een bezoek aan het klooster een moment van verering vast. Waarschijnlijk lieten ze ook een deel van hun jachtbuit in de abdij achter.

Derde levensbeschrijving
In de 3de heiligenbeschrijving uit de 2de helft van de 12de eeuw is een uittreksel uit de heiligenbeschrijving van Sint Lambertus die de Luikse Domheer Nicolaas rond 1143 - 1147 schreef. Met elk nieuwe heiligenbeschrijving nam het aantal wonderen en genezingen toe. Deze Nicolaas verbind ook de legende voor het eerst aan het werkelijke leven van Hubertus. Zo voorziet hij Hubertus van een Frankisch adellijk voorgeslacht en laat hij Hubertus naar de Paus in Rome reizen.
Volgens hoofdstuk 12 was Hubertus geboren in Acquitanië en paltsgraaf van koning Theodorik de 3de van Neustrië, waarmee Hubertus aansluiting vindt aan het Franse koningshuis van die tijd.

Vanwege zijn twist met de hofmeijer Ebroin ging Hubertus met Ode d`Amay, de weduwe van hertog Boggis van Acquitanië, vanuit Neustrië naar Austrasië. Terwijl Ode haar bezit verdeelt,
wordt Hubertus leerling van Lambertus en pelgrimeert naar Rome om aan het graf van Paulus te bidden. Paus Sergius krijgt een visioen van de dood van Lambertus en Hubertus ontmoet de Paus. De relatie tussen Hubertus en Ode kan niet kloppen, want ze is al dood ten tijde dat zich een en ander afspeelt. Ook de Acquitaanse komaf van Hubertus is zonder bewijs.

Met de 3de heiligenbeschrijving komt de legendevorming rondom Hubertus echt op gang. En worden de 'historische feiten' aan elkaar geregen. De reis samen met Ode naar Austrasië, de ontmoeting met Lambertus, de pelgrimage naar Rome, de ontmoeting met de Paus op het moment dat Lambertus vermoord wordt. Zo is de legende een onverbrekelijk verhaal
geworden.

De vierde….
De 4de heiligenbeschrijving uit de 15de eeuw zet de puntjes op de i van de legende. De bekering na het zien van het kruisdragend hert wordt toegevoegd. Als paltsgraaf van Theodorik III gaat Hubertus op een kerkelijk hoogfeest jagen in plaats van naar de kerk en ontmoet hij het hert met de kruis tussen de geweistangen dat hem zegt dat als hij zich niet bekeert, hij naar de hel zal gaan. Hubertus verlaat vrouw en kind en gaat naar Austrasië om volgeling van Lambertus te worden.

De ontmoeting met Paus Sergius uit de 3de levensbeschrijving wordt in de 4de weer verder aangedikt. Want wanneer Hubertus in de Sint Pieter in Rome komt, spreekt de Paus hem met zijn naam aan en vertelt hem van de dood van Lambertus en benoemt Hubertus tot zijn opvolger.
Hubertus bedankt voor de eer, maar een engel brengt het priesterkleed van Lambertus naar Rome. De stola ontbreekt nog, maar de Maagd Maria zorgt ervoor dat Hubertus die ook krijgt; opnieuw via een engel. Tijdens zijn bisschopswijding verschijnt Sint Petrus en geeft Hubertus een gouden sleutel.
Op hetzelfde moment wordt Lambertus in Maastricht begraven en daarbij klinkt een stem die zegt dat Hubertus als opvolger van Lambertus is aangewezen. Hubertus gaat met stola en sleutel terug naar Maastricht en wordt daar met pracht en praal ontvangen.

De stola is waarschijnlijk in 825 uit de kist van Hubertus gehaald en is in de loop der tijd van grotere beduiding geworden dan het gebeente van Hubertus; de gouddraden uit de stola hielpen immers bij de genezing van de hondsdolheid. De eerste berichten van deze toepassing staan in het 14de wonder (9de of 10de eeuw) van de 2de verzameling wonderen. Daarbij is wel sprake van een draadje uit de stola en de insnijding in de hoofdhuid waarin het draadje wordt gelegd, maar nog niet van de verplichtingen die daarna op de te genezen persoon rusten.
Dat is ook het geval bij de schrijver van de 'Cantatorium', eind 11de eeuw. Hij beschrijft wel het insnijden, maar nog geen beschrijving van de stola of de negendaagse noveen erna. Pas in de 15de eeuw wordt dat verhaal compleet gemaakt in de 4de levensbeschrijving. Dan is ook de stola en zijn werking in de legende ingeweven.

Net als met de stola verging het de sleutel. Pas in de 4de levensbeschrijving komt-ie op de proppen. Historisch is wel dat vanaf Paus Gregorius de Grote (590) sleutels met in het handvat een stukje van de ketting van Petrus aan vorsten, bisschoppen en kerken als geschenk werd gegeven.
Archeologisch gezien is de Hubertussleutel uit de 8ste eeuw. Het is een grote messing sleutel met een deel uit rood koper. Dat laatste is gedateerd in de 13de eeuw. Waarschijnlijk heeft Hubertus ook een sleutel gekregen en is die mee zijn graf ingegaan en in 743 of 825 uit zijn kist genomen. Nu ligt de sleutel in de Heilig Kruiskerk in Luik.

Het branden tegen de hondsdolheid is een zaak die al uit de oudheid bekend was. Waarschijnlijk is het ook in de abdij van Andage gedaan. Niet met de Hubertussleutel, maar met een brandmerk in de vorm van een jachthoorn.

Hubertus als jager en het hert zijn in de legende de jongste aanwinsten. Pas in de 2de wonderenverzameling uit de 11de eeuw verhaalt dat Hubertus een jager was. Hij zou steeds een deel van zijn jachtbuit hebben geofferd. En de toenmalige jagers deden hem dat na.
Al in de 10de eeuw komt de Hubertusverering in het bisdom Trier voor. In de 14de eeuw is dat ook het diocees Keulen een feit, want vanaf 1341 staat er in de Dom van Keulen een Hubertusaltaar gesticht door de Marktgraaf Wilhelm von Jülich. De Hubertusverering was
dus geografisch maar beperkt verspreid.
Rond 1440 voorziet een Stephan Lochner, bisschop Hubertus voor het eerst van een hert. Dan nog op een boek. En het getijdenboek van Katharina von Kleve toont tezelfdertijd - en voor het eerst - de ontmoeting van Hubertus met het kruisdragend hert. Ook twee taferelen uit 1444 en
1451 uit Keulen tonen dit beeld.

Met de overdracht van de hert van Eustatius naar Hubertus werd Hubertus allengs meer de patroonheilige van de jacht. Ook het Franse koningshuis hielp hieraan mee toen zij voor Hubertus per abuis een plaats als een hooggeboren Frankische edelman en voorvader inruimden. De Franse koning Charles VIII (1483 - 1498) heeft waarschijnlijk Hubertus als patroon van de jacht verkozen. Aan het einde van de middeleeuwen beleeft de Hubertusverering in het gebied van Nederrijn en Eifel een grote opleving. En sinds het midden van de 15de eeuw komen pelgrims uit Duitsland, Utrecht, Bourgondië en vanuit Sachsen naar de abdij in Saint Hubert.

Een extra stimulans voor de verering is de stichting van een Hubertusorde door hertog Gerhard de Tweede van Jülich-Berg op Hubertusdag van 1444. Op de beeltenis van de medaille aan de ordeversierselen staat Hubertus met het kruisdragende hert. Met die orde draagt Gerhard ook bij aan de bevestiging van de legende. Ook andere edelen dachten of hoopten dat Hubertus een van hun voorvaderen was. Zo ook keizer Maximiliaan de 1ste (1493 -1519).

De vijfde…
In de 4de en de 5de heiligenbeschrijving staat voor het eerst de ontmoeting met het hert. Een legende die eerder sinds de 6de eeuw aan Sint Eustatius was toegeschreven. Die legende staat beschreven in de 'Legenda aurea' van de Dominikaner Jacobus de Voragine (ca. 1230 -1298, aartsbisschop van Genua). Van 1263 tot 1273 zocht deze pater alle heiligenlegendes bij elkaar.
Hij had nog niet van Hubertus gehoord, want bij hem komt Hubertus niet voor, wel van Eustatius die zich na het zien van een hert met een kruis tussen de geweitakken bekeert.

Historisch te achterhalen is dat ene Eustatius in Rome ten tijde van Paus Gregorius de Grote (590 - 606) als martelaar werd aanbeden. Over het hert is te melden dan het net als de leeuw, de adelaar, de eenhoorn en de peilkaan als symbool voor Christus is gebruikt. Zo werd door allerlei aannames, beïnvloeding en wenselijkheden, Hubertus van bisschop langzaamaan de patroon van de jacht.

In de 5de levensbeschrijving uit de 15de eeuw is het wonder met het hert breedvoerig uitgewerkt. Na het zien van het hert verdeelt Hubertus zijn hebben en houden en gaat hij als kluizenaar leven.

De zesde…..
Aan het einde van de 14de eeuw schrijft Jean d`Outremeuse de geschiedenis van Sint Hubertus op in het Frans. Twee eeuwen later schrijft een monnik uit de abdij van Saint Hubert, Adolphe Happart, op basis hiervan de Latijnse versie die als 6de heiligenbeschrijving staat geboekt.

De zevende…. en laatste
In deze levensbeschrijving neemt het gezinsleven van Hubertus een grote plaats in. In 1526 beschrijft Adolphe Happart de 6de levensbeschrijving opnieuw en zo ontstaat een 7de.
Floribane duikt op als de vrouw van Hubertus. Een ontroerend tafereel speelt zich af nadat Hubertus het hert heeft gezien. Hij verlaat zijn vrouw en laat zich, ondanks haar bidden en smeken, niet ervan afhouden de roep van God te volgen. Floribane sterft jong, maar niet nadat zij het leven heeft geschonken aan Floribertus. Waarna Hubertus hem opvoedt tot zijn
waardige opvolger.
Maar of Hubertus getrouwd was, blijft onzeker. Weliswaar wordt in de eerste levensbeschrijving al een zoon Floribertus genoemd maar dat kan ook zijn volgeling zijn geweest die later zijn opvolger als bisschop van Luik werd. En al was Hubertus getrouwd, dan was dat voor een priester in die tijd niet vreemd.
Bron: site Int. Hubertus-orde

Zijn stoffelijke resten
Saint Hubert dankt zijn ontstaan aan het er in 687 door Beregisius gestichte klooster, dat in 817 - op last van de bisschop van Luik - werd overgedragen aan de Benedictijnen. Na de overbrenging van het lichaam van Sint Hubertus werd de abdij (toen nog Andage geheten) naar deze heilige genoemd.

Nadat Hubertus stoffelijke resten naar Andage waren gebracht, rustten ze sinds de 13de eeuw in een verzilverde relikwieschrijn bezet met kostbare edelstenen op een altaar in de abdijkerk.

De monniken hielden honderden jaren vol dat het complete lichaam van de heilige in de schrijn aanwezig was. Dit terwijl er al her en der relikwieën van Sint Hubertus opdoken. Nog in 1515 bleken de resten nog compleet zoals uit een brief van de monniken aan de Paus Leo X blijkt.
Nadat de de schrijn in 1525 een brand doorstaat, zou hij in 1568 voor rondtrekkende Hugenoten verstopt zijn. Waarschijnlijk in de muren van de kerk. In dat jaar staken ze de kerk in brand en 2 jaar later verkocht de abt de schrijn (zonder het gebeente van Hubertus). Waarschijnlijk
werd deze abt het risico te groot.

Bij reparaties aan de kerkmuren vond men in 1618 de begraafplaats van de heilige terug. Bij de herbegrafenis werd geen verder onderzoek gedaan. Wie er herbegraven werd en of het een compleet stoffelijk overschot betrof, is onduidelijk. Sindsdien zijn er in elk geval geen berichten meer over de stoffelijke resten van Hubertus.

Verder is er het vermoeden dat tijdens de Abt Nicolaas Spirlet het lichaam van Sint Hubertus in 1794 - tijdens de Franse Revolutie - uit de kerk weghaalde en het begroef op een - nu nog steeds - geheime plaats. Want de abt, die was uitgeweken naar het land van Gulik, stierf onverwacht in hetzelfde jaar. En nam dit geheim mee in zijn graf.

Naar een andere opvatting zou in 1796 in het slot Heltorf bij het Duitse Düsseldorf, een Augustijner-koorheer op doorreis een grafkist hebben afgeladen en nooit meer terug geweest zijn om hem op te halen. Over de inhoud van kist had hij niets gezegd, maar uit de grootte en de uitvoering van de kist leek af men te kunnen afleiden dat hij uit Saint Hubert afkomstig was en de resten van de heilige bevatte.
Admiraal Graf von Spee, een van de sloteigenaren liet in 1910 het lijk uit de kist in de universiteit van Keulen onderzoeken. Maar daaruit bleek niet duidelijk dat het de stoffelijke resten van Sint Hubertus waren. De oom van de huidige slotheer, Wilderich Graf von Spee (1887-1967) liet de kist in de slotkapel bijzetten. Op het smeedijzer hek staat 'Incogniti Corpus'.
Bron: site Int. Hubertus-orde

 

De commentaren zijn gesloten.