10-11-16

theodorus de Studiet

HEILIGENLEVEN

 

De heilige Theodorus de Studiet

Theodoor de studiet.jpg

heilige Theodorus de Studiet

 

De heilige Theodorus Studites, brengt ons midden in de Middeleeuwen in het Byzantijnse Rijk, in een tamelijk onrustige periode op religieus en politiek vlak. De heilige Theodorus werd in 759 geboren in een edele en vrome familie: zijn moeder Theoctista en zijn nonkel Plato, abt van het klooster van Sakkudion in Bithinië, worden als heiligen vereerd. Het was zijn nonkel, die hem de weg naar het kloosterleven toonde, en daarvoor koos hij op 22-jarige leeftijd. Hij werd door patriarch Tarasius tot priester gewijd, maar brak met hem omwille van de zwakke houding die hij aannam tegenover het overspelige huwelijk van keizer Constantijn VI. Met als gevolg dat hij in 796 naar Tessalonica verbannen werd. Het jaar daarop kwam er terug verzoening met het keizerlijk gezag onder keizerin Irene, door wiens welwillendheid Theorodus en Plato, met een groot deel van de monnikengemeenschap van Saccoudion, hun intrek konden nemen in het stedelijk klooster van Stoudion om de invallen van de Sarrazenen te vermijden. Zo begon de grote “Studietische hervorming”.


Doch, de persoonlijke geschiedenis van Theodorus, bleef bewogen. Met zijn gekende energie, leidde hij de weerstand tegen het iconoclasme van Leo V de Armeniër, die zich opnieuw kantte tegen beelden en iconen in de kerken. De processie met iconen die de monniken van Stoudion organiseerden, ontketende reactie bij de politie. Tussen 815 en 821 werd Theodorus gegeseld, gevangen genomen en naar verschillende plaatsen in Klein Azië verbannen. Uiteindelijk mocht hij terug binnen in Constantinopel maar niet meer in zijn klooster. Dan vestigde hij zich met zijn monniken aan de andere kant van de Bosporus. Hij stierf naar het schijnt, in Prinkipo op 11 november 826, dag waarop de Byzantijnse kalender hem gedenkt. Theodorus onderscheidde zich in de Kerkgeschiedenis als één van de grote hervormers van het kloosterleven en ook als verdediger van de heiligenbeelden tijdens de tweede fase van het iconoclasme, aan de zijde van de patriarch van Constantinopel, de heilige Niceforus. Theodorus had begrepen dat de kwestie van de iconenverering te maken had met de waarheid van de Menswording zelf. In zijn drie boeken “Antirretikoi” (“Weerleggingen”), maakte Theodorus een vergelijking tussen de eeuwige relaties binnen de Drie-eenheid, waar het bestaan van elke Goddelijke persoon afzonderlijk hun eenheid niet tenietdoet en de relatie tussen de twee naturen in Christus, die de unieke Persoon van de Logos niet in gevaar brengen. Zijn argumentatie luidt als volgt: de verering van een Christusicoon afschaffen zou betekenen, Zijn verlossend werk afschaffen, want door de menselijke natuur aan te nemen, is het onzichtbare eeuwige Woord in het zichtbare menselijke vlees verschenen en heeft Het zo heel de zichtbare kosmos geheiligd. Iconen, geheiligd door liturgische zegeningen en door de gebeden van de gelovigen, verenigen ons met de Persoon van Christus, met de heiligen en op hun voorspraak, met de hemelse Vader en getuigen van de toegang van onze zichtbare en stoffelijke kosmos tot de Goddelijke werkelijkheid.

Theodorus en zijn monniken zijn als getuigen van moed in een tijd van iconoclastische vervolging, onlosmakelijk verbonden met de hervorming van het gemeenschapsleven in de Byzantijnse wereld. Hun belang dringt zich zelfs op door een uiterlijk gegeven: hun aantal. Terwijl de kloosters van die tijd niet meer dan dertig of veertig monniken telden, vernemen wij in het “Leven van Theodorus” dat er in totaal in de Studietische kloosters meer dan duizend waren. Theodorus licht ons zelf in over de aanwezigheid van ongeveer driehonderd monniken in zijn klooster; wij zien dus de begeestering van het geloof die ontstond rond deze man, die echt door het geloof gevormd was. Doch, meer dan het aantal, bleek de nieuwe geest die de stichter aan het gemeenschapsleven gaf, invloed te hebben. In zijn geschriften benadrukt hij de noodzaak van een bewuste terugkeer naar de leer van de Kerkvaders, vooral naar de heilige Basilius, de eerste die aan het kloosterleven een regel gaf en naar de heilige Dorotheüs van Gaza, de bekende spirituele vader in de woestijn van Palestina. De karakteristieke bijdrage van Theodorus ligt in de nadruk op de noodzaak van orde en onderwerping van de monniken. Tijdens de vervolging waren zij verstrooid geraakt en ieder leefde volgens eigen inzicht. Nu het opnieuw mogelijk was het gemeenschapsleven te organiseren, vroeg het een grondig engagement om van het klooster een ware georganiseerde gemeenschap te maken, een ware familie of zoals hij zegt, een waarachtig “Lichaam van Christus”. Zo een gemeenschap is de concrete realisatie van de Kerk in haar geheel.


Een andere basisovertuiging van Theodorus is deze: ten overstaan van leken, nemen monniken het engagement om de christelijke plichten te vervullen, strenger en intenser op. Daarom leggen zij een bijzondere gelofte af die tot de “hagiasmata” (wijdingen) behoort, bijna een nieuw doopsel; het habijt is daarvan het symbool. Aan de andere kant is het engagement voor armoede, kuisheid en gehoorzaamheid eigen aan monniken, in tegenstelling tot leken. Wanneer Theodorus zich tot monniken richt, spreekt hij concreet, soms bijna schilderachtig, over armoede; deze is in de navolging van Christus en van in den beginne een essentieel element van het kloosterleven maar wijst eveneens de weg voor ons allen. Onthechting aan bezit van materiële dingen, vrijheid tegenover bezit, matigheid en eenvoud gelden op een radicale manier alleen voor monniken, doch de geest van deze onthechting is dezelfde voor iedereen. Inderdaad, wij mogen niet afhankelijk zijn van materieel bezit, wij moeten integendeel onthechting leren, soberheid, strengheid en matigheid. Alleen zo kan een solidaire samenleving bloeien en kan het grote probleem van de armoede in de wereld overwonnen worden. Zo wijst het radicale teken van de armoede bij monniken, wezenlijk ook de weg voor ons allen. Wanneer hij het vervolgens heeft over de bekoringen tegen de kuisheid, verbergt Theodorus zijn ervaring niet en toont hij de weg van de innerlijke strijd om zelfbeheersing te vinden en zo, eerbied voor het eigen lichaam en dat van de andere, als tempel van God.

Maar de grootste onthechting is voor hem die van de gehoorzaamheid, want iedere monnik heeft zijn eigen manier van leven en het feit tot een grote gemeenschap van driehonderd monniken te behoren, veronderstelt werkelijk een nieuwe levenswijze die hij het “martelaarschap van de onderwerping” noemt. Ook hier geven de monniken een voorbeeld van de noodzaak daarvan, want sinds de erfzonde heeft de mens de neiging zijn eigen wil te doen, staat het wereldse leven voorop en wordt alles aan de eigenwil onderworpen. Maar indien iedereen slechts zichzelf volgt, kan de sociale structuur niet werken. Alleen als men zich leert aansluiten bij de gemeenschappelijke vrijheid, als men ze leert delen en er zich aan onderwerpt, als men leert trouw te zijn, ’t is te zeggen als men zich onderwerpt en gehoorzaamt aan de regels van het algemeen welzijn en het gemeenschapsleven, kan een samenleving genezen, zodat het 'ik' van de hoogmoed niet meer in het midden staat. Zo helpt de heilige Theodorus zijn monniken en uiteindelijk ook ons, om door middel van een fijngevoelige introspectie, het ware leven te begrijpen, te weerstaan aan de bekoring om van zijn eigen wil de hoogste levensregel te maken, zijn ware persoonlijke identiteit te bewaren – die altijd een identiteit met de anderen is – evenals de vrede des harten.

Voor Theodorus de Studiet is een even belangrijke deugd als gehoorzaamheid en nederigheid, de “philergia”, liefde voor het werk, waarin hij een criterium ziet om de kwaliteit van iemands devotie te testen: wie vurig is in materiële engagementen, wie met toewijding werkt, zo beweert hij, is dat ook in zijn spirituele engagementen. Hij laat dus niet toe dat de monnik zich, onder het voorwendsel van gebed en contemplatie, ontslaat van werk, evenmin van handenarbeid, wat volgens hem en volgens heel de monastieke traditie, het middel is om God te vinden. Theodorus heeft geen schrik om werk het “offer van de monnik” te noemen, zijn “liturgie” en zelfs een soort van Mis dat het monastieke leven engelachtig maakt. Juist zo moet de wereld van het werk gehumaniseerd worden en wordt de mens door het werk meer zichzelf, komt hij dichter bij God. Een gevolg van deze opmerkelijke visie is vermeldenswaard: juist omdat ze de vrucht zijn van een vorm van “liturgie”, mogen de rijkdommen die voortkomen uit het gezamenlijk werk niet dienen voor het comfort van de monniken maar zijn ze bestemd voor hulp aan de armen. Hier ziet iedereen dat de vrucht van het werk noodzakelijk aan iedereen ten goede komt. Het is evident dat het werk van de “Studieten” niet alleen manueel was: zij waren van groot belang voor de religieuze en culturele ontwikkeling van de Byzantijnse beschaving als kalligraaf, schilder, dichter, opvoeder, leraar, bibliothecaris.

Alhoewel Theodorus een uitgebreide activiteit aan de dag legde, liet hij zich niet verstrooien door wat hem afleidde van wat strikt behoorde tot zijn functie van overste: de geestelijke vader zijn van iedereen. Hij kende de doorslaggevende invloed die zijn goede moeder en zijn heilige nonkel Plato - die hij betekenisvol “vader” noemde - op hem hadden uitgeoefend. Hij had dus de geestelijke leiding over zijn monniken. Iedere dag, zo vertelt zijn biograaf, ging hij na het avondgebed voor de iconostase zitten om naar ieders vertrouwelijke mededelingen te luisteren. Hij gaf ook geestelijke raad aan vele mensen van buiten het klooster. Het “Testamento spirituale” en de “Brieven” benadrukken zijn open en liefdevol karakter en tonen dat uit zijn vaderschap ware geestelijke vriendschappen groeiden in het monastieke midden en erbuiten.

De “Regel”, gekend onder de naam “Hypotyposis”, die kort na Theodorus’ dood gecodificeerd werd, werd mits enkele wijzigingen overgenomen op de Berg Athos toen de heilige Athanasius de Athoniet er in 962 de Grote Lavra (Klooster) stichtte en in het Rus’ van Kiev, toen bij de aanvang van het tweede millennium de heilige Theodosius hem in het Grottenklooster invoerde. Begrepen in zijn authentieke zin, blijkt de “Regel” opmerkelijk actueel. Er bestaan vandaag talrijke stromingen die de eenheid van het gemeenschappelijke geloof bedreigen en naar een soort van gevaarlijk spiritueel individualisme en intellectuele hoogmoed leiden. Er is engagement nodig om de volmaakte eenheid van het Lichaam van Christus te verdedigen en te doen groeien, zodat vrede door orde en oprechte persoonlijke relaties in de Geest harmonieus tot stand kunnen komen.

Het is misschien nuttig tot slot enkele van de belangrijkste elementen van de geestelijke leer van Theodorus te hernemen. Liefde voor de mens geworden Heer en voor Zijn zichtbaarheid in de liturgie en de iconen. Trouw aan het Doopsel en engagement om te leven in de gemeenschap van het Lichaam van Christus, dat ook begrepen wordt als de gemeenschap van de Christenen onderling. Geest van armoede, matigheid, onthechting; kuisheid, zelfbeheersing, nederigheid en de gehoorzaamheid die ingaat tegen het primaat van de eigenwil die de sociale structuur en de vrede in de zielen tenietdoet. Liefde voor materieel en spiritueel werk. Geestelijke vriendschap die ontstaat door de zuivering van zijn geweten, van zijn ziel, van zijn leven. Proberen wij deze leer te volgen, die ons werkelijk de weg toont naar het echte leven.

De commentaren zijn gesloten.